CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 17 november 2005 (1)
Zaak C‑371/03
Siegfried Aulinger
tegen
Bondsrepubliek Duitsland
1. In deze zaak heeft het Oberlandesgericht Köln (Duitsland) het Hof van Justitie twee prejudiciële vragen voorgelegd betreffende de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1432/92 van de Raad van 1 juni 1992 houdende een verbod op de handel tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republieken Servië en Montenegro (hierna: „embargoverordening”).(2)
2. De nationale rechter wenst in wezen te vernemen of artikel 1, sub d, van de embargoverordening „gefragmenteerd vervoer” van reizigers naar of vanuit embargolanden verbiedt. Onder dergelijk vervoer moet worden verstaan commercieel vervoer van personen bij wege van economische samenwerking tussen een in een lidstaat van de Gemeenschap gevestigde onderneming en een in het embargogebied gevestigde onderneming, waarbij eerstgenoemde onderneming zorgt voor het vervoer tot aan en vanaf een plaats bij de grens van het embargogebied en laatstgenoemde voor vervoer vanaf deze plaats naar het embargogebied en omgekeerd, met een vooraf geregelde overstap door de reizigers en betaling van een enkel vervoerbewijs dat de reizigers een vervoerrecht voor het hele traject geeft.
Rechtskader
3. Tegen de achtergrond van de conflicten die zijn gerezen toen verschillende republieken van de voormalige Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië onafhankelijk werden, in het bijzonder de in 1992 in Bosnië-Herzegovina gerezen conflicten, heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (VN) overeenkomstig hoofdstuk VII van het VN-Handvest resolutie 757 (1992) aangenomen, waarbij een economisch embargo werd ingesteld tegen de Republieken Servië en Montenegro (hierna: „VN-embargoresolutie”). Dit embargo betrof in de eerste plaats alle handelsverkeer in grondstoffen en goederen.
4. Paragraaf 4 van de VN-embargoresolutie bepaalt dat alle staten dienen te verhinderen:
„a) de invoer op hun grondgebied van alle grondstoffen en goederen van oorsprong uit de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro) die van daar zijn uitgevoerd na de dag van aanneming van de onderhavige resolutie;
b) alle activiteiten van hun onderdanen of op hun grondgebied die ten doel of tot gevolg hebben de uitvoer of doorvoer van grondstoffen of goederen van oorsprong uit de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro) te bevorderen; en alle door hun onderdanen of met gebruik van onder hun vlag opererende schepen of vliegtuigen verrichte transacties in grondstoffen of goederen van oorsprong uit de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro) en die van daar zijn uitgevoerd na de dag van aanneming van de onderhavige resolutie, waaronder met name de overmaking van geld aan de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro) voor dergelijke activiteiten of transacties;
c) de verkoop of levering door hun onderdanen of vanaf hun grondgebied of met gebruik van onder hun vlag opererende schepen of vliegtuigen van grondstoffen of goederen, al dan niet afkomstig van hun grondgebied, met uitzondering evenwel van leveringen voor zuiver medische doeleinden en levensmiddelen die zijn aangemeld bij het ingevolge resolutie 724 (1991) opgerichte comité, aan natuurlijke of rechtspersonen in de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro) of aan natuurlijke of rechtspersonen ten behoeve van enige handelsactiviteit in of vanuit de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro), en activiteiten van hun onderdanen of op hun grondgebied die de verkoop of levering van dergelijke grondstoffen of goederen bevorderen of beogen te bevorderen.”
5. Paragraaf 5 van de VN-embargoresolutie bepaalt: „[...] de staten mogen geen geld of enig ander financieel of economisch middel ter beschikking stellen van de autoriteiten van de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro) of van handelsondernemingen, industriële ondernemingen of openbaarnutsbedrijven in de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro), en dienen te voorkomen dat hun onderdanen en alle op hun grondgebied aanwezige personen vanaf hun grondgebied zulke gelden of middelen overmaken of op enige wijze ter beschikking stellen aan die autoriteiten of ondernemingen, of anderszins betalingen doen aan natuurlijke of rechtspersonen die zich in de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro) bevinden, met uitzondering van betalingen die uitsluitend bestemd zijn voor zuiver medische of humanitaire doeleinden of voor levensmiddelen.”
6. Om gevolg te geven aan de VN-embargoresolutie zijn de Gemeenschap en haar lidstaten overeengekomen gebruik te maken van een communautair instrument, de embargoverordening. Blijkens de tiende overweging van de considerans van de verordening beoogden zij hiermee een eenvormige tenuitvoerlegging van bepaalde maatregelen van de embargoresolutie in de hele Gemeenschap te garanderen.
7. Volgens deze verordening geldt met ingang van 31 mei 1992 een algemeen verbod op de handel in grondstoffen of goederen tussen de Gemeenschap en de Republieken Servië en Montenegro en op alle activiteiten die deze handel rechtstreeks of indirect bevorderen. Daarnaast verbiedt artikel 1, sub d, van de embargoverordening het verlenen van niet-financiële diensten die ten doel of tot gevolg hebben dat de economie van de Republieken Servië en Montenegro rechtstreeks of indirect wordt begunstigd, in het bijzonder van niet-financiële diensten:
„i) ten behoeve van een economische activiteit die in of vanuit de Republieken Servië en Montenegro wordt uitgeoefend, dan wel
ii) ten behoeve van een van de volgende personen:
– elke natuurlijke persoon in de Republieken Servië en Montenegro,
– elke rechtspersoon die volgens de wetgeving van de Republieken Servië of Montenegro is opgericht en rechtspersoonlijkheid heeft verkregen,
– elke instelling die (al dan niet in de Republieken Servië en Montenegro) een economische bedrijvigheid uitoefent en die wordt gecontroleerd door personen die in de Republieken Servië of Montenegro hun woonplaats hebben of door lichamen die volgens de wetgeving van deze Republieken zijn opgericht en rechtspersoonlijkheid hebben verkregen.
[...]”
8. Artikel 5 van de embargoverordening bepaalt dat deze verordening van toepassing is „op het grondgebied van de Gemeenschap, met inbegrip van haar luchtruim, en op elk luchtvaartuig of vaartuig onder jurisdictie van een lidstaat, alsmede op iedere persoon elders die onderdaan is van een lidstaat en op iedere persoon elders die rechtspersoonlijkheid heeft verkregen dan wel is opgericht volgens het recht van een lidstaat”.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
9. S. Aulinger heeft een in Duitsland gevestigd autobusbedrijf. Zelfs na de inwerkingtreding van de embargoverordening vervoerde hij gastarbeiders, met name Serviërs en Montenegrijnen, naar een plaats bij de grens van het embargogebied. Daar stapten de reizigers over en werden zij door een in het embargogebied gevestigde busonderneming verder vervoerd naar een eindbestemming in Servië en Montenegro. De terugreis van Servië en Montenegro naar Duitsland verliep op dezelfde wijze. Dit soort vervoer wordt door de nationale rechter „gefragmenteerd vervoer” genoemd.
10. Aulinger handelde als onderaannemer voor een in Duitsland gevestigd reisbureau, Deutsche Touring GmbH, dat de volledige busreis tussen de plaatsen van vertrek in Duitsland en de plaatsen van bestemming in Servië en Montenegro en omgekeerd organiseerde, en voor de hele reis een enkel „rechtstreeks vervoerbewijs” verstrekte. De ondernemingen die instonden voor het gedeelte van de busreis dat door Servië en Montenegro voerde, werkten op basis van een samenwerkingsovereenkomst met Deutsche Touring GmbH, dat hun vergoeding op een q.q.-rekening stortte of hun krediet verschafte. De partner in het embargogebied kon dat krediet dan overdragen of als zekerheid bij transacties met derden gebruiken.
11. Na een controle door douaneambtenaren aan de Oostenrijks-Duitse grens bij een terugreis naar Duitsland in januari 1993 werd strafvervolging tegen Aulinger ingesteld wegens inbreuk op de embargoverordening. Aulinger staakte zijn deelneming aan het gefragmenteerd vervoer, met name omdat de Duitse autoriteiten na informele contacten hadden bevestigd dat dergelijke activiteiten ongeoorloofd waren.
12. De strafvervolging tegen Aulinger werd stopgezet nadat het Bundesgerichtshof bij arrest van 21 april 1995 had beslist dat de VN-embargoresolutie het vervoer van particulieren op het grondgebied van Servië en Montenegro niet verbood. Dit hof oordeelde ook dat het geen uitspraak hoefde te doen over de vraag of hetzelfde voor de embargoverordening gold, aangezien een inbreuk op die verordening naar nationaal recht geen strafbaar feit kon zijn.
13. Aulinger heeft daarop vergoeding voor de geleden schade gevorderd. Na schadeloosstelling door de Freistaat Bayern, die verantwoordelijk was voor de strafvervolging, heeft hij in september 2001 ook tegen de Bondsrepubliek Duitsland een schadevordering ingesteld. Aulinger vorderde 500 000 DEM schadevergoeding wegens verlies van zijn belangrijkste bron van inkomsten als gevolg van de nagenoeg volledige stopzetting van zijn vervoersactiviteiten naar en van de grens met Servië en Montenegro. Zijn vordering was gebaseerd op het argument dat de embargoverordening, anders dan de Duitse autoriteiten menen, „gefragmenteerd vervoer” niet verbood. Ter ondersteuning van zijn vordering verwees Aulinger naar het feit dat andere lidstaten, en aanvankelijk ook de Commissie, zich op het standpunt stelden dat dergelijke activiteiten niet verboden waren door de embargoverordening en dat de Duitse autoriteiten andere lidstaten hadden moeten raadplegen alvorens een standpunt in te nemen over deze voor het overleven van veel busondernemingen cruciale kwestie.
14. Het Landgericht Bonn heeft de schadevordering van Aulinger bij arrest van 4 september 2002 afgewezen, met name omdat de uitlegging die Duitsland van de embargoverordening gaf verdedigbaar was en dus de schuld ontbrak die bij § 839 van het Bürgerliches Gesetzbuch (burgerlijk wetboek) vereist was om de staat aansprakelijk te kunnen stellen.
15. Tegen dat arrest heeft Aulinger hoger beroep ingesteld bij het Oberlandesgericht Köln, dat de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof de volgende twee prejudiciële vragen heeft gesteld:
„1) Moest artikel 1, sub d, van [verordening nr. 1432/92] aldus worden uitgelegd dat het geoorloofd of verboden was, op commerciële basis personen naar respectievelijk uit het embargogebied te vervoeren met gebruikmaking van zogeheten „gefragmenteerd vervoer”?
Onder gefragmenteerd vervoer moet worden verstaan: het vervoer van personen naar respectievelijk vanuit het embargogebied bij wege van samenwerking tussen een in een lidstaat van de Gemeenschap gevestigde onderneming en een in het embargogebied gevestigde onderneming, waarbij de eerste zorg draagt voor het vervoer tot bij de grens met het embargogebied en de laatste voor het verdere vervoer naar en binnen het embargogebied (met overstap door de reizigers).
2) Ingeval het Hof het gefragmenteerd vervoer geoorloofd acht: was een lidstaat op grond van de artikelen 10 EG of 297 EG of andere regels van gemeenschapsrecht verplicht, andere lidstaten en/of de Commissie te raadplegen alvorens nationale maatregelen te treffen op grond van de vermeende ongeoorloofdheid van het gefragmenteerd vervoer?”
16. Aulinger, Duitsland en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend en waren ter terechtzitting vertegenwoordigd.
De eerste vraag
Opmerkingen
17. Met zijn eerste vraag wenst de nationale rechter te vernemen of „gefragmenteerd vervoer”, zoals hierboven beschreven, op grond van artikel 1 van de embargoverordening verboden is.
18. Aulinger maakt een onderscheid tussen „gefragmenteerd vervoer” vanuit of naar het embargogebied, in zijn geheel beschouwd, en het verrichten van tot dat vervoer bijdragende deelprestaties, zoals de diensten die hij voor de organisator van het „gefragmenteerd vervoer” in niet onder het embargo vallend gebied verrichtte. Volgens Aulinger is noch het ene noch het andere strijdig met de embargoverordening.
19. Het standpunt dat de diensten die Aulinger in het kader van het „gefragmenteerd vervoer” heeft verricht strijdig zijn met de embargoverordening, leidt volgens hem tot het absurde resultaat dat elke handeling die indirect heeft bijgedragen tot het „gefragmenteerd vervoer” verboden was. Zo zouden ook de persoon die de buskaartjes voor de reis verkocht, de pompbediende die de tank van de bus vulde, en zelfs de reizigers die de prijs van de buskaartjes betaalden, de embargoverordening hebben overtreden. Het embargo is van economische aard maar heeft niet tot doel particuliere reizen of het vervoer van personen te verbieden.
20. Hetzelfde geldt volgens Aulinger voor de organisatie van het „gefragmenteerd vervoer” in zijn geheel. Voorzover de embargoverordening tot doel heeft een uniforme tenuitvoerlegging van de in de VN-embargoresolutie vervatte maatregelen in de gehele Gemeenschap te garanderen, moet artikel 1, sub d, van de embargoverordening worden uitgelegd in het licht van deze resolutie. Paragraaf 5 van de resolutie verbiedt de staten enkel „geld of enig ander financieel of economisch middel” beschikbaar te stellen aan de autoriteiten of enige onderneming in de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro). Zelfs indien het begrip economisch middel het verrichten van diensten voor Servische en Montenegrijnse ondernemingen zou inhouden, zou het vervoeren van reizigers naar Servische en Montenegrijnse vervoersondernemingen niet als zodanig kunnen worden beschouwd. De enige ontvangers van de diensten zijn in dit geval de reizigers.
21. De Duitse regering is van mening dat het commerciële vervoer van personen een dienst is in de zin van artikel 1, sub d, van de embargoverordening, dat zeer algemeen is geformuleerd. Of het vervoer gefragmenteerd is dan wel rechtstreeks plaatsvindt, is in dit opzicht niet van belang. „Gefragmenteerd vervoer” begunstigt minstens indirect de economie van de Republieken Servië en Montenegro door onder meer voordelen te verschaffen aan in het embargogebied gevestigde ondernemingen die worden vergoed voor het vervoer van reizigers – en aldus economische middelen beschikbaar te stellen aan deze ondernemingen en uiteindelijk aan de economie van embargolanden – en door de indirecte invoer van deviezen door de reizigers.
22. Die letterlijke uitlegging vindt ook steun in de interne logica en de doelstellingen van de embargoverordening. De Duitse regering verwijst naar de negende overweging van de considerans van de verordening, die zonder meer bepaalt dat „de economische betrekkingen van de Gemeenschap met de Republieken Servië en Montenegro moeten worden stilgelegd”.
23. Volgens de Duitse regering moet de embargoverordening los van de VN-embargoresolutie worden uitgelegd. Omdat de Gemeenschap geografisch in de nabijheid van het embargogebied ligt, was de communautaire wetgever bevoegd om tot een strenger embargo te besluiten dan dat waarin de VN-embargoresolutie voorziet.
24. De Duitse regering betoogt verder dat de verplichting om het nuttig effect van de embargoverordening te verzekeren, ook een verbod van „gefragmenteerd vervoer” vereist. Anders hadden de bepalingen van de verordening gemakkelijk kunnen worden omzeild door middel van samenwerkingsovereenkomsten tussen busondernemingen uit de Gemeenschap en Servische en Montenegrijnse busondernemingen.
25. De Commissie geeft onder verwijzing naar het arrest in de zaak Bosphorus(3) toe dat bij de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht die is vastgesteld om uitvoering te geven aan een resolutie van de Veiligheidsraad van de VN, rekening moet worden gehouden met die resolutie. Het verbod op het verlenen van niet-financiële diensten van artikel 1, sub d, van de embargoverordening, dat het voorwerp is van het hoofdgeding, vloeit echter niet voort uit de VN-embargoresolutie, die enkel de handel in grondstoffen en goederen en daarmee samenhangende diensten, alsook financiële transacties betreft.
26. De Commissie spitst haar aandacht toe op artikel 1, sub d, van de embargoverordening en maakt een onderscheid tussen drie soorten vervoer van personen naar en vanuit het embargogebied, namelijk rechtstreeks vervoer van reizigers naar of vanuit het embargogebied, vervoer van een plaats in de Gemeenschap naar de grens met de embargolanden zonder een georganiseerde overstap van reizigers op bussen van een partneronderneming die zorgt voor het vervoer op het traject binnen het embargogebied en vice versa, en „gefragmenteerd vervoer” zoals dat aan de orde is in het hoofdgeding.
27. De Commissie voert aan dat het tweede soort vervoer niet onder het verbod van artikel 1 van de embargoverordening valt, terwijl het rechtstreeks vervoer en het „gefragmenteerd vervoer” van reizigers er wel onder vallen.
28. Rechtstreeks vervoer strekt volgens de Commissie de economie van de embargolanden op twee manieren tot voordeel. Enerzijds maakt het Servische en Montenegrijnse vervoersmiddelen vrij voor ander gebruik, anderzijds stelt het gastarbeiders in staat om financiële middelen te repatriëren.
29. „Gefragmenteerd vervoer” is volgens haar een niet-financiële dienst die de onder het embargo vallende nationale economieën indirect steunt. Op grond van de samenwerkingsovereenkomst met in het embargogebied gevestigde vervoersondernemingen zorgt de onderneming uit de Gemeenschap voor de aankomst van de reizigers in dat gebied en derhalve voor de repatriëring van deviezen door laatstgenoemden. Door de in het embargogebied gevestigde partnerondernemingen te vergoeden voor het op het grondgebied van Servië en Montenegro afgelegde deel van de reis, levert de onderneming uit de Gemeenschap bovendien een indirecte bijdrage aan de economie van die landen.
30. De Commissie stelt ten slotte dat de nationale rechter in het kader van het hoofdgeding dient uit te maken wie in feite verantwoordelijk is voor het verrichten van de verboden dienst. De nationale rechter moet bepalen of kan worden aangenomen dat Aulinger, zonder rechtstreeks verantwoordelijk te zijn voor de gehele organisatie en realisatie van deze dienst, door zijn deelname aan het „gefragmenteerd vervoer” het embargo heeft geschonden.
Bespreking
31. Ten eerste kan het door de embargoverordening opgelegde verbod op het verlenen van niet-financiële diensten mijns inziens los van de VN-embargoresolutie worden uitgelegd. In het dispositief van de verordening wordt het embargo, dat betrekking heeft op de handel in grondstoffen en goederen en op het onderhouden van financiële betrekkingen, immers uitgebreid tot niet-financiële diensten. Aangezien de VN-embargoresolutie geen bepaling omvat die de staten ervan weerhoudt om bijkomende embargomaatregelen te nemen, kon de Gemeenschap binnen de grenzen van de haar door het EG-Verdrag, in het bijzonder artikel 113, verleende bevoegdheden om eigen beleidsredenen daartoe besluiten. Deze verder reikende maatregelen van de Gemeenschap kunnen los van de VN-embargoresolutie worden uitgelegd, mits zij er niet mee in strijd zijn, wat volgens mij niet het geval is.
32. Artikel 1, sub d, is zeer algemeen geformuleerd en verbiedt het verlenen van niet-financiële diensten die „ten doel of tot gevolg hebben dat de economie van de Republieken Servië en Montenegro rechtstreeks of onrechtstreeks wordt begunstigd”.(4) Als voorbeelden van verboden diensten noemt die bepaling „in het bijzonder”(5) niet-financiële diensten ten behoeve van „een economische activiteit”(6) die in of vanuit de Republieken Servië en Montenegro wordt uitgeoefend of ten behoeve van elke natuurlijke persoon of rechtspersoon in die republieken of elke instelling die (al dan niet in die republieken) een economische activiteit uitoefent en die wordt gecontroleerd door in die republieken wonende personen of door lichamen die volgens de wetgeving van die republieken zijn opgericht en rechtspersoonlijkheid hebben verkregen.
33. Uit die formulering kan alleen maar worden afgeleid dat het verrichten van „gefragmenteerd vervoer”, zoals in het hoofdgeding aan de orde is, verboden is.
34. Gaat men uit van een letterlijke uitlegging, dan komt het gezamenlijke en gecoördineerde optreden van de busondernemingen uit de Gemeenschap en uit Servië en Montenegro onder de algemene leiding van het Duitse reisbureau neer op het verlenen van een niet-financiële dienst aan in Servië en Montenegro gevestigde natuurlijke personen. De reizigers krijgen slechts één vervoerbewijs voor de hele reis, dat hun het recht geeft te worden vervoerd tussen plaats A in het embargogebied en plaats B in de Gemeenschap. Het staat buiten kijf dat minstens een deel van de reizigers aan wie die diensten worden verleend, waarschijnlijk natuurlijke personen in Servië en Montenegro zoals bedoeld in artikel 1, sub d, van de embargoverordening zijn.
35. Het feit dat de reizigers aan de grens op een andere bus moeten overstappen, doet niet af aan hun recht om het volledige traject af te leggen. Een enkel vervoerbewijs geeft hun het recht aan de grens over te stappen op bussen die volgens dezelfde georganiseerde dienstregeling door samenwerkende busondernemingen worden beheerd en die hen naar hun eindbestemming brengen. De reizigers worden niet aan hun lot overgelaten en hoeven voor hun verder vervoer niets te regelen en voor de voortzetting van hun reis aan de grens geen ander buskaartje te kopen.
36. Ik ben het eens met de Commissie en de Duitse regering dat dit „gefragmenteerd vervoer” de economie van de embargolanden, althans indirect, in twee opzichten begunstigt. Ten eerste maakt het via de terugkeer van gastarbeiders de invoer van deviezen in het embargogebied mogelijk. Ten tweede schept het voor de in Servië en Montenegro gevestigde busondernemingen die voor het in het embargogebied afgelegde traject verantwoordelijk zijn en worden vergoed, zakelijke mogelijkheden die zij anders wellicht niet zouden hebben.
37. Het feit dat deze vergoeding op een q.q.-rekening wordt gestort of de vorm van een door Deutsche Touring GmbH verschaft krediet aanneemt, is mijns inziens van geen belang, aangezien uit de verwijzingsbeschikking blijkt dat de partnerondernemingen dat krediet nog konden overdragen of als zekerheid in hun betrekkingen met derden konden gebruiken, zodat zij in ruil voor hun diensten een economisch voordeel kregen.
38. Aanvaarding van „gefragmenteerd vervoer” zou, zoals de Duitse regering betoogt, ook tot ondermijning van het nuttig effect van de embargoverordening leiden, omdat de bepalingen ervan gemakkelijk zouden kunnen worden omzeild door samenwerkingsovereenkomsten tussen ondernemingen uit de Gemeenschap en Servische en Montenegrijnse ondernemingen.
39. Ten slotte is het de nationale rechter die in het licht van de feiten van het hoofdgeding moet bepalen of Aulinger, gelet op de rol die hij als onderaannemer van Deutsche Touring GmbH in het „gefragmenteerd vervoer” heeft gespeeld, met zijn optreden het embargo heeft geschonden.
40. Gelet op een en ander ben ik van mening dat het Hof op de eerste vraag moet antwoorden dat artikel 1, sub d, van de embargoverordening ondernemingen uit de Gemeenschap verbiedt „gefragmenteerd vervoer” naar en vanuit het embargogebied te verrichten.
De tweede vraag
41. Gelet op het antwoord op de eerste vraag wordt de tweede vraag overbodig. Ik zal er toch kort op ingaan voor het geval dat het Hof zou oordelen dat „gefragmenteerd vervoer” niet verboden was door de embargoverordening.
42. De nationale rechter wenst in wezen te vernemen of de lidstaten op grond van het gemeenschapsrecht verplicht waren andere lidstaten en/of de Commissie te raadplegen alvorens nationale maatregelen te treffen wegens de vermeende ongeoorloofdheid van het „gefragmenteerd vervoer”.
43. Aulinger stelt dat Duitsland daartoe verplicht was op grond van artikel 10 EG over de loyale samenwerking tussen de lidstaten en de Gemeenschap, gelezen in samenhang met artikel 133 EG over het handelsbeleid van de Gemeenschap, de overwegingen van de considerans van de embargoverordening volgens welke de lidstaten zijn overeengekomen gebruik te maken van een communautair instrument om een uniforme tenuitvoerlegging van de embargomaatregelen te garanderen, en artikel 297 EG, op grond waarvan de lidstaten verplicht zijn onderling overleg te plegen om te voorkomen dat de werking van de gemeenschappelijke markt ongunstig wordt beïnvloed door de maatregelen waartoe een lidstaat zich genoopt kan voelen, onder meer in geval van oorlog of een ernstige internationale spanning die oorlogsgevaar inhoudt, of om te voldoen aan de verplichtingen die hij met het oog op het behoud van de vrede en van de internationale veiligheid heeft aangegaan.
44. Zowel Duitsland als de Commissie voert aan dat, wanneer er geen specifieke bepaling van gemeenschapsrecht is die de lidstaten verplicht elkaar of de Commissie te raadplegen − wat wel het geval was in andere gemeenschapsverordeningen tot instelling van een economisch embargo, maar niet in de onderhavige embargoverordening − er naar gemeenschapsrecht niet een dergelijke verplichting bestaat. De lidstaten en de Commissie verplichten het eens te worden over de juiste uitlegging van de betrokken bepalingen van gemeenschapsrecht is huns inziens bovendien strijdig met het uit artikel 220 EG voortvloeiende beginsel dat uiteindelijk enkel het Hof een authentieke uitlegging van het gemeenschapsrecht kan geven.
45. Ik ben het in wezen eens met de redenering van de Commissie en Duitsland. Volgens vaste rechtspraak hebben de lidstaten overeenkomstig de algemene beginselen die ten grondslag liggen aan het institutionele stelsel van de Gemeenschap en die de betrekkingen tussen de Gemeenschap en de lidstaten beheersen, ingevolge artikel 10 EG tot taak om te verzekeren dat de gemeenschapsverordeningen op hun grondgebied worden uitgevoerd. Indien het gemeenschapsrecht, met inbegrip van zijn algemene beginselen, daarvoor geen gemeenschappelijke voorschriften omvat, handelen de nationale autoriteiten bij de uitvoering van gemeenschapsverordeningen overeenkomstig de formele en materiële voorschriften van hun eigen nationaal recht.(7)
46. Aangezien de embargoverordening, een rechtstreeks toepasselijke gemeenschapsmaatregel, geen specifieke verplichting tot raadpleging vóór de toepassing ervan in de nationale rechtsorden omvatte, was het de taak van de lidstaten om de bepalingen van de verordening te goeder trouw uit te leggen en toe te passen. Via de prejudiciële verwijzingsprocedure van artikel 234 EG kon uiteindelijk voor een uniforme toepassing worden gezorgd.
47. Mijns inziens vloeien de door Aulinger genoemde verplichtingen evenmin voort uit de andere door hem aangevoerde bepalingen van gemeenschapsrecht, of zij nu afzonderlijk of in onderlinge samenhang worden gelezen.
48. Artikel 10 EG belet de lidstaten niet de rechtstreeks toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht zonder voorafgaande raadpleging uit te leggen en toe te passen, maar verplicht hen wel dat te goeder trouw te doen. Door zonder onderling overleg te concluderen dat „gefragmenteerd vervoer” niet door de embargoverordening is toegestaan, wat een verdedigbare uitlegging is, hebben de Duitse autoriteiten niet in strijd met hun verplichtingen krachtens artikel 10 EG gehandeld.
49. Verder blijkt uit de formulering van artikel 297 EG duidelijk dat de verplichting van de lidstaten tot onderling overleg situaties betreft waarin een lidstaat in het kader van een ernstige crisis unilaterale maatregelen heeft genomen die de werking van de vrijheden van het EG-Verdrag ongunstig kunnen beïnvloeden. Dit artikel is mijns inziens niet van toepassing op een situatie als die van het hoofdgeding, waarin een communautair rechtsinstrument de door de lidstaten te nemen maatregelen heeft vastgesteld.
50. Ter ondersteuning van zijn argument dat er een verplichting tot voorafgaand overleg bestond, verwijst Aulinger ook naar artikel 30, lid 2, sub a, van de Europese Akte, dat betrekking heeft op de Europese samenwerking op het gebied van buitenlands beleid. Ik zie echter de relevantie niet in van deze bepaling, die door latere wijzigingen van het EG-Verdrag is ingetrokken. De door Aulinger betwiste uitlegging van de embargoverordening door Duitsland betrof geen „vraagstuk van buitenlands beleid dat van algemeen belang is”, waarover de hoge verdragsluitende partijen bij de Europese Akte elkaar moesten informeren en met elkaar overleg moesten plegen op grond van artikel 302, lid 2, sub a, van de Akte.
51. Ten slotte vind ik in artikel 133 EG geen enkele aanwijzing dat de lidstaten verplicht zijn om overleg te plegen, zoals door Aulinger gesteld.
52. Gelet op het bovenstaande meen ik dat het antwoord op de tweede vraag moet luiden dat de lidstaten krachtens het gemeenschapsrecht niet verplicht waren andere lidstaten en/of de Commissie te raadplegen alvorens nationale maatregelen tot uitvoering van de embargoverordening vast te stellen.
Conclusie
53. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de twee gestelde vragen als volgt te beantwoorden:
„1) Artikel 1, sub d, van verordening (EEG) nr. 1432/92 van 1 juni 1992 houdende een verbod op de handel tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republieken Servië en Montenegro verbiedt het verrichten van „gefragmenteerd vervoer” naar en vanuit het embargogebied door een onderneming uit de Gemeenschap. Onder gefragmenteerd vervoer moet worden verstaan commercieel vervoer van personen bij wege van economische samenwerking tussen een in een lidstaat van de Gemeenschap gevestigde onderneming en een in het embargogebied gevestigde onderneming, waarbij de eerste zorg draagt voor het vervoer tot aan en vanaf een plaats bij de grens met het embargogebied en de laatste voor het vervoer vanaf die plaats naar het embargogebied en omgekeerd, met een vooraf geregelde overstap door de reizigers en betaling van een enkel vervoerbewijs dat hun een vervoerrecht voor het hele traject geeft.
2) De lidstaten waren krachtens het gemeenschapsrecht niet verplicht andere lidstaten en/of de Commissie te raadplegen alvorens nationale maatregelen tot uitvoering van deze verordening vast te stellen.”
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – PB L 151, blz. 4.
3 – Arrest van 30 juli 1996 (C-84/95, Jurispr. blz. I-3953, punten 13 en 14).
4 – Cursivering van mij.
5 – Cursivering van mij.
6 – Cursivering van mij.
7 – Zie arrest van 21 september 1983, Deutsche Milchkontor e.a. (205/82−215/82, Jurispr. blz. 2633, punt 17).
Full & Egal Universal Law Academy