CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. LÉGER
van 3 februari 2005 (1)
Zaak C‑409/03
Société d’Exportation de Produits Agricoles SA (SEPA)
tegen
Hauptzollamt Hamburg-Jonas
[verzoek van het Bundesfinanzhof (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Landbouw – Uitvoerrestituties – Verordening (EEG) nr. 3665/87 – Artikel 13 – Begrip handelskwaliteit – Vlees afkomstig van dieren die bij een speciale noodslachting zijn gedood – Vlees geschikt voor menselijke consumptie – Vlees dat in de Gemeenschap uitsluitend op de plaatselijke markt is toegelaten voor menselijke consumptie – Rechtszekerheidsbeginsel”
1. Deze zaak betreft de uitlegging van het begrip „handelskwaliteit”, genoemd in artikel 13 van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten.(2)
2. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de vraag of rundvlees dat afkomstig is van dieren die bij een speciale noodslachting in de zin van richtlijn 64/433/EEG(3) zijn gedood, en dat voor menselijke consumptie geschikt is verklaard, geacht kan worden van handelskwaliteit te zijn en daarmee recht op uitvoerrestituties te geven, ofschoon het in de Gemeenschap alleen op de „plaatselijke markt” in de handel mag worden gebracht. De verwijzende rechter wenst eveneens te vernemen of het begrip handelskwaliteit impliceert dat het betrokken product van gemiddelde kwaliteit is.
I – Rechtskader
A – Het communautaire recht
1. De gemeenschappelijke ordening van de markten in de sector rundvlees
3. In het kader van het gemeenschappelijke landbouwbeleid (GLB) maakt rundvlees, zoals talrijke andere landbouwproducten, deel uit van een gemeenschappelijke marktordening, die voornamelijk is gericht op de verwezenlijking van de in artikel 33 EG genoemde doelstellingen, inzonderheid de stabilisering van de markt voor dit product en het verzekeren van een redelijke levensstandaard aan de betrokken landbouwbevolking. Daartoe is een uniforme regeling voor de rundvleeshandel met derde landen ingevoerd, die met name in uitvoerrestituties voorziet.
4. Deze uitvoerrestituties hebben tot doel het verschil te overbruggen tussen de prijzen van rundvlees op de wereldmarkt en de hoogste prijzen van dit product in de Gemeenschap.(4) Zij worden gefinancierd uit de communautaire begroting, meer in het bijzonder het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL). Het bedrag van deze restituties is voor alle communautaire producenten van eenzelfde product gelijk, maar het kan verschillen naar gelang van het land van bestemming.(5) Deze restituties hebben eveneens tot doel de deelneming van de Gemeenschap aan de internationale handel in rundvlees veilig te stellen.(6)
2. De gemeenschappelijke toekenningsvoorwaarden voor uitvoerrestituties
5. De gemeenschappelijke toekenningsvoorwaarden voor uitvoerrestituties voor landbouwproducten zijn door de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgesteld. Deze regeling is vaak gewijzigd. Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding was verordening nr. 3665/87 van toepassing.
6. De negende overweging van de considerans van verordening nr. 3665/87 stelt aan de uitkering van de uitvoerrestituties de voorwaarde dat „de kwaliteit van de producten zodanig [is] dat zij onder normale omstandigheden in de handel kunnen worden gebracht”.
7. Het onderhavige verzoek tot uitlegging betreft artikel 13 van verordening nr. 3665/87, luidende:
„Restituties worden niet verleend indien de producten niet van gezonde handelskwaliteit zijn en als de geschiktheid voor menselijke consumptie, voorzover zij daarvoor zijn bestemd, wegens de eigenschappen ervan of de toestand waarin zij zich bevinden, geheel of in aanzienlijke mate is verloren.”
8. Na de feiten van het hoofdgeding werd verordening nr. 3665/87 ingetrokken en vervangen door verordening (EG) nr. 800/1999(7), waarnaar de verwijzende rechter en de deelnemers aan de procedure verwijzen. Artikel 21, lid 1, van verordening nr. 800/1999 bepaalt:
„Restituties worden niet verleend indien de producten op de dag waarop de aangifte ten uitvoer wordt aanvaard, niet van gezonde handelskwaliteit zijn.
De producten voldoen aan de in de eerste alinea vervatte eis wanneer zij in normale omstandigheden en onder de op de restitutieaanvraag vermelde omschrijving op het grondgebied van de Gemeenschap in de handel kunnen worden gebracht en ingeval deze producten bestemd zijn voor menselijke consumptie, de kenmerken en de toestand ervan niet van dien aard zijn dat de producten helemaal niet of slechts in aanzienlijke mindere mate voor dit doel kunnen worden gebruikt.
Of producten al dan niet aan de eisen van de eerste alinea voldoen, moet worden onderzocht aan de hand van de in de Gemeenschap gelden normen of gebruiken [...]”
9. Artikel 21, lid 1, van verordening nr. 800/1999 vormt aldus de vertaling van de in de achtentwintigste overweging van de considerans genoemde doelstelling dat „de producten van een zodanige kwaliteit dienen te zijn dat zij op het grondgebied van de Gemeenschap onder normale omstandigheden in de handel kunnen worden gebracht”.
10. Onder de wijzigingen in de communautaire rechtsorde die hebben plaatsgehad ná de feiten van het hoofdgeding maar die in het kader van de onderhavige procedure van belang kunnen zijn, noem ik verordening (EG) nr. 450/2000(8), die speciaal betrekking heeft op de uitvoerrestituties voor rundvlees. Volgens de derde overweging van de considerans van deze verordening is het „wenselijk de toekenning van de restitutie te beperken tot producten die zijn toegelaten tot het vrije verkeer in de Gemeenschap”, terwijl artikel 1 bepaalt dat de producten, om recht te geven op deze restitutie, van het in bijlage I, hoofdstuk XI, van richtlijn 64/433 vastgestelde keurmerk moeten zijn voorzien.
3. De gezondheidsmaatregelen die op het intracommunautaire handelsverkeer in rundvlees van toepassing zijn
11. Teneinde één uniforme interne markt voor vlees van verschillende diersoorten, met name rundvlees, tot stand te brengen, heeft de Gemeenschap de sanitaire voorwaarden die in de slachthuizen en uitsnijderijen alsmede bij het opslaan en het vervoer in acht moeten worden genomen, geharmoniseerd.
12. De voor het hoofdgeding relevante voorschriften zijn vervat in richtlijn 64/433. Het begrip „speciale noodslachting” wordt in artikel 2, sub n, gedefinieerd als „het doden, op last van een dierenarts, wegens een ongeval of ernstige lichamelijke en functionele stoornissen”. Voorts preciseert deze bepaling dat de noodslachting buiten een slachthuis wordt uitgevoerd indien de dierenarts meent dat vervoer onmogelijk is of onnodig lijden van het dier zou meebrengen.
13. Volgens artikel 6, lid 1, sub e, van richtlijn 64/433 moeten de lidstaten erop toezien dat het vlees van dieren die bij een speciale noodslachting zijn gedood alleen ten behoeve van de „plaatselijke markt” voor menselijke consumptie geschikt wordt verklaard en slechts indien aan de in die bepaling opgesomde voorwaarden is voldaan. Vereist is met name dat het dier, na te zijn gedood en uitgebloed en eventueel ter plaatse in het bijzijn van een dierenarts van de ingewanden te zijn ontdaan, zo spoedig mogelijk naar een erkend slachthuis wordt vervoerd, vergezeld van een verklaring van de dierenarts die opdracht heeft gegeven tot het doden, overeenstemmende met het op communautair niveau uitgewerkte model. Het karkas van het dier moet vervolgens na het slachten door een officiële dierenarts worden gekeurd op de wijze als voorzien in richtlijn 64/433, en eventueel daarnaast bacteriologisch worden onderzocht, om geheel of gedeeltelijk geschikt te kunnen worden geacht voor menselijke consumptie. Het begrip „plaatselijke markt” is niet nader gedefinieerd.
14. Artikel 6, lid 1, sub h, van richtlijn 64/433 bepaalt dat het vlees moet worden voorzien van een nationaal stempel dat niet kan worden verward met het communautaire stempel.
B – Het nationale recht
15. Volgens § 13 van het Fleischhygienegesetz (Duitse vleeshygiënewet)(9) mogen dieren die om een bijzondere reden moeten worden geslacht of die ziekteverwekkers verspreiden, alleen in speciale slachthuizen, de zogenoemde „geïsoleerde slachthuizen”, worden geslacht en mag het vlees dat van de aldus geslachte dieren afkomstig is, alleen via door de bevoegde autoriteiten speciaal erkende en gecontroleerde verkooppunten in die slachthuizen in de handel worden gebracht. Dit vlees moet speciaal worden gemerkt.
16. De Fleischygieneverordnung (Duitse verordening inzake vleeshygiëne)(10), waarin de uitvoeringsbepalingen van de zojuist genoemde wet zijn vastgelegd, bepaalt dat vlees afkomstig uit geïsoleerde slachthuizen uitsluitend op de markt mag worden gebracht wanneer het afkomstig is van een dier dat is gekeurd en geschikt bevonden voor menselijke consumptie. Zij bepaalt eveneens dat dit vlees alleen aan eindverbruikers mag worden verkocht.
17. Deze bepalingen zijn vastgesteld ter omzetting van richtlijn 64/433.
II – De feiten van het hoofdgeding
18. In november 1997 heeft de Société d’Exportation des Produits Agricoles(11) bij de bevoegde Duitse overheid een aangifte ten uitvoer ingediend voor 222 kartons bevroren rundvlees, afkomstig uit een „geïsoleerd slachthuis”. Het aldus door SEPA geëxporteerde vlees was door de bevoegde dierenarts geschikt verklaard voor menselijke consumptie.
19. De bevoegde autoriteit en, in beroep, het Finanzgericht (Duitsland) hebben beslist dat voor dit vlees aan SEPA geen uitvoerrestituties konden worden toegekend omdat dit niet van handelskwaliteit was in de zin van artikel 13 van verordening nr. 3665/87. Zij baseerden hun beslissing op het feit dat het vlees krachtens de Duitse wetgeving niet in de gehele Gemeenschap kon worden verkocht maar uitsluitend in Duitsland en dan nog met talrijke beperkingen.
20. Verzoekster heeft tegen deze beslissing van het Finanzgericht hogere voorziening ingesteld bij het Bundesfinanzhof (Duitsland).
III – De prejudiciële vragen
21. In zijn verwijzingsbeschikking herinnert het Bundesfinanzhof er om te beginnen aan dat producten bestemd voor menselijke consumptie niet alleen van gezonde kwaliteit doch eveneens van handelskwaliteit moeten zijn. Volgens de verwijzende rechter impliceert dit begrip handelskwaliteit volgens de rechtspraak van het Hof(12) en de tekst van de negende overweging van de considerans van verordening nr. 3665/87 en van artikel 21 van verordening nr. 800/1999, dat het betrokken product in normale omstandigheden en onder de op de restitutieaanvraag vermelde omschrijving op het grondgebied van de Gemeenschap in de handel kan worden gebracht. De verwijzende rechter ziet zich vervolgens voor de volgende twee problemen gesteld.
22. In de eerste plaats betwijfelt hij of het begrip handelskwaliteit producten uitsluit waarvoor speciale beperkingen gelden, zoals controlemaatregelen of een beperking van de verkoop tot bepaalde distributienetten.
23. De verwijzende rechter is van mening dat de bepalingen van het gemeenschapsrecht en de Duitse wetgeving inzake vlees dat afkomstig is van noodslachtingen, niet tot doel hebben de verkoop van dit vlees te verbieden, zodat daaruit niet een exportverbod kan worden afgeleid wanneer het vlees geschikt is bevonden voor menselijke consumptie. Een dergelijk verbod volgt evenmin uit artikel 6 van richtlijn 64/433, dat bepaalt dat vlees van dieren die bij een speciale noodslachting zijn gedood slechts ten behoeve van de plaatselijke markt voor menselijke consumptie geschikt mag worden verklaard en alleen indien aan de daar opgesomde voorwaarden is voldaan. Die richtlijn heeft namelijk niet tot doel de buitenlandse handel van de Gemeenschap te regelen en bevat geen enkele reden om de in het communautaire kader voorziene handelsbeperking tot derde landen uit te breiden.
24. De uitsluiting van het onderhavige, voor menselijke consumptie geschikte vlees van uitvoerrestituties is volgens de verwijzende rechter evenmin conform de rechtspraak van het Hof, volgens welke het begrip handelskwaliteit de mogelijkheid veronderstelt om de betrokken waar in de handel te brengen. Evenmin is een dergelijke uitsluiting in het belang van de Gemeenschap, omdat dit vlees op een deel van de gemeenschappelijke markt verhandelbaar is.
25. In de tweede plaats betwijfelt de verwijzende rechter of het begrip handelskwaliteit het bestaan van een bepaalde gemiddelde kwaliteit vereist en producten van mindere kwaliteit uitsluit ofschoon deze mogen worden verkocht onder de in het restitutieverzoek vermelde omschrijving. Hij herinnert er in dit verband aan dat de regelgeving inzake uitvoerrestituties in beginsel uniforme restitutiepercentages vaststelt, zonder rekening te houden met de kwaliteit van de waar. De verwijzende rechter wijst er evenwel op dat het Hof in het reeds aangehaalde arrest Frankrijk/Commissie de kwalificatie van handelskwaliteit heeft onthouden aan een waar die behept was met een verborgen gebrek, zonder dat was vastgesteld dat die waar wegens dat gebrek niet in de handel mocht worden gebracht.
26. Gelet op deze overwegingen heeft het Bundesfinanzhof besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
„1) Impliceert het begrip ‚handelskwaliteit’ in artikel 13 van verordening nr. 3665/87 [...] dat de productie en de distributie van de betrokken goederen alleen aan algemeen geldende rechtsvoorschriften zijn onderworpen die van toepassing zijn op alle goederen van die soort, en sluit het dus uit dat uitvoerrestituties worden toegekend voor goederen waarvoor speciale beperkingen gelden inzake de verkrijging, de verwerking of de distributie ervan, zoals een verplichte controle van de geschiktheid voor menselijke consumptie of een beperking tot een bepaald distributienet?
2) Impliceert het begrip ‚handelskwaliteit’ in artikel 13 van verordening nr. 3665/87 [...] dat de uitgevoerde goederen van gemiddelde kwaliteit zijn en sluit het aldus uit dat uitvoerrestituties worden toegekend voor goederen van mindere kwaliteit die nochtans doorgaans in de handel worden gebracht onder de op de restitutieaanvraag vermelde omschrijving? Is dat ook het geval wanneer de mindere kwaliteit van de goederen geen invloed heeft gehad op het sluiten van de handelstransactie?”
IV – Beoordeling
A – De eerste prejudiciële vraag
27. Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 13 van verordening nr. 3665/87 aldus moet worden uitgelegd dat voor menselijke consumptie geschikt vlees niet geacht kan worden van handelskwaliteit te zijn en recht te geven op uitvoerrestituties, wanneer de verkoop voor menselijke consumptie ervan in de Gemeenschap beperkt is tot de plaatselijke markt, omdat het afkomstig is van een dier dat bij een speciale noodslachting in de zin van richtlijn 64/433 is gedood.
28. De Commissie is van mening dat dergelijk vlees niet geacht kan worden van gezonde handelskwaliteit te zijn omdat het in de Gemeenschap alleen op de plaatselijke markt en mits voorzien van een speciaal merk waaruit zijn herkomst blijkt, is toegelaten voor menselijke consumptie. Zij zet uiteen dat deze beperking niet het gevolg is van een lager hygiënisch niveau. Volgens de Commissie berust deze beperking op de mogelijke kwetsbaarheid van dit vlees, dat wegens de omstandigheden waaronder het is geslacht potentieel gevoeliger zou zijn. De communautaire wetgever heeft de distributie ervan bij wijze van voorzorgsmaatregel beperkt tot de plaatselijke markt, teneinde te voorkomen dat dit vlees over grote afstanden wordt vervoerd en na een te lange tijd wordt geconsumeerd. De Commissie is van mening dat artikel 6 van richtlijn 64/433, dat alleen betrekking heeft op de intracommunautaire handel, de uitvoer van dergelijk vlees weliswaar niet verbiedt, maar dat het niettemin paradoxaal zou zijn om de verkoop daarvan in derde landen door middel van uitvoerrestituties te bevorderen.
29. Daarmee betoogt de Commissie dus dat dergelijk vlees niet geacht kan worden in de handel te zijn gebracht onder ‘normale omstandigheden’ in de zin van de negende overweging van de considerans van verordening nr. 3665/87, waarin de overwegingen van het reeds aangehaalde arrest Muras worden overgenomen. Zij stelt in dit verband dat artikel 21 van verordening nr. 800/1999 deze rechtspraak slechts overneemt, zonder de voorwaarden voor de toekenning van uitvoerrestituties te wijzigen.
30. Ofschoon deze kwestie niet door de verwijzende rechter aan de orde is gesteld, is de Commissie bovendien van mening dat het vlees afkomstig van dieren die bij een speciale noodslachting zijn gedood, evenmin voldoet aan de tweede voorwaarde van artikel 13 van verordening nr. 3665/87, volgens welke de geschiktheid van het betrokken product voor menselijke consumptie, voorzover het daarvoor is bestemd, niet geheel of in aanzienlijke mate verloren mag zijn. Zij zet uiteen dat de beperking van de verkoop van dit vlees tot de plaatselijke markt en zijn speciaal merk een belangrijke belemmering vormen voor het gebruik ten behoeve van menselijke consumptie.
31. Het Hauptzollamt Hamburg-Jonas deelt de opvatting van de Commissie en voert voorts aan dat artikel 13 van verordening nr. 3665/87 eveneens tot doel heeft de overschotten van rundvlees op de communautaire markt af te bouwen. Het is daarom van mening dat voor vlees dat alleen op de lokale markt kan worden verkocht, geen uitvoerrestitutie kan worden verleend.
32. Ofschoon het standpunt van de Commissie en het Hauptzollamt Hamburg-Jonas aantrekkelijk mag lijken, kan ik bij nader inzien niet aan het Hof voorstellen dit over te nemen. Evenals de Griekse regering en SEPA geloof ik dat artikel 13 van verordening nr. 3665/87, gelet op de wijze waarop het is geformuleerd, niet uitsluit dat vlees waarvan de handel voor menselijke consumptie in de Gemeenschap tot de plaatselijke markt is beperkt, geacht kan worden van ‘handelskwaliteit’ te zijn in de zin van dit artikel en recht te geven op uitvoerrestituties. Alvorens de directe redenen voor dit standpunt uiteen te zetten, acht ik het noodzakelijk te herinneren aan de premisse waarop de aan het Hof gestelde vraag berust.
33. Het staat om te beginnen vast dat volgens de tekst van artikel 13 van verordening nr. 3665/87 alleen uitvoerrestituties kunnen worden verleend voor een product dat van gezonde handelskwaliteit is, dat wil zeggen geschikt is voor menselijke consumptie. Aangaande het vlees waarvoor SEPA in casu een aangifte ten uitvoer heeft ingediend, volgt uit de door de verwijzende rechter verschafte gegevens duidelijk dat het door de bevoegde dierenarts geschikt is verklaard voor menselijke consumptie. Deze premisse wordt bevestigd door de strekking van de onderhavige prejudiciële vraag, aangezien de verwijzende rechter uitsluitend vraagt of dergelijk vlees geacht kan worden van ‘handelskwaliteit’ te zijn, aldus te kennen gevende dat vaststaat dat het ‘gezond’ is en daarom krachtens verordening nr. 3665/87 recht geeft op uitvoerrestituties.
34. Vervolgens acht ik het van belang er met nadruk op te wijzen dat het vlees van dieren die bij een speciale noodslachting zijn gedood, alleen voor menselijke consumptie geschikt kan worden verklaard met inachtneming van de voorwaarden genoemd in artikel 6, sub e, van richtlijn 64/433, die de voorwaarden waaronder vlees voor menselijke consumptie geschikt kan worden verklaard, in alle lidstaten heeft geharmoniseerd. De communautaire wetgever heeft aan de waarborg dat het vlees geen enkel gevaar voor de gezondheid van de consumenten oplevert, niet minder eisen gesteld wanneer het vlees alleen voor plaatselijke consumenten en niet voor alle consumenten in de Gemeenschap is bestemd. Zo preciseert artikel 6, lid 1, sub e, van richtlijn 64/433 dat de keuring op grond waarvan het vlees, afkomstig van dieren die bij een speciale noodslachting zijn gedood, voor menselijke consumptie geschikt kan worden verklaard, moet plaatsvinden overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt A, sub d, van die richtlijn, dat wil zeggen onder dezelfde voorwaarden als gelden voor een dier dat onder normale omstandigheden in een erkend slachthuis is geslacht en waarvan het vlees in de gehele Gemeenschap in de handel mag worden gebracht.
35. Zoals de Commissie in haar opmerkingen stelt, is het betrokken vlees, ofschoon het in de Gemeenschap alleen op de plaatselijke markt is toegelaten voor menselijke consumptie, derhalve niet van een lager hygiënisch niveau dan vlees van onder normale omstandigheden in een erkend slachthuis geslachte dieren dat eveneens voor menselijke consumptie geschikt is verklaard na het onderzoek voorzien in artikel 3, lid 1, punt A, sub d, van richtlijn 64/433, en dat vervolgens in alle lidstaten in de handel mag worden gebracht.
36. Ten slotte berust het standpunt van de verwijzende rechter, dat het litigieuze vlees geacht moet worden van gezonde kwaliteit te zijn – ook al is het begrip gezonde kwaliteit een juridisch begrip – op een beoordeling van de feiten van het hoofdgeding, die onder zijn eigen bevoegdheid valt. Het is immers vaste rechtspraak dat in het kader van een procedure op grond van artikel 234 EG, dat op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, de waardering van de feiten van het hoofdgeding, tegen de achtergrond waarvan het gemeenschapsrecht moet worden uitgelegd, tot de bevoegdheden van de nationale rechter behoort.(13) Evenzo beoordelen de bevoegde nationale autoriteiten en het verwijzende gerecht soeverein de vraag of – gezien de kwetsbaarheid die het door SEPA naar Gabon en de Comoren uitgevoerde vlees in voorkomend geval kan hebben op grond van de omstandigheden waaronder het is verkregen – de wijze waarop dit vlees is ingevroren, al dan niet geschikt is om tot de aankomst op de markt van de landen van bestemming elk risico van bederf uit te sluiten.
37. Derhalve ben ik van mening dat bij het onderzoek van de eerste prejudiciële vraag als vaststaand dient te worden aangenomen dat het onderhavige vlees voor menselijke consumptie geschikt is verklaard, dat het voor menselijke consumptie kon worden toegelaten op de plaatselijke markt van een lidstaat en dat de verwijzende rechter eveneens heeft geoordeeld dat het van voldoende gezonde kwaliteit was om naar een derde land te mogen worden uitgevoerd en krachtens verordening nr. 3665/87 recht te geven op uitvoerrestituties.
38. Dit geding is bijgevolg beperkt tot de vraag of dergelijk vlees geacht kan worden van ‘handelskwaliteit’ te zijn in de zin van artikel 13 van verordening nr. 3665/87. Anders gezegd, het gaat om de vraag of de omstandigheid dat de verhandeling van dit vlees voor menselijke consumptie, voorzover het de Gemeenschap betreft, is beperkt tot de plaatselijke markt en dat dit vlees moet worden voorzien van een merk dat zijn herkomst aanduidt, volstaat om uit te sluiten dat het van ‘handelskwaliteit’ in de zin van deze bepaling kan zijn, zoals de Commissie en het Hauptzollamt Hamburg-Jonas betogen.
39. Eventueel dient vooraf te worden verduidelijkt dat, zoals de verwijzende rechter en alle deelnemers aan de procedure aanvoeren, een dergelijke uitsluiting niet het gevolg is van het bepaalde in artikel 6, lid 1, sub e, van richtlijn 64/433, dat vlees afkomstig van een speciale noodslachting alleen op de plaatselijke markt voor menselijke consumptie kan worden toegelaten, aangezien die richtlijn niet tot doel heeft de handel in vers vlees tussen de Gemeenschap en derde landen te harmoniseren. Een dergelijke uitsluiting zou slechts kunnen worden gebaseerd op artikel 13 van verordening nr. 3665/87. Evenals de Griekse regering en SEPA ben ik evenwel van mening dat dit artikel, gezien zijn tekst, niet als grondslag kan dienen voor de door de Commissie en het Hauptzollamt Hamburg-Jonas verdedigde uitlegging, zonder dat hierdoor het rechtszekerheidsbeginsel zou worden geschonden.
40. Ik herinner eraan dat dit beginsel een fundamenteel beginsel van het gemeenschapsrecht is.(14) Het vereist dat de communautaire wetgeving duidelijk is en dat haar toepassing voor de justitiabelen voorzienbaar is. Het is eveneens vaste rechtspraak dat het vereiste van rechtszekerheid en voorzienbaarheid van de communautaire regelgeving des te dwingender is wanneer het, zoals in casu, gaat om een regeling die financiële gevolgen kan hebben.(15)
41. Het Hof heeft dit beginsel vaak toegepast op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in het kader van beroepen, ingesteld tegen beschikkingen van de Commissie waarbij ter gelegenheid van de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL de door een lidstaat verrichte uitgaven niet werden erkend. Het heeft beschikkingen van de Commissie, vastgesteld op grond van een bepaling waarvan de lidstaten niet tijdig kennis hadden gekregen, strijdig geacht met dit beginsel. Zo heeft het Hof geoordeeld dat wanneer een lidstaat op het moment waarop hij in de visserijsector uitvoerrestituties toekent, niet in staat is een eerst na het einde van het begrotingsjaar uitgevaardigde regeling waarbij vangstquota met terugwerkende kracht worden vastgesteld, te kennen of met zekerheid te voorzien, de Commissie haar weigering om de betrokken restituties ten laste van het EOGFL te brengen, niet kan baseren op het feit dat die quota niet zijn geëerbiedigd.(16) In dezelfde zin, maar in het kader van de uitvoering van een stelsel van geboortepremies voor kalveren, heeft het Hof geoordeeld dat wanneer de Commissie besluit financiële consequenties te verbinden aan de niet-inachtneming door de nationale autoriteiten van een redelijke termijn voor de behandeling van door de ondernemers ingediende aanvragen voor de verkrijging van die premies, die termijn tijdig aan alle lidstaten moet worden meegedeeld.(17)
42. Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat dit beginsel zich ertegen verzet dat aan een in een gemeenschapsrechtelijke bepaling vervat begrip een niet voor de hand liggende uitlegging wordt gegeven die niet strookt met de normale betekenis van de gebruikte woorden. Zo ging het in de zaak Denemarken/Commissie(18) om de vraag hoe een regeling die uitvoerrestituties voor conserven van rundvlees vastlegde op basis van de percentages van vlees, met uitsluiting van slachtafval en vet, moest worden uitgelegd. Het Hof heeft geoordeeld dat, aangezien het gemeenschapsrecht geen definitie bevat van de begrippen „vlees” en „vet”, het begrip „vlees”, bij gebreke van duidelijke andersluidende aanwijzingen in de tekst van het toepasselijke voorschrift, de betekenis moet krijgen die daaraan in het normale spraakgebruik wordt gegeven.(19) Het heeft daaruit afgeleid dat dit begrip niet aldus kan worden uitgelegd dat elke hoeveelheid vet die kan voorkomen in het spierweefsel maar daaruit niet fysiek kan worden verwijderd en die niet met het blote oog zichtbaar is, hiervan is uitgesloten.(20) De omstandigheid dat in een later voorschrift een andere betekenis is toegekend aan de ten tijde van de feiten van kracht zijnde bepaling, heeft volgens het Hof geen invloed op de uitlegging van die bepaling.(21)
43. Het rechtszekerheidsbeginsel is met name ook toegepast in samenhang met artikel 9 van verordening (EEG) nr. 859/89(22) betreffende het stelsel van aankoop via inschrijving van rundvlees, waarvan lid 1 bepaalt dat de „inschrijver” zich ertoe moet verbinden alle voorschriften met betrekking tot de betrokken aankopen na te leven en, lid 2, dat de „betrokkenen” slechts één offerte per categorie en per inschrijving mogen indienen. Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld dat, gelet op het rechtszekerheidsbeginsel, de formulering van deze bepaling geen steun kan bieden aan de uitlegging volgens welke, gezien het verschil in betekenis tussen de woorden „betrokkenen” en „inschrijvers”, laatstgenoemden bij een inschrijving slechts één offerte mogen indienen wanneer zij tot dezelfde groep behoren.(23) Het Hof preciseerde dat een dergelijke uitlegging erop zou neerkomen dat een latere bepaling die in het gemeenschapsrecht een regeling inzake de verhoudingen tussen de inschrijvers heeft ingevoerd, met terugwerkende kracht zou worden toegepast.(24)
44. Het komt mij om de volgende redenen voor dat deze rechtspraak eveneens op het onderhavige geschil van toepassing is.
45. Indien wij ons houden aan de tekst van artikel 13 van verordening nr. 3665/87, zien wij dat het zich ertoe beperkt vast te stellen dat geen restituties worden verleend wanneer de producten niet van gezonde handelskwaliteit zijn, en de geschiktheid voor menselijke consumptie, voorzover zij daarvoor bestemd zijn, wegens de eigenschappen ervan of de toestand waarin zij zich bevinden, geheel of in aanzienlijke mate is verloren.
46. Artikel 13 van verordening nr. 3665/87 bepaalt derhalve niet dat de toekenning van uitvoerrestituties eveneens afhangt van de voorwaarde dat het betrokken product niet alleen van gezonde handelskwaliteit is, maar ook in de gehele Gemeenschap voor menselijke consumptie in de handel mag worden gebracht.(25)
47. Evenzeer kan een dergelijk vereiste mijns inziens moeilijk worden afgeleid uit de uitdrukking „handelskwaliteit” („qualité loyale et marchande”). De bijvoeglijke naamwoorden „loyale” en „marchande” betekenen in het Frans respectievelijk „overeenkomstig de wet” en „geschikt voor de handel”. De in handelsbetrekkingen gebruikelijke uitdrukking „handelskwaliteit” betekent dat de verkochte zaak de eigenschappen bezit die door de wet of de handelsusances worden verlangd.(26) Zoals SEPA stelt, hebben deze bijvoeglijke naamwoorden derhalve betrekking op de intrinsieke kenmerken van het betrokken product en niet op een bijzondere voorwaarde betreffende de geografische ruimte waarin het in de handel mag worden gebracht. Het onderzoek van de meeste andere taalversies van dit in verordening nr. 3665/87 genoemde begrip heeft mijn oordeel over de betekenis ervan niet gewijzigd.(27)
48. Anders dan de Commissie geloof ik ook niet dat de tweede voorwaarde van artikel 13 van verordening nr. 3665/87, dat de geschiktheid van de betrokken producten voor menselijke consumptie, voorzover zij daarvoor bestemd zijn, niet „wegens de eigenschappen ervan of de toestand waarin zij zich bevinden, geheel of in aanzienlijke mate is verloren gegaan”, noodzakelijkerwijs aldus moet worden verstaan dat een beperking van de verhandeling van deze producten in de Gemeenschap tot de plaatselijke markt, waarbij de herkomst ervan dient te worden aangegeven, een aanzienlijke vermindering van hun gebruiksmogelijkheden vormt. Deze voorwaarde kan evengoed aldus worden verstaan dat zij alleen betrekking heeft op de modaliteiten volgens welke de producten door de mens kunnen worden geconsumeerd of voor menselijke voeding kunnen worden gebruikt, zonder te verwijzen naar de geografische omvang van het gebied waarbinnen zij kunnen worden verhandeld.
49. De negende overweging van de considerans van verordening nr. 3665/87, die als zodanig geen normatieve strekking heeft maar wel het doel weergeeft dat de communautaire wetgever met artikel 13 wilde bereiken, en waarmee derhalve rekening kan worden gehouden bij de uitlegging van dit artikel, verschaft evenmin doorslaggevende aanwijzingen voor de beantwoording van deze vraag. Zij geeft alleen aan dat „de kwaliteit van de producten zodanig dient te zijn dat zij onder normale omstandigheden in de handel kunnen worden gebracht”, zonder te preciseren wat onder het begrip „normale omstandigheden” moet worden verstaan.
50. De structuur en de doelstellingen van verordening nr. 3665/87 bevatten evenmin gegevens die mij kunnen overtuigen van de juistheid van de door de Commissie en het Hauptzollamt Hamburg-Jonas verdedigde uitlegging. Wat met name de doelstellingen van deze verordening betreft, kan zeker staande worden gehouden, zoals de deelnemers aan de procedure hebben gedaan, dat voorzover de uitvoerrestituties worden gefinancierd uit de communautaire begroting, de toekenning daarvan moet worden voorbehouden aan producten die dit „het meest verdienen” en dat zijn de producten die in de gehele Gemeenschap in de handel mogen worden gebracht. Tegen dit argument kan echter worden ingebracht dat, zoals het Bundesfinanzhof stelt, het vlees afkomstig van dieren die bij een speciale noodslachting zijn gedood, op de plaatselijke markt ook concurreert met het vlees dat in de gehele Gemeenschap in de handel mag worden gebracht, zodat de financiering van zijn export naar derde landen heel wel kan bijdragen aan de verwezenlijking van het door middel van het stelsel van uitvoerrestituties nagestreefde doel van stabilisering van de gemeenschappelijke markt.
51. Gelet op deze overwegingen ben ik van mening dat artikel 13 van verordening nr. 3665/87, gezien de formulering ervan, niet aldus door de ondernemers kan worden begrepen dat de toekenning van uitvoerrestituties voor vlees afhangt van de voorwaarde dat dit vlees in de gehele Gemeenschap voor menselijke consumptie in de handel mag worden gebracht.
52. Om deze redenen kan ik evenmin aannemen dat artikel 21 van verordening nr. 800/1999, voorzover het uitdrukkelijk producten van gezonde handelskwaliteit definieert als producten die „in normale omstandigheden [...] op het grondgebied van de Gemeenschap in de handel kunnen worden gebracht”, op dit punt als een loutere verduidelijking van artikel 13 van verordening nr. 3665/87 moet worden gezien. Indien dit artikel – zoals de deelnemers aan de procedure hebben betoogd en zoals ik eveneens geneigd ben aan te nemen – aldus moet worden gelezen dat het uitdrukkelijk bepaalt dat de producten die recht geven op uitvoerrestituties in de gehele Gemeenschap in de handel moeten kunnen worden gebracht, behelst het mijns inziens een bijkomende voorwaarde die in verordening nr. 3665/87 niet voorkomt. Deze bijkomende voorwaarde zou derhalve niet met terugwerkende kracht kunnen worden toegepast op feiten die hebben plaatsgehad alvorens verordening nr. 800/1999 van kracht werd.
53. Mijn analyse van artikel 13 van verordening nr. 3665/87 wordt mijns inziens ook bevestigd door verordening nr. 450/2000 tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector rundvlees, waarvan de derde overweging van de considerans aangeeft dat het „wenselijk [is] de toekenning van de restitutie te beperken tot producten die zijn toegelaten tot het vrije verkeer in de Gemeenschap”, en waarvan artikel 1 bijgevolg verordening (EG) nr. 2698/1999 heeft gewijzigd.(28) De omstandigheid dat verordening nr. 450/2000, zoals de Commissie ter terechtzitting uiteenzette, noodzakelijk was wegens de uiteenlopende interpretaties waartoe de vroegere regelgeving, en met name artikel 21 van verordening nr. 800/99 aanleiding gaf, toont a fortiori aan dat artikel 13 van verordening nr. 3665/87 onvoldoende duidelijk en nauwkeurig was om door de betrokken justitiabelen aldus te kunnen worden begrepen dat de toekenning van uitvoerrestituties afhing van de voorwaarde dat de betrokken producten in de gehele Gemeenschap voor menselijk gebruik in de handel konden worden gebracht.
54. Daarom ben ik van mening dat voor die uitlegging van artikel 13 van verordening nr. 3665/87 moet worden geopteerd die het meest voldoet aan het rechtszekerheidsbeginsel.
55. Gezien deze overwegingen stel ik het Hof voor op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 13 van verordening nr. 3665/87 aldus moet worden uitgelegd dat het niet uitsluit dat voor menselijke consumptie geschikt vlees geacht kan worden van handelskwaliteit te zijn en recht te geven op uitvoerrestituties wanneer de verhandeling ervan voor menselijke consumptie in de Gemeenschap is beperkt tot de plaatselijke markt omdat het afkomstig is van een dier dat bij een speciale noodslachting in de zin van richtlijn 64/433 is gedood.
B – De tweede prejudiciële vraag
56. Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of verordening nr. 3665/87 voor de toekenning van uitvoerrestituties uitsluitend vereist dat het betrokken vlees overeenkomt met de omschrijving die in de restitutieaanvraag daaraan is gegeven, of dat het eveneens nodig is dat dit vlees van gemiddelde kwaliteit in de subjectieve of commerciële zin van het woord is.
57. De verwijzende rechter vraagt derhalve in wezen of het begrip handelskwaliteit in artikel 13 van verordening nr. 3665/87 aldus moet worden uitgelegd dat de uitgevoerde waar van gemiddelde kwaliteit moet zijn, zodat de toekenning van uitvoerrestituties is uitgesloten wanneer de waar van mindere kwaliteit is, ook al mag zij onder de in de restitutieaanvraag vermelde omschrijving worden verkocht.
58. Evenals alle deelnemers aan de procedure ben ik van mening dat het begrip handelskwaliteit in artikel 13 van verordening nr. 3665/87 niet vereist dat het betrokken product van gemiddelde kwaliteit is in de commerciële zin van het woord. Zoals het Hof in het reeds genoemde arrest Muras heeft geoordeeld, behelst de uitdrukking „gezonde handelskwaliteit” een algemene en objectieve voorwaarde voor de toekenning van een restitutie, waaraan moet worden voldaan ongeacht de eisen qua soort en kwaliteit die worden gesteld in de verordeningen waarin de restitutiebedragen voor ieder afzonderlijk product worden vastgesteld.(29)
59. Hetzelfde begrip, genoemd in artikel 13 van verordening nr. 3665/87, heeft geen andere betekenis. Zoals de verwijzende rechter stelt, verlangt het dat de waar overeenkomstig de gebruikelijke handelsusances kan worden verkocht onder de in de restitutieaanvraag gegeven omschrijving. Het vereist niet dat de betrokken waar een bepaald kwaliteitsniveau in subjectieve of commerciële zin bezit. Deze beoordeling strookt eveneens met de regeling inzake uitvoerrestituties die, zoals bij rundvlees, uniforme restitutiepercentages voor de aangegeven waar vaststelt op basis van hun post of onderverdeling in een nomenclatuur, de zogenoemde „Gecombineerde Nomenclatuur”, bestemd voor de indeling van waren in klassen met het oog op het communautair douanetarief.(30)
60. In tegenstelling tot de verwijzende rechter, die ter zake twijfels heeft, ben ik van mening dat het Hof in het reeds genoemde arrest Frankrijk/Commissie niet een ander standpunt heeft ingenomen. In die zaak bestreed de Franse regering de beschikking van de Commissie waarbij de uitvoer naar Saudi-Arabië van 76 500 kg smeltkaas door de Kaasfabrieken Bel van financiering door het EOGFL werd uitgesloten. Zij stelde dat de betrokken kaas daadwerkelijk in het land van bestemming was aangekomen en dat de importeur pas toen de kaas reeds in de handel was, had besloten hem uit de markt te nemen omdat hij van mening was dat de textuur van de kaas naar de gebruikelijke kwaliteitsvoorschriften voor het product te zacht was.
61. Het Hof heeft geoordeeld dat de beschikking van de Commissie gegrond was omdat het betrokken product op de dag dat het werd uitgevoerd behept was met een verborgen gebrek, zodat het niet van gezonde handelskwaliteit was in de zin van artikel 13 van verordening nr. 3665/87.(31) Het voegde hieraan toe dat de tegenovergestelde oplossing erop zou neerkomen dat de gevolgen van de niet-nakoming door de producent van zijn contractuele verplichting een product te leveren dat beantwoordt aan de voorschriften, op de gemeenschap zou worden afgewenteld.
62. In die zaak berustte de weigering om uitvoerrestituties toe te kennen derhalve niet op de omstandigheid dat het betrokken product alleen maar van slechtere kwaliteit was dan de gemiddelde handelskwaliteit maar op het feit dat het op het moment van zijn export was behept met een verborgen gebrek, zodat het niet overeenkomstig zijn bestemming kon worden gebruikt.
63. Gelet op deze elementen stel ik voor de tweede prejudiciële vraag aldus te beantwoorden dat het in artikel 13 van verordening nr. 3665/87 genoemde begrip handelskwaliteit in die zin moet worden uitgelegd dat het niet vereist dat de uitgevoerde waar van gemiddelde kwaliteit is, wat zou impliceren dat de toekenning van uitvoerrestituties is uitgesloten wanneer de waar van mindere kwaliteit is, zelfs wanneer zij kan worden verkocht onder de in de restitutieaanvraag vermelde omschrijving.
V – Conclusie
64. Mitsdien geef ik het Hof in overweging de door het Bundesfinanzhof gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
„1) Artikel 13 van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, moet aldus worden uitgelegd dat het niet uitsluit dat voor menselijke consumptie geschikt vlees geacht kan worden van handelskwaliteit te zijn en recht te geven op uitvoerrestituties wanneer de verhandeling ervan voor menselijke consumptie in de Gemeenschap is beperkt tot de plaatselijke markt omdat het afkomstig is van een dier dat is gedood bij een speciale noodslachting in de zin van richtlijn 64/433/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees, zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 95/23/EG van de Raad van 22 juni 1995.
2) Het begrip ‚handelskwaliteit’ in artikel 13 van verordening nr. 3665/87 moet in die zin worden uitgelegd dat het niet vereist dat de uitgevoerde waar van gemiddelde kwaliteit is, wat zou impliceren dat de toekenning van uitvoerrestituties is uitgesloten wanneer de waar van mindere kwaliteit is, zelfs wanneer zij kan worden verkocht onder de in de restitutieaanvraag vermelde omschrijving.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – PB L 351, blz. 1.
3 – Richtlijn van de Raad van 26 juni 1964 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees (PB 1964, 121, blz. 2012), zoals gewijzigd en gecodificeerd bij richtlijn 91/497/EEG van de Raad van 29 juli 1991 tot wijziging en codificatie van richtlijn 64/433/EEG inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees teneinde deze uit te breiden tot de productie en het in de handel brengen van vers vlees (PB L 268, blz. 69) en gewijzigd bij richtlijn 95/23/EG van de Raad van 22 juni 1995 (PB L 243, blz. 7; hierna: „richtlijn 64/433”).
4 – Artikel 18 van verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 148, blz. 24).
5 – Idem.
6 – Tiende overweging van verordening nr. 805/68.
7 – Verordening van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 102, blz. 11).
8 – Verordening van de Commissie van 28 februari 2000 houdende wijziging van verordening (EG) nr. 2698/1999 tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector rundvlees (PB L 55, blz. 24).
9 – Wet van 19 januari 1996 (BGBl. 1996 I, blz. 59).
10 – BGBl. 1997 I, blz. 1138.
11 – Hierna: „SEPA”.
12 – De verwijzende rechter verwijst naar de arresten van 9 oktober 1973, Muras (12/73, Jurispr. blz. 963), en 19 november 1998, Frankrijk/Commissie (C‑235/97, Jurispr. blz. I‑7555).
13 – Zie met name arresten van 15 november 1979, Denkavit Futtermittel (36/79, Jurispr. blz. 3439, punt 12), en 25 februari 2003, IKA (C‑326/00, Jurispr. blz. I‑1703, punt 27).
14 – Zie met name arresten van 17 juli 1997, National Farmers’ Union e.a. (C‑354/95, Jurispr. blz. I‑4559, punt 57), en 16 oktober 1997, Banque Indosuez e.a. (C‑177/96, Jurispr. blz. I‑5659, punt 27).
15 – Arresten van 15 december 1987, Nederland/Commissie (326/85, Jurispr. blz. 5091, punt 24), en 13 maart 1990, Commissie/Frankrijk (C‑30/89, Jurispr. blz. I‑691, punt 23). Zie voor een recente toepassing arrest van 12 februari 2004, Slob (C‑236/02, Jurispr. blz. I‑1861, punt 37).
16 – Arrest van 15 december 1987, Nederland/Commissie (237/86, Jurispr. blz. 5251, punten 19 en 20).
17 – Arrest van 27 maart 1990, Italië/Commissie (C‑10/88, Jurispr. blz. I‑1229).
18 – Arrest van 27 januari 1988 (349/85, Jurispr. blz. 169).
19 – Punten 9‑13.
20 – Punt 14.
21 – Punt 15.
22 – Verordening van de Commissie van 29 mart 1989 betreffende de wijze van toepassing van de interventiemaatregelen in de sector rundvlees (PB L 91, blz. 5).
23 – Zie arrest van 1 oktober 1998, Verenigd Koninkrijk/Commissie (C‑209/96, Jurispr. blz. I‑5655, punten 35 en 36).
24 – Ibidem, punt 37.
25 – De tekst van artikel 13 van verordening nr. 3665/87 wijkt dus af van die van artikel 6 van verordening nr. 1041/67/EEG van de Commissie van 21 december 1967 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de verlening van restituties bij de uitvoer van producten waarvoor een stelsel van gemeenschappelijke prijzen geldt (PB 1967, 314, blz. 9), dat bepaalt dat „[r]estituties slechts [worden] verleend voor producten van gezonde handelskwaliteit, die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden [...]” (cursivering van mij). Daaruit blijkt dat de uitlegging van dit artikel 6 in het reeds aangehaalde arrest Muras, waarin is geoordeeld dat een product „dat op het grondgebied van de Gemeenschap niet onder normale omstandigheden [...] kan worden verhandeld”, niet aan de vereiste kwaliteitseisen voldoet om recht te geven op uitvoerrestituties (punt 12), mijns inziens op dit speciale punt niet op artikel 13 van verordening nr. 3665/87 kan worden toegepast.
26 – Cornu, G., Vocabulaire juridique, Presses universitaires de France, Parijs, juli 1998, blz. 508.
27 – Dit begrip wordt als volgt uitgedrukt: „fair marketable quality” in het Engels, „handelsüblicher Qualität” in het Duits, „leale e mercantile” in het Italiaans, „cabal y comercial” in het Spaans, „handelskwaliteit” in het Nederlands.
28 – Verordening van de Commissie van 17 december 1999 tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector rundvlees (PB L 326. blz. 49).
29 – Punt 12.
30 – Zie voor rundvlees verordening (EEG) nr. 3905/87 van de Raad van 22 december 1987 tot wijziging van verordening nr. 805/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 370, blz. 7).
31 – Arrest Frankrijk/Commissie, reeds aangehaald (punt 79).
Full & Egal Universal Law Academy