CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. STIX-HACKL
van 26 januari 2006 1(1)
Zaak C‑378/03
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Koninkrijk België
„Niet-nakoming – Eigen middelen van de Gemeenschappen – Douaneschuld waarvan betaling krachtens schikkingsovereenkomst wordt gespreid – Inning – Terbeschikkingstelling”
I – Inleiding
1. Met dit niet-nakomingsberoep verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen dat het Koninkrijk België, door in geval van gespreide betalingen door de belastingplichtige de eigen middelen te laat over te maken, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 6, 10 en 11 van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000(2) (hierna: „eigenmiddelenverordening”) houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(3), waarbij verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen(4), met hetzelfde voorwerp, per 31 mei 2000 is ingetrokken en vervangen.
2. Deze zaak betreft in wezen de vraag of deelbetalingen ter zake van douaneschulden bij invoer, waarvoor gespreide betaling is overeengekomen, krachtens de eigenmiddelenverordening van „boekhouding B” naar „boekhouding A” moeten worden overgebracht en wanneer de betrokken bedragen ter beschikking van de Commissie moeten worden gesteld.
II – Rechtskader
A – Gemeenschapsrecht: de eigenmiddelenverordening
3. De Commissie heeft zich in haar verzoekschrift beroepen op verordening nr. 1150/2000, die verordening nr. 1552/89 – die in de hier relevante periode van toepassing was – per 31 mei 2000 heeft ingetrokken en vervangen. Daar enerzijds de bepalingen betreffende boeking, terbeschikkingstelling en vertragingsrente (artikelen 6, 10 en 11) in de verschillende versies inhoudelijk in wezen overeenkomen en de rechten van de verdediging van de verwerende lidstaat dus niet zijn aangetast, en anderzijds het bestaan van een niet-nakoming volgens de rechtspraak van het Hof moet worden beoordeeld in het licht van de gemeenschapswetgeving die van kracht was aan het einde van de termijn die de Commissie de betrokken lidstaat heeft gesteld(5), kan de Commissie in casu worden ontvangen in haar verzoek om schendingen van de verordening op basis van de versie van verordening nr. 1150/2000 vast te stellen.(6)
4. Daaraan dient evenwel te worden toegevoegd dat verschillende bepalingen van verordening nr. 1552/89, met name artikel 2 ervan betreffende de vaststellingsplicht(7), reeds per 14 juli 1996 bij verordening (Euratom, EG) nr. 1355/96 van de Raad van 8 juli 1996(8) waren gewijzigd. Voor de beoordeling van de werkwijze van de Belgische autoriteiten met betrekking tot de in casu tussen 1990 en 1992 ontstane en in maart 1993 vastgestelde douaneschulden is dus in beginsel verordening nr. 1552/891 in haar oorspronkelijke versie van toepassing, althans – overeenkomstig het beginsel dat procedureregels in het algemeen geacht worden te gelden voor alle bij hun inwerkingtreding aanhangige geschillen(9) – tot de inwerkingtreding op 14 juli 1996 van de bij verordening nr. 1355/96 aangebrachte wijziging.
5. Aangezien evenwel, zoals ook de Belgische regering heeft gesteld, de verplichtingen krachtens de eigenmiddelenverordening, voor zover zij hier relevant zijn, bij verordening nr. 1355/96 inhoudelijk evenmin wezenlijk zijn gewijzigd, zal ik hierna overeenkomstig het verzoekschrift van de Commissie uitgaan van de eigenmiddelenverordening in de versie van verordening nr. 1150/2000, waarvan ik hierna de relevante bepalingen zal weergeven.
6. Artikel 6, leden 1 en 3, sub a en b, van deze verordening, betreffende de boekhouding van de eigen middelen, luidt:
„1. Bij de schatkist van iedere lidstaat of bij het orgaan dat de lidstaat aanwijst, wordt een boekhouding van de eigen middelen gevoerd, gespecificeerd naar de aard van de middelen.
[...]
3. a) De overeenkomstig artikel 2 vastgestelde rechten worden, onder voorbehoud van het bepaalde onder b), uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e van de tweede maand die volgt op de maand waarin de vaststelling heeft plaatsgehad, in de boekhouding opgenomen.
b) Vastgestelde rechten die niet in de onder a) bedoelde boekhouding zijn opgenomen omdat zij nog niet zijn geïnd en geen zekerheid is gesteld, worden binnen de onder a) vastgestelde termijn in een specifieke boekhouding opgenomen. De lidstaten kunnen de vastgestelde rechten waarvoor een zekerheid is gesteld, echter eveneens in een specifieke boekhouding opnemen indien deze rechten worden betwist, waardoor de waarde ervan wijzigingen kan ondergaan als de uitslag van de geschillen bekend is.”
7. Met betrekking tot de termijn voor de terbeschikkingstelling van de eigen middelen bepaalt artikel 10, lid 1, van de eigenmiddelenverordening:
„Na aftrek van 10 % als inningskosten krachtens artikel 2, lid 3, van besluit 94/728/EG, Euratom, geschiedt de boeking van de eigen middelen, bedoeld in artikel 2, lid 1, onder a) en b), van dat besluit, uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin het recht overeenkomstig artikel 2 van deze verordening is vastgesteld.
Voor de volgens artikel 6, lid 3, onder b), in een specifieke boekhouding opgenomen rechten moet de boeking echter uiterlijk geschieden op de eerste werkdag na de 19e van de tweede maand die volgt op de inning van de rechten.”
8. Artikel 11 van de verordening legt de verplichting op vertragingsrente te betalen:
„Elke te late boeking op de in artikel 9, lid 1, bedoelde rekening verplicht de betrokken lidstaat tot het betalen van rente tegen de op de vervaldag op de geldmarkt van deze lidstaat geldende rentevoet voor kortetermijnfinanciering, vermeerderd met twee punten. Deze rente wordt met 0,25 punt per maand vertraging verhoogd. De aldus verhoogde rente geldt voor de gehele periode van de vertraging.”
B – Nationale regelingen inzake schikkingsregelingen met de belastingplichtige en gespreide betaling van douanerechten
9. Blijkens het dossier en de inlichtingen van de Belgische regering en de Commissie moet de douane, die op dit punt over dezelfde bevoegdheden als het openbaar ministerie beschikt, krachtens artikel 281 van de algemene wet inzake douane en accijnzen (hierna: „AWDA”) douane‑ en accijnsovertredingen vervolgen.
10. Krachtens artikel 263 AWDA kan de douane onder bepaalde voorwaarden met de overtreder van de wetgeving inzake douane en accijnzen transigeren tegen betaling van een bepaald bedrag dat zowel het verschuldigde recht als de boete omvat, om de strafvervolging te beëindigen of te voorkomen.
11. Met het oog op de volledige nakoming ervan wordt de schikking in de praktijk van de Belgische autoriteiten – in elk geval de onderhavige schikking – gesloten onder de „ontbindende voorwaarde” dat, indien de overtreder van de wetgeving inzake douane en accijnzen zijn betalingsverplichtingen niet nakomt, het recht te vervolgen blijft bestaan en de douane dus een klacht kan indienen. Naar luid van de schikking blijven de door de belastingplichtige reeds betaalde bedragen voor het geval de betrokkene zijn betalingsverplichtingen niet meer nakomt en de bevoegde instanties een vordering tot betaling tegen hem instellen, „geconsigneerd” bij de douaneadministratie.
12. In het kader van een schikking kunnen de belastingplichtige gelet op zijn situatie bijvoorbeeld gemakkelijke betalingsvoorwaarden of betalingstermijnen worden verleend.
III – Feiten en procesverloop
13. De Commissie baseert het onderhavige beroep hoofdzakelijk op de resultaten van een controle van de eigen middelen die zij in november 1996 in België heeft gelast en waaruit, naar zij zegt, onregelmatigheden in de boekhouding en de terbeschikkingstelling van eigen middelen uit invoerrechten, die in de vorm van gespreide betalingen respectievelijk betalingen in tranches zijn geïnd. In casu gaat het om invoerrechten die een importeur (Tefron) wegens textielimport (T-Shirts) uit Bangladesh met ongeldige certificaten van oorsprong verschuldigd is.
14. Blijkens het desbetreffende controleverslag van 29 september 1997, dat aan de Belgische autoriteiten is gezonden, is het bedrag van de litigieuze douanerechten (2 011 294 BEF) in het tweede kwartaal 1993 bij de douane van Antwerpen in boekhouding B opgenomen nadat de fraude in het eerste halfjaar van dat jaar bij de Commissie was aangegeven.
15. Op 16 november 1993 verleenden de Belgische autoriteiten de belastingplichtige in het kader van een schikkingsovereenkomst gemakkelijke betalingsvoorwaarden in de vorm van maandelijkse afbetalingen van de schuld van 100 000 BEF. Deze betalingswijze betrof een douaneschuld van 2 223 710 BEF, waarin voormelde douanerechten van 2 011 294 BEF waren begrepen. De schuldenaar betaalde regelmatig, maar staakte zijn betalingen eind augustus 1997, toen reeds een bedrag van 1 818 710 BEF was voldaan. Nadat hij door de bevoegde rechter was veroordeeld tot betaling van het saldo van de schuld in tranches, is de schuld vanaf 22 oktober 1998 in maandelijkse tranches van 15 000 BEF afbetaald. Het tot augustus 1997 betaalde bedrag van 1 818 710 BEF werd op 22 januari 2001 volledig in boekhouding A opgenomen.
16. Bij brief van 12 mei 1999 deelde de Commissie de Belgische autoriteiten mee, dat haars inziens alle in het kader van gespreide betalingen geïnde bedragen op de dag van hun inning in boekhouding A moesten worden ingeschreven en haar overeenkomstig artikel 10, lid 1, van de eigenmiddelenverordening ter beschikking gesteld moesten worden.
17. Bij brief van 18 november 1999 vorderde de Commissie van de Belgische autoriteiten betaling van vertragingsrente ten belope van 959 144 BEF.
18. In hun antwoord van 15 maart 2000 verwierpen de Belgische autoriteiten de zienswijze van de Commissie en stelden zij dat de boeking van de eigen middelen in boekhouding B correct was en dat deze tijdig ter beschikking van de Commissie waren gesteld.
19. Op 18 juli 2001 zond de Commissie de Belgische autoriteiten een aanmaningsbrief en op 11 april 2002 een met redenen omkleed advies; in hun antwoord handhaafden de Belgische autoriteiten hun standpunt. Daarop heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
IV – Beoordeling van het beroep
A – Voornaamste argumenten van partijen
20. Volgens de Commissie betreft boekhouding B krachtens artikel 6, lid 3, sub b, van de eigenmiddelenverordening alleen de rechten die nog niet zijn geïnd en waarvoor geen zekerheid is gesteld, of de rechten waarvoor weliswaar een zekerheid is gesteld, maar die worden betwist. Daarentegen betreft zij niet de inning van een gespreide betaling door een belastingplichtige in het kader van een schikking.
21. Deze deelbedragen van de douaneschuld, waarvan de vaststelling door de Belgische autoriteiten in casu niet werd betwist, hadden, aldus de Commissie, krachtens artikel 10, lid 1, van de verordening, zodra zij waren betaald – vanaf de eerste betalingen – van boekhouding B naar boekhouding A moeten worden overgebracht en niet, zoals de Belgische regering stelt, eerst na de betaling van het volledige bedrag.
22. Volgens de Commissie was de deelbetaling geen garantie of zekerheid; met deze betalingen delgt de belastingplichtige alleen de douaneschuld. Bovendien is er geen „betwisting” in de zin van artikel 6, lid 3, sub b, van de eigenmiddelenverordening. De staking van de gespreide betalingen door de belastingplichtige kan in geen geval als betwisting worden gekwalificeerd. Bovendien dient schriftelijk te worden betwist.
23. De Commissie betwist niet de Belgische praktijk van schikkingsovereenkomsten als zodanig, maar verwerpt het betoog van de Belgische regering dat de deelbetalingen tot de volledige delging van het verschuldigde bedrag niet als geïnde, maar alleen als „geconsigneerde” bedragen moeten worden beschouwd. De nationale schikkingspraktijk en de vraag van het gedeeltelijke of volledige verval van het recht tot strafvervolging van de Belgische autoriteiten naar Belgisch recht heeft geen enkele invloed op de boekingsverplichtingen en de verplichting de eigen middelen snel ter beschikking te stellen, zoals blijkt uit de rechtstreeks toepasselijke eigenmiddelenverordening.
24. Ten slotte, aldus de Commissie, zijn de eigen middelen, doordat de geïnde deelbedragen van de douaneschulden verschillende maanden lang ten onrechte in boekhouding B waren opgenomen, met vertraging ter beschikking gesteld, zodat krachtens artikel 11 van de eigenmiddelenverordening vertragingsrente verschuldigd is.
25. Volgens de Belgische regering is boekhouding B ingevoerd opdat de rechten van de Gemeenschappen, die binnen de in artikel 6, lid 3, sub a, van de eigenmiddelenverordening gestelde termijn nog niet daadwerkelijk konden worden geïnd, niet ten laste van de lidstaten zelf komen. In casu is de douaneschuld niet binnen de betrokken termijn betaald en is geen enkele zekerheid gesteld, zodat het overeenkomstige bedrag in boekhouding B is opgenomen. De Commissie heeft deze aanvankelijke boeking niet betwist.
26. Bovendien worden de lidstaten in de eigenmiddelenverordening nergens verplicht de in boekhouding B opgenomen en geïnde bedragen vervolgens naar boekhouding A over te brengen.
27. Voorts, aldus de Belgische regering, dienen de gespreide betalingen door de schuldenaar van de douaneschuld niet daadwerkelijk „geïnd” te worden geacht, maar zijn zij slechts, zoals uit de schikkingsovereenkomst blijkt, voor rekening van de belastingplichtige bij de douane „geconsigneerd”. Bij staking van de betalingen door laatstgenoemde wordt de strafvervolging voortgezet en kan de douane het bedrag in rechte vorderen.
28. Daartoe is de schikking gesloten onder een „ontbindende voorwaarde”, die noodzakelijk is om de nakoming van de overeenkomst te garanderen. Op basis van de schikkingsovereenkomst moet worden vastgesteld dat de definitieve eigendomsoverdracht en de „inning” in de zin van de eigenmiddelenverordening dus eerst plaatsvindt op het tijdstip waarop de douaneschuld volledig is betaald en de strafvervolging dus vervalt of het tijdstip waarop het recht van de douane op deze schuld in rechte wordt bevestigd. Tot dan zijn de gespreide betalingen – zoals in geval van geldboeten in het mededingingsrecht waartegen beroep bij het Gerecht van eerste aanleg of bij het Hof wordt ingesteld – als voorlopig, respectievelijk voorwaardelijk te beschouwen. Indien de deelbetalingen als definitieve betalingen werden beschouwd, zou dit ook het verval van het recht tot strafvervolging meebrengen.
29. In casu is geen zekerheid gesteld. Indien het Hof toch het bestaan van een zekerheid zou aannemen, dan moet de staking van de betaling worden beschouwd als een betwisting in de zin van boekhouding B, aangezien de Belgische autoriteiten dan een vordering zouden moeten instellen om een executoriale titel te verkrijgen. Overigens geldt voor een dergelijke betwisting geen enkel bijzonder vormvereiste.
30. Ten slotte, aldus de Belgische regering, is geen vertragingsrente opeisbaar, aangezien de verschuldigde invoerrechten in de zin van de eigenmiddelenverordening eerst met het (nationale) vonnis van 30 september 2000 geïnd moeten worden geacht en een bedrag ten belope van deze rechten reeds op 11 januari 1998 ter beschikking van de Commissie is gesteld om de betaling van vertragingsrente te voorkomen.
B – Gegrondheid
31. In de eerste plaats dient te worden vastgesteld dat de vaststelling in maart 1993 door de Belgische autoriteiten van de eigen middelen die voortvloeien uit de invoerrechten, tussen partijen onbetwist is.
32. In de tweede plaats heeft de Commissie evenmin de op deze vaststelling volgende aanvankelijke boeking van het bedrag van de douaneschuld in boekhouding B betwist.
33. In de derde plaats betreffen de grieven van de Commissie niet de Belgische wetgeving of de praktijk van de Belgische douane inzake schikkingen met de belastingplichtige en gespreide betalingen van de douanerechten als zodanig. In feite verwijt de Commissie de Belgische autoriteiten hun werkwijze inzake de boeking en terbeschikkingstelling van de gespreide betalingen die in casu in het kader van een schikkingsovereenkomst tot delging van de douaneschuld zijn overeengekomen.
34. Om te beginnen dient met de Belgische regering te worden vastgesteld dat aan de opvatting van de Commissie dat de gespreide betalingen krachtens artikel 10, lid 1, van de eigenmiddelenverordening, naarmate zij plaatsvonden, van boekhouding B naar boekhouding A hadden moeten worden overgebracht, een vergissing ten grondslag ligt, die ook voor het onderzoek van de onderhavige zaak bepalend is.
35. Uit artikel 6, lid 3, sub a en b, van de eigenmiddelenverordening blijkt dat de vastgestelde rechten – en dit geldt zowel voor boekhouding A als B – uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e van de tweede maand die volgt op de maand waarin de vaststelling heeft plaatsgehad, in de boekhouding moeten worden opgenomen.
36. Binnen deze termijn, die dus bij de vaststelling van het recht aanknoopt, worden krachtens artikel 6, lid 3, sub b, van de eigenmiddelenverordening enerzijds de vastgestelde rechten die nog niet zijn geïnd en waarvoor geen zekerheid is gesteld, in boekhouding B opgenomen, en anderzijds de vastgestelde rechten die niet zijn geïnd en die, hoewel er een zekerheid voor is gesteld, worden betwist, waardoor de waarde ervan als gevolg van het geschil wijzigingen kan ondergaan. Bijgevolg moeten geïnde schulden en niet-geïnde schulden waarvoor een zekerheid is gesteld en die niet worden betwist, in boekhouding A worden opgenomen.(10)
37. Het wezenlijke verschil tussen de twee boekhoudingen of, meer bepaald, de betekenis van het type van boekhouding ligt in feite in de verschillende gevolgen ervan voor de terbeschikkingstelling van de geboekte bedragen krachtens artikel 10, lid 1, van de eigenmiddelenverordening.
38. Terwijl namelijk krachtens de eerste alinea van deze bepaling de in boekhouding A opgenomen bedragen uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin het recht van de Commissie is vastgesteld, moeten worden overgemaakt, moeten de in boekhouding B geboekte bedragen weliswaar binnen dezelfde termijn ter beschikking van de Commissie worden gesteld, maar begint deze termijn eerst na hun inning te lopen.(11)
39. Artikel 10, lid 1, van de eigenmiddelenverordening bepaalt dus, dat de in boekhouding B opgenomen bedragen binnen de in deze bepaling gestelde termijn vanaf de inning ervan ter beschikking van de Commissie moeten worden gesteld en niet dat deze bedragen, anders dan de Commissie denkt, vanaf hun inning in boekhouding A moeten worden opgenomen. De in boekhouding B opgenomen bedragen zijn vanaf hun inning zonder meer onderworpen aan de verplichting om deze binnen de termijn ter beschikking te stellen, zodat overbrenging ervan naar boekhouding A overbodig lijkt en, gelet op artikel 10, lid 1, eerste alinea, van de eigenmiddelenverordening, bovendien tot bepaalde incoherenties zou leiden, aangezien de termijn voor de terbeschikkingstelling van de in boekhouding A opgenomen bedragen bij de datum van de vaststelling aanknoopt.
40. De grief van de Commissie dat de Belgische autoriteiten de betaalde tranches ten onrechte niet naar boekhouding A hebben overgebracht, dient dus te worden afgewezen.
41. In de onderhavige zaak, waarin de Commissie de aanvankelijke opneming van het betrokken bedrag van de douaneschuld in boekhouding B niet bekritiseert en niet betwist dat dit bedrag tot die datum niet was geïnd en daarvoor geen enkele zekerheid was gesteld, beperkt het onderzoek zich logischerwijze tot de vraag of het bedrag van de schuld, respectievelijk de verschillende betaalde tranches te laat – namelijk eerst op 11 januari 1998, respectievelijk na het arrest van 30 september 2000 – ter beschikking zijn gesteld. In deze context dient te worden nagegaan, vanaf wanneer in een zaak als de onderhavige, waarin een vastgesteld recht gespreid wordt betaald, sprake is van inning in de zin van de eigenmiddelenverordening.
42. Inzake het betoog van de Belgische regering dat de betrokken douaneschuld krachtens de schikkingsovereenkomst en het op de inning van douaneschulden en de vervolging van douaneovertredingen toepasselijke Belgische recht eerst vanaf de gerechtelijke vaststelling of de volledige betaling van de schuld als geïnd is te beschouwen, dient om te beginnen in het algemeen te worden vastgesteld dat de verplichting om de eigen middelen ter beschikking te stellen, zoals zij in de eigenmiddelenverordening is neergelegd, een gemeenschapsrechtelijke verplichting vormt, waarvan de volle werking moet worden verzekerd.(12)
43. Bijgevolg, zoals ook de Commissie terecht heeft betoogd, kan het voor de vaststelling van het tijdstip van de inning, bij welk tijdstip de verplichting tot terbeschikkingstelling van de eigen middelen voor in boekhouding B opgenomen rechten aanknoopt, in beginsel van weinig belang zijn dat de gespreide betalingen van de douaneschuld door de belastingplichtige aan de Belgische douane krachtens de schikking of de toepasselijke Belgische wetgeving al dan niet „geconsigneerd” moeten worden geacht. Indien het namelijk aan de lidstaten werd overgelaten te bepalen vanaf wanneer de vastgestelde en geboekte rechten van de Gemeenschappen als „geïnd” in het kader van de eigenmiddelenverordening moeten worden beschouwd, zou het financiële evenwicht van de Gemeenschappen door het willekeurige gedrag van een lidstaat kunnen worden verstoord.(13)
44. Omgekeerd is overigens evenmin te zien, waarom de kwalificatie van de betaalde tranches van de douaneschuld als geïnde rechten in de zin van de eigenmiddelenverordening afbreuk zou doen aan de voortzetting van de strafvervolging in geval van staking van de betaling in tranches zoals bepaald in de schikkingsovereenkomst. Wanneer de betaalde tranches als geïnde rechten in de zin van artikel 10, lid 1, van deze verordening moeten worden beschouwd, betekent dit namelijk niet automatisch dat zij als een „definitieve” betaling in de zin van het Belgische recht of de schikkingsovereenkomst moeten worden beschouwd waardoor het recht voor de Belgische autoriteiten om vervolging in te stellen zou vervallen.
45. Wat het begrip inning van rechten in de zin van de eigenmiddelenverordening betreft, dit wordt in de verordening zelf niet gedefinieerd.
46. Evenwel valt in de eerste plaats op te merken – zoals ook de Belgische regering heeft betoogd en zoals ik reeds in mijn conclusie in de zaak Commissie/Duitsland (C‑105/02) heb betoogd(14) – dat de invoering van boekhouding B bij verordening nr. 1552/89 niet alleen tot doel had het optreden van de lidstaten in verband met de inning van de eigen middelen beter te kunnen controleren, maar ook rekening te houden met de bescherming van hun financiële belangen.
47. Door de verplichting bepaalde rechten die thans worden gespecificeerd in artikel 6, lid 3, sub b, ter beschikking te stellen afhankelijk te stellen van de inning ervan, vermindert voor de lidstaten namelijk het risico de ter beschikking van de Gemeenschap gestelde eigen middelen uiteindelijk zelf te moeten betalen.
48. Het doel van de regeling inzake de terbeschikkingstelling van de eigen middelen met betrekking tot de in boekhouding B op te nemen rechten, te weten het financiële risico voor de lidstaten te verminderen, pleit er mijns inziens voor de reeds betaalde tranches van de douaneschuld als geïnde rechten van de Gemeenschappen te beschouwen, die binnen de termijn van artikel 10, lid 1, tweede alinea, van de eigenmiddelenverordening ter beschikking van de Commissie moeten worden gesteld; de betaling of – in de termen van de Belgische regering – de „consignatie” van de maandelijkse betalingen op een rekening van de douane garandeert namelijk in elk geval dat, wanneer de betalingsverplichting van de belastingschuldige ongewijzigd blijft, de reeds gedane maandelijkse betalingen ter beschikking van de Belgische autoriteiten staan zodat er voor deze lidstaat geen enkel risico bestaat dat hij zelf de eigen middelen moet betalen die voortvloeien uit deze gespreide betalingen en ter beschikking van de Gemeenschappen zijn gesteld.
49. In de tweede plaats is deze uitlegging, volgens welke gespreide betalingen zoals die welke in de onderhavige zaak aan de orde zijn, als geïnde rechten in de zin van artikel 10, lid 1, tweede alinea, van de eigenmiddelenverordening moeten worden beschouwd, mijns inziens ook geboden in het licht van het door deze verordening nagestreefde doel van een snelle en doeltreffende terbeschikkingstelling van de eigen middelen van de Gemeenschappen.(15)
50. Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat het Koninkrijk België, door de door de belastingplichtige gedane maandelijkse betalingen niet uiterlijk op de 19e van de tweede maand die volgt op de maand waarin de maandelijkse betaling is gedaan en dus is geïnd, niet ter beschikking van de Commissie te hebben gesteld, de verplichtingen niet is nagekomen die krachtens de eigenmiddelenverordening, in het bijzonder artikel 10, lid 1, daarvan, op hem rusten.
51. Krachtens artikel 11 van de eigenmiddelenverordening verplicht elke te late boeking op de rekening van de Commissie tot het betalen van vertragingsrente; volgens vaste rechtspraak is de rente verschuldigd ongeacht de reden waarom de boeking op de rekening van de Commissie met vertraging is geschied.(16)
52. Aangezien de verschillende maandelijkse betalingen die de belastingplichtige in het kader van de schikkingsovereenkomst heeft verricht – zoals volgt uit de voorgaande overwegingen – met vertraging ter beschikking zijn gesteld, is vertragingsrente opeisbaar geworden, die tot dusver onbetwistbaar niet is betaald.
53. Derhalve is het beroep van de Commissie ook op dit punt gegrond.
V – Kosten
54. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Volgens artikel 69, lid 3, van dat Reglement kan het Hof evenwel de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld, en voorts wegens bijzondere redenen.
55. Aangezien de grief van de Commissie betreffende de overbrenging van de betrokken gespreide betalingen naar boekhouding A ongegrond is, geef ik het Hof in overweging het Koninkrijk België, dat voor het overige in het ongelijk is gesteld, te verwijzen in twee derde van alle kosten. Bijgevolg zal de Commissie een derde van de kosten moeten dragen.
VI – Conclusie
56. Gelet op alle voorgaande overwegingen geef ik het Hof in overweging voor recht te verklaren:
„1) Door in geval van gespreide betalingen door de belastingplichtige de eigen middelen te laat ter beschikking van de Gemeenschap te stellen, waardoor vertragingsrente verschuldigd is, is het Koninkrijk België de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 10 en 11 van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen, waarbij verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, met hetzelfde voorwerp, per 31 mei 2000 is ingetrokken en vervangen.
2) Het beroep wordt verworpen voor het overige.
3) Het Koninkrijk België zal twee derde van de kosten dragen. De Commissie van de Europese Gemeenschappen draagt een derde deel van de kosten.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – PB L 130, blz. 1.
3 – Besluit van de Raad van 31 oktober 1994 (PB L 293, blz. 9).
4 – PB L 155, blz. 1.
5 – Zie met name arresten van 10 september 1996, Commissie/Duitsland (C‑61/94, Jurispr. blz. I‑3989, punt 42), en 9 november 1999, Commissie/Italië (C‑365/97, Jurispr. blz. I‑7773, punt 32).
6 – Zie arrest van 12 juni 2003, Commissie/Italië (C‑363/00, Jurispr. blz. I‑5767, punten 21‑24).
7 – Zie mijn conclusie van 26 januari 2006 in de zaak Commissie/België (C‑377/03, nog aanhangig bij het Hof), punten 4 en 5.
8 – Verordening tot wijziging van verordening nr. 1552/89 (PB. L 175, blz. 3).
9 – Zie bijvoorbeeld arrest van 1 juli 2004, Tsapalos en Diamantakis (C‑361/02 en C‑362/02, Jurispr. blz. I‑6405, punt 19, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
10 – Zie mijn conclusie van 8 december 2005 in de zaak Commissie/Duitsland (C‑105/02, nog aanhangig bij het Hof), punt 83.
11 – Ibidem, punten 2 en 81.
12 – Zie in dit opzicht arrest van 23 september 2003, BGL (C‑78/01, Jurispr. blz. I‑9543, punt 57).
13 – Zie in die zin arresten van 16 mei 1991, Commissie/Nederland (C‑96/89, Jurispr. blz. I‑2461, punt 37), en 15 juni 2000, Commissie/Duitsland (C‑348/97, Jurispr. blz. I‑4429, punt 64).
14 – Voormelde conclusie (voetnoot 10), punten 81, 86 en 87.
15 – Zie, met betrekking tot dit doel, met name arresten van 14 april 2005, Commissie/Nederland (C‑460/01, Jurispr. blz. I‑2613, punten 60 en 70) en Commissie/Duitsland (C‑104/02, Jurispr. blz. I‑2689, punt 69).
16 – Zie met name arresten van 16 mei 1991, Commissie/Nederland, reeds aangehaald (voetnoot 13), punt 38; 12 juni 2003, Commissie/Italië, reeds aangehaald (voetnoot 6), punt 44, en 14 april 2005, Commissie/Nederland, reeds aangehaald (voetnoot 15), punt 91.
Full & Egal Universal Law Academy