CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. STIX-HACKL
van 26 januari 2006 (1)
Zaak C‑377/03
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Koninkrijk België
„Niet-nakoming – Eigen middelen van Gemeenschap – Niet gezuiverde carnets TIR – Niet tijdig overmaken van desbetreffende eigen middelen”
I – Inleiding
1. Met het onderhavige beroep wegens niet-nakoming verzoekt de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof vast te stellen dat het Koninkrijk België:
– door bepaalde transitdocumenten (carnets TIR) niet volgens de regels te zuiveren zodat de daaruit voortvloeiende eigen middelen niet correct werden geboekt en niet tijdig ter beschikking van de Commissie werden gesteld,
– door de Commissie niet in kennis te stellen van alle andere niet betwiste douanebedragen die op soortgelijke wijze zijn behandeld (opneming in „boekhouding B” in plaats van opneming in „boekhouding A”), wat het niet-zuiveren van carnets TIR door de Belgische douane vanaf 1996 betreft,
– door te weigeren vertragingsrente over de aan de Commissie verschuldigde bedragen te betalen,
de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 6, 9, 10 en 11 van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000(2) (hierna: „verordening inzake de eigen middelen”) houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(3), waarbij verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989(4) houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen(5), met hetzelfde onderwerp, per 31 mei 2000 is ingetrokken en vervangen.
2. De onderhavige zaak heeft betrekking op de vaststelling, de boeking en het ter beschikking stellen van eigen middelen in het kader van de regeling douanevervoer onder geleide van TIR-carnets (hierna: „TIR-regeling”) en staat dus in nauw verband met de zaak Commissie/Duitsland(6), in het kader waarvan ik op 8 december 2005 conclusie heb genomen. Hoewel de onderhavige zaak verschilt van de zaak Commissie/Duitsland ten aanzien van de concrete grieven en niet-nakomingen, kan met betrekking tot de algemene juridische en feitelijke achtergrond van de onderhavige zaak – namelijk voor een overzicht van de fundamentele problematiek van de boeking van eigen middelen, de TIR-regeling en over de crisis waarin deze verkeert – worden verwezen naar mijn uiteenzetting in bovengenoemde conclusie.(7) Voor zover hierna verdere overlappingen worden geconstateerd, zal ik eveneens verwijzen naar deze conclusie.
II – Rechtskader
A – Verordening inzake de eigen middelen
3. In het kader van haar beroep heeft de Commissie zich gebaseerd op verordening nr. 1150/2000, waarbij verordening nr. 1552/89 – die gold in de periode waarin de verweten onregelmatigheden hebben plaatsgevonden – met ingang van 31 mei 2000 is ingetrokken en vervangen. Omdat enerzijds zowel de inhoud als de nummering van de in het verzoekschrift genoemde artikelen 6, 9, 10 en 11 van de verordening inzake de eigen middelen in de verschillende versies in wezen hetzelfde zijn gebleven en dus geen problemen ten aanzien van de rechten van de verdediging van de verwerende lidstaat ontstaan, en anderzijds volgens de rechtspraak van het Hof een niet-nakoming dient te worden beoordeeld volgens de stand van het gemeenschapsrecht aan het eind van de termijn die de Commissie aan de betrokken lidstaat heeft gesteld(8), kan de Commissie in casu om vaststelling van inbreuken op de verordening inzake de eigen middelen op basis van de versie van de verordening nr. 1150/2000 verzoeken.(9)
4. Gepreciseerd dient echter te worden dat in het onderhavige geval als een soort voorvraag ten aanzien van de correcte boeking en overmaking van de eigen middelen ook wordt ingegaan op de vaststellingsverplichting, zoals deze in artikel 2 van de verordening inzake de eigen middelen is geregeld. Deze bepaling is weliswaar eveneens letterlijk uit verordening nr. 1552/89 overgenomen in verordening nr. 1150/2000, maar dit artikel was reeds met ingang van 14 juli 1996 gewijzigd door verordening (Euratom, EG) nr. 1355/96 van de Raad van 8 juli 1996.(10) De vaststelling van de eigen middelen was dus op het moment dat de litigieuze douaneschulden zijn ontstaan, respectievelijk tot 14 juli 1996 als volgt geregeld:
„Voor de toepassing van deze verordening geldt een recht van de Gemeenschappen op de in artikel 2, lid 1, sub a en b, van besluit 88/376/EEG, Euratom genoemde middelen als vastgesteld zodra de belastingschuldige door de bevoegde dienst van de lidstaat in kennis wordt gesteld van het verschuldigde bedrag. Deze kennisgeving vindt met inachtneming van alle ter zake toepasselijke communautaire voorschriften plaats zodra de belastingschuldige bekend is en het bedrag van het recht door de bevoegde overheidsorganen kan worden berekend.”
5. Ter beoordeling van de handelwijze van de Belgische autoriteiten met betrekking tot de vaststelling van de carnets TIR uit de jaren 1992 tot en met 1994, waar het in deze zaak om gaat, en met name wat betreft de vraag naar het tijdstip van de vaststelling moet derhalve in beginsel verordening nr. 1552/89 in haar oorspronkelijke versie worden toegepast, in ieder geval – in overeenstemming met het beginsel dat procedurele voorschriften in het algemeen van toepassing zijn op alle op het moment van inwerkingtreding daarvan aanhangige procedures(11) – tot de inwerkingtreding van de bij verordening nr. 1355/96 doorgevoerde wijziging op 14 juli 1996.
6. Indien door mij niet anders aangegeven, zal ik mij in deze conclusie in overeenstemming met het verzoekschrift baseren op de verordening inzake de eigen middelen in de versie van verordening nr. 1150/2000, waarvan de relevante bepalingen thans moeten worden aangehaald.
7. In artikel 2, leden 1 en 2, van voornoemde verordening wordt de vaststelling van een recht van de Gemeenschap als volgt gedefinieerd:
„1. Voor de toepassing van deze verordening geldt een recht van de Gemeenschappen op de in artikel 2, lid 1, onder a en b, van besluit 94/728/EG, Euratom genoemde eigen middelen als vastgesteld, zodra is voldaan aan de voorwaarden van de douanevoorschriften voor wat betreft de boeking van het bedrag van het recht en de kennisgeving daarvan aan de belastingschuldige.
2. Het voor de in lid 1 bedoelde vaststelling in aanmerking te nemen tijdstip is het tijdstip van de boeking, bedoeld in de douanevoorschriften.”
8. Artikel 6, leden 1 en 3, sub a en b, van voornoemde verordening bepaalt met betrekking tot de boeking van de eigen middelen:
„1. Bij de schatkist van iedere lidstaat of bij het orgaan dat de lidstaat aanwijst, wordt een boekhouding van de eigen middelen gevoerd, gespecificeerd naar de aard van de middelen.
[...]
3 a) De overeenkomstig artikel 2 vastgestelde rechten worden, onder voorbehoud van het bepaalde onder b, uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e van de tweede maand die volgt op de maand waarin de vaststelling heeft plaatsgehad, in de boekhouding opgenomen.
b) Vastgestelde rechten die niet in de onder a bedoelde boekhouding zijn opgenomen omdat zij nog niet zijn geïnd en geen zekerheid is gesteld, worden binnen de onder a vastgestelde termijn in een specifieke boekhouding opgenomen. De lidstaten kunnen de vastgestelde rechten waarvoor een zekerheid is gesteld, echter eveneens in een specifieke boekhouding opnemen indien deze rechten worden betwist, waardoor de waarde ervan wijzigingen kan ondergaan als de uitslag van de geschillen bekend is.”
9. Artikel 10, lid 1, van de verordening inzake de eigen middelen bepaalt ten aanzien van de termijn voor het ter beschikking stellen van de eigen middelen:
„Na aftrek van 10 % als inningskosten krachtens artikel 2, lid 3, van besluit 94/728/EG, Euratom, geschiedt de boeking van de eigen middelen, bedoeld in artikel 2, lid 1, onder a en b, van dat besluit, uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin het recht overeenkomstig artikel 2 van deze verordening is vastgesteld.
Voor de volgens artikel 6, lid 3, onder b, in een specifieke boekhouding opgenomen rechten moet de boeking echter uiterlijk geschieden op de eerste werkdag na de 19e van de tweede maand die volgt op de inning van de rechten.”
B – TIR-overeenkomst
10. De regeling douanevervoer onder geleide van carnets TIR berust op de op 14 november 1975 in Genève gesloten douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (hierna: „TIR-overeenkomst”). Zowel het Koninkrijk België als de Europese Gemeenschap zijn partij bij deze overeenkomst.(12)
11. Hoofdstuk II van de TIR-overeenkomst, waarin de uitgifte van de carnets TIR evenals de aansprakelijkheid van de organisatie die zich garant heeft gesteld, zijn geregeld, omvat onder meer de volgende bepalingen:
„Artikel 8
1. De organisatie die zich garant heeft gesteld, verbindt zich tot voldoening van de rechten en heffingen ter zake van de invoer of de uitvoer, eventueel vermeerderd met de interest bij achterstallige betaling, welke verschuldigd zijn krachtens douanewetten en ‑reglementen van het land waarin een onregelmatigheid met betrekking tot het TIR-vervoer is vastgesteld. Zij is gehouden tot betaling van bovenbedoelde bedragen, zowel hoofdelijk als gezamenlijk met de personen die deze bedragen verschuldigd zijn.
2. Wanneer de wetten en reglementen van een overeenkomstsluitende partij niet voorzien in de betaling van rechten en heffingen ter zake van de invoer of de uitvoer in de gevallen bedoeld in het eerste lid van dit artikel, verbindt de organisatie die zich garant heeft gesteld, zich om onder dezelfde voorwaarden een bedrag te voldoen dat gelijk is aan het bedrag van de rechten en heffingen ter zake van de invoer of de uitvoer, eventueel vermeerderd met de verschuldigde interest bij achterstallige betaling.
3. Iedere overeenkomstsluitende partij stelt per carnet TIR het maximum vast van de bedragen die krachtens het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel kunnen worden geëist van de organisatie die zich garant heeft gesteld.
4. De organisatie die zich garant heeft gesteld, wordt tegenover de autoriteiten van het land waar het douanekantoor van vertrek is gelegen, aansprakelijk vanaf het tijdstip waarop het carnet TIR door het douanekantoor is ingeschreven. In de landen waar het TIR-vervoer van goederen vervolgens doorkomt, ontstaat deze aansprakelijkheid wanneer de goederen worden ingevoerd of, indien het TIR-vervoer wordt onderbroken krachtens het bepaalde in artikel 26, eerste en tweede lid, wanneer het carnet TIR wordt ingeschreven door het douanekantoor waar het TIR-vervoer wordt hervat.
5. De aansprakelijkheid van de organisatie die zich garant heeft gesteld, heeft niet alleen betrekking op de goederen die in het carnet TIR zijn vermeld, doch strekt zich tevens uit tot de goederen die, hoewel zij niet in dat carnet zijn vermeld, zich in het verzegelde gedeelte van het wegvoertuig of in de verzegelde container bevinden; de aansprakelijkheid heeft geen betrekking op andere goederen.
6. Voor het vaststellen van de rechten en heffingen bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel, gelden de in het carnet TIR vermelde gegevens betreffende de goederen, zolang het tegendeel niet is bewezen.
7. Wanneer de bedragen bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel opeisbaar worden, moeten de bevoegde autoriteiten voor zover mogelijk de betaling hiervan eisen van de persoon of personen die rechtstreeks deze bedragen verschuldigd is of zijn, alvorens een vordering tot betaling in te dienen bij de organisatie die zich garant heeft gesteld.”
12. In artikel 11 van de TIR-overeenkomst wordt de procedure in geval van niet of onder voorbehoud gezuiverde carnets TIR als volgt vastgelegd:
„1. In geval van niet-zuivering van een carnet TIR, of indien een carnet TIR onder voorbehoud is gezuiverd, zijn de bevoegde autoriteiten niet gerechtigd van de organisatie die zich garant heeft gesteld, betaling te eisen van de in artikel 8, eerste en tweede lid, bedoelde bedragen, tenzij deze autoriteiten binnen een jaar na het tijdstip van inschrijving van het carnet TIR, de organisatie schriftelijk in kennis hebben gesteld van de niet-zuivering of van de zuivering onder voorbehoud. Deze bepaling is tevens van toepassing indien het certificaat van zuivering ten onrechte of op frauduleuze wijze werd verkregen, doch in dat geval bedraagt de termijn twee jaar.
2. De vordering tot betaling van de in artikel 8, eerste en tweede lid, bedoelde bedragen wordt aan de organisatie die zich garant heeft gesteld, gericht op zijn vroegst drie maanden na de datum waarop deze organisatie ervan in kennis is gesteld dat het carnet niet is gezuiverd, dat het is gezuiverd onder voorbehoud of dat het certificaat van zuivering ten onrechte of op frauduleuze wijze werd verkregen, en uiterlijk twee jaar na deze datum. Ten aanzien van de gevallen die binnen bovenbedoelde termijn van twee jaar in rechte aanhangig zijn gemaakt, dient evenwel de vordering tot betaling te worden ingediend binnen een jaar na de datum waarop de gerechtelijke beslissing uitvoerbaar is geworden.
3. Voor het voldoen van de bedragen waarvan betaling is geëist, heeft de organisatie die zich garant heeft gesteld, een termijn van drie maanden na de datum waarop de vordering tot betaling aan haar is gericht. De betaalde bedragen zullen aan de organisatie worden terugbetaald indien, binnen twee jaar na de datum van de vordering tot betaling, ten genoegen van de douaneautoriteiten is aangetoond dat met betrekking tot het desbetreffende vervoer geen onregelmatigheid is gepleegd.”
C – Verordening tot uitvoering van het communautair douanewetboek
13. De TIR-procedure, die behoort tot het extern douanevervoer, heeft naast de internationale TIR-overeenkomst als gemeenschapsrechtelijke grondslag verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek(13) (hierna: „uitvoeringsverordening”), die op haar beurt berust op het communautair douanewetboek(14) (hierna: „douanewetboek”) en in artikel 451 en volgende de bij de TIR-overeenkomst ingevoerde procedure voor het grootste gedeelte overneemt, respectievelijk uitvoert.
14. Artikel 454 van de uitvoeringsverordening luidt, voor zover hier relevant:
„1. Dit artikel is van toepassing onverminderd de specifieke bepalingen van de TIR‑ en van de ATA-overeenkomst betreffende de aansprakelijkheid van de organisaties die zich garant hebben gesteld bij het gebruik van een carnet TIR of een carnet ATA.
2. Wanneer wordt vastgesteld dat in de loop van of in verband met vervoer onder geleide van een carnet TIR, respectievelijk doorvoer onder geleide van een carnet ATA, in een bepaalde lidstaat een overtreding of onregelmatigheid is begaan, wordt de actie tot invordering van de eventueel verschuldigde rechten en andere heffingen door deze lidstaat volgens de nationale of communautaire bepalingen ingesteld, onverminderd eventuele strafrechtelijke maatregelen.
[...]”
15. Artikel 455 luidt, voor zover hier relevant:
„1. Wanneer wordt vastgesteld dat in de loop van of in verband met vervoer onder geleide van een carnet TIR, respectievelijk doorvoer onder geleide van een carnet ATA, een overtreding of onregelmatigheid is begaan, delen de douaneautoriteiten dit mede aan de houder van het carnet TIR, respectievelijk het carnet ATA, en aan de aansprakelijke organisatie binnen de bij artikel 11, lid 1, van de TIR-overeenkomst, respectievelijk artikel 6, lid 4, van de ATA-overeenkomst, vastgestelde termijn.
2. Het bewijs van de regelmatigheid van het vervoer onder geleide van een carnet TIR, respectievelijk een carnet ATA, in de zin van artikel 454, lid 3, eerste alinea, wordt geleverd binnen de bij artikel 11, lid 2, van de TIR-overeenkomst, respectievelijk artikel 7, leden 1 en 2, van de ATA-overeenkomst, vastgestelde termijn.
[...]”.
III – Precontentieuze procedure
16. De Commissie baseert zich in het kader van de onderhavige procedure met name op twee controles van de eigen middelen die zij in België heeft laten verrichten in november 1996 en december 1997. Volgens haar werden bij deze controles onregelmatigheden met betrekking tot de TIR-regeling inzake de vaststelling, de boeking en het overmaken van de eigen middelen van de Gemeenschap vastgesteld die tot gevolg hadden dat deze eigen middelen niet tijdig ter beschikking werden gesteld.
17. De onregelmatigheden vastgesteld in het kader van de in 1996 verrichte controles van de eigen middelen – met name het niet tijdig opnemen in boekhouding B van vastgestelde schuldvorderingen uit niet gezuiverde carnets TIR in de meeste van de gecontroleerde gevallen – werden in mei 1999, na toezending van de controlerapporten, opnieuw aan de Belgische autoriteiten ter kennis gebracht.
18. Wat de onregelmatigheden betreft die in het kader van de in 1997 verrichte controle van de eigen middelen werden vastgesteld, hebben de Belgische autoriteiten volgens het controlerapport ten aanzien van bepaalde niet gezuiverde carnets TIR verzuimd om de vastgestelde bedragen in de boekhouding op te nemen, hoewel daarvoor een zekerheid was gesteld en deze niet waren betwist. Volgens de Commissie zijn deze bedragen pas na de controle van de eigen middelen in boekhouding B opgenomen, omdat de nationale organisatie die zich garant had gesteld, de vorderingen had betwist.
19. Van mening dat het niet ging om betwiste douaneschulden, heeft de Commissie de Belgische autoriteiten bij brief van 2 februari 2000 verzocht om de betrokken bedragen op te nemen in boekhouding A en haar bovendien voor het tijdvak van 1 januari 1995 tot en met 1 december 1997 een overzicht te verstrekken van alle niet gezuiverde carnets TIR, met vermeldingen over de vaststelling en de boekhoudkundige verwerking daarvan.
20. In hun antwoord van 12 februari 2001 betreffende de controle over 1996 en in dat van 31 mei 2000 betreffende de controle over 1997 hebben de Belgische autoriteiten de grieven en argumenten van de Commissie betwist.
21. Omdat de Commissie vasthield aan haar standpunt dat de handelwijze van de Belgische autoriteiten in de gecontroleerde gevallen niet aan de voorschriften betreffende de eigen middelen voldeed, heeft zij dit standpunt opnieuw kenbaar gemaakt in een aanmaningsbrief van 23 oktober 2001. De Belgische autoriteiten hebben bij brief van 17 januari 2002 geantwoord en daarin wederom onder meer verklaard dat de douaneschulden voortvloeiende uit de niet gezuiverde carnets TIR als betwist dienden te worden beschouwd. Verder hebben zij gewezen op de structurele crisissituatie waarin de TIR-regeling in de jaren 1995 tot en met 1997 zou hebben verkeerd vanwege het feit dat de internationale pool van verzekeringsmaatschappijen eind 1994 de herverzekeringsovereenkomst had opgezegd.
22. Op 26 juni 2002 heeft de Commissie het Koninkrijk België een met redenen omkleed advies doen toekomen. Omdat de Belgische autoriteiten de daarin door de Commissie verzochte maatregelen niet hebben getroffen, heeft deze instelling het onderhavige beroep ingesteld.
IV – Beoordeling van het beroep
A – Eerste grief: onregelmatigheden in de behandeling van bepaalde carnets TIR waardoor eigen middelen niet volgens de regels zijn geboekt en niet binnen de termijnen zijn overgemaakt
1. Ontvankelijkheid
a) Belangrijkste argumenten van partijen
23. De Belgische regering beroept zich in eerste instantie op de niet-ontvankelijkheid van het beroep, voor zover het de te late boeking van de bedragen in boekhouding B betreft. Zij voert aan dat deze boeking is geschied, zodra de Commissie de Belgische autoriteiten in haar controlerapport daarop had gewezen. Bijgevolg was de verweten schending ten tijde van het uitbrengen van het met redenen omklede advies reeds opgeheven, zodat het beroep wegens niet-nakoming in zoverre dus niet-ontvankelijk is.
24. De Commissie verwerpt dit betoog en voert aan dat de Belgische autoriteiten in het merendeel van de 33 onderzochte gevallen in 1996 nog niets hadden geboekt – in boekhouding B noch boekhouding A –, maar de litigieuze bedragen pas in december 1997 in boekhouding B hadden opgenomen. Aangezien de Belgische autoriteiten hebben geweigerd de andere, soortgelijke dossiers ter beschikking te stellen, kan niet worden uitgesloten dat er nog meer gevallen bestaan waarin geen boeking heeft plaatsgevonden. Voorts heeft de onjuiste opneming in boekhouding B volgens de Commissie het effect van een te late boeking, zodat vertragingsrente verschuldigd is.
b) Beoordeling
25. In dit verband dient te worden vastgesteld dat een onjuiste boeking van douaneschulden – ongeacht of het gaat om een niet tijdige opneming in boekhouding A of om een ten onrechte verrichte opneming in boekhouding B –schending kan opleveren van de verplichting voortvloeiend uit de verordening inzake de eigen middelen om de verschuldigde bedragen tijdig naar de rekening van de Commissie over te maken, waardoor een verplichting tot betaling van vertragingsrente kan ontstaan.
26. Ingeval de grief van de Commissie inzake onjuiste boeking van de betrokken bedragen en het niet tijdig overmaken daarvan gegrond is, valt derhalve niet uit te sluiten dat niet alle gevolgen van de niet-nakoming bij het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn waren opgeheven, in het bijzonder de betaling van de verschuldigde vertragingsrente uit hoofde van de verordening inzake de eigen middelen. Hoewel de vraag of de boeking in het onderhavige geval volgens de regels is geschied, respectievelijk of de betrokken bedragen terecht zijn opgenomen in boekhouding B, pas in het kader van de beoordeling ten gronde dient te worden beantwoord, bestaat er dus in ieder geval een belang om de verweten niet-nakoming in voorkomend geval vast te stellen.(15)
27. Om die reden ben ik van mening dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid ongegrond is.
2. Ten gronde
a) Belangrijkste argumenten van partijen
28. De Commissie stelt dat bij de twee controles in België in november 1996 en december 1997 onregelmatigheden zijn geconstateerd met betrekking tot de vaststelling, de boeking en het overmaken van eigen middelen van de Gemeenschap. De in het kader van deze controles onderzochte gevallen uit de jaren 1992 tot en met 1994 staan volgens haar niet op zich, maar zijn onderdeel van een oudere en algemeen toegepaste praktijk. De Commissie verwijt het Koninkrijk België de betrokken rechten – hoewel zij waren gedekt door een zekerheid en niet waren betwist – niet binnen de in artikel 6, lid 3, sub a, van de verordening inzake de eigen middelen gestelde termijn te hebben opgenomen in boekhouding A en aan haar te hebben overgemaakt.
29. Wat de in november 1996 uitgevoerde controles betreft, verwijt de Commissie de Belgische autoriteiten dat in 20 van de 33 onderzochte gevallen de vastgestelde rechten uit hoofde van niet gezuiverde carnets TIR pas een jaar na de controle van de eigen middelen in de boekhouding zijn opgenomen. In twee gevallen hebben de Belgische autoriteiten de schending van de bepalingen inzake de eigen middelen weliswaar erkend (geen mededeling van de douaneschuld en dus verjaring daarvan), maar de overeenkomstige bedragen nog steeds niet overgemaakt aan de Commissie.
30. De Belgische autoriteiten hebben de rechten op grond van een aantal carnets TIR pas in boekhouding A opgenomen, nadat de nationale organisatie die zich garant had gesteld, in augustus 1999 heeft betaald. Conform artikel 455 van de uitvoeringsverordening, juncto artikel 11 van de TIR-overeenkomst hadden de Belgische autoriteiten uiterlijk 15 maanden (12 + 3) na de inschrijving van de betrokken carnets TIR de betrokken rechten moeten vaststellen en deze aansluitend binnen de in artikel 6, lid 3, sub a, van de verordening inzake de eigen middelen gestelde termijn in boekhouding A moeten opnemen. Omdat de carnets TIR in 1993 zijn ingeschreven, is wegens de niet tijdige boeking en overmaking vertragingsrente verschuldigd. In een aantal andere gevallen hebben de Belgische autoriteiten de rechten niet in boekhouding A opgenomen, omdat de nationale organisatie die zich garant had gesteld, in beroep was gegaan tegen de jegens haar genomen invorderingsmaatregelen.
31. Wat de in december 1997 onderzochte gevallen betreft, voert de Commissie aan dat de Belgische autoriteiten rechten uit hoofde van bepaalde niet gezuiverde carnets TIR in eerste instantie helemaal niet hebben geboekt en deze na de controle van de eigen middelen op grond van het beroep ingesteld door de nationale organisatie die zich garant had gesteld, ten onrechte hebben opgenomen in boekhouding B.
32. De Commissie wijst de argumenten af waarmee de Belgische regering de rechtmatigheid van de verweten handelwijze probeert aan te tonen.
33. Zij voert aan dat met de vertragingen bij de boeking de termijnen bedoeld in artikel 6, lid 3, van de verordening inzake de eigen middelen, zowel voor de opneming in boekhouding A als voor de opneming in boekhouding B, ruimschoots zijn overschreden. De Belgische regering lijkt te willen beweren dat alle betrokken dossiers (72) gevallen van fraude vormden; de Commissie beschikt echter enkel over informatie met betrekking tot de 33 carnets TIR die onderwerp waren van de controles in 1996. Volgens haar heeft de te late opneming in boekhouding A tot gevolg gehad dat de betrokken eigen middelen niet tijdig ter beschikking zijn gesteld en dat dus vertragingsrechte verschuldigd is. De Belgische autoriteiten zijn pas enkele jaren na de mededeling inzake de niet-zuivering overgegaan tot boeking van de betrokken bedragen. Meer in het bijzonder wijst de Commissie de verschillende argumenten van de Belgische regering af dat het bij de betrokken rechten zou gaan om betwiste rechten en rechten waarvoor geen zekerheid was gesteld in de zin van artikel 6, lid 3, sub b, van de verordening inzake de eigen middelen. Zij wijst er verder met name op dat de betwisting door de organisatie die zich garant heeft gesteld, in dit verband niet relevant is, omdat deze heeft plaatsgevonden na de datum waarop de betrokken rechten in boekhouding A hadden moeten worden opgenomen en ter beschikking van de Gemeenschap hadden moeten worden gesteld.
34. Ter inleiding verwijst de Belgische regering naar de crisissituatie waarin de TIR-regeling sinds het begin van de jaren 90 verkeerde en waarin deze zich in de jaren 1995 tot en met 1997 bevond, met name wegens het feit dat de internationale pool van verzekeringsmaatschappijen eind 1994 de herverzekeringsovereenkomst had opgezegd en sindsdien had geweigerd de vóór 1994 ontstane douaneschulden te betalen. In casu hebben alle douanedossiers volgens de Belgische regering betrekking op dergelijke douaneschulden en zijn zij onderwerp van de arbitrageprocedure die is ingesteld tegen de internationale pool van verzekeringsmaatschappijen, wat in 1999 heeft geleid tot een aantal betalingen die onmiddellijk zijn opgenomen in boekhouding A. De Belgische organisatie die zich garant had gesteld, heeft de borgovereenkomst niet opgezegd, maar zich structureel verzet tegen elke schuldvordering uit carnets TIR waarvoor door de voormalige pool van verzekeringsmaatschappijen een zekerheid was gesteld. Alle eigen middelen waar het in casu om gaat, vloeien voort uit 72 carnets TIR die op frauduleuze wijze (niet) zijn gezuiverd in de periode tussen juni 1992 en november 1994, waarvoor door de voormalige internationale pool van verzekeringsmaatschappijen een zekerheid was gesteld.
35. De Belgische regering voert aan dat de Commissie, met uitzondering van twee carnets TIR ten aanzien waarvan deze regering het tardieve karakter van de vordering tot betaling van de douanerechten heeft erkend, niet heeft gesteld dat de vaststelling niet overeenkomstig artikel 2 van de verordening inzake de eigen middelen heeft plaatsgevonden. Volgens de Belgische regering moet aan vier voorwaarden zijn voldaan om een vaststelling mogelijk te maken en dit is volgens haar pas het geval vanaf de datum waarop de organisatie die zich garant heeft gesteld, is verzocht om te betalen. Artikel 11, leden 1 en 2, van de TIR-overeenkomst bepaalt dat een lidstaat binnen drie jaar – één jaar voor de mededeling inzake de niet-zuivering en twee jaar voor de vordering tot betaling van de douaneheffingen – en niet binnen 15 maanden na inschrijving van het carnet TIR betaling moet vorderen, behalve als het, zoals in casu, gaat om op frauduleuze wijze gezuiverde carnets TIR, waarvoor een termijn van vier jaar geldt.
36. Volgens de Belgische regering zijn de betrokken rechten terecht opgenomen in boekhouding B. Zij betwist dat voor de betrokken rechten een zekerheid was gesteld in de zin van artikel 6, lid 2, sub a, van de verordening inzake de eigen middelen. Zij wijst in dit verband op de kenmerken van de (persoonlijke) borgstelling in het kader van de TIR-regeling en op de weigering van de internationale pool van verzekeringsmaatschappijen om de betrokken bedragen te betalen. Volgens haar moet een beroep kunnen worden gedaan op een zekerheid op het moment dat de hoofdschuldenaar niet kan betalen. In het onderhavige geval viel de termijn voor de boeking in de periode waarvoor de internationale pool van verzekeringsmaatschappijen de overeenkomst reeds had opgezegd.
37. De Belgische regering voert verder aan dat een betwisting in de zin van artikel 6, lid 2, sub b, van de verordening inzake de eigen middelen niet door de rechtstreekse schuldenaar hoeft te geschieden. Ook een betwisting door de organisatie die zich garant heeft gesteld, is volgens haar mogelijk. Bovendien is de betwisting, anders dan de Commissie beweert, niet aan bepaalde vormvoorschriften gebonden. Zij hoeft ook niet binnen de voor de boeking van de eigen middelen gestelde termijn te geschieden.
b) Beoordeling
i) Inleidende opmerkingen
38. Afgezien van de problemen die ontstaan doordat partijen bij de uitwerking van de juridische en feitelijke kaders van een beroep wegens niet-nakoming niet altijd even zorgvuldig te werk gaan(16) of dat de relevante regelingen van het gemeenschapsrecht met betrekking tot de eigen middelen uit douane-inkomsten soms zelf behoorlijk onduidelijk of zelfs incoherent en tegenstrijdig zijn(17) en bovendien in een bepaald tijdvak vaak nog aan wijzigingen onderhevig zijn, vloeit een specifieke complicatie in gevallen zoals het onderhavige inzake de eigen middelen enerzijds voort uit de nauwe samenhang tussen de verschillende in de verordening inzake de eigen middelen opgenomen verplichtingen onderling, maar anderzijds ook uit de verhouding tussen deze verplichtingen uit voornoemde verordening en de verplichtingen op grond van de regelingen betreffende het ontstaan en de inning van de verschillende eigen middelen, in casu de douaneheffingen.
39. Ook in de onderhavige zaak heeft de Commissie zich gebaseerd op verschillende verplichtingen uit de verordening inzake de eigen middelen en op de communautaire regelingen betreffende de inning van douaneheffingen („onregelmatigheden in de behandeling van bepaalde carnets TIR”). Om deze reden moeten de bovengenoemde verbanden eerst enigszins worden toegelicht, temeer omdat zij een rol spelen met betrekking tot de aspecten die nodig zijn om het bestaan van de door de Commissie ingeroepen niet-nakoming te kunnen beoordelen.
40. Wat allereerst de verplichtingen uit bovengenoemde verordening betreft, dienen – zoals door de Belgische regering is aangevoerd – als belangrijkste verplichtingen te worden genoemd de vaststelling van de rechten van de Gemeenschap in de zin van artikel 2, de boeking van deze rechten conform artikel 6, vervolgens het overmaken daarvan naar de rekening van de Commissie conform de artikelen 9 en 10 en ten slotte de betaling van vertragingsrente in geval van niet-tijdige overmaking conform artikel 11 van de genoemde verordening. Wat de verhouding tussen deze verplichtingen onderling betreft, volgt de verplichting tot betaling van vertragingsrente op het overmaken van de eigen middelen. Het (tijdig) overmaken hangt zelf weer af van de vaststelling, maar ook van de boeking van de eigen middelen binnen de daarvoor geldende termijnen.
41. In dit verband dient te worden opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak van het Hof „een onlosmakelijk verband [bestaat] tussen de verplichting om de eigen middelen van de Gemeenschap vast te stellen, de verplichting om ze binnen de gestelde termijn te boeken op de rekening van de Commissie, en ten slotte de verplichting om vertragingsrente te betalen”.(18)
42. Deze rente is bovendien verschuldigd, ongeacht de reden waarom de boeking op de rekening van de Commissie niet tijdig is geschied. Het Hof heeft daaruit geconcludeerd dat er geen onderscheid bestaat tussen het geval waarin de lidstaat de eigen middelen heeft vastgesteld zonder deze af te dragen en het geval waarin hij ten onrechte heeft nagelaten de eigen middelen vast te stellen.(19)
43. Om die reden kan een niet tijdige – of zelfs een geheel nagelaten – boeking op de rekening, die op haar beurt een verplichting tot betaling van vertragingsrente tot gevolg heeft, zowel het gevolg zijn van een overschrijding van de termijn vanaf de vaststelling van de betrokken eigen middelen als ook van het feit dat de vaststelling niet tijdig of zelfs helemaal niet is geschied, hoewel deze conform artikel 2 van de verordening inzake de eigen middelen had moeten plaatsvinden.
44. Bovendien komt echter, zoals ik in mijn conclusie in de zaak Commissie/Duitsland (C‑105/02) reeds heb benadrukt(20), ook aan de boeking in zoverre een eigen betekenis toe ten aanzien van het (tijdig) overmaken van de eigen middelen, als in ieder geval de verordening inzake de eigen middelen in de in deze zaak geldende versie de termijn voor het overmaken van de in boekhouding B opgenomen bedragen laat beginnen bij de invordering van de bedragen, terwijl de termijn voor het overmaken van de in boekhouding A opgenomen bedragen begint na de vaststelling van deze bedragen. Dit heeft dan weer tot gevolg dat ten aanzien van de in boekhouding B opgenomen bedragen, zolang de invordering nog niet is geschied, geen sprake kan zijn van een te late overmaking. Anderzijds impliceert de onjuiste opneming van bedragen in boekhouding B in plaats van in boekhouding A een niet tijdige overmaking en leidt dit dus tot een verplichting tot betaling van vertragingsrente.
45. Opmerking verdient echter dat niet-nakoming van de verplichtingen ten aanzien van de boeking conform de verordening inzake de eigen middelen – evenals niet-nakoming van de overige bovengenoemde verplichtingen – ook los van de financiële gevolgen daarvan voor de Gemeenschap en los van de uitwerking daarvan op het tijdstip van het overmaken van de betrokken bedragen, op zich zelf al een schending van het gemeenschapsrecht vormt en als zodanig in het kader van een beroep wegens niet-nakoming dient te worden vastgesteld.
46. Ten aanzien van de verhouding tussen de regeling betreffende de eigen middelen, waarin de wijze is vastgelegd waarop de lidstaten de aan de Gemeenschap toegewezen eigen middelen ter beschikking moeten stellen, en de regelingen betreffende het ontstaan en de inning van douaneheffingen, die hoofdzakelijk zijn afgestemd op de communautaire douanevoorschriften (met name het douanewetboek, de uitvoeringsverordening daarvan en de TIR-overeenkomst) en op de nationale wet‑ en regelgeving, dient allereerst te worden vastgesteld dat de grieven van de Commissie volgens het verzoekschrift beperkt zijn tot schendingen van de verordening inzake de eigen middelen. Om die reden hoeft het Hof zich in casu niet afzonderlijk uit te spreken over schendingen van het douanerecht.
47. Dergelijke schendingen kunnen echter in het onderhavige geval wel degelijk van betekenis zijn, voor zover zij ook schendingen van de regeling inzake de eigen middelen kunnen impliceren, respectievelijk het ter beschikking stellen van deze middelen kunnen aantasten.(21) Dit geldt met name voor de vaststelling van de rechten, omdat dit verband houdt met de douanevoorschriften en, zoals ik reeds heb opgemerkt, de verplichting tot boeking op de rekening van de Commissie en de eventuele verplichting tot betaling van vertragingsrente niet alleen gelden met betrekking tot daadwerkelijk vastgestelde rechten, maar ook met betrekking tot rechten waarvan de vaststelling door de lidstaat ten onrechte – op grond van een schending van de communautaire douanevoorschriften – is nagelaten, respectievelijk niet tijdig is verricht.(22)
48. Voor zover de toepassing van douaneregelingen van belang is, respectievelijk gevolgen kan hebben voor het ter beschikking stellen van de eigen middelen van de Gemeenschap, zoals geregeld in de verordening inzake de eigen middelen, is er in zekere zin sprake van een „overlapping” van deze twee gebieden. Zo dienen bijvoorbeeld de termijnen (van orde) in de douanevoorschriften voor een snelle en effectieve terbeschikkingstelling van de eigen middelen en kunnen zij dus als dwingende bepalingen met betrekking tot de verplichtingen uit de bovengenoemde verordening worden beschouwd.(23)
ii) De afzonderlijke grieven
49. Wat de inhoud van de grief van de Commissie betreft, deze heeft betrekking op „bepaalde transitdocumenten”, zonder dat deze in het verzoekschrift nader worden gepreciseerd en zonder dat een concreet bedrag wordt genoemd. Ook in de motivering van het beroep noemt de Commissie slechts globaal de uitkomsten van de twee controles van de eigen middelen en noemt zij de verwerking van afzonderlijke transitdocumenten slechts als voorbeeld. Op grond van het betoog van de Commissie en de door haar verstrekte informatie dient dus veeleer aan de hand van steekproefsgewijze controles van de eigen middelen een met het gemeenschapsrecht strijdige gedraging van de Belgische douaneautoriteiten met betrekking tot de TIR-regeling, althans in bepaalde gevallen, te worden onderzocht, zonder dat naar mijn mening hoeft te worden aangetoond dat de grief gegrond is met betrekking tot alle litigieuze carnets TIR, waarbij overigens zij opgemerkt dat de door de Commissie en de Belgische regering met betrekking tot de betrokken carnets TIR verstrekte informatie niet overeenstemt.
50. Verder dient rekening te worden gehouden met het feit dat de Belgische regering met betrekking tot twee carnets TIR heeft erkend dat de betrokken douaneschulden door toedoen van de Belgische autoriteiten, namelijk wegens niet gedane kennisgevingen, niet zijn ingevorderd, en dat zij de grief van de Commissie in zoverre niet heeft betwist.
51. Wat de overige door de Commissie genoemde gevallen betreft, bevat de niet erg duidelijk geformuleerde grief van de Commissie in feite twee hoofdonderdelen, die verband houden met de overige argumenten, namelijk enerzijds de niet tijdige boeking van de eigen middelen uit de carnets TIR – pas één jaar na de desbetreffende controle van de eigen middelen – en anderzijds de volgens de Commissie onjuiste opneming van de eigen middelen in boekhouding B in plaats van in boekhouding A.
52. De aan de beide onderdelen van de grief ten grondslag liggende feiten, namelijk dat de rechten uit de in de jaren 1992 tot en met 1994 ingeschreven carnets TIR pas ongeveer één jaar na de in 1996 en 1997 uitgevoerde controles van de eigen middelen zijn geboekt en wel in boekhouding B, worden niet betwist. De Belgische regering betwist echter wel dat de boeking niet tijdig zou zijn gedaan, en voert aan dat de betrokken bedragen terecht zijn opgenomen in boekhouding B.
53. Wat in de eerste plaats de vertraging van de boeking betreft, moeten conform artikel 6 van de verordening inzake de eigen middelen zowel de rechten in de zin van boekhouding A als de rechten in de zin van boekhouding B uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e van de tweede maand die volgt op de maand waarin de vaststelling heeft plaatsgehad, in de boekhouding opgenomen zijn.
54. Conform artikel 2 van de verordening inzake de eigen middelen in de versie(24) zoals in casu van toepassing op de vaststelling, „geldt” een recht van de Gemeenschappen „als vastgesteld zodra de belastingschuldige door de bevoegde dienst van de lidstaat in kennis wordt gesteld van het verschuldigde bedrag”.
55. Dienaangaande dient allereerst te worden vastgesteld dat deze vaststelling, waartoe de lidstaten zijn verplicht(25), geen afzonderlijke handeling is die door de bevoegde instanties van de lidstaten moet worden verricht. Het begrip vaststelling hangt veeleer samen met bepaalde procedurele stappen of administratieve maatregelen (kennisgeving van de verschuldigde bedragen) in het kader van de inning van de betrokken eigen middelen, in casu van de douaneheffingen. Deze samenhang tussen de vaststelling en handelingen in het kader van de inningsprocedure verklaart mogelijkerwijs ook waarom de voorwaarden waaronder de vaststellingsverplichting met betrekking tot de eigen middelen als voldaan wordt beschouwd, in de verschillende versies van de verordening inzake de eigen middelen niet eenduidig zijn gedefinieerd: enerzijds moeten zij namelijk toegepast kunnen worden op de verschillende soorten eigen middelen, respectievelijk heffingen, terwijl daarbij anderzijds ook rekening moet worden gehouden met de overige verschillen tussen de administratieve procedures van de lidstaten.
56. Met betrekking tot de kennisgeving van de verschuldigde bedragen wordt in de tweede volzin van artikel 2 van de verordening inzake de eigen middelen in de tijdens de relevante periode geldende versie(26) verwezen naar de toepasselijke communautaire bepalingen, in casu dus naar de communautaire douanevoorschriften. Meer concreet vloeien de regelingen met betrekking tot de inning van douaneschulden op grond van schendingen in het kader van de TIR-regeling deels voort uit de TIR-overeenkomst en deels uit de bijzondere bepalingen inzake de TIR-regeling die opgenomen zijn in de uitvoeringsverordening, die zelf weer verwijst naar de TIR-overeenkomst en naar de communautaire en nationale bepalingen; voor het overige is het douanewetboek zelf bepalend.
57. Naar mijn mening – en deze mening wordt gedeeld door de Commissie en door de Belgische regering – dient de vordering tot betaling in de zin van artikel 11, lid 2, van de TIR-overeenkomst te worden aangemerkt als kennisgeving in de zin van artikel 2 van de verordening inzake de eigen middelen.
58. Volgens artikel 2, tweede volzin, van de verordening inzake de eigen middelen moet deze kennisgeving worden gedaan, zodra de belastingschuldige bekend is en het bedrag van het recht door de bevoegde overheidsorganen kan worden berekend.
59. De daadwerkelijke kennisgeving van het bedrag is voor het tijdstip van de vaststelling in de zin van de verordening inzake de eigen middelen voor het overige niet beslissend, indien deze niet op dat moment, dus zodra de belastingschuldige bekend is en het bedrag van het recht kan worden berekend, wordt gedaan. Dit volgt uit het feit dat de lidstaten tot vaststelling van de rechten van de Gemeenschappen zijn verplicht en zich daarvan niet mogen onthouden, omdat anders het financiële evenwicht van de Gemeenschappen door het gedrag van een lidstaat zou worden verstoord.(27)
60. Het tijdstip van de vaststelling hangt dus in beginsel af van het moment waarop aan de voorwaarden voor de kennisgeving van het bedrag is voldaan, met andere woorden als de douaneautoriteiten in staat zijn dit bedrag te berekenen en de schuldenaar aan te wijzen.(28)
61. In het onderhavige geval is de Belgische regering van mening dat de lidstaten voor de vaststelling beschikken over drie, respectievelijk – in het geval van op frauduleuze wijze gezuiverde carnets TIR – vier jaar, terwijl de Commissie ervan uitgaat dat de vaststelling in ieder geval uiterlijk 15 maanden na inschrijving van het betrokken carnet TIR moet plaatsvinden. Naar mijn mening is geen van beide opvattingen zonder meer waar.
62. Wat de benadering van de Belgische regering betreft, dient te worden opgemerkt dat de termijn van twee jaar voor de kennisgeving van de niet-zuivering of de zuivering onder voorbehoud als bedoeld in artikel 11, lid 1, van de TIR-overeenkomst (op zijn vroegst na drie maanden binnen een jaar of – in geval van frauduleuze zuivering – binnen twee jaar) en de termijn voor de vordering tot betaling conform artikel 11, lid 2, van voornoemde overeenkomst (uiterlijk twee jaar) maximale termijnen zijn en dat de kennisgeving van de belastingschuld met het oog op de doelstellingen van de verordening inzake de eigen middelen zo snel mogelijk moet plaatsvinden.(29) Om die reden mogen deze termijnen niet zonder meer bij elkaar worden opgeteld en mag niet worden verondersteld dat de vaststelling van de rechten in de betrokken gevallen globaal pas drie, respectievelijk vier jaar na de inschrijving van de carnets TIR had moeten plaatsvinden.
63. Bovendien moet in dit verband, zoals door de Commissie betoogd, worden vastgesteld dat de kennisgeving van de niet-zuivering of de zuivering onder voorbehoud in ieder geval in 31 gevallen inderdaad veel eerder is gedaan dan binnen de in artikel 11, lid 1, van de TIR-overeenkomst bedoelde maximale termijnen van één, respectievelijk twee jaar, namelijk binnen enkele maanden of zelfs dagen.
64. Wat voorts de benadering van de Commissie betreft, namelijk dat de vaststelling in ieder geval uiterlijk 15 maanden na inschrijving van de carnets TIR moet plaatsvinden, wil ik in de eerste plaats in overweging geven dat deze termijn in bepaalde situaties niet houdbaar zal blijken te zijn. Conform artikel 454 van de uitvoeringsverordening innen de lidstaten de douaneheffingen en andere eventueel verschuldigde heffingen, wanneer in verband met vervoer onder geleide van een carnet TIR een overtreding wordt geconstateerd, waarbij het ontstaan van de douaneschuld voor het overige wordt geregeld door het douanewetboek (met name de artikelen 202 en 203, al naar gelang de aard van de overtreding). De beslissende factor is hier dat een kantoor van doorgang bij binnenkomst – in casu gaat het om de inning door een dergelijk kantoor – kennis moet hebben van de overtreding, respectievelijk van het ontstaan van de douaneschuld, om verdere maatregelen in het kader van de inning en de vaststelling van de eigen middelen te kunnen treffen. Deze kennis verkrijgt het kantoor in de regel door een melding door het douanekantoor van vertrek, respectievelijk door het terugsturen van stamnummer 2 door dit kantoor. In een geval waarin het kantoor van doorgang bij binnenkomst na afloop van de voor het aanbrengen van goederen in het carnet TIR gestelde termijn, inclusief een redelijke termijn voor het terugsturen, geen stamnummer 2 heeft ontvangen, zou eventueel nog kunnen worden verlangd dat het desbetreffende kantoor op dat moment vermoedt dat er een overtreding heeft plaatsgevonden en daarom reeds de nodige stappen voor de inning en vaststelling van de eigen middelen heeft ondernomen. Daarentegen kan een kantoor van doorvoer bij binnenkomst in een situatie zoals de onderhavige, waarin het vervalste stamnummers 2 heeft ontvangen, niet vermoeden – althans niet zolang de fraude niet aan het licht is gekomen – dat er sprake is van een onregelmatigheid en kan het kantoor dus ook pas overgaan tot inning, respectievelijk vaststelling, nadat het kennis heeft kunnen nemen van de onregelmatigheid, respectievelijk van het ontstaan van een douaneschuld.
65. Voor het overige dient te worden opgemerkt dat de termijnen die gelden voor de inning van douaneschulden op basis van carnets TIR, wat betreft het tijdstip van de vaststelling niet noodzakelijkerwijs vergelijkbaar zijn met de termijnen in het kader van de regeling van het communautaire douanevervoer, waar het in de arresten van 14 april 2005, Commissie/Nederland(30) en Commissie/Duitsland(31), om ging. In die zaken ging het om de termijn van elf maanden voor de kennisgeving van het niet-aanbrengen conform artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening en om de termijn van drie maanden voor het bewijs van de regelmatigheid van het douanevervoer conform artikel 379, lid 2, van voornoemde verordening, die ingaat op het moment dat bedoelde kennisgeving wordt gedaan. Het Hof heeft enerzijds vastgesteld dat de termijn van elf maanden voor de kennisgeving van het niet aanbrengen voor de lidstaten een bindend karakter heeft, gelet op hun verplichtingen voortvloeiend uit de verordening inzake de eigen middelen.(32) Anderzijds heeft het Hof geconcludeerd dat de douaneschuld moet worden meegedeeld, respectievelijk geïnd onmiddellijk na afloop van de termijn van drie maanden voor de kennisgeving van het bewijs van de regelmatigheid van het douanevervoer, omdat de douaneautoriteiten uiterlijk dan in staat zijn het bedrag te berekenen en de schuldenaar aan te wijzen.(33) Het Hof heeft verder uiteengezet dat deze uitlegging niet onverenigbaar is met de toepasselijke bepalingen van het douanewetboek volgens welke een mededeling van het bedrag van de te betalen rechten is toegestaan tot drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan, omdat deze maximumtermijn niet afdoet aan de verplichtingen ten opzichte van de Gemeenschap die voortvloeien uit de regelingen inzake de eigen middelen.(34)
66. In het licht van deze rechtspraak kan in het onderhavige geval de opvatting van de Commissie in zoverre worden gevolgd dat, indien een overtreding wordt vastgesteld, conform artikel 455, lid 1, van de uitvoeringsverordening, juncto artikel 11, lid 1, van de TIR-overeenkomst een dwingende maximumtermijn van twaalf maanden voor de mededeling van de overtreding, respectievelijk de niet-zuivering geldt (of een termijn van twee jaar, indien de zuivering ten onrechte of op frauduleuze wijze is geschied). Wat echter de door de Commissie genoemde termijn van drie maanden betreft, daarmee wordt conform artikel 11, lid 2, van de TIR-overeenkomst slechts het tijdstip aangegeven waarop de vordering tot betaling op zijn vroegst aan de organisatie die zich garant heeft gesteld, kan worden gericht. Voor het overige beschikken de houder van het carnet TIR en de organisatie die zich garant heeft gesteld, op grond van artikel 455, lid 2, van de uitvoeringsverordening, juncto artikel 11, lid 2, van de TIR-overeenkomst over een termijn van twee jaar vanaf de mededeling van de overtreding om het bewijs te leveren van de regelmatigheid van het vervoer onder geleide van een carnet TIR. Terwijl dus de periode die volgens het Hof in de arresten van 14 april 2005, Commissie/Duitsland(35) en Commissie/Nederland(36) krachtens artikel 379 van de uitvoeringsverordening ter beschikking staat aan de autoriteiten van de lidstaten voor de mededeling van de douaneschuld en daarmee voor de vaststelling van de eigen middelen, ten volle rekening houdt met de termijn voor het bewijs van de regelmatigheid van het douanevervoer of de daadwerkelijke plaats van de overtreding, zou – indien de opvatting van de Commissie werd gevolgd – de vordering tot betaling in het kader van de TIR-regeling structureel moeten geschieden binnen de nog openstaande termijn voor het bewijs van de regelmatigheid van het vervoer onder geleide van een carnet TIR. Deze termijn is overigens niet primair bedoeld voor de douaneautoriteiten, maar voor de houder van het carnet TIR en de organisatie die zich garant heeft gesteld, en mag om die reden – in het licht van de bepalingen inzake de eigen middelen – ten aanzien van hen niet worden verkort.
67. Om de bovengenoemde redenen betwijfel ik of in het algemeen kan worden gesteld dat de kennisgeving van het bedrag van de rechten en daarmee de vaststelling in de zin van artikel 2 van de verordening inzake de eigen middelen uiterlijk 15 maanden na de inschrijving van de betrokken carnets TIR mogelijk zijn. Het staat echter vast dat deze kennisgeving, in casu de vordering tot betaling, dient plaats te vinden zodra de douaneautoriteiten daartoe in staat zijn. In dit verband moet bovendien worden gepreciseerd dat de douaneautoriteiten in het kader van de TIR-regeling niet pas in staat zijn de schuldenaar aan te wijzen wanneer de „daadwerkelijke schuldenaar” is gevonden, maar dat altijd een schuldenaar bekend is, namelijk de organisatie die zich garant heeft gesteld en die hoofdelijk aansprakelijk is samen met de persoon of personen die de verschuldigde bedragen rechtstreeks dienen te betalen.
68. In het onderhavige geval blijkt hoe dan ook uit het dossier dat in het merendeel van de gevallen die onderwerp waren van de controles van de eigen middelen in het jaar 1996, de vordering tot betaling van de verschuldigde douaneheffingen reeds in februari 1995 zowel aan de houder van het carnet TIR als aan de organisatie die zich garant had gesteld, is gericht. Om die reden dient in ieder geval te worden vastgesteld dat de Belgische autoriteiten uiterlijk op dat moment kennelijk konden beschikken over de vereiste informatie om het bedrag van de douaneheffingen te kunnen vaststellen en de schuldenaar te kunnen aanwijzen, met als gevolg dat de betrokken rechten uiterlijk op dat moment moesten worden vastgesteld. Dientengevolge is in ieder geval de boeking van deze rechten die onbetwistbaar pas één jaar na de controle van de eigen middelen, dus in 1997, is verricht, niet tijdig geschied.
69. Om die reden dient te worden geconcludeerd dat de Belgische autoriteiten rechten uit carnets TIR niet tijdig hebben vastgesteld en dus ook – door deze pas ongeveer één jaar na de controles van de eigen middelen in 1996 en 1997 in boekhouding B op te nemen – niet tijdig hebben geboekt of dat, voor zover de vaststelling daadwerkelijk is geschied zodra de douaneautoriteiten voor het eerst in staat waren het verschuldigde bedrag en de schuldenaar te bepalen, op zijn minst de boeking niet tijdig is verricht.
70. Wat het tweede onderdeel van de grief van de Commissie betreft, namelijk dat bedragen op basis van de carnets TIR ten onrechte zijn opgenomen in boekhouding B, mogen, zoals ik reeds heb opgemerkt in mijn conclusie in de zaak Commissie/Duitsland (C‑105/02)(37), in boekhouding B in beginsel aan de ene kant nog niet geïnde vastgestelde rechten worden opgenomen waarvoor geen zekerheid is gesteld en aan de andere kant niet geïnde vastgestelde rechten waarvoor weliswaar een zekerheid is gesteld, maar die worden betwist, waardoor de waarde ervan wijzigingen kan ondergaan als gevolg van de uitkomst van het betrokken geschil.
71. Met betrekking tot de verschillende argumenten van de Belgische regering waarmee zij wil aantonen dat voor de litigieuze rechten geen zekerheid is gesteld in de zin van artikel 6, lid 3, sub b, van de verordening inzake de eigen middelen, verwijs ik eveneens naar mijn conclusie in de zaak Commissie/Duitsland (C‑105/02), waarin ik heb vastgesteld dat de borgtocht conform artikel 8 van de TIR-overeenkomst in beginsel een zekerheid in de zin van deze bepaling is en dat vastgestelde rechten uit carnets TIR om die reden in ieder geval tot het binnen het TIR-stelsel overeengekomen maximum waarvoor de organisaties die zich garant hebben gesteld, aansprakelijk zijn voor douaneschulden, in boekhouding A dienen te worden opgenomen en aan de Gemeenschap ter beschikking dienen te worden gesteld binnen de termijn bedoeld in artikel 10, lid 1, eerste alinea, van voornoemde verordening.(38)
72. Op grond van mijn uiteenzetting in de bovengenoemde conclusie hadden de Belgische autoriteiten ook naar mijn mening – ongeacht de vraag in hoeverre de crisis waarin de TIR-regeling verkeerde en de gevolgen daarvan, zoals de opzegging van de herverzekeringsovereenkomst door de internationale pool van verzekeringsmaatschappijen in 1994, op het relevante tijdstip daadwerkelijk consequenties hebben gehad voor de door de Belgische borgsteller te stellen zekerheid – conform de verordening inzake de eigen middelen en het aan deze verordening ten grondslag liggende beginsel van loyale samenwerking als reactie op deze moeilijkheden niet eigenmachtig en zonder overleg met de Commissie mogen afwijken van de hiervoor beschreven opneming in boekhouding A van de douaneschulden uit de carnets TIR.(39)
73. Zoals blijkt uit het dossier, heeft een dergelijk voorafgaand overleg niet plaatsgevonden; in tegendeel, de Commissie heeft na de controles van de eigen middelen meermaals gewezen op het feit dat zij het niet eens was met de opneming in boekhouding B.
74. Om die reden dient het betoog van de Belgische regering met betrekking tot de crisis van het TIR-stelsel en de gevolgen daarvan te worden afgewezen.
75. Verder dient ook het argument van de Belgische regering te worden afgewezen dat de betrokken bedragen in boekhouding B mochten worden opgenomen, omdat het ging om „betwiste rechten” in de zin van artikel 6, lid 3, sub b, van de verordening inzake de eigen middelen.
76. Weliswaar ben ik het met de Belgische regering eens dat in beginsel ook de borgsteller, dus de organisatie die zich garant heeft gesteld, die rechten kan betwisten. Naar mijn mening vloeit dit met name voort uit het feit dat deze organisatie conform artikel 8, lid 1, van de TIR-overeenkomst samen met de houder van het carnet TIR hoofdelijk aansprakelijk is voor de betaling van de verschuldigde douaneheffingen, zodat zij dezelfde rechten van de verdediging dient te genieten.(40)
77. Met de Commissie ben ik echter van mening dat deze „betwisting”, zoals reeds blijkt uit de bewoordingen van artikel 6, lid 2, sub b, van de verordening inzake de eigen middelen, betrekking moet hebben op het recht zelf en niet op de gestelde zekerheid; bedoeld wordt dus mijns inziens een betwisting van de betrokken douaneschuld zelf.(41) Volgens de documenten, respectievelijk het betoog van de Belgische regering gaat het in casu echter niet om een betwisting van dien aard. Veeleer heeft de Belgische organisatie die zich garant heeft gesteld, klaarblijkelijk structureel geweigerd tot betaling over te gaan op grond van de gestelde borgtocht, zulks als gevolg van de opzegging van de herverzekeringsovereenkomst door de internationale pool van verzekeringsmaatschappijen en haar dreigende insolventie.
78. Om die reden kan het betoog van de Belgische regering dat de betrokken bedragen terecht zijn opgenomen in boekhouding B, in ieder geval niet slagen, ongeacht de vraag of en in hoeverre – zoals de Commissie heeft gesteld – de omstandigheden die volgens de Belgische regering opneming in boekhouding B rechtvaardigden, op het voor de boeking relevante tijdstip reeds bestonden.
79. Derhalve dient te worden vastgesteld dat de bezwaren van de Commissie ten aanzien van de niet tijdige en onjuiste boeking van de eigen middelen uit de carnets TIR gegrond zijn.
80. Gelet op het voorgaande is de eerste grief van de Commissie gegrond.
B – Tweede grief: niet meedelen aan de Commissie van andere niet betwiste bedragen waaraan eenzelfde boekhoudkundige verwerking ten deel is gevallen
a) Belangrijkste argumenten van partijen
81. Met haar tweede grief verwijt de Commissie de Belgische autoriteiten dat deze ondanks een daartoe strekkend verzoek van haar zijde hebben verzuimd om haar te informeren over alle andere niet betwiste bedragen in het kader van carnets TIR die sinds 1996 niet door de Belgische douanekantoren zijn gezuiverd en die een vergelijkbare behandeling (als de gecontroleerde carnets TIR) hebben ondergaan, namelijk opneming in boekhouding B. Volgens de Commissie heeft het Koninkrijk België daardoor de verplichting tot loyale samenwerking geschonden die krachtens zowel de verordening inzake de eigen middelen als artikel 10 EG op hem rust.
82. De Belgische regering is van mening dat haar geen schending van de verplichting tot loyale samenwerking kan worden verweten.
b) Beoordeling
83. Zoals door mij reeds uiteengezet in mijn conclusie in de zaak Commissie/Duitsland (C‑105/02), is een lidstaat volgens het beginsel van loyale samenwerking, dat tevens ten grondslag ligt aan de verordening inzake de eigen middelen, verplicht om aan een verzoek om informatie van de Commissie zoals in het onderhavige geval te voldoen, waarmee deze instelling naar aanleiding van door haar uitgevoerde controles op de juiste toepassing van de regelingen inzake de eigen middelen opheldering wenst in verband met de boeking van bepaalde carnets TIR.(42)
84. De Belgische regering heeft niet betwist dat zij een dergelijk verzoek van de Commissie heeft ontvangen, noch heeft zij betwist dat aan dit verzoek niet is voldaan. Derhalve dient te worden vastgesteld dat het Koninkrijk België zijn verplichtingen op grond van de verordening inzake de eigen middelen niet is nagekomen.
85. De tweede grief van de Commissie is derhalve gegrond.
C – Derde grief: niet betalen van de vertragingsrente over de aan de Commissie verschuldigde bedragen
a) Belangrijkste argumenten van partijen
86. De Commissie is van mening dat, gelet op het feit dat de Belgische autoriteiten een groot gedeelte van de verschuldigde bedragen nog niet aan de Gemeenschap ter beschikking hebben gesteld en de reeds overgemaakte bedragen met grote vertraging hebben afgedragen, conform artikel 11 van de verordening inzake de eigen middelen vertragingsrente dient te worden betaald. De Commissie wijst in het bijzonder op het bedrag in verband met de twee niet betwiste gevallen, dat door de Belgische autoriteiten reeds is toegezegd, maar nog steeds niet ter beschikking van de Commissie is gesteld. De bezwaren van de Belgische regering dienen volgens de Commissie te worden afgewezen, omdat de betrokken rechten uit de carnets TIR in boekhouding A hadden moeten worden opgenomen, althans voor zover deze waren gedekt door de zekerheid.
87. De Belgische regering verwijst nog eens naar haar standpunt dat de betrokken bedragen terecht zijn opgenomen in boekhouding B. Voor zover zij de openstaande bedragen reeds (in 1999) heeft ontvangen, heeft zij deze binnen de gestelde termijn overgemaakt. Bovendien lijkt de Commissie de rente niet juist te hebben berekend.
b) Beoordeling
88. Ingevolge artikel 11 van de verordening inzake de eigen middelen is bij elke te late boeking vertragingsrente verschuldigd die volgens vaste rechtspraak opeisbaar is ongeacht de reden voor de niet tijdige boeking op de rekening van de Gemeenschap.(43)
89. Zoals door mij reeds is vastgesteld, heeft de Belgische regering de schending van de bovengenoemde verordening met betrekking tot twee carnets TIR erkend en aangekondigd de betrokken eigen middelen, vermeerderd met vertragingsrente te zullen overmaken. Dit is echter, zoals de Commissie heeft gesteld en niet is betwist, nog niet gebeurd.
90. Bovendien heb ik in het kader van de bespreking van de eerste grief vastgesteld dat de boeking, respectievelijk vaststelling van de eigen middelen door de Belgische autoriteiten althans in een aantal gevallen niet tijdig is gebeurd en dat de betrokken bedragen ten onrechte zijn opgenomen in boekhouding B. Dientengevolge zijn deze bedragen later aan de Gemeenschap afgedragen dan bij een correcte toepassing van de verordening inzake de eigen middelen, respectievelijk de douanevoorschriften het geval zou zijn geweest, respectievelijk zijn deze bedragen nog helemaal niet afgedragen, bijvoorbeeld omdat zij ten onrechte zijn opgenomen in boekhouding B en de desbetreffende douaneschuld nog niet daadwerkelijk is geïnd;(44) in zoverre is vertragingsrente verschuldigd, die tot op heden nog niet is betaald.
91. Omdat de Commissie in haar verzoekschrift het bedrag van de niet betaalde vertragingsrente niet concreet heeft aangegeven, hoeft bovendien het bedrag van de nog niet overgemaakte eigen middelen, respectievelijk van de vertragingsrente met het oog op de vaststelling van de in casu verweten niet-nakoming niet te worden berekend.(45)
92. Derhalve is de derde grief van de Commissie eveneens gegrond.
V – Kosten
93. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, geef ik in overweging om deze lidstaat in de kosten te verwijzen.
VI – Conclusie
94. Op grond van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging voor recht te verklaren:
1) – Door bepaalde transitdocumenten (carnets TIR) niet volgens de regels te zuiveren, zodat de daaruit voortvloeiende eigen middelen niet correct zijn geboekt en niet tijdig ter beschikking van de Commissie zijn gesteld,
– door de Commissie niet in kennis te stellen van alle andere niet betwiste douanebedragen die, wat het niet-zuiveren van carnets TIR door de Belgische douane sinds 1996 betreft, op soortgelijke wijze zijn behandeld (opneming in „boekhouding B” in plaats van opneming in „boekhouding A”),
– door na te laten vertragingsrente over de aan de Commissie verschuldigde bedragen te betalen,
is het Koninkrijk België de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 6, 9, 10 en 11 van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen, waarbij verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, met hetzelfde onderwerp, met ingang van 31 mei 2000 is ingetrokken en vervangen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – PB L 130, blz. 1.
3 – PB L 293, blz. 9.
4 – PB L 155, blz. 1.
5 – PB L 185, blz. 24.
6 – C‑105/02 (Jurispr. blz. I‑00000).
7 – Zie conclusie in zaak C‑105/02 (punten 2‑4, 10-15 en 18-21).
8 – Zie onder meer arresten van 10 september 1996, Commissie/Duitsland (C‑61/94, Jurispr. blz. I‑3989, punt 42), en 9 november 1999, Commissie/Italië (C‑365/97, Jurispr. blz. I‑7773, punt 32).
9 – Zie arrest van 12 juni 2003, Commissie/Italië (C‑363/00, Jurispr. blz. I‑5767, punten 21‑24).
10 – Verordening tot wijziging van verordening nr. 1552/89 (PB L 175, blz. 3).
11 – Zie bijvoorbeeld arrest van 1 juli 2004, Tsapalos en Diamantakis (C‑361/02 en C‑362/02, Jurispr. blz. I‑6405, punt 19, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
12 – De Europese Gemeenschap heeft deze overeenkomst goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2112/78 van de Raad van 25 juli 1978 houdende sluiting van de Douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR‑overeenkomst) gedateerd te Genève, op 14 november 1975 (PB L 252, blz. 1).
13 – PB L 253, blz. 1.
14 – Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1).
15 – Zie arrest van 14 april 2005, Commissie/Duitsland (C‑104/02, Jurispr. blz. I‑2689, punten 45 en 46).
16 – Zie bijvoorbeeld conclusie van advocaat-generaal Geelhoed van 10 maart 2005 in de zaak Commissie/Denemarken (arrest van 15 november 2005, C‑392/02, Jurispr. blz. I‑9811), punt 47.
17 – Zie dienaangaande bijvoorbeeld arresten van 23 maart 2000, Met-Trans en Sagpol (C‑310/98 en C‑406/98, Jurispr. blz. I‑1797, punten 46 en 47), en 23 september 2003, BGL (C‑78/01, Jurispr. blz. I‑9543, punt 63).
18 – Zie onder meer arresten van 14 april 2005, Commissie/Duitsland, aangehaald in voetnoot 15, punt 45, en 16 mei 1991, Commissie/Nederland (C‑96/89, Jurispr. blz. I‑2461, punt 38).
19 – Zie dienaangaande laatstelijk arrest Commissie/Denemarken, aangehaald in voetnoot 16, punt 67.
20 – Punten 77‑81.
21 – Zie onder meer arrest van 12 september 2000, Commissie/Frankrijk (C‑276/97, Jurispr. blz. I‑6251, punt 56).
22 – In die zin heeft het Hof bijvoorbeeld vastgesteld, dat een te late kennisgeving van het bedrag van de betrokken rechten in strijd met het douanewetboek noodzakelijkerwijs een vertraging in de vaststelling van het recht van de Gemeenschappen op de eigen middelen betekent: arrest van 14 april 2005, Commissie/Nederland (C‑460/01, Jurispr. blz. I‑2613, punt 85).
23 – Zie bijvoorbeeld arresten van 14 april 2005, Commissie/Nederland, aangehaald in voetnoot 22, punten 60 en 70, en Commissie/Duitsland, aangehaald in voetnoot 15, punt 69.
24 – Zie boven, punt 5.
25 – Zie arresten van 16 mei 1991, Commissie/Nederland, aangehaald in voetnoot 18, punt 38, en 14 april 2005, Commissie/Duitsland, aangehaald in voetnoot 15, punt 45.
26 – Zie boven, punten 4 en 5.
27 – Zie arresten van 16 mei 1991, Commissie/Nederland, aangehaald in voetnoot 18, punt 45, en Commissie/Denemarken, aangehaald in voetnoot 16, punt 60; zie verder arrest van 15 juni 2000, Commissie/Duitsland (C‑348/97, Jurispr. blz. I‑4429, punt 64).
28 – Zie in die zin arresten van 14 april 2005, Commissie/Nederland, aangehaald in voetnoot 22, punt 71, en Commissie/Duitsland, aangehaald in voetnoot 15, punt 80, evenals Commissie/Denemarken, aangehaald in voetnoot 16, punt 59.
29 – Zie onder meer arrest van 14 april 2005, Commissie/Nederland, aangehaald in voetnoot 22, punten 69 en 72.
30 – Arrest, aangehaald in voetnoot 22.
31 – Arrest, aangehaald in voetnoot 15.
32 – Arresten van 14 april 2005, Commissie/Duitsland, aangehaald in voetnoot 15, punt 69, en Commissie/Nederland, aangehaald in voetnoot 22, punt 60.
33 – Arresten van 14 april 2005, Commissie/Duitsland, aangehaald in voetnoot 15, punten 72 en 78, en Commissie/Nederland, aangehaald in voetnoot 22, punten 63 en 71.
34 – Arresten van 14 april 2005, Commissie/Duitsland, aangehaald in voetnoot 15, punt 79, en Commissie/Nederland, aangehaald in voetnoot 22, punt 70.
35 – Arrest, aangehaald in voetnoot 15.
36 – Arrest, aangehaald in voetnoot 22.
37 – Punt 83 van die conclusie.
38 – Conclusie in zaak Commissie/Duitsland, aangehaald in voetnoot 6, punten 85‑90.
39 – Ibidem, punten 91‑100.
40 – Zie in die zin arrest BGL, aangehaald in voetnoot 17, punt 52.
41 – Zie conclusie in de zaak Commissie/Duitsland, aangehaald in voetnoot 6, punt 84.
42 – Zie punten 105‑110.
43 – Zie onder meer arresten van 14 april 2005, Commissie/Nederland, aangehaald in voetnoot 22, punt 91; 16 mei 1991, Commissie/Nederland, aangehaald in voetnoot 18, punt 38, en 12 juni 2003, Commissie/Italië, aangehaald in voetnoot 9, punt 44. Zie ook punten 38 en 39 hierboven.
44 – Zie dienaangaande ook hierboven, punt 45.
45 – Zie dienaangaande ook arrest van 12 juni 2003, Commissie/Italië, aangehaald in voetnoot 9, punt 47.
Full & Egal Universal Law Academy