CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
L. A. GEELHOED
van 20 januari 2005(1)
Zaak C‑402/03
Skov ÆG
Bilka Lavprisvarehus A/S
en
Bilka Lavprisvarehus A/S
tegen
Jette Mikkelsen
en
Michael Due Nielsen
[verzoek van het Vestre Landsret (Denemarken) om een prejudiciële beslissing]
„Aansprakelijkheid voor producten met gebreken – Aansprakelijkheid voor leverancier van producten met gebreken”
I – Inleiding
1. Deze prejudiciële verwijzing van het Vestre Landsret (appèlrechter, Denemarken) betreft de uitlegging van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (hierna: „richtlijn”). (2) Zij betreft hoofdzakelijk de vraag of deze richtlijn, die de aansprakelijkheid voor een product met gebreken primair bij de producent legt en slechts subsidiair bij de leverancier, de lidstaten toestaat deze aansprakelijkheidsverdeling te wijzigen en zo ja, in hoeverre.
2. De verwijzende rechter heeft het Hof over de uitlegging van de richtlijn vijf vragen gesteld. Deze betreffen een problematiek die reeds aan de orde is geweest in de zaken Commissie/Frankrijk (C‑52/00) (3) , Commissie/Griekenland (C‑154/00) (4) en González Sánchez (C‑183/00) (5) , in het bijzonder de vraag of de richtlijn toelaat dat de aansprakelijkheid voor producten met gebreken wordt uitgebreid tot andere deelnemers aan het economisch verkeer dan degenen die de richtlijn aanwijst.
II – Het relevante recht
A – Gemeenschapsrecht
3. Volgens artikel 1 van de richtlijn is de „producent” aansprakelijk voor de „schade, veroorzaakt door een gebrek in zijn product”. In de zin van de richtlijn omvat het begrip „producent” van een product de fabrikant (artikel 3, lid 1) en degene die het product in de Gemeenschap importeert (artikel 3, lid 2).
4. Artikel 3, lid 3, van de richtlijn bepaalt:
„Indien niet kan worden vastgesteld wie de producent van het product is, wordt elke leverancier als producent ervan beschouwd, tenzij hij de gelaedeerde binnen een redelijke termijn de identiteit meedeelt van de producent of van degene die hem het product heeft geleverd. Dit geldt ook voor geïmporteerde producten, als daarop de identiteit van de in lid 2 bedoelde importeur niet is vermeld, zelfs al is de naam van de producent wel aangegeven.”
5. Artikel 13 van de richtlijn bepaalt:
„Deze richtlijn laat de rechten die de gelaedeerde ontleent aan het recht inzake contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid of aan een op het ogenblik van de kennisgeving van deze richtlijn bestaande speciale aansprakelijkheidsregeling onverlet.”
B – Nationaal recht
6. De richtlijn is in Deens recht omgezet bij wet nr. 371 van 7 juni 1989 (hierna: „Deense wet”).
7. De relevante bepalingen van deze wet luiden als volgt:
§ 4:
„1. Als producent wordt beschouwd degene die een eindproduct, een halffabrikaat of een grondstof produceert, degene die een natuurproduct voortbrengt of verzamelt, alsook degene die door zijn naam, merk of een ander onderscheidingsteken op het product aan te brengen, zich presenteert als producent.
2. Eveneens als producent wordt beschouwd degene die in het kader van zijn commerciële activiteiten een product in de Gemeenschap invoert om dit te verkopen, te verhuren, te leasen of anderszins in het verkeer te brengen.
3. Als leverancier wordt beschouwd degene die in het kader van zijn commerciële activiteiten een product in het verkeer brengt zonder als de producent te worden beschouwd.
4. Indien degene die schade ondervindt van een product dat in de Gemeenschap is geproduceerd, niet kan vaststellen wie het heeft geproduceerd, of degene die schade ondervindt van een product dat buiten de Gemeenschap is geproduceerd, niet kan vaststellen wie het in de Gemeenschap heeft ingevoerd, wordt elke leverancier van het product als producent beschouwd.
5. Lid 4 is niet van toepassing indien de leverancier binnen redelijke termijn de naam en het adres van de producent of de importeur of van degene die het product heeft geleverd, aan de gelaedeerde meedeelt. De leverancier kan de gelaedeerde niet verwijzen naar een aansprakelijke persoon die buiten de Europese Gemeenschap is gevestigd.”
§ 10:
„Een leverancier is jegens de gelaedeerde en de leveranciers na hem in de distributieketen rechtstreeks aansprakelijk voor gebreken van een product.”
§ 11:
„1. Indien ingevolge deze wet meerdere personen voor dezelfde schade aansprakelijk zijn, is hun aansprakelijkheid hoofdelijk.
[…]
3. Degene die als leverancier of producent de schade van een gelaedeerde of een leverancier na hem in de distributieketen heeft vergoed overeenkomstig § 4, lid 2 of lid 4, treedt jegens de leveranciers of producenten vóór hem in de productie- en distributieketen, in de rechten van de gelaedeerde. […]”
III – Feiten en procesverloop
8. Op 24 april 1998 hebben Jette Mikkelsen en Michael Due Nielsen een doos met 30 eieren gekocht bij Bilka Lavprisvarehus A/S (hierna: „Bilka”).
9. Met deze eieren is op 15 mei 1998 een eierkoek gebakken, die Mikkelsen en Nielsen samen hebben opgegeten.
10. Op 16 mei 1998 zijn Mikkelsen en Nielsen ziek geworden. Uit onderzoek in het ziekenhuis is gebleken dat zij beiden een salmonellavergiftiging hadden opgelopen.
11. Gelaedeerden hebben leverancier Bilka aangesproken, die de producent Skov Æg (hierna: „Skov”) (waar de eieren waren gekocht) in vrijwaring heeft geroepen.
12. De rechter in eerste aanleg heeft in zijn vonnis verklaard dat Bilka als leverancier aansprakelijk was voor de door Mikkelsen en Nielsen geleden schade en dat zij regres kon nemen op Skov Æg, daar deze als producent van de met salmonella geïnfecteerde eieren aansprakelijk was.
13. Bilka en Skov Æg hebben hoger beroep ingesteld op grond dat § 10 van de Deense wet onverenigbaar is met de richtlijn. Het Vestre Landsret heeft bij beschikking van 26 september 2003 besloten het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
„Vraag 1
Staat richtlijn [85/374/EEG] van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, in de weg aan een wettelijke regeling waarbij de aansprakelijkheid van de producent ingevolge de richtlijn, zonder beperkingen bij de leverancier wordt gelegd?
Vraag 2
Staat deze richtlijn in de weg aan een stelsel waarbij door de rechtspraak de in de rechtspraak vastgelegde aansprakelijkheid van de producent wegens onrechtmatige daad, zonder beperkingen bij de leverancier wordt gelegd, in geval van een product met gebreken dat schade aan de persoon of de goederen van de consument heeft veroorzaakt?
Vraag 3
Onder verwijzing naar:
1. de notulen van de Raad in BEUC-News, Legal Supplement 12 november/december 1985, blz. 20 en 21, waarvan punt 2 luidt:
‚Verklaringen ad de artikelen 3 en 12: „Wat de uitlegging van de artikelen 2 en 10 betreft, zijn de Raad en de Commissie het erover eens dat niets een lidstaat belet in zijn nationale wetgeving bepalingen op te nemen over de aansprakelijkheid van tussenpersonen, omdat de aansprakelijkheid van tussenpersonen niet onder de richtlijn valt. Ook bestaat er overeenstemming over het feit dat de lidstaten volgens de richtlijn bepalingen kunnen vaststellen betreffende de uiteindelijke onderlinge verdeling van de aansprakelijkheid tussen diverse aansprakelijke producenten (zie artikel 3) en de tussenpersonen.”’
2. artikel 13 van de richtlijn, dat bepaalt:
‚Deze richtlijn laat de rechten die de gelaedeerde ontleent aan het recht inzake contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid of aan een op het ogenblik van de kennisgeving van deze richtlijn bestaande speciale aansprakelijkheidsregeling onverlet’,
wordt gevraagd of de richtlijn eraan in de weg staat dat een lidstaat de productaansprakelijkheid van de leverancier bij wet regelt, indien de leverancier, zoals in § 3, lid 3, eerste zin, van de Deense wet het geval is, wordt gedefinieerd als degene die in het kader van zijn commerciële activiteiten een product in het verkeer brengt, zonder te worden beschouwd als producent in de in artikel 3 van de richtlijn gedefinieerde zin.
Vraag 4
Staat de richtlijn (richtlijn van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken) eraan in de weg dat de lidstaten een wettelijke bepaling inzake productaansprakelijkheid invoeren die inhoudt dat de leverancier – zonder zelf producent te zijn of ingevolge artikel 3 van de richtlijn als producent te worden beschouwd – aansprakelijk is uit hoofde van:
– de aansprakelijkheid van de producent ingevolge de richtlijn?
– de in de rechtspraak vastgelegde aansprakelijkheid van de producent wegens onrechtmatige daad in geval van een product met gebreken dat schade aan de persoon of de goederen van de consument heeft veroorzaakt?
Deze wettelijke bepaling gaat ervan uit:
a. dat de leverancier wordt gedefinieerd als degene die in het kader van zijn commerciële activiteiten een product in het verkeer brengt zonder als producent te worden beschouwd (§ 3, lid 3, punt 1, van de Deense wet inzake productaansprakelijkheid);
b. dat de producent aansprakelijk kan worden gesteld, en dat de leverancier dus niet aansprakelijk is indien zulks niet het geval is (§ 10 van de Deense wet inzake productaansprakelijkheid);
c. dat de leverancier regres heeft op de producent (§ 11, lid 3, van de Deense wet inzake productaansprakelijkheid).
Vraag 5
Staat de richtlijn (richtlijn van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken) in de weg aan de instandhouding door een lidstaat van een niet op de wet maar op de rechtspraak berustende, vóór de richtlijn bestaande regeling van de productaansprakelijkheid waarbij de leverancier – zonder zelf producent te zijn of ingevolge artikel 3 van de richtlijn als producent te worden beschouwd – aansprakelijk is uit hoofde van:
– de aansprakelijkheid van de producent ingevolge de richtlijn?
– de in de rechtspraak vastgelegde aansprakelijkheid van de producent wegens onrechtmatige daad in geval van een product met gebreken dat schade aan de persoon of de goederen van de consument heeft veroorzaakt?
Deze op de rechtspraak gebaseerde regeling gaat ervan uit dat:
a. dat de leverancier wordt gedefinieerd als degene die in het kader van zijn commerciële activiteiten een product in het verkeer brengt zonder als producent te worden beschouwd (§ 3, lid 3, punt 1, van de Deense wet inzake productaansprakelijkheid);
b. dat de producent aansprakelijk kan worden gesteld, en dat de leverancier dus niet aansprakelijk is indien zulks niet het geval is (§ 10 van de Deense wet inzake productaansprakelijkheid);
c. dat de leverancier regres heeft op de producent (§ 11, lid 3, van de Deense wet inzake productaansprakelijkheid).”
IV – Opmerkingen
14. De schriftelijke en mondelinge opmerkingen in deze zaak kunnen worden verdeeld in twee categorieën. Enerzijds de opmerkingen van verweerders in het hoofdgeding – gelaedeerden – en de Deense regering, die verdedigen dat de richtlijn enkel de volledige harmonisatie van de aansprakelijkheid van de producent voor producten met gebreken tot stand heeft gebracht en dat de lidstaten dus de bevoegdheid hebben behouden om een specifieke regeling in stand te houden of vast te stellen voor de risicoaansprakelijkheid van de leverancier. Anderzijds de opmerkingen van verzoeksters in het hoofdgeding – Bilka en Skov Æg –, de Spaanse regering en de Commissie, die opmerken dat de richtlijn wel degelijk heeft voorzien in de volledige harmonisatie van de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, door deze aansprakelijkheid uitsluitend bij de producent en de met hem gelijkgestelde verkeersdeelnemers te leggen.
15. De Deense regering onderbouwt haar stelling met twee verschillende argumenten. In de eerste plaats bevat artikel 3 van de richtlijn alleen een definitie van de producent en de met hem gelijkgestelde verkeersdeelnemers. Daaruit volgt a contrario dat de richtlijn niet de aansprakelijkheid regelt van tussenpersonen, zoals de leverancier, in de productie- en verkoopketen. Deze uitlegging vindt volgens de Deense regering steun in artikel 13 van de richtlijn en twee verklaringen – de tweede en de zestiende – die zijn opgenomen in de notulen van de 1 025e zitting van de Raad van 25 juli 1985.
16. Subsidiair zet de Deense regering uiteen dat de aansprakelijkheid van de leverancier volgens de Deense wetgeving niet autonoom is, daar de leverancier volgens de §§ 10 en 11, lid 3, van de Deense wet jegens de gelaedeerden slechts aansprakelijk is voorzover de producent aansprakelijk kan zijn. De situatie van de leverancier komt derhalve overeen met die van een hoofdelijke borg. De Deense wetgeving verschilt dus van de Franse regel die in het arrest Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald (6) , met de richtlijn onverenigbaar is verklaard. De Deense regering concludeert daaruit dat deze rechtspraak niet op de Deense regeling van toepassing is.
17. Zou deze uitlegging niet worden gevolgd, dan verzoekt de Deense regering het Hof, zijn rechtspraak opnieuw te overwegen, althans op het punt van de aansprakelijkheid van de leverancier, wegens de negatieve consequenties van deze rechtspraak voor de bescherming van de belangen van de consument. Zo het Hof de onverenigbaarheid van de Deense wet met de richtlijn zou vaststellen, verzoekt zij de gevolgen van het arrest in de tijd te beperken tot de datum van uitspraak.
18. Skov Æg, Bilka, de Spaanse regering en de Commissie verwijzen in hun betoog hoofdzakelijk naar het arrest Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald. (7) Zij zijn van mening dat dit arrest dwingt tot de conclusie dat de §§ 3, lid 3, 10 en 11 van de Deense wet in strijd zijn met de richtlijn.
19. Volgens deze interveniënten moet de tweede verklaring die is opgenomen in de notulen van de Raad aldus worden uitgelegd dat de lidstaten eigen regels kunnen stellen voor de aansprakelijkheid van de leverancier, maar dat zij niet de risicoaansprakelijkheid voor producten met gebreken, die door de richtlijn bij de producent is gelegd, naar de leverancier kunnen verleggen.
20. Skov Æg stelt voorts dat § 10 van de Deense wet moet worden uitgelegd in overeenstemming met de richtlijn, die volgens haar rechtstreekse werking heeft. § 10 van de Deense wet kan dan ook niet aan de leverancier zwaardere verplichtingen opleggen dan die van artikel 3 van de richtlijn. Voor de onderbouwing van deze stelling verwijst zij naar de rechtspraak van het Hof in de zaken Von Colson en Kamann, Marleasing, Wagner Miret en Faccini Dori. (8)
V – Beoordeling
A – Opmerkingen vooraf
21. In deze zaak is de belangrijkste vraag of de richtlijn in de weg staat aan een toepassing waarbij de aansprakelijkheid van de producent uit hoofde van de richtlijn, zonder beperkingen bij de leverancier (of een andere tussenpersoon) wordt gelegd.
22. De richtlijn voorziet in een regeling van de risicoaansprakelijkheid voor producten met gebreken. Volgens artikel 1 kunnen belanghebbenden vergoeding van de schade vorderen indien deze is veroorzaakt door een product met een gebrek, mits zij het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade bewijzen (artikel 4). In artikel 1 is de producent van het product met het gebrek aangewezen als de aansprakelijke persoon.
23. Artikel 3 van de richtlijn bevat de wettelijke definitie van de term „producent” – dus de aansprakelijke persoon – in de zin van de richtlijn. Het betreft met name:
– de fabrikant van een eindproduct, de producent van een grondstof en elke andere persoon die zich als producent presenteert door zijn naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken op het product aan te brengen (lid 1);
– degene die een eindproduct in de Gemeenschap importeert om dit te verkopen, te verhuren, te leasen of anderszins te verstrekken, in het kader van zijn commerciële activiteiten (lid 2);
– de leverancier, indien niet kan worden vastgesteld wie de producent of de importeur van het product is, tenzij hij de gelaedeerde binnen een redelijke termijn de identiteit meedeelt van de producent, de importeur of degene die hem het product heeft geleverd (lid 3).
24. Deze bepaling is in Deens recht omgezet bij § 4, leden 1, 2, 4 en 5, van de Deense wet inzake de productaansprakelijkheid. De Deense wetgever heeft echter aan de in de richtlijn voorziene categorieën van aansprakelijke personen een bijzondere categorie toegevoegd. Volgens § 10 van de Deense wet zijn leveranciers rechtstreeks voor de gebreken van een product aansprakelijk jegens de gelaedeerde en de leveranciers na hen in de productieketen. Volgens de definitie van § 4, lid 3, van deze wet is de leverancier in de zin van § 10 degene die een product in het verkeer brengt in het kader van zijn commerciële activiteiten, zonder als producent te worden beschouwd.
25. In wezen verzoekt de verwijzende rechter het Hof, te verklaren of de harmonisatie van de productaansprakelijkheid door de richtlijn als een volledige harmonisatie te beschouwen is, die geen enkele beoordelingsmarge aan de lidstaten laat met betrekking tot de definitie van de kring van aansprakelijke personen.
26. In een reeks recente arresten, Commissie/Frankrijk, Commissie/Griekenland en González Sánchez, reeds aangehaald (9) , heeft het Hof zich over deze principekwestie gebogen. In mijn conclusie in die zaken heb ik op grond van een analyse van de bewoordingen, het systeem en de doelstellingen zoals die blijken uit de considerans van de richtlijn, gemeend dat de richtlijn een volledige harmonisatie van de risicoaansprakelijkheid voor producten met gebreken beoogt. Hieruit volgt dat de beoordelingsmarges waarover de lidstaten beschikken bij de regeling van de risicoaansprakelijkheid voor producten met gebreken, volledig worden bepaald door de richtlijn. Op grond van een vergelijkbare argumentatie is het Hof in de aangehaalde arresten tot dezelfde constatering gekomen, zoals duidelijk blijkt uit de punten 16 tot en met 19 van het reeds aangehaalde arrest Commissie/Frankrijk.
27. In punt 16 heeft het Hof met name geconstateerd dat de beoordelingsmarge waarover de lidstaten beschikken om de aansprakelijkheid voor producten met gebreken te regelen, volledig door de richtlijn zelf wordt bepaald en moet worden afgeleid uit haar bewoordingen, doelstelling en opzet.
28. In punt 17 stelt het Hof vervolgens vast dat de richtlijn door het instellen van een geharmoniseerd stelsel van civielrechtelijke aansprakelijkheid van producenten voor door producten met gebreken veroorzaakte schade, beantwoordt aan de doelstelling de onvervalste mededinging tussen de marktdeelnemers te waarborgen, het vrij verkeer van goederen te vergemakkelijken, en verschillen in het niveau van de consumentenbescherming te vermijden.
29. Het Hof stelt voorts in punt 18 vast dat de richtlijn geen enkele bepaling bevat die de lidstaten expliciet toestaat om inzake de door de richtlijn geregelde kwesties strengere maatregelen vast te stellen ter verhoging van het beschermingsniveau van de consumenten.
30. Ten slotte merkt het Hof in punt 19 op dat het feit dat de richtlijn in bepaalde afwijkingen voorziet of op bepaalde punten naar het nationale recht verwijst, niet betekent dat de harmonisatie op de punten die zij regelt, niet volledig is.
31. Het Hof komt dan ook tot de conclusie dat artikel 13 van de richtlijn niet aldus kan worden uitgelegd dat het de lidstaten de mogelijkheid laat om een algemeen aansprakelijkheidsstelsel inzake producten met gebreken te handhaven dat verschilt van het stelsel van de richtlijn.
32. Vervolgens heeft het Hof in punt 22 van het reeds aangehaalde arrest Commissie/Frankrijk en in de punten 31 tot en met 33 van het reeds aangehaalde arrest González Sánchez verklaard dat het door de richtlijn ingevoerde stelsel niet de toepassing uitsluit van andere stelsels van contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid die op een andere grondslag berusten, zoals de aansprakelijkheid wegens verborgen gebreken of onrechtmatige daad.
33. Alvorens de gestelde vragen te beantwoorden zal ik eerst ingaan op de vraag of de door de Deense regering en verweerders in het hoofdgeding aangevoerde argumenten, ten opzichte van vorengenoemde argumenten nieuwe feiten of omstandigheden bevatten en of zij aanleiding geven tot een herziening van die rechtspraak.
34. De Deense regering heeft uitvoerig beargumenteerd dat de richtlijn enkel de harmonisatie van de aansprakelijkheid van de producent beoogt. Afgezien van de deelregeling in artikel 3, lid 3, van de richtlijn van de subsidiaire aansprakelijkheid van de leverancier ingeval niet kan worden vastgesteld wie de producent van een product met gebreken is, beoogt de richtlijn geen algemene regeling van de aansprakelijkheid van de leverancier en andere tussenpersonen. De Deense regering leidt daaruit af dat de lidstaten op dit punt hun wetgevingsbevoegdheid hebben behouden.
35. Ik kan mij niet vinden in deze stelling, en evenmin in de redenering waarop zij berust. Zoals blijkt uit de reeds enkele malen aangehaalde rechtspraak, heeft de richtlijn een volledige harmonisatie van de risicoaansprakelijkheid voor producten met gebreken tot doel. Een dergelijke regeling houdt ten minste een definitie in van datgene waarop die aansprakelijkheid betrekking heeft, dat wil zeggen de door een product met gebreken veroorzaakte schade, de kring van beschermde personen en ten slotte de kring van aansprakelijke personen. Ervan uitgaande dat de richtlijn een volledige harmonisatie beoogt, betekent dit dat de definitie van de kring van aansprakelijke personen eveneens uitputtend is.
36. Het staat de lidstaten daarom niet meer vrij, de kring van aansprakelijke personen uit te breiden tot leveranciers en tot andere tussenpersonen, behoudens de in de in artikel 3, lid 3, van de richtlijn uitdrukkelijk neergelegde gevallen.
37. De Deense regering heeft voor haar standpunt tevens steun gezocht bij twee verklaringen, een van de Raad en een van de Raad en de Commissie, die inzake de richtlijn zijn opgenomen in de notulen van de 1 025e zitting van de Raad van 25 juli 1985. (10) Deze zijn in de hiervóór aangehaalde zaken weliswaar niet aan de orde geweest, maar zij zijn volgens de Deense regering voor de uitlegging van de richtlijn relevant.
38. Vooruitlopend op de bespreking van de derde vraag, waarbij ik nader op deze verklaringen zal ingaan, stel ik op deze plaats vast dat noch hun rechtskarakter, noch hun materiële inhoud kan afdoen aan de bewoordingen, het systeem en het doel van de richtlijn.
39. Zowel in hun schriftelijke opmerkingen als ter terechtzitting hebben verzoeksters in het hoofdgeding en de Deense regering de verschillen benadrukt die er volgens hen bestaan tussen de Deense regeling van de risicoaansprakelijkheid van leveranciers en artikel 1386-7 van de Franse Code civil, dat door het Hof met de richtlijn onverenigbaar is verklaard in het reeds aangehaalde arrest Commissie/Frankrijk. (11)
40. In dit verband merk ik op dat het er in de onderhavige zaak allereerst om gaat of een wettelijke bepaling als de Deense al dan niet verenigbaar is met de richtlijn. Aan de verschillen die zouden bestaan tussen deze twee bepalingen kunnen geen argumenten worden ontleend die beslissend zijn voor de beantwoording van deze vraag.
41. Voor het geval het Hof haar opvatting dat de Deense regeling van de risicoaansprakelijkheid voor producten met gebreken verenigbaar is met de richtlijn zoals uitgelegd in de zaak Commissie/Frankrijk, niet zou delen, verzoekt de Deense regering het Hof om van die uitspraak terug te komen.
42. Mij lijkt het niet op zijn plaats om van deze uitspraak, die van recente datum is, terug te komen. In de betrokken arresten en in mijn conclusie is op basis van een grammaticale, systematische en historische analyse vastgesteld dat de richtlijn inderdaad een volledige harmonisatie beoogde. De argumenten die de Deense regering aanvoert – die er alle op neerkomen dat de uitlegging van het Hof onvoldoende bescherming van de consument tot gevolg zou hebben – kunnen niet leiden tot een resultaat dat ingaat tegen de duidelijke wens van de gemeenschapswetgever zoals deze in de richtlijn is uitgedrukt.
43. Wanneer een richtlijn op een terrein dat zo netelig en gevoelig is als de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, ingaat tegen de voorkeur van een of meer lidstaten, moet worden getracht dit verschil op te lossen in het kader van de communautaire constitutionele orde, niet door een uitlegging contra legem, maar op initiatief van de gemeenschapswetgever. Blijkens de stappen die de Deense regering in haar hoedanigheid van voorzitter van de Raad heeft ondernomen, is zij zich van deze constitutionele logica overigens bewust. (12)
44. Ten overvloede merk ik voorts op dat, zo het Hof de door de Deense regering voorgestane uitlegging zou aanvaarden, dit onvermijdelijk zou leiden tot een ommekeer in de recente rechtspraak zoals die vervat is in de arresten Commissie/Frankrijk en González Sánchez. (13) Een dergelijke uitlegging zou immers als consequentie hebben dat de primaire aansprakelijkheid van de producent, die uitdrukkelijk door de richtlijn wordt gewenst, wordt uitgebreid tot de overige schakels in de productieketen, zoals tussenpersonen (leveranciers).
45. Een dergelijke wending in de rechtspraak zou ook betekenen dat de door het Hof genoemde argumenten – de bewoordingen, het systeem en de voorgeschiedenis van de richtlijn – vóór een volledige harmonisatie, waarbij de risicoaansprakelijkheid voor producten met gebreken uitsluitend bij de producent wordt gelegd, niet langer houdbaar zouden zijn.
B – De eerste vraag
46. De eerste vraag betreft de marktdeelnemers niet zijnde de producent zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 3, van de richtlijn. De verwijzende rechter wil met deze vraag vernemen of deze bepaling in de weg staat aan een nationale wettelijke regel die inhoudt dat leveranciers onbeperkt aansprakelijk zijn als waren zij de producent in de zin van de richtlijn.
47. Het antwoord op deze vraag is eenvoudig af te leiden uit het reeds aangehaalde arrest Commissie/Frankrijk. In die zaak ging het om een bepaling van de Franse Code civil (artikel 1386-7) waarin leveranciers op het punt van de aansprakelijkheid werden gelijkgesteld met producenten. Het Hof heeft verklaard dat een dergelijke volledige gelijkstelling in strijd was met de richtlijn, aangezien artikel 3, lid 3, slechts voorziet in een subsidiaire aansprakelijkheid voor het geval de producent onbekend is.
48. Bij vergelijking van artikel 1386-7 van de Code civil en § 10 van de Deense wet blijkt dat deze bepalingen grotendeels gelijkluidend zijn.
49. Artikel 1386‑7 van de Code civil bepaalt dat de verkoper, de verhuurder, met uitzondering van de lessor of een daarmee gelijk te stellen verhuurder, en elke beroepsmatige leverancier, voor veiligheidsgebreken van zijn product aansprakelijk is onder dezelfde voorwaarden als de producent. De tussenpersoon heeft eventueel een recht van regres op de producent.
50. § 10 van de Deense wet voorziet in aansprakelijkheid van de leverancier voor gebreken in een product jegens de gelaedeerde en leveranciers na hem in de distributieketen. Volgens artikel 11, lid 3, van deze wet kan elke tussenpersoon die de gelaedeerde schadeloos heeft gesteld, regres nemen op de producent.
51. Ofschoon deze bepalingen enkele verschillen vertonen in de definitie van de kring van aansprakelijke personen, moet worden vastgesteld dat zij beide de kring van aansprakelijke personen uitbreiden tot leveranciers en andere tussenpersonen in een duidelijk ruimere zin dan in artikel 3, lid 3, van de richtlijn het geval is. Voorts voorzien zowel artikel 1386-7 van de Franse Code civil als de §§ 10 en 11, lid 3, van de Deense wet om voor de hand liggende redenen in een regresvordering, terwijl de richtlijn nu juist beoogt een dergelijke cumulatie van procedures te voorkomen door de kring van aansprakelijke personen te beperken tot producenten.
52. Zowel verweerders in het hoofdgeding als de Deense regering stellen dat er verschillen zijn tussen de Franse bepaling en de Deense bepalingen. De eerste bevat een echte aansprakelijkheidsclausule, terwijl de tweede alleen een voorwaardelijke aansprakelijkheid inhoudt. In de Franse regeling kan de gelaedeerde de leverancier aansprakelijk stellen voor elk product met gebreken dat hem is verkocht, dat wil zeggen zowel voor producten die reeds gebreken hadden op het moment dat zij in het verkeer werden gebracht als voor producten die in latere stadia van verhandeling gebreken vertonen. Volgens de Deense bepalingen daarentegen kan de gelaedeerde alleen een aansprakelijkheidsvordering instellen tegen een leverancier wanneer het gaat om producten die reeds gebreken hadden op het moment dat zij in het verkeer werden gebracht.
53. Wat de verschillen ook zijn, zij lijken mij niet relevant voor de vraag of de draagwijdte ratione personae van de §§ 10 en 11, lid 3, van de Deense wet in overeenstemming is met artikel 3 van de richtlijn. Vastgesteld moet worden dat de definitie die de Deense bepalingen geven van de kring van aansprakelijke personen jegens wie de gelaedeerde een vordering wegens producten met gebreken kan instellen, ruimer is dan die van artikel 3 van de richtlijn. Uit het arrest Commissie/Frankrijk volgt dat dit enkele gegeven volstaat om vast te stellen dat deze bepalingen niet conform de richtlijn zijn. Overigens leidt de toepassing van de Deense regeling vrijwel onvermijdelijk tot cumulatie van procedures, precies het effect dat de communautaire wetgever heeft willen vermijden. (14)
C – De tweede vraag
54. Met zijn tweede vraag wil de verwijzende rechter de opvatting van het Hof vernemen over de verenigbaarheid met de richtlijn van de Deense rechtspraak volgens welke de leverancier onbeperkt aansprakelijk is wegens onrechtmatige daad als ware hij de producent, zoals in de rechtspraak is vastgesteld, wegens gebreken van een product waardoor voor de consument schade is ontstaan aan zijn persoon of goederen.
55. Blijkens de stukken werd vóór de vaststelling van de richtlijn de aansprakelijkheid voor producten met gebreken – zowel van de producent als van de leverancier – in Denemarken beheerst door de rechtspraak.
56. Volgens deze in de rechtspraak geformuleerde regels wordt de aansprakelijkheid voor producten met gebreken om te beginnen beoordeeld aan de hand van een van de algemene regels voor civielrechtelijke aansprakelijkheid naar Deens recht, die zijn gebaseerd op het begrip onrechtmatige daad. De ontwikkeling van de rechtspraak en de rechtsleer heeft er echter toe geleid dat de producent aansprakelijk wordt geacht op basis van aansprakelijkheid wegens grove schuld en in bepaalde gevallen van aansprakelijkheid zonder verwijtbaarheid.
57. In dit rechtspraaksysteem is de leverancier aansprakelijk uit hoofde van de aansprakelijkheid van de marktdeelnemers vóór hem in de productie- en distributieketen, voor schade die door het product wordt veroorzaakt. Deze aansprakelijkheid was – en is nog steeds – een aansprakelijkheid zonder verwijtbaarheid.
58. De omzetting van de richtlijn in Deens recht bij wet nr. 371 heeft tot gevolg gehad dat wat de risicoaansprakelijkheid van de producent voor producten met gebreken betreft, de regeling van de richtlijn volledig is overgenomen. Wat zijn aansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad betreft, is het bestaande rechtspraaksysteem van toepassing gebleven.
59. Met § 10 van bovengenoemde wet is de eerdere rechtspraak inzake de risicoaansprakelijkheid van de leverancier gecodificeerd. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de Deense wetgever met deze bepaling deze rechtspraak willen bevestigen en was de Deense regering bij de aanneming van de wet ervan overtuigd dat de aansprakelijkheid van de leverancier niet door de richtlijn werd geregeld.
60. Het samenstel van wettelijke en jurisprudentiële regels betreffende de aansprakelijkheid voor producten met gebreken is in drie delen te ontleden:
– de risicoaansprakelijkheid van de producent,
– de verplichting van de leverancier om de aansprakelijkheid te dragen als ware hij de producent („de afgeleide aansprakelijkheid van de leverancier”),
– de aansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad of grove schuld van de producent.
61. Wat de risicoaansprakelijkheid van de producent betreft, zijn de definities van artikel 3 van de richtlijn overgenomen in § 4, leden 1, 2, 4 en 5, van de Deense wet, terwijl het beginsel van de risicoaansprakelijkheid wordt geformuleerd in § 6 van deze wet. Daar dit punt conform de richtlijn is, valt hierover verder niets op te merken.
62. Wat het tweede element betreft – de afgeleide risicoaansprakelijkheid van de leverancier – heb ik reeds in mijn analyse van de eerste vraag vastgesteld dat de in de §§ 10 en 11, lid 3, van de Deense wet neergelegde regels in strijd zijn met de richtlijn, die de risicoaansprakelijkheid beperkt tot de producent.
63. Blijkens de verwijzingsbeschikking vraagt de Deense rechter zich tevens af of artikel 13 van de richtlijn niet als rechtsgrondslag zou kunnen dienen voor de uitbreiding van de aansprakelijkheid voor producten met gebreken.
64. Dezelfde vraag is gesteld in de zaak Commissie/Frankrijk. (15) In dat arrest heeft het Hof deze vraag ontkennend beantwoord. Ik verwijs naar de punten 21 tot en met 23, waar het Hof heeft opgemerkt dat „artikel 13 van de richtlijn niet aldus [kan] worden uitgelegd, dat het de lidstaten de mogelijkheid laat om een algemeen aansprakelijkheidsstelsel inzake gebrekkige producten te handhaven dat verschilt van het stelsel van de richtlijn.” De Deense regeling van de afgeleide risicoaansprakelijkheid van de leverancier wordt dus niet gerechtvaardigd door artikel 13 van de richtlijn.
65. Daarentegen moet een nationale regeling van de onrechtmatige daad van de producent als die welke uit de Deense rechtspraak voortvloeit, met de richtlijn verenigbaar worden geacht, zoals blijkt uit punt 22 van het reeds aangehaalde arrest Commissie/Frankrijk, waar het Hof oordeelde dat „het door de genoemde richtlijn ingevoerde stelsel […] niet de toepassing uitsluit van andere stelsels van contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid die op een andere grondslag berusten, zoals de aansprakelijkheid wegens verborgen gebreken of onrechtmatige daad”.
66. Ik geef het Hof dan ook in overweging om als volgt op de tweede vraag te antwoorden: artikel 13 van de richtlijn staat in de weg aan een nationale wettelijke regeling waarin het in de richtlijn neergelegde stelsel van risicoaansprakelijkheid wordt uitgebreid tot leveranciers van producten met gebreken. Deze bepaling sluit echter niet de toepassing uit van andere stelsels van contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid die op een andere grondslag berusten, zoals de aansprakelijkheid wegens verborgen gebreken of onrechtmatige daad.
D – De derde vraag
67. Met zijn derde vraag wil de verwijzende rechter van het Hof weten of de richtlijn eraan in de weg staat dat een lidstaat de productaansprakelijkheid van de leverancier bij wet regelt, voorzover de leverancier, zoals in § 3, lid 3, eerste zin, van de Deense wet, wordt gedefinieerd als degene die in het kader van zijn commerciële activiteiten een product in het verkeer brengt, zonder te worden beschouwd als producent in de zin van de definitie die daarvan in artikel 3 van de richtlijn wordt gegeven, een en ander onder verwijzing naar de verklaring van de Raad en de Commissie ad de artikelen 3 en 12 in de notulen van de 1 025e zitting van de Raad van 25 juli 1985 (16) en artikel 13 van de richtlijn.
68. In zijn derde vraag heeft de verwijzende rechter deze in de notulen opgenomen tweede verklaring in haar geheel weergegeven. Ik kom daar nog op terug.
69. In haar schriftelijke opmerkingen heeft de Deense regering zich bovendien beroepen op de zestiende verklaring van de Raad in die notulen, die luidt: „De Raad spreekt de wens uit dat de lidstaten die thans gunstiger bepalingen inzake consumentenbescherming toepassen dan die welke uit de richtlijn voortvloeien, geen gebruik zullen maken van de door de richtlijn geboden mogelijkheden om dit beschermingsniveau te verlagen.”
70. De Deense regering leidt uit deze twee verklaringen af dat de instandhouding van regels daterend van vóór de richtlijn, welke de consument een betere rechtspositie verzekeren, zonder meer met de richtlijn verenigbaar is. De beide verklaringen zijn volledig in overeenstemming met de artikelen 3 en 13 van de richtlijn en bevestigen de inhoud daarvan.
71. Gezien deze conformiteit met de richtlijn en het feit dat zij afkomstig zijn van de Raad en de Commissie, dat wil zeggen de gemeenschapswetgever zelf, komt daaraan volgens de Deense regering bij de uitlegging van de richtlijn het hoogste belang toe.
72. Wat de juridische draagwijdte van de verklaringen van de Raad in deze notulen betreft, kan de vaste rechtspraak van het Hof worden samengevat als volgt:
– wanneer de inhoud van een verklaring niet in de tekst van de betrokken bepaling is terug te vinden, kan zij bij de uitlegging van deze bepaling van afgeleid recht niet worden gebruikt. (17) De objectieve draagwijdte van bepalingen van het gemeenschapsrecht kan slechts uit deze regels zelf volgen, rekening houdend met hun context (18) ;
– een dergelijke verklaring kan echter wel als aanknopingspunt dienen voor de uitlegging van bepalingen van afgeleid recht naar aanleiding van de opstelling of vaststelling waarvan de verklaring is gegeven, wanneer de betekenis van deze bepalingen, die mogelijk voor meer dan één uitleg vatbaar of onduidelijk is, verduidelijking behoeft. Een dergelijke verklaring kan bovendien niet als enig aanknopingspunt dienen, maar moet samen met andere worden gebruikt. (19)
73. Wanneer nu de in casu bedoelde twee verklaringen als aanknopingspunt worden gebruikt voor de uitlegging van artikel 13 van de richtlijn, bevestigen zij de uitlegging van deze bepaling zoals ik die hiervóór bij de bespreking van het op de tweede vraag te geven antwoord heb uiteengezet. Zij verduidelijken immers de betekenis van deze bepaling, waar zij vaststellen dat de richtlijn niet de instandhouding of vaststelling van regels voor de aansprakelijkheid van leveranciers belet voorzover het de aansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad en de contractuele aansprakelijkheid betreft.
74. Daarentegen kunnen volgens de in punt 72 aangehaalde rechtspraak de genoemde verklaringen niet dienen om aan te tonen dat de richtlijn niet in de weg staat aan een uitbreiding van de risicoaansprakelijkheid voor producten met gebreken tot leveranciers, buiten de in artikel 3, lid 3, van de richtlijn uitdrukkelijk genoemde gevallen. Een dergelijk uitgangspunt voor de uitlegging zou rechtstreeks ingaan tegen de tekst en het systeem van de richtlijn en is volgens de rechtspraak van het Hof ontoelaatbaar. Uit deze redenering volgt dat de door de Deense regering aangevoerde argumenten moeten worden verworpen.
75. Ik kom derhalve tot de conclusie dat de twee verklaringen waarop de Deense regering zich beroept, niet als aanknopingspunt kunnen dienen voor een uitlegging van de richtlijn volgens welke een lidstaat het recht heeft om de risicoaansprakelijkheid voor producten met gebreken uit te breiden tot leveranciers in andere gevallen dan die welke in artikel 3, lid 3, van de richtlijn limitatief worden omschreven.
E – De vierde en de vijfde vraag
76. Met zijn vierde en vijfde vraag herhaalt de verwijzende rechter zijn eerste en tweede vraag, waar deze meer specifiek betrekking hebben op de §§ 3, lid 3, eerste zin, 10 en 11, lid 3, van de Deense wet, respectievelijk de vóór de richtlijn geldende in de rechtspraak geformuleerde regel dat de leverancier – zonder zelf producent te zijn in de zin van artikel 3 van de richtlijn – aansprakelijk is voor het product als ware hij de producent in de zin van de richtlijn, alsook wegens onrechtmatige daad van de producent.
77. Volgens vaste rechtspraak van het Hof, die teruggaat tot het arrest Costa, kan het Hof zich krachtens artikel 234 EG niet uitspreken over de geldigheid van nationale rechtsvoorschriften. (20) Het Hof acht zich echter wel bevoegd om de nationale rechterlijke instantie alle uitleggingsgegevens met betrekking tot het gemeenschapsrecht te verschaffen welke die rechter in staat stellen deze verenigbaarheid voor de beslechting van het bij hem aanhangig geding te beoordelen. (21)
78. Daar de door mij voorgestelde antwoorden op de eerste en de tweede vraag reeds alle gegevens bevatten die de verwijzende rechter nodig heeft om te oordelen over de verenigbaarheid van de in geding zijnde bepalingen van nationaal recht en de relevante nationale rechtspraak, behoeven de onderhavige vragen niet te worden beantwoord.
F – Beperking van de werking van het arrest in de tijd
79. Blijkens de verwijzingsbeschikking hebben verweerders in het hoofdgeding – gelaedeerden – verzocht dat het Hof verklaart dat zijn arrest eerst effect heeft met ingang van de datum van uitspraak, voor het geval de antwoorden van het Hof voor hen ongunstig zouden zijn. De Deense regering steunt dit verzoek en wijst daarbij op de ernstige consequenties voor de rechtszekerheid die het arrest van het Hof teweeg zou kunnen brengen voor geschillen die sinds de inwerkingtreding van de richtlijn reeds zijn beslecht.
80. Dienaangaande merk ik op dat volgens de algemene regel de arresten van het Hof waarin het zich uitspreekt over de uitlegging van het gemeenschapsrecht, ex tunc werken. Bij uitzondering kan het Hof echter met toepassing van een aan de communautaire rechtsorde inherent algemeen beginsel van rechtszekerheid, aanleiding vinden om voor iedere belanghebbende beperkingen te stellen aan de mogelijkheid, met een beroep op een door het Hof uitgelegde bepaling te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen weer in geding te brengen. (22) Voor een dergelijke beperking gelden echter enkele voorwaarden, die kunnen verschillen naar gelang van de situatie, feitelijk en rechtens, die aan het hoofdgeding ten grondslag ligt: de goede trouw van de belanghebbende kringen, het gevaar van ernstige verstoringen (23) , de eventuele ernstige financiële consequenties van terugwerkende kracht. (24)
81. In de onderhavige prejudiciële procedure gaat het erom, welke categorie marktdeelnemers voor producten met gebreken aansprakelijk moet zijn. De beslissing van het Hof zal er hoogstwaarschijnlijk in de nationale rechtsorde alleen toe leiden dat deze aansprakelijkheid overgaat van de leverancier op de producent. Noch aan het karakter noch aan de omvang van de aansprakelijkheid zal echter worden getornd. Aangezien voorts de Deense wet in § 11, lid 3, de leverancier regresrecht tegen de producent verleent, lijkt mij dat deze overgang van de primaire aansprakelijkheid vanuit rechtszekerheidsoogpunt niet zodanige risico’s zal meebrengen dat zij bij uitzondering een beperking van de gevolgen van het arrest in de tijd rechtvaardigen.
82. Ik wijs er voorts op dat de partijen in de eerdere zaken Commissie/Frankrijk, Commissie/Griekenland en González Sánchez (25) geen behoefte hebben gehad aan beperking van de werking van de arresten en dat het Hof zich dan ook niet in die zin heeft uitgesproken. Ik sluit niet uit dat die arresten in de respectieve nationale rechtsordes vergelijkbare consequenties hebben gehad als die welke door de Deense regering zijn genoemd.
83. Ten slotte zullen de belanghebbende kringen in Denemarken sinds de wijzing van eerdergenoemde arresten onder ogen hebben gezien dat de Deense wet en rechtspraak waarschijnlijk met de richtlijn onverenigbaar zouden zijn.
84. Het voorgaande brengt mij tot de slotsom dat er geen reden is om de werking van het arrest in de tijd te beperken.
VI – Conclusie
85. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de vragen van het Vestre Landsret te beantwoorden als volgt.
„1) Richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken staat in de weg aan een regeling die inhoudt dat leveranciers onbeperkt aansprakelijk zijn als waren zij de producent in de zin van deze richtlijn, ongeacht of deze regeling berust op wetgeving of op de rechtspraak.
2) Artikel 13 van genoemde richtlijn staat in de weg aan een nationale wettelijke regeling waarin het in de richtlijn neergelegde stelsel van risicoaansprakelijkheid wordt uitgebreid tot leveranciers van producten met gebreken. Deze bepaling sluit echter niet de toepassing uit van andere stelsels van contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid die op een andere grondslag berusten, zoals de aansprakelijkheid wegens verborgen gebreken of onrechtmatige daad.
3) De tweede en de zestiende verklaring opgenomen in de notulen van de 1 025e zitting van de Raad van 25 juli 1985 kunnen niet als aanknopingspunt dienen voor een uitlegging van de richtlijn volgens welke een lidstaat het recht heeft om de risicoaansprakelijkheid voor producten met gebreken uit te breiden tot leveranciers in andere gevallen dan die welke in artikel 3, lid 3, van richtlijn 85/374 limitatief worden omschreven.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – PB L 210, blz. 29.
3 – Arrest van 25 april 2002, Jurispr. blz. I-3827.
4 – Arrest van 25 april 2002, Jurispr. blz. I-3879.
5 – Arrest van 25 april 2002, Jurispr. blz. I-3901.
6 – Punt 2.
7 – Punt 2.
8 – Arresten van 10 april 1984, Von Colson en Kamann (14/83, Jurispr. blz. 1891); 13 november 1990, Marleasing (C‑106/89, Jurispr. blz. I‑4135); 16 december 1993, Wagner Miret (C‑334/92, Jurispr. blz. I‑6911), en 14 juli 1994, Faccini Dori (C‑91/92, Jurispr. blz. I‑3325).
9 – Punt 2.
10 – Het betreft de tweede verklaring van de Raad en de Commissie en de zestiende verklaring in de notulen van de zitting van de Raad van 25 juli 1985 (nr. 8631/85, Brussel, 15 oktober 1985).
11 – Punt 2.
12 – Resolutie van de Raad van 19 december 2002 over de wijziging van de richtlijn inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (PB 2003, C 26, blz. 2).
13 – Punt 2.
14 – Arrest Commissie/Frankrijk, aangehaald in voetnoot 3, punt 40.
15 – Punt 2.
16 – In haar schriftelijke opmerkingen heeft de Deense regering er terecht op gewezen dat de titel van deze verklaring een schrijffout bevat: in plaats van „artikelen 3 en 12” moet worden gelezen „artikelen 3 en 13”.
17 – Arrest van 26 februari 1991, Antonissen (C‑292/89, Jurispr. blz. I‑745, punt 18).
18 – Arrest van 15 april 1986, Commissie/België (237/84, Jurispr. blz. 1247).
19 – Arrest van 7 februari 1979, Auer (136/78, Jurispr. blz. 437, punt 25).
20 – Arrest van 15 juni 1964 (6/64, Jurispr. blz. 1203).
21 – Arrest van 25 juni 1997, Tombesi e.a. (C‑304/94, C‑330/94, C‑342/94 en C‑224/95, Jurispr. blz. I‑3561, punt 36).
22 – Arresten van 9 maart 2000, EKW en Wein & Co (C‑437/97, Jurispr. blz. I‑1157, punt 57); 23 mei 2000, Buchner (C‑104/98, Jurispr. blz. I‑3625, punt 39), en 12 oktober 2000, Cooke (C‑372/98, Jurispr. blz. I‑8683, punt 42).
23 – Arrest Cooke, reeds aangehaald, punt 42.
24 – Arrest EKW en Wein & Co, reeds aangehaald, punt 59.
25 – Punt 2.
Full & Egal Universal Law Academy