CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. STIX-HACKL
van 12 juli 2005 (1)
Zaak C‑436/03
Europees Parlement
tegen
Raad van de Europese Unie
„Verordening van de Raad nr. 1435/2003 – Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE) – Rechtsgrondslag – Artikel 95 EG – Artikel 308 EG”
I – Inleidende opmerkingen
1. Dit geschil tussen Parlement en Raad gaat over de instelling van de Europese Coöperatieve Vennootschap. Met het onderhavige beroep vordert het Parlement de nietigverklaring van de op artikel 308 EG gebaseerde verordening (EG) nr. 1435/2003 van de Raad van 22 juli 2003 betreffende het statuut voor een Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE)(2) (hierna: „verordening”). Het betreft hier de principiële vraag of en, zo ja, onder welke voorwaarden de Raad handelingen op grond van artikel 308 EG mag vaststellen. Voorts heeft in dit verband de onderhavige procedure in wezen de uitlegging van artikel 95 EG tot voorwerp.
II – De bestreden verordening
A – De wetgevingsprocedure
2. Op 6 maart 1992 deed de Commissie haar oorspronkelijk voorstel(3) inzake de Europese Coöperatieve Vennootschap aan de Raad toekomen. Dit voorstel was gebaseerd op artikel 100A EG-Verdrag, dus op de bepaling die aan artikel 95 EG voorafging. Op 6 juli 1993 stelde de Commissie, na de eerste lezing door het Parlement, haar gewijzigde voorstel vast(4) en legde zij het de Raad voor.
3. Als gevolg van de wijzigingen van de Verdragen door het Verdrag van Maastricht en het Verdrag van Amsterdam, werd de rechtsgrondslag aangepast en het voorstel op artikel 95 EG gebaseerd.(5) Het Parlement aanvaardde in zijn advies deze rechtsgrondslag.
4. Tijdens de discussie in de Raad vanaf het voorjaar van 2002 kwam het tot een wijziging van de rechtsgrondslag: in plaats van artikel 95 EG werd deze artikel 308 EG. De Raad besloot daarom het Parlement opnieuw te raadplegen.
5. Op 14 mei 2003 bracht het Parlement een advies uit waarin werd geëist dat de rechtsgrondslag opnieuw artikel 95 EG zou zijn. In haar standpunt inzake de amendementen van het Parlement sloot de Commissie zich hierbij aan.
6. Op 22 juli 2003 stelde de Raad de verordening formeel vast en handhaafde hij artikel 308 EG als rechtsgrondslag.
B – Doel en inhoud van de verordening
7. In de tweede overweging van de considerans wordt in verband met het doel van de verordening gezegd dat „de voltooiing van de interne markt en de daaruit voortvloeiende verbetering van de economische en sociale situatie in de gehele Gemeenschap [...] niet alleen [vereisen] dat handelsbelemmeringen worden weggenomen, maar ook dat de productiestructuren aan de communautaire dimensie worden aangepast. Het is daartoe onontbeerlijk dat allerlei ondernemingen waarvan de activiteiten niet louter op de bevrediging van zuiver lokale behoeften zijn gericht, de reorganisatie van hun werkzaamheden op Gemeenschapsniveau kunnen uittekenen en uitvoeren.”
8. De derde overweging van de considerans luidt:
„Het juridisch kader voor werkzaamheden in de Gemeenschap is nog grotendeels gebaseerd op de nationale wetgevingen en sluit derhalve niet goed aan bij het economische kader waarbinnen deze werkzaamheden zich moeten ontwikkelen als de doelstellingen van artikel 18 van het Verdrag moeten worden verwezenlijkt. Deze situatie is een aanmerkelijke belemmering voor het oprichten van samenwerkingsverbanden van ondernemingen uit verschillende lidstaten.”
9. Uit de zesde overweging van de considerans vloeit voort dat de Gemeenschap verplicht is voor de in alle lidstaten normaliter erkende coöperaties passende juridische instrumenten ter beschikking te stellen die het hun gemakkelijker kunnen maken hun werkzaamheden over de grenzen heen te ontwikkelen.
10. De elfde overweging van de considerans geeft volgende toelichting:
„Er doen zich thans bij de grensoverschrijdende samenwerking tussen coöperaties in de Gemeenschap moeilijkheden van juridische en administratieve aard voor, die in een markt zonder grenzen uit de weg dienen te worden geruimd.”
11. De twaalfde overweging van de considerans geeft uitsluitsel over het middel om het doel te bereiken:
„De invoering van een Europees statuut voor coöperaties dat gebaseerd is op gemeenschappelijke beginselen, maar waarin rekening is gehouden met hun eigenheid, dient deze in de gelegenheid te stellen hun activiteiten over de landsgrenzen uit te breiden tot het gehele grondgebied van de Gemeenschap of een deel daarvan.”
12. De dertiende overweging van de considerans noemt als hoofddoel van deze verordening dat „een SCE kan worden opgericht door personen die in verschillende lidstaten woonachtig zijn of door juridische lichamen die onder het recht van verschillende lidstaten ressorteren.”
13. De zestiende overweging van de considerans wijst erop dat fiscaal recht, mededingingsrecht, intellectuele-eigendomsrecht en insolventierecht niet door de verordening worden bestreken.
14. De achttiende overweging van de considerans verduidelijkt waarom een deel van de regelgeving door verwijzing naar nationaal recht kan geschieden:
„De werkzaamheden betreffende de harmonisatie van het vennootschapsrecht van de lidstaten zijn aanzienlijk gevorderd, zodat voor de SCE op de gebieden waarop voor haar werking geen uniforme communautaire voorschriften vereist zijn, met het oog op een overeenkomstige toepassing kan worden verwezen naar sommige bepalingen die door de lidstaat waar de SCE haar statutaire zetel heeft, zijn vastgesteld ter uitvoering van de richtlijnen inzake vennootschappen, voorzover die bepalingen passen in het kader van de regelgeving inzake de SCE”.
15. Als voornaamste doel van een SCE noemt artikel 1, lid 3: te voldoen aan de behoeften van haar leden en/of hun economische en sociale activiteiten te ontwikkelen.
16. Artikel 1, lid 5, van de verordening bepaalt uitdrukkelijk dat de SCE rechtspersoonlijkheid bezit, welke krachtens artikel 18 door inschrijving in een register wordt verkregen.
17. De verordening bevat verder bepalingen over het kapitaal (artikelen 3 en 4), de statuten (artikel 5), de zetel en de verplaatsing ervan (artikelen 6 en 7), de inschrijving en openbaarmaking (artikelen 11 tot en met 13), het lidmaatschap (artikelen 14 tot en met 16), de wijze van oprichting, ook door fusie en omzetting (artikelen 2 en 19 tot en met 35), de structuur (artikelen 36 tot en met 63), de uitgifte van effecten (artikel 64), de bestemming van de winst (artikelen 65 tot en met 67), de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening (artikelen 68 tot en met 71) alsmede over ontbinding, liquidatie, insolventie en staking van de betalingen (artikelen 72 tot en met 76).
18. Wat de bijzondere kenmerken van de SCE betreft, wijs ik erop dat de zetel van de SCE krachtens artikel 7 zonder ontbinding van de SCE kan worden verplaatst.
19. Artikel 8 is de centrale bepaling inzake het toepasselijk recht. Zij legt een duidelijke rangorde vast, die erin bestaat dat de SCE primair aan de verordening is onderworpen en pas daarna aan de statuten van de betrokken SCE – voorzover de verordening dit uitdrukkelijk toestaat – alsmede aan het nationale recht.
20. Artikel 9 geeft uitsluitsel over de behandeling van de SCE in de lidstaten. Onverminderd de bepalingen van de verordening, wordt een SCE in iedere lidstaat behandeld als een coöperatie die is opgericht overeenkomstig het recht van de lidstaat waar de SCE haar statutaire zetel heeft.
21. De verordening betreft derhalve, te oordelen naar haar doel en inhoud, de instelling van een bepaalde soort vennootschap, namelijk de Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE).
III – Procesverloop voor het Hof en conclusies van partijen
22. Het beroep van het Parlement is op 15 oktober 2003 ter griffie van het Hof ingeschreven. Bij beschikking van de President heeft het Hof het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland als interveniënten ter ondersteuning van de conclusies van de Raad, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen als interveniënte ter ondersteuning van de conclusies van het Parlement toegelaten.
23. Het Parlement verzoekt, de verordening nietig te verklaren en in geval van nietigverklaring de gevolgen van de verordening te handhaven tot de inwerkingtreding van een nieuwe, binnen een redelijke termijn op basis van de passende rechtsgrondslag vast te stellen regeling ter zake, alsmede de Raad in de kosten te verwijzen.
24. De Raad concludeert, het beroep ongegrond te verklaren en het Parlement te verwijzen in de kosten.
IV – De voornaamste argumenten van partijen en interveniënten
A – Verzoeker en de interveniënte aan zijn zijde
25. Tot staving van zijn beroep tot nietigverklaring van de verordening voert het Parlement aan, dat de Raad de verordening op basis van artikel 308 EG heeft vastgesteld, ofschoon zij op artikel 95 EG had moeten zijn gebaseerd. Terwijl artikel 308 EG enkel de raadpleging van het Parlement voorschrijft, is krachtens artikel 95 EG de medebeslissingsprocedure in de zin van artikel 251 EG van toepassing.
26. Volgens het Parlement is artikel 95 EG de juiste rechtsgrondslag voor de vaststelling van het statuut van de SCE, omdat de verordening de bepalingen van de lidstaten harmoniseert teneinde de oprichting van een SCE mogelijk te maken. De rechtsvorm van de SCE is een nationale vennootschap van Europese aard, omdat zij naar het nationale recht verwijst, dat voor bepaalde aspecten van toepassing blijft.
27. De Commissie staat als interveniënte aan de zijde van het Parlement eveneens een ruime opvatting van het begrip harmonisatie voor, die ook de invoering van nieuwe regelingen omvat, en dus ook de aanvulling van het nationale recht inzake coöperaties door het statuut van de SCE. Zij betoogt dat de verordening gezien haar doel en inhoud op artikel 95 EG had moeten worden gebaseerd, met name omdat zij tot de instelling en de werking van de interne markt bijdraagt.
B – Verweerder en de interveniënten aan zijn zijde
28. De Raad als verweerder verdedigt zijn handelwijze door te stellen dat de verordening een nieuwe rechtsvorm in het leven roept. Artikel 95 EG is overigens niet de enige rechtsgrondslag om de interne markt te verwezenlijken. Hoewel preventieve harmonisatie is toegestaan, geldt daarvoor de voorwaarde dat de lidstaten een dergelijke maatregel kunnen nemen. Zulks is niet het geval wanneer een parallelle gemeenschapsstructuur in het leven wordt geroepen.
29. Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland ondersteunt als interveniënt de Raad en acht artikel 95 EG eveneens ontoelaatbaar als rechtsgrondslag van de verordening, omdat de lidstaten een dergelijke regeling niet kunnen vaststellen, en ook geen belemmeringen voor de interne markt in de vorm van verschillen in de rechtsstelsels van de lidstaten worden opgeheven. De passende rechtsgrondslag is derhalve artikel 308 EG.
30. Het Koninkrijk Spanje, als interveniënt aan de zijde van de Raad, legt er de nadruk op, dat de rechtsvorm SCE, die door de verordening in het leven wordt geroepen, nieuw is en dus niet op artikel 95 EG kan worden gebaseerd, omdat het niet om harmonisatie in de zin van deze bepaling gaat.
V – Beoordeling
31. De rechtsvraag die in de onderhavige procedure dient te worden beantwoord, is of de litigieuze verordening op artikel 308 EG kan worden gebaseerd. Derhalve dienen eerst de voorwaarden voor de toepassing van deze bepaling te worden onderzocht. Deze analyse leidt vervolgens tot het onderzoek of de verordening op artikel 95 EG had kunnen worden gebaseerd.
32. Om te beginnen wijs ik erop dat de keuze van de rechtsgrondslag van een handeling in het kader van het stelsel van bevoegdheden van de Gemeenschap niet alleen kan afhangen van wat naar de mening van een instelling het nagestreefde doel is, maar gegrond moet zijn op objectieve, voor rechterlijke toetsing vatbare omstandigheden, waartoe met name het doel en de inhoud van de handeling behoren.(6)
A – Voorwaarden voor de toepassing van artikel 308 EG
33. De essentiële voorwaarden om deze rechtsgrondslag te mogen inroepen, worden reeds duidelijk uit de bewoordingen van artikel 308 EG.
34. Het Parlement heeft terecht op de beide voorwaarden gewezen: ten eerste moet een optreden van de Gemeenschap noodzakelijk lijken om in het kader van de gemeenschappelijke markt één van haar doelstellingen te verwezenlijken, en ten tweede moet het EG-Verdrag niet voorzien in de vereiste bevoegdheden.
35. De subsidiaire aard van artikel 308 EG ten opzichte van andere rechtsgrondslagen, zoals bijvoorbeeld artikel 95 EG, komt hier duidelijk uit naar voren. Het Hof heeft in zijn vaste rechtspraak beklemtoond dat het gebruik van artikel 308 EG als rechtsgrondslag van een handeling slechts is gerechtvaardigd indien geen andere verdragsbepaling de instellingen van de Gemeenschap de bevoegdheid verleent om deze handeling vast te stellen.(7)
B – Voorwaarden voor de toepassing van artikel 95 EG
36. Artikel 95 EG kan als rechtsgrondslag slechts worden aangevoerd, wanneer de daarin genoemde voorwaarden, zoals die in de rechtspraak worden uitgelegd, zijn vervuld. In de onderhavige zaak gaat het om de in lid 1 ervan genoemde voorwaarden, namelijk dat het harmonisatiemaatregelen betreft die de instelling en de werking van de interne markt betreffen. Daarbij komt nog dat in de woorden „[t]enzij in dit Verdrag anders is bepaald”, de subsidiariteit ten aanzien van de specifieke harmonisatiebevoegdheden tot uitdrukking komt.
1. Subsidiariteit van artikel 95 EG
37. Artikel 95 EG verwijst, wat de verwezenlijking van de doelstellingen van een op die grondslag vastgestelde handeling betreft, naar artikel 14 EG, dus naar de interne markt. Artikel 95 EG is echter geenszins de enige bepaling om de doelstellingen van de interne markt te verwezenlijken, of houdt, zoals de Raad het uitdrukt, geen algemene bevoegdheid in voor regelgeving inzake de interne markt.
38. Artikel 95 EG is niet enkel dan de passende rechtsgrondslag, wanneer de vast te stellen handeling slechts „bijkomstig” een harmonisatie van de marktvoorwaarden binnen de Gemeenschap teweegbrengt(8), maar ook wanneer een van de specifieke harmonisatiebepalingen wordt toegepast.
39. Tot deze bepalingen die ten opzichte van artikel 95 EG bij voorrang moeten worden toegepast, behoren ook die welke voorzien in coördinerende bevoegdheden op het gebied van de fundamentele vrijheden.
40. Aangezien de verordening, als handeling betreffende een bepaalde vorm van coöperatie, vennootschapsrechtelijke regels bevat, komt in de eerste plaats artikel 44 EG in aanmerking.
41. De harmonisatie van het nationale vennootschapsrecht kan op deze bepaling worden gebaseerd. Deze bepaling zou ook de harmonisatie van het nationale recht inzake coöperaties mogelijk maken; een op artikel 44 EG gebaseerde handeling zou ook bepalingen kunnen bevatten als die welke in de verordening staan, bijvoorbeeld inzake oprichting of kapitaal.
42. De coördinatie als voorwaarde vormt echter tegelijk een grens, namelijk wat de instelling van nieuwe vennootschapsrechtelijke vormen betreft. Handelingen die zulks beogen, kunnen derhalve niet op artikel 44 worden gebaseerd.(9)
43. Een verdere grens aan de toepassing van artikel 44 EG is de omstandigheid dat deze bepaling enkel het wegnemen van belemmeringen voor de vrijheid van vestiging toelaat, maar niet van belemmeringen voor de vrijheid van dienstverrichting. Wanneer een handeling tot doel heeft dergelijke belemmeringen voor de activiteit van coöperaties weg te nemen, dan komt artikel 44 EG niet in aanmerking.
44. Terwijl de bepalingen inzake de zetel van de SCE en de verplaatsing ervan betrekking hebben op de vrijheid van vestiging, gaan andere bepalingen van de verordening verder dan deze fundamentele vrijheid en dienen zij ertoe belemmeringen, ook voor de andere vrijheden, overeenkomstig artikel 14 EG weg te nemen.
45. Aangezien verzoeker in zijn verzoekschrift echter niet heeft betoogd dat artikel 44 EG als rechtsgrondslag had moeten worden gebruikt, kan een concreet onderzoek van de vraag of de verordening op artikel 44 EG had kunnen worden gebaseerd, achterwege blijven.
46. Samengevat kan derhalve worden vastgesteld dat artikel 95 EG ook voor het vennootschapsrecht van betekenis is, en wel voor die harmonisatie welke niet onder artikel 44 EG valt.
2. Doel van artikel 95 EG: instelling en werking van de interne markt
47. Handelingen kunnen slechts dan op artikel 95 EG worden gebaseerd, wanneer zij de instelling en de werking van de interne markt betreffen. Overigens wijs ik erop dat dit criterium op de harmonisatiemaatregel betrekking heeft en niet, zoals de bewoordingen van artikel 95 EG doen vermoeden, op de bepalingen van de lidstaten die dienen te worden geharmoniseerd. Dit blijkt ook uit ’s Hofs rechtspraak, dat „de in de genoemde bepaling bedoelde maatregelen bestemd zijn om de voorwaarden voor de instelling en de werking van de interne markt te verbeteren en daadwerkelijk die doelstelling moeten hebben, door ertoe bij te dragen dat de belemmering van het vrije verkeer van goederen en van de vrijheid van dienstverrichting wordt weggenomen en de mededingingsverstoringen worden opgeheven”.(10)
48. Dat zou het geval zijn indien de verordening verschillen tussen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten zou wegnemen of verminderen, die de fundamentele vrijheden nadelig kunnen beïnvloeden en zo rechtstreeks gevolgen hebben voor de werking van de interne markt.(11)
49. Uit de derde overweging van de considerans van de verordening blijkt dat het juridisch kader voor werkzaamheden van een vennootschap in de Gemeenschap grotendeels is gebaseerd op nationaal recht en dat deze situatie een aanmerkelijke belemmering is voor het oprichten van samenwerkingsverbanden van ondernemingen uit verschillende lidstaten.
50. De elfde overweging van de considerans van de verordening verduidelijkt de situatie in de lidstaten in die zin, dat de grensoverschrijdende samenwerking tussen coöperaties in de Gemeenschap thans stuit op moeilijkheden van juridische en administratieve aard, die uit de weg dienen te worden geruimd.
51. Dergelijke belemmeringen zouden weliswaar ook door een richtlijn tot harmonisatie van de bepalingen van de lidstaten inzake coöperaties kunnen worden verminderd, dus met een richtlijn zoals die typerend is voor het vennootschapsrecht. Een richtlijn tot harmonisatie van het recht inzake coöperaties had echter pas dan op artikel 95 EG moeten zijn gebaseerd, indien geen meer specifieke harmonisatiebepaling van toepassing was.
52. Met de rechtsvorm van de verordening zou men de bepalingen van nationaal recht die op coöperaties van toepassing zijn, daarentegen door uniforme, voor de gehele Gemeenschap geldende bepalingen kunnen vervangen. Zoals echter Parlement en Commissie toegeven, wordt deze weg door de litigieuze verordening niet bewandeld.
53. Het Parlement heeft terecht erop gewezen dat artikel 95 EG ook de vaststelling van verordeningen toelaat. Hieruit dient men echter niet de conclusie te trekken dat bepalingen van een verordening daarmee automatisch ook harmonisatiemaatregelen zijn, die aan de voorwaarden van artikel 95 EG voldoen.
54. In casu is de verordening als rechtsvorm gekozen omdat een richtlijn eerst in het nationale recht moet worden omgezet. Dit zou wederom tot een groot aantal omzettingsbepalingen(12) hebben geleid, die telkens enkel voor het gebied van de betrokken lidstaat zouden hebben gegolden. Daarmee zouden de voordelen die met een verordening te behalen zijn, bij lange na niet bereikt worden. De verordening kan immers uniform, onmiddellijk toepasselijk recht in het leven roepen. Met een verordening die een bijkomende rechtsvorm instelt, kan de gemeenschapswetgever dus dergelijke territorialiteitsproblemen oplossen.(13)
55. Dat de verordening bijdraagt aan de voltooiing van de interne markt is juist, maar, anders dan in de loop van dit geding is gesteld, is dat niet voldoende om ze op artikel 95 EG te mogen baseren. Een dergelijke „bijdrage” kan ook door andere maatregelen dan door harmonisatie geleverd worden.
3. Harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten
56. Over de voorwaarde, dat het beroep op artikel 95 EG vereist dat de handeling dienstig is voor de harmonisatie van wetgeving, merk ik op dat aan de vervulling van deze voorwaarde grote waarde moet worden gehecht, aangezien de lidstaten, „meesters van de Verdragen”, daarmee een bijkomende voorwaarde voor de wetgevende bevoegdheid wilden stellen die nog niet voorkwam in het voorstel van de Commissie inzake artikel 100A EG-Verdrag, dat ook in andere middelen voorzag om de interne markt te verwezenlijken.
57. Artikel 95 EG mag echter ook niet te strikt worden uitgelegd. Parlement en Raad merken eensgezind op, dat deze rechtsgrondslag ook een zogenoemde geanticipeerde harmonisatie toelaat, dat wil zeggen de vaststelling van maatregelen zonder dat er in de lidstaten vergelijkbare bepalingen bestaan die daardoor onderling moeten worden aangepast.
58. Deze opvatting vindt steun in ’s Hofs rechtspraak, volgens welke „artikel 95 EG weliswaar als rechtsgrondslag kan worden gebruikt ter voorkoming van toekomstige belemmeringen van het handelsverkeer die het gevolg zouden zijn van een heterogene ontwikkeling van de nationale wetgevingen, [maar het] ontstaan van die belemmeringen [...]waarschijnlijk moet zijn en de betrokken maatregel ertoe moet strekken die belemmeringen te voorkomen”.(14)
59. Het doel van de harmonisatie van de wetgevingen in de zin van artikel 95 EG bestaat in een onderlinge aanpassing van de rechtsstelsels.
60. Hieruit volgt tevens dat een harmonisatiemaatregel niet vereist dat de nationale bepalingen door die van de gemeenschapshandeling worden vervangen. Uiteindelijk leidt de omzetting van een harmonisatierichtlijn weliswaar ook tot wijziging van het tot dan toe niet EG-conforme nationale recht, en daarmee in wezen eveneens tot vervanging van het tot dusver toepasselijke recht, maar om dit aspect gaat het hier niet.
61. Artikel 95 EG staat echter niet alleen de harmonisatie van het nationale recht in engere zin toe, maar ook de zogenoemde uniformisatie van de betrokken sector. Dat zulks mogelijk is, komt omdat artikel 95 EG ten eerste niet alleen als rechtsvorm de richtlijn toestaat, maar ook bijvoorbeeld de verordening, en ten tweede een uniformisatie van het recht alleen gradueel verschilt van de harmonisatie in engere zin. Uniformisatie van het recht heeft immers in wezen ook een onderlinge toenadering van de rechtsstelsels tot gevolg, en wel in haar meest vergaande vorm. Toegepast op de onderhavige procedure zou dit bijvoorbeeld de invoering van een uniform recht inzake coöperaties inhouden.
62. De onderhavige procedure betreft thans de vraag of, en zo ja, onder welke voorwaarden artikel 95 EG ook voor handelingen waarmee bepaalde regels naast het nationale recht worden vastgesteld, en die dit dus aanvullen, een deugdelijke rechtsgrondslag vormt.
63. Daarmee kom ik dus tot de rechtsvraag, of artikel 95 EG ook toestaat dat volstrekt nieuwe rechtsvormen, bijvoorbeeld op het gebied van het vennootschapsrecht, in het leven worden geroepen.
4. Het in het leven roepen van nieuwe rechtsvormen
64. Als eerste stap moet worden nagegaan of artikel 95 EG in beginsel ook als rechtsgrondslag voor het in het leven roepen van een nieuwe rechtsvorm is toegestaan. Aansluitend daarop moet worden onderzocht of de verordening waarmee de rechtsvorm SCE werd ingesteld, op artikel 95 EG kon worden gebaseerd.
a) De toelaatbaarheid van artikel 95 EG als rechtsgrondslag in het algemeen
65. Bij de beantwoording van de vraag of het in het leven roepen van nieuwe rechtsvormen door middel van een op artikel 95 EG gebaseerde handeling kan worden toegestaan dan wel of enkel artikel 308 EG in aanmerking komt, dient van ’s Hofs rechtspraak inzake het in het leven roepen van nieuwe rechten op het gebied van de intellectuele eigendom te worden uitgegaan.
66. Zo heeft het Hof nadrukkelijk geoordeeld dat de Gemeenschap op grond van artikel 308 EG naast de bestaande nationale rechten nieuwe rechten in het leven kan roepen.(15) Dit was het geval met de door verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk(16), in het leven geroepen rechten.
67. Aan de rechtspraak kan nochtans de algemene stelling worden ontleend, dat voor het in het leven roepen van gemeenschapsrechtelijk vastgestelde rechtsinstellingen of rechtsvormen artikel 308 EG als rechtsgrondslag dient te worden gebruikt.
68. Dienovereenkomstig wordt in de doctrine het in het leven roepen van nieuwe rechten op het gebied van de intellectuele eigendom enkel als een mogelijk voorbeeld van het in het leven roepen van gemeenschapsrechtelijk bepaalde nieuwe rechtsvormen aangehaald. Daarnaast wordt in het algemeen(17) de mening gehuldigd dat ook het in het leven roepen van een Europese vennootschapsvorm niet kan geschieden door een handeling die op artikel 95 EG is gebaseerd. Als voorbeeld wordt de Europese Vennootschap (SE) genoemd.(18)
69. Het tegenargument van het Parlement, dat de rechtspraak betrekking heeft op het rechtsgebied van de intellectuele eigendom dat op grond van artikel 295 EG een bijzondere positie inneemt, overtuigt niet.
70. Ten eerste ziet artikel 295 EG niet enkel op rechten op immateriële goederen en ten tweede is dit artikel zelfs op dat gebied van beperkte betekenis.(19) Zo is bijvoorbeeld niet bestreden dat de uitoefening van de intellectuele eigendomsrechten is onderworpen aan het Verdrag, dat wil zeggen aan de andere bepalingen van het primaire recht.
71. In de rechtspraak wordt, wat de toelaatbaarheid van de rechtsgrondslag betreft, geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen enerzijds harmonisatie in de zin van onderlinge aanpassing en anderzijds het in het leven roepen van nieuwe rechtsvormen. Zoals het Parlement terecht stelt, draagt het door de litigieuze verordening in het leven geroepen nieuwe rechtskader bijkomend tot de onderlinge aanpassing bij, en wel doordat de lidstaten deze uniforme gemeenschapsregels in acht nemen.
72. De hiertegen ingaande opvatting(20), dat onder artikel 95 EG toch ook het in het leven roepen van nieuwe rechtsvormen valt, steunt onder meer op het feit dat deze bepaling behalve de handeling richtlijn, ook de handeling verordening toestaat. Een argument tegen deze opvatting is echter, dat uit de toelaatbaarheid van de handeling verordening niet noodzakelijkerwijs kan worden afgeleid dat op grond van deze bepaling ook het in het leven roepen van nieuwe gemeenschapsrechtelijke rechtsvormen toelaatbaar is. Verordeningen zijn immers ook voor het bereiken van andere doelstellingen vereist, zoals bijvoorbeeld voor de vervanging van het nationale recht inzake coöperaties door een eenvormig gemeenschappelijk recht inzake coöperaties, zonder dat een nieuwe gemeenschappelijke rechtsvorm erbij komt.
73. Terwijl het in het leven roepen van nieuwe gemeenschappelijke rechtsvormen die hun plaats naast de nationale innemen, dus niet onder artikel 95 EG valt, is de positie van rechtsvormen die niet onafhankelijk van nationale regelingen gelden(21), respectievelijk van rechten die onafhankelijk van het nationale recht worden beschermd(22), niet zo duidelijk. Met name rijst de vraag waar de grens ligt tussen echt of volledig nieuwe rechtsvormen en die nieuwe rechtsvormen waarvoor ook nationaal recht geldt.
74. Of artikel 95 EG de juiste rechtsgrondslag is, dient dus steeds aan de hand van de concrete handeling onderzocht te worden, in casu aan de hand van de litigieuze verordening. Met name moet daarbij worden nagegaan in welk van beide bovengenoemde categorieën van nieuwe rechtsvormen de SCE moet worden gerangschikt.
b) De beoordeling van de toelaatbaarheid van artikel 95 EG als rechtsgrondslag van de verordening in het bijzonder
75. Wat de beoordeling van de SCE betreft, moet er om te beginnen op worden gewezen dat de kwalificatie en meer bepaald de benaming ervan, niet beslissend kan zijn. Of de SCE daadwerkelijk een „nationale vennootschap met een Europees karakter” is, zoals Commissie en Parlement stellen, kan buiten beschouwing blijven. Overigens heerst in de literatuur eerder de opvatting dat het hier om een Europabrede vennootschapsvorm(23), een Europese rechtsvorm(24), een rechtspersoon naar Europees gemeenschapsrecht(25) of een supranationale ondernemingsstructuur(26) gaat. Maatgevend is dus de regelgevende inhoud van de verordening.
76. Evenals het algemeen onderzoek van de vraag of artikel 95 EG het in het leven roepen van nieuwe rechtsvormen in beginsel toestaat, moet ook het juridisch onderzoek van de bestreden verordening aan de hand van ’s Hofs rechtspraak geschieden.
77. Om de toelaatbaarheid te beoordelen van de rechtsgrondslag van de handeling waardoor een recht in het leven wordt geroepen, was het voor het Hof beslissend dat de „ingevolge de richtlijn te verlenen octrooien [...] nationale octrooien [zijn], die worden verleend volgens de in de lidstaten geldende procedures en die hun beschermende kracht ontlenen aan het nationale recht. Omdat de richtlijn dus niet de invoering van een communautair octrooi tot doel of tot gevolg heeft, voert zij geen nieuw recht in, waarvoor artikel [308 EG] als rechtsgrondslag had moeten worden gebruikt.”(27)
78. Anders dan dat recht, zijn de krachtens de bestreden verordening opgerichte coöperaties echter geen nationale coöperaties, gebaseerd op nationaal recht, maar veeleer coöperaties die op grond van de relevante bepalingen van de verordening in het leven zijn geroepen.
79. De veertiende overweging van de considerans van de verordening geeft in dit verband een waardevolle aanwijzing en legt de nadruk op het „specifiek communautaire karakter” van een SCE.
80. In de twaalfde overweging drukt de gemeenschapswetgever zich nog nauwkeuriger uit en spreekt hij uitdrukkelijk van de „invoering van een Europees statuut voor coöperaties dat gebaseerd is op gemeenschappelijke beginselen, maar waarin rekening is gehouden met hun eigenheid [...]”.
81. Overigens bestrijdt ook het Parlement niet dat de verordening een nieuwe rechtsvorm in het leven roept. Er moet dus nader onderzocht worden welke argumenten voor het gebruik van artikel 95 EG als rechtsgrondslag pleiten, ondanks het feit dat de SCE als een nieuwe rechtsvorm wordt aangemerkt.
c) Argumenten voor een beroep op artikel 95 EG
82. Een argument dat artikel 95 EG toch als rechtsgrondslag zou moeten worden gebruikt, zou kunnen zijn dat de verordening niet een volledig rechtskader bevat of, om met het Parlement te spreken, dat een SCE enkel samen met het nationale recht kan bestaan.
83. De SCE’s staan weliswaar los van de coöperaties naar nationaal recht, maar dit is hooguit formeel het geval. Materieel is dit niet zo duidelijk, omdat voor een SCE ook bepalingen van het nationale recht inzake coöperaties gelden.
84. De verordening verwijst namelijk op verschillende plaatsen naar nationaal recht, dat zij ruimschoots op een SCE van toepassing verklaart(28), bijvoorbeeld wat de inschrijving in een register (artikel 11), de bekendmaking van de akten (artikel 12) en de fusie (artikel 28) betreft.
85. Het is dus juist, dat de verordening op vele punten aan nationaal recht refereert. De verordening bevat echter een uitdrukkelijke bepaling die onmiskenbaar de rangorde van het toepasselijk recht vaststelt. Artikel 8 bepaalt duidelijk dat de verordening voorrang heeft.(29)
86. Essentiële onderdelen van de verordening bevatten inderdaad echte nova. Dit geldt in de eerste plaats voor de bepalingen inzake de oprichting van een SCE, en meer in het bijzonder de oprichting ex nihilo, dat wil zeggen de oprichting van een nieuwe SCE zonder fusie of omzetting van bestaande rechtspersonen.(30)
87. De nieuwe rechtsvorm SCE werd dus door de litigieuze verordening in het leven geroepen. Raad en Parlement zijn het erover eens dat de verordening aldus naast de nationale structuren een parallelle gemeenschapsstructuur heeft ingevoerd.
88. In het bijzonder artikel 9 maakt duidelijk dat de SCE een plaats inneemt naast de nationale rechtsvormen van de coöperatie. Volgens dit artikel dient een SCE in iedere lidstaat behandeld te worden als een coöperatie die is opgericht overeenkomstig het recht van de lidstaat waar de SCE haar statutaire zetel heeft.
89. De bepalingen van de verordening vullen dus die van het nationale recht aan. Daarom moeten de SCE’s, ondanks het feit dat nu en dan naar nationaal recht wordt verwezen, als een echt nieuw organisme worden beschouwd. Dit leidt er echter toe dat artikel 95 als rechtsgrondslag niet voldoende is.(31)
90. Ik moet ten slotte nog beklemtonen dat het nationale recht inzake coöperaties niet door de verordening wordt aangetast. De rechtsvorm SCE vervangt juist niet de rechtsvormen van het nationale recht inzake coöperaties, maar verschilt ervan en vult het aan.(32)
91. Verder is in de onderhavige procedure het argument gebruikt, dat artikel 95 enkel de vaststelling van die handelingen toestaat, welke ook een lidstaat zou kunnen vaststellen. In de doctrine is ook, in verschillende vormen, een dergelijke motivering te vinden.(33)
92. Het Parlement is onder meer de mening toegedaan dat harmonisatie ook kan bestaan in de opheffing van belemmeringen die door de beperkte territoriale werking van het recht van de lidstaten afzonderlijk worden veroorzaakt. Het Parlement tracht hiermee te motiveren dat artikel 95 EG ook het in het leven roepen van nieuwe gemeenschapsbrede structuren toestaat.
93. Ik deel de opvatting van het Parlement, dat het wegnemen van de belemmeringen die het gevolg zijn van de beperkte territoriale werking van het nationale recht, door maatregelen van een enkele lidstaat per definitie niet mogelijk is.
94. Voor alle duidelijkheid wijs ik erop, dat het er natuurlijk niet om kan gaan dat een enkele lidstaat een handeling met dezelfde inhoud en dezelfde werking kan vaststellen. Van beslissende betekenis is veeleer de verdeling van de bevoegdheden, hetgeen beantwoordt aan de grondgedachte van de rangschikking van de bevoegdheid tot harmonisatie als een concurrerende bevoegdheid.
95. Om misverstanden te voorkomen is het beter te spreken van bevoegdheid voor bepaalde aangelegenheden(34) of voor een bepaalde sector(35) dan van bevoegdheid tot vaststelling van maatregelen met dezelfde inhoud. In de onderhavige procedure zou het echter niet gaan om de bevoegdheid om rechtsregels inzake coöperaties vast te stellen, maar meer concreet om de bevoegdheid om een gemeenschapsbrede rechtsvorm op het gebied van het recht inzake coöperaties in het leven te roepen.
96. Het Parlement komt met het argument, dat artikel 95 EG het in het leven roepen van nieuwe structuren toestaat, indien daarmee belemmeringen worden weggenomen die voortkomen uit de beperkte territoriale werking van het nationale recht. Hier is tegen in te brengen dat het weliswaar juist is dat artikel 95 EG ook het wegnemen van de geografische grenzen van het recht van de lidstaten toestaat, maar dat daar niet uit volgt dat artikel 95 EG zich ook uitstrekt tot alle juridische maatregelen, bijvoorbeeld verordeningen van om het even welke inhoud, waardoor dergelijke grenzen kunnen worden overschreden. Juist met betrekking tot het in het leven roepen van gemeenschapsbrede structuren is dit geenszins aangetoond.(36) Integendeel, het in het leven roepen van dergelijke structuren, zoals de SCE, is in wezen het in het leven roepen van iets nieuws. Dat is het wezenlijke kenmerk van de verordening inzake de SCE. Het ermee nagestreefde doel is secundair.
97. Dat bepaalde resultaten enkel door het in het leven roepen van gemeenschapsbrede structuren kunnen worden bereikt, wordt hier niet betwijfeld. Dat betekent echter niet dat maatregelen waarmee dergelijke resultaten worden beoogd, op artikel 95 EG kunnen worden gebaseerd. De uitlegging van deze rechtsgrondslag en dus ook de toelaatbaarheid ervan mogen niet alleen afhangen van de omstandigheid dat een handeling zomaar een of ander harmonisatiedoel nastreeft. Daarenboven is het onjuist, uit dit doel af te leiden dat daarmee automatisch ieder middel, dat wil zeggen iedere maatregel die dit doel nastreeft, op deze rechtsgrondslag is toegestaan.
98. Artikel 95 EG, en ik wijs hier nogmaals op, is slechts één van de rechtsgrondslagen waarmee harmonisatiedoeleinden kunnen worden nagestreefd. Dat gemeenschapsbrede structuren enkel door gemeenschapsrecht in het leven kunnen worden geroepen, betekent nog niet dat daarmee onmiddellijk een bepaalde rechtsgrondslag, namelijk artikel 95 EG, in aanmerking komt. Bepaalde doelstellingen, zoals bijvoorbeeld het in het leven roepen van nieuwe gemeenschappelijke rechtsvormen, kunnen nu eenmaal enkel met artikel 308 EG worden bereikt.
C – Conclusie
99. Aangezien de litigieuze verordening niet op artikel 95 EG kan worden gebaseerd en de voorwaarden voor de toepassing van artikel 308 EG zijn vervuld, is artikel 308 EG de juiste rechtsgrondslag.
VI – Handhaving van de gevolgen
100. Aangezien de verordening naar mijn mening dus niet nietig moet worden verklaard, behoeft niet te worden ingegaan op de vraag van de handhaving van de gevolgen ervan.
VII – Kosten
101. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien het Parlement in het ongelijk is gesteld, moet het worden verwezen in de kosten. Overeenkomstig artikel 69, lid 4 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof dragen het Koninkrijk Spanje, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Commissie van de Europese Gemeenschappen als interveniënten hun eigen kosten.
VIII – Conclusie
102. Op grond van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging:
1) het beroep van het Parlement ongegrond te verklaren;
2) het Parlement in de kosten te verwijzen;
3) het Koninkrijk Spanje, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Commissie van de Europese Gemeenschappen ieder hun eigen kosten te laten dragen.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – PB L 207, blz. 1.
3 – COM(91) 273 def. (PB 1992, C 99, blz. 14).
4 – COM(93) 252 def. (PB 1993, C 236, blz. 17).
5 – COM(93) 570 def. alsmede SEC(99) 581 def.
6 – Arresten van 26 maart 1987, Commissie/Raad (45/86, Jurispr. blz. 1493, punt 11), en 11 juni 1991, Commissie/Raad (C‑300/89, Jurispr. blz. I‑2867, punt 10).
7 – Arresten van 26 maart 1987, Commissie/Raad (aangehaald in voetnoot 6, punt 13); 7 juli 1992, Parlement/Raad (C‑295/90, Jurispr. blz. I‑4193, punt 11); 13 juli 1995, Spanje/Raad (C‑350/92, Jurispr. blz. I‑1985, punt 26), en 10 juli 2003, Commissie/EIB (C‑15/00, Jurispr. blz. I‑7281).
8 – Arresten van 4 oktober 1991, Parlement/Raad (C-70/88, Jurispr. blz. I‑4529, punt 17), en 17 maart 1993, Commissie/Raad (C-155/91, Jurispr. blz. I‑939, punt 19).
9 – Deckert/Lilienthal, „Die Rechtsetzungskompetenzen der EG im Privatrecht”, Europäisches Wirtschafts- & Steuerrecht 1999, blz. 121 (123 e.v.); Troberg/Tiedje, punt 27 zu Artikel 44; anders: Trüe, Das System der Rechtsetzungskompetenzen der Europäischen Gemeinschaft und der Europäischen Union, 2002, blz. 231 e.v.
10 – Arrest van 10 december 2002, British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco (C‑491/01, Jurispr. blz. I‑11453, punt 60).
11 – Arresten British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco, aangehaald in voetnoot 10, punt 60, en 14 december 2004, Swedish Match (C-210/03, Jurispr. blz. I-11891).
12 – Wahlers, „Art. 100a EWGV – Unzulässige Rechtsgrundlage für den geänderten Vorschlag einer Verordnung über das Statut der Europäischen Aktiengesellschaft?”, Aktiengesellschaft 1990, blz. 448 (451).
13 – Trüe (aangehaald in voetnoot 9), blz. 205 en 208. Zie ook arrest van 22 juni 1994, IHT Internationale Heiztechnik en Danzinger (C-9/93, Jurispr. blz. I-2789, punt 58).
14 – Arrest Spanje/Raad (aangehaald in voetnoot 7, punt 35); arrest van 5 oktober 2000, Duitsland/Parlement en Raad (C-376/98, Jurispr. blz. I‑8419, punt 86); arrest van 9 oktober 2001, Nederland/Parlement en Raad (C-377/98, Jurispr. blz. I‑7079, punt 15), en arrest British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco (aangehaald in voetnoot 10, punt 61).
15 – Advies 1/94 van 15 november 1994 (Jurispr. blz. I‑5267, punt 59), en arresten Spanje/Raad (aangehaald in voetnoot 7, punten 23 en 27), en Nederland/Parlement en Raad (aangehaald in voetnoot 14, punt 24).
16 – PB L 11, blz. 1.
17 – Dashwood, „The Limits of European Community Powers”, European Law Review 1996, blz. 113 (120); Müller-Graff, „Die Rechtsangleichung zur Verwirklichung des Binnenmarktes”, Europarecht 1989, blz. 107 (129); zie ook Tietje, in: Grabitz/Hilf, Kommentar, „Art. 95 EGV”, punt 52.
18 – Herrnfeld, Schwarze (ed.), EU-Kommentar, „Artikel 95 EGV”, punt 23; Schwartz, „30 Jahre EG-Rechtsangleichung”, in: Eine Ordnungspolitik für Europa, Festschrift von der Groeben, 1987, blz. 330 (365); Tietje (aangehaald in voetnoot 17, punt 52).
19 – Arrest van 20 oktober 1993, Phil Collins e.a. (C‑92/92 en C‑326/92, Jurispr. blz. I‑5145).
20 – Zie Pipkorn/Bardenhewer-Rating/Taschner, von der Groeben/Schwarze (ed.), EU‑/EG-Vertrag Kommentar, zesde druk, „Artikel 95 EG”, punt 41, alsmede Leible, Streinz/Ohler/Burgi (ed.), EUV/EGV: Vertrag über die Europäische Union und Vertrag zur Gründung der Europäischen Gemeinschaft, 2003, „Art. 95 EGV”, punt 29, die de opvatting van de Commissie vertegenwoordigen. Zie Trüe (aangehaald in voetnoot 9), blz. 268, die echter voor bepaalde aspecten, met name de aanvulling door nationaal recht, aan artikel 44 EG de voorkeur geeft.
21 – Zie Ehlermann, „The Internal Market Following the Single European Act”, Common Market Law Review 1987, blz. 361 (385).
22 – Arnull/Dashwood/Ross/Wyatt, European Union Law, vierde druk, 2000, blz. 521.
23 – Snaith, „Das anwendbare Recht”, in: Reiner Schulze (ed.), Europäische Genossenschaft, 2004, blz. 25.
24 – Reiner Schulze, „Einführung: Die Verordnung über das Statut der Europäischen Genossenschaft (SCE)”, in: Reiner Schulze (ed.), Europäische Genossenschaft, 2004, blz. 1 (2); Wahlers (aangehaald in voetnoot 12, blz. 451).
25 – Schulze (aangehaald in voetnoot 24, blz. 4).
26 – Snaith (aangehaald in voetnoot 23), blz. 19 (38).
27 – Arrest Nederland/Parlement en Raad, aangehaald in voetnoot 14, punt 25.
28 – Snaith, aangehaald in voetnoot 23, blz. 40 e.v.
29 – Snaith, aangehaald in voetnoot 23, blz. 19, wijst hier ook op.
30 – Parléani, „Le règlement relatif à la société coopérative européenne, et la subtile articulation du droit communautaire et des droits nationaux”, Revue des sociétés 2004, blz. 74 (87).
31 – Zie hierover Wahlers, aangehaald in voetnoot 12, blz. 454.
32 – Schulze, aangehaald in voetnoot 24, blz. 1.
33 – Dashwood, aangehaald in voetnoot 17, blz. 120; Deckert/Lilienthal, aangehaald in voetnoot 9, blz. 128; Müller-Graff, aangehaald in voetnoot 17, blz. 129; Wahlers, aangehaald in voetnoot 12, blz. 453; Arnull/Dashwood/Ross/Wyatt, aangehaald in voetnoot 22, blz. 521.
Zie daarentegen de auteurs die bij de Commissie werkzaam zijn of waren: Pipkorn/Bardenhewer-Rating/Taschner (aangehaald in voetnoot 20), punt 40.
34 – Dashwood, aangehaald in voetnoot 17, blz. 120.
35 – Trüe, aangehaald in voetnoot 9, blz. 217, die echter dit criterium in beginsel niet geschikt acht.
36 – In die zin Pipkorn/Bardenhewer-Rating/Taschner, aangehaald in voetnoot 20, punt 40, en Leible, aangehaald in voetnoot 20, punt 29, met betrekking tot intellectuele eigendomsrechten.
Anders: Herrnfeld, aangehaald in voetnoot 18, punt 22.
Full & Egal Universal Law Academy