CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. TIZZANO
van 17 maart 2005 (1)
Zaak C‑437/03
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Republiek Oostenrijk
„Richtlijn 78/686 – Richtlijn 78/687 – Uitoefening van werkzaamheden van beoefenaar van tandheelkunde – Beperking tot beroepsbeoefenaren met tandheelkundige opleiding op universitair niveau – Afwijking – Voorwaarden”
1. In de onderhavige zaak verwijt de Commissie van de Europese Gemeenschappen de Oostenrijkse Republiek, dat zij de bepalingen heeft geschonden van richtlijn 78/686/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de onderlinge erkenning van de diploma’s, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (hierna: „erkenningsrichtlijn”)(2), en richtlijn 78/687/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde (hierna: „coördinatierichtlijn”)(3), namelijk de bepalingen die de uitoefening van de werkzaamheden van beoefenaar van de tandheelkunde voorbehouden aan beroepsbeoefenaren met een specifieke tandheelkundige opleiding, en regelen wanneer en onder welke voorwaarden deze werkzaamheden bij wijze van uitzondering ook kunnen worden uitgeoefend door beroepsbeoefenaren met een medische opleiding.
I – Juridisch kader
A – De communautaire regelgeving
2. In de loop van de jaren heeft de Raad, ter bevordering van het vrije verkeer van beroepsbeoefenaren, voor bepaalde werkzaamheden twee parallelle richtlijnen vastgesteld: een ter coördinatie van de opleidingseisen die in de afzonderlijke lidstaten gelden voor de toegang tot de uitoefening van de betrokken werkzaamheden, en een ter reglementering van de onderlinge erkenning van de diploma’s die ter afsluiting van deze opleiding worden uitgereikt.
3. Voorzover in casu van belang, dienen met name de twee richtlijnen betreffende de werkzaamheden van beoefenaar van de tandheelkunde te worden aangehaald, te weten de richtlijnen 78/686 en 78/687.
De coördinatierichtlijn
4. Artikel 1 van de coördinatierichtlijn bepaalt:
„„1. De lidstaten stellen de toegang tot de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde, die worden uitgeoefend onder de in artikel 1 van [de erkenningsrichtlijn] bedoelde titels, en de uitoefening ervan afhankelijk van het bezit van een diploma, certificaat of andere titel als bedoeld in de bijlage A bij dezelfde richtlijn, waardoor wordt gewaarborgd dat de betrokkene gedurende zijn totale opleidingstijd [specifieke kennis heeft verworven.]
[...]
Deze opleiding moet hem de nodige kundigheden verschaffen voor alle werkzaamheden verband houdende met het voorkomen, de diagnose en de behandeling van afwijkingen en ziekten van tanden, mond, kaken en omliggende weefsels.
2. Deze tandheelkundige opleiding omvat in totaal ten minste vijf studiejaren full-time theoretisch en praktisch onderwijs in de in de bijlage genoemde vakken aan een universiteit, aan een hoger instituut van een als gelijkwaardig erkend niveau of onder toezicht van een universiteit.”
5. Artikel 2, lid 1, bepaalt:
„De lidstaten dragen er zorg voor dat de opleiding voor het behalen van een diploma, certificaat of andere titel van specialist in de tandheelkunde ten minste aan de volgende voorwaarden voldoet:
a) in het kader van de in artikel 1 bedoelde opleidingscyclus zijn met goed gevolg vijf studiejaren full-time theoretisch en praktisch onderwijs afgesloten [...]”.
6. Tot slot luidt artikel 6, eerste alinea, als volgt:
„Er wordt van uitgegaan dat door de begunstigden van artikel 19, 19 bis en 19 ter van [de erkenningsrichtlijn] aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, sub a, is voldaan.”
De erkenningsrichtlijn
7. Artikel 1 van de erkenningsrichtlijn bepaalt:
„Deze richtlijn is van toepassing op de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde zoals deze zijn omschreven in artikel 5 van [de coördinatierichtlijn] en die worden uitgeoefend onder de volgende titels:
[...]
in Oostenrijk:
het diploma dat Oostenrijk uiterlijk op 31 december 1998 aan de lidstaten en de Commissie zal meedelen;
[...]”
8. Artikel 2 bepaalt voorts:
„Elke lidstaat erkent de door de overige lidstaten aan de onderdanen van de lidstaten overeenkomstig artikel 1 van [de coördinatierichtlijn] afgegeven en in bijlage A bij deze richtlijn vermelde diploma’s, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde door daaraan, met betrekking tot de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde, op zijn grondgebied hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de door hemzelf uitgereikte diploma’s, certificaten en andere titels.”
9. Volgens artikel 19 ter, dat in casu van bijzonder belang is:
„Vanaf het tijdstip waarop Oostenrijk de noodzakelijke maatregelen treft om aan deze richtlijn te voldoen, erkennen de staten waarop deze richtlijn van toepassing is, voor de uitoefening van de werkzaamheden bedoeld in artikel 1 van deze richtlijn, de diploma’s, certificaten en andere titels van arts die in Oostenrijk zijn uitgereikt aan personen die vóór 1 januari 1994 een begin hebben gemaakt met hun universitaire opleiding en die vergezeld gaan van een door de bevoegde Oostenrijkse autoriteiten afgegeven attest waaruit blijkt dat deze personen zich gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren tijdens de vijf jaar voorafgaande aan de afgifte van het attest in Oostenrijk daadwerkelijk, op regelmatige wijze en als hoofdbezigheid hebben gewijd aan de in artikel 5 van [de coördinatierichtlijn] bedoelde werkzaamheden, en dat deze personen deze werkzaamheden mogen uitoefenen onder dezelfde voorwaarden als de houders van het diploma, het certificaat of de titel, bedoeld in bijlage A.
Van de in de eerste alinea gestelde eis van drie jaar praktijkervaring zijn vrijgesteld personen die met goed gevolg studies van ten minste drie jaar hebben gevolgd welke door de bevoegde autoriteiten zijn erkend als gelijkwaardig aan de in artikel 1 van [de coördinatierichtlijn] bedoelde opleiding.”
10. Tot slot somt bijlage A de diploma’s, certificaten en andere titels van beoefenaren van de tandheelkunde op die door de lidstaten worden afgegeven.
B – De nationale regelgeving
11. Vóór de toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Europese Unie konden de werkzaamheden van beoefenaren van de tandheelkunde worden uitgeoefend door twee categorieën beroepsbeoefenaren. Geen van beide categorieën had een tandheelkundige opleiding op universitair niveau genoten:
– de „Dentisten”, die een driejarige opleiding aan een niet-universitair instituut hadden genoten (sinds 31 december 1975 bestaat deze opleiding niet meer), en
– de „Fachärzte für Zahn‑, Mund- und Kieferheilkunde” (specialisten in de tandheelkunde; hierna: „Fachärzte”), die een universitaire opleiding geneeskunde hadden genoten, aangevuld met een specialisatie in de tandheelkunde.
12. Om te voldoen aan de coördinatie‑ en de erkenningsrichtlijn heeft de Oostenrijkse Republiek na de toetreding drie maatregelen vastgesteld (het Ärztegesetz 1998(4), de Novelle zum Dentistengesetz(5) en de EWR-ÄrzteQualifikationsnachweisverordnung(6)), waarbij haar wettelijke regeling op dit gebied volledig is hervormd.
13. Bij deze maatregelen is onder meer het beroep van „Zahnarzt” (beoefenaar van de tandheelkunde) ingevoerd. Overeenkomstig artikel 1 van de coördinatierichtlijn heeft de „Zahnarzt” toegang tot het beroep en de uitoefening daarvan na een universitaire opleiding op het specifieke gebied van de tandheelkunde te hebben gevolgd.
14. Verder is voor de reeds bestaande beroepen de volgende regeling getroffen:
– de nog praktiserende „Dentisten” kunnen hun beroepsorde om afgifte van het in artikel 19 ter van de erkenningsrichtlijn bedoelde attest verzoeken en aldus hun werkzaamheden voortzetten, met dien verstande dat zij hun beroep onder de titel „Zahnarzt” of „Zahnarzt (Dentist)” uitoefenen (§§ 4, lid 3, en 6 van de Novelle zum Dentistengesetz);
– de „Fachärzte” daarentegen blijven hun werkzaamheden onder hun eigen titel uitoefenen (§§ 17 en 23 van het Ärztegesetz).
15. Overeenkomstig de gewijzigde regelgeving heeft de Oostenrijkse Republiek de Commissie op 29 juli 1999 krachtens artikel 1 van de erkenningsrichtlijn meegedeeld, dat de werkzaamheden van beoefenaren van de tandheelkunde op haar grondgebied worden uitgeoefend onder de titels „Zahnarzt”, „Zahnarzt (Dentist)” en „Facharzt”.
16. Na deze mededeling heeft de Oostenrijkse Republiek de toepasselijke wetgeving opnieuw gewijzigd, in die zin dat „Fachärzte” hun beroep voortaan naar keuze kunnen uitoefenen onder hetzij deze titel, hetzij de titel „Zahnarzt” (§ 43, lid 7, van het Ärztegesetz, zoals gewijzigd bij de Ärztegesetz-Novelle)(7).
II – Feiten en procesverloop
17. Nadat de Commissie voornoemde bepalingen had onderzocht, heeft zij haar twijfel geuit omtrent de verenigbaarheid ervan met de erkennings‑ en de coördinatierichtlijn. Op 24 juli 2000 heeft zij de Oostenrijkse Republiek dan ook een aanmaningsbrief gezonden.
18. Op 18 juli 2001 is deze brief gevolgd door een met redenen omkleed advies waarin de Commissie deze lidstaat heeft verzocht, binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving ervan de nodige maatregelen te nemen om aan dit advies te voldoen.
19. Aangezien de Commissie de verstrekte toelichting en antwoorden niet bevredigend achtte, heeft zij in haar verzoekschrift van 16 oktober 2003 geconcludeerd, dat het het Hof behage:
1) vast te stellen dat de Republiek Oostenrijk de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 1, 2 en 19 ter van de erkenningsrichtlijn en artikel 1 van de coördinatierichtlijn door de in de §§ 6 en 4, lid 3, van het Dentistengesetz genoemde „Dentisten” toe te staan hun werkzaamheden uit te oefenen onder de titel „Zahnarzt” of „Zahnarzt (Dentist)” en gebruik te maken van de uitzonderingsregel van artikel 19 ter van de erkenningsrichtlijn, hoewel zij niet voldoen aan de minimumvoorwaarden van artikel 1 van de coördinatierichtlijn om onder de regeling van de erkenningsrichtlijn en de coördinatierichtlijn te vallen;
2) vast te stellen dat de Republiek Oostenrijk de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 1 en 19 ter van de erkenningsrichtlijn, door krachtens de §§ 17 en 23 van het Ärztegesetz „Fachärzte für Zahn‑, Mund- und Kieferheilkunde” toe te staan om in strijd met artikel 19 ter van de erkenningsrichtlijn hun werkzaamheden te blijven uitoefenen onder de titel „Fachärzte für Zahn‑, Mund- und Kieferheilkunde”, hoewel de gelijkstelling van deze Fachärzte met Zahnärzte onjuist is voorzover deze Fachärzte hun werkzaamheden mogen uitoefenen onder dezelfde voorwaarden als de houders van de in bijlage A bedoelde diploma’s, certificaten of andere titels (Zahnärzte).(8)
III – Juridische analyse
A – Inleiding
20. Alvorens de twee door de Commissie jegens de Oostenrijkse Republiek geuite grieven te onderzoeken, lijkt het mij noodzakelijk de reikwijdte te preciseren van de krachtens de betrokken richtlijnen op de lidstaten rustende verplichtingen, inzonderheid wat de beperking van de werkzaamheden van beoefenaren van de tandheelkunde tot bepaalde beroepsbeoefenaren betreft.
21. Op grond van artikel 1 van de coördinatierichtlijn dienen de lidstaten deze werkzaamheden voor te behouden aan personen die in het bezit zijn van een titel verworven na een tandheelkundige opleiding van universitair niveau, welke voldoet aan de minimumeisen van deze richtlijn.
22. Aangezien de werkzaamheden van beoefenaren van de tandheelkunde vóór de vaststelling van de richtlijn (of vóór de toetreding tot de Unie) werden uitgeoefend door artsen die niet over een dergelijke specifieke opleiding beschikten, heeft de gemeenschapswetgever in de artikelen 19, 19 bis en 19 ter van de erkenningsrichtlijn (waarnaar artikel 6, lid 1, van de coördinatierichtlijn verwijst) specifieke uitzonderingsbepalingen ten gunste van deze artsen opgenomen. Dergelijke bepalingen zijn onder meer opgenomen voor de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk Spanje en ook de Oostenrijkse Republiek.(9)
23. Deze bepalingen stellen artsen die reeds werkzaam waren als beoefenaar van de tandheelkunde, gelijk met beroepsbeoefenaren die de nieuwe opleiding hebben gevolgd, zodat zij, met inachtneming van de voorwaarden van voornoemde richtlijn, hun werkzaamheden kunnen blijven uitoefenen in hun staat van herkomst en hun titel in de andere lidstaten kunnen doen erkennen.
24. Er is dus duidelijk sprake van een regeling die afwijkt van de algemene bepalingen van de coördinatierichtlijn met betrekking tot de beroepseisen. Als zodanig moet deze regeling overeenkomstig de vaste beginselen op dit gebied strikt worden uitgelegd.(10)
25. Dit betekent, voorzover hier van belang, dat andere beroepsbeoefenaren dan die welke in de communautaire richtlijnen – met name in artikel 1 van de coördinatierichtlijn en in de speciale bepalingen die daarvan uitdrukkelijk afwijken – worden genoemd, niet kunnen worden toegelaten tot de uitoefening van de werkzaamheden van beoefenaar van de tandheelkunde.
26. Overigens heeft het Hof juist op grond van deze zelfde beginselen in zijn arrest van 1 juni 1995, Commissie/Italië(11), gepreciseerd dat de betrokken regeling niet kan worden uitgebreid tot andere categorieën personen met het doel, deze tot de uitoefening van de betrokken werkzaamheden toe te laten, zelfs niet indien de uitoefening beperkt blijft tot het nationale grondgebied. Het Hof heeft namelijk aan de Italiaanse Republiek, die de afwijking juist tot dit laatste geval wilde uitbreiden(12), geantwoord dat het de lidstaten niet vrij staat „om een categorie van beoefenaars der tandheelkunde in het leven te roepen, die met geen enkele door de betrokken richtlijnen voorziene categorie overeenkomt” en die dus niet past binnen het door deze richtlijnen beoogde stelsel.(13)
27. Na opheldering van dit vraagstuk, dat eventueel twijfel had kunnen oproepen, is er geen echt geschilpunt meer dat partijen in het onderhavige geding verdeeld houdt, omdat de Oostenrijkse Republiek zelf toegeeft, zoals we hieronder zullen zien, dat de grieven van de Commissie terecht zijn.
28. Zoals ik reeds heb uiteengezet, betreffen deze grieven de uitlegging van een van de afwijkingsbepalingen van de hiervoor genoemde richtlijn en met name artikel 19 ter daarvan, dat luidt:
„Vanaf het tijdstip waarop Oostenrijk de noodzakelijke maatregelen treft om aan deze richtlijn te voldoen, erkennen de staten waarop deze richtlijn van toepassing is, voor de uitoefening van de werkzaamheden bedoeld in artikel 1 van deze richtlijn, de diploma’s, certificaten en andere titels van arts die in Oostenrijk zijn uitgereikt aan personen die vóór 1 januari 1994 een begin hebben gemaakt met hun universitaire opleiding en die vergezeld gaan van een door de bevoegde Oostenrijkse autoriteiten afgegeven attest waaruit blijkt dat deze personen zich gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren tijdens de vijf jaar voorafgaande aan de afgifte van het attest in Oostenrijk daadwerkelijk, op regelmatige wijze en als hoofdbezigheid hebben gewijd aan de in artikel 5 van [de coördinatierichtlijn] bedoelde werkzaamheden, en dat deze personen deze werkzaamheden mogen uitoefenen onder dezelfde voorwaarden als de houders van het diploma, het certificaat of de titel, bedoeld in bijlage A.
Van de in de eerste alinea gestelde eis van drie jaar praktijkervaring zijn vrijgesteld personen die met goed gevolg studies van ten minste drie jaar hebben gevolgd welke door de bevoegde autoriteiten zijn erkend als gelijkwaardig aan de in artikel 1 van [de coördinatierichtlijn] bedoelde opleiding.”(14)
B – De eerste grief, betreffende de „Dentisten”
29. Met haar eerste grief verwijt de Commissie de Oostenrijkse Republiek dat zij „Dentisten” op ongeoorloofde wijze heeft toegestaan, de werkzaamheden van beoefenaar van de tandheelkunde te blijven uitoefenen onder de titel van „Zahnarzt” of „Zahnarzt (Dentist)”.
30. In dit verband heeft de Commissie terecht opgemerkt, dat de nog praktiserende „Dentisten” geen universitaire opleiding hebben gevolgd en dus niet voldoen aan de minimum opleidingseisen van artikel 1 van de coördinatierichtlijn; voorts zijn zij niet in het bezit van een artsendiploma en kunnen zij zich dus niet beroepen op de afwijkingsregeling van artikel 19 ter van de erkenningsrichtlijn.
31. Door „Dentisten” toe te staan hun werkzaamheden te blijven uitoefenen, heeft de Oostenrijkse Republiek derhalve in haar rechtsstelsel „een categorie van beoefenaars der tandheelkunde [gehandhaafd] die met geen enkele door de betrokken richtlijnen voorziene categorie overeenkomt” en die daarmee dus onverenigbaar is.
32. De Oostenrijkse Republiek heeft de juistheid van deze argumenten erkend.
33. Om deze redenen ben ik, gelet op hetgeen hiervoor in de punten 25 en 26 is uiteengezet, van mening dat de eerste grief van de Commissie dient te worden aanvaard.
C – De tweede grief, betreffende de „Fachärzte”
34. Met haar tweede grief verwijt de Commissie de Oostenrijkse Republiek dat zij „Fachärzte”, die onder de afwijkingsbepaling van artikel 19 ter vallen, op ongeoorloofde wijze heeft toegestaan, de werkzaamheden van beoefenaar van de tandheelkunde te blijven uitoefenen onder hun eigen titel en onder de titel „Zahnarzt”.
35. Ik onderschrijf het standpunt van de Commissie dat de gegrondheid van deze grief voortvloeit uit een letterlijke en teleologische uitlegging van artikel 19 ter, zoals ook de Oostenrijkse Republiek zelf heeft erkend.
36. Wat de letter van de bepaling aangaat, herinner ik eraan dat de Oostenrijkse Republiek op grond van deze bepaling een attest aan „Fachärzte” moet afgeven om hen in staat te stellen de werkzaamheden van beoefenaar van de tandheelkunde uit te oefenen en erkenning van hun titel in de andere lidstaten te verkrijgen; uit dit attest moet onder meer blijken dat deze personen „deze werkzaamheden mogen uitoefenen onder dezelfde voorwaarden als de houders van het diploma, het certificaat of de titel, bedoeld in bijlage A”, dat wil zeggen de houders van diploma’s die getuigen van de succesvolle afronding van de in de coördinatierichtlijn genoemde tandheelkundige opleiding (dus de „Zahnärzte”).
37. Om de inachtneming van dit vereiste te kunnen verzekeren en dus een attest te kunnen afgeven dat strookt met de waarheid, moet de Oostenrijkse wetgeving aan „Fachärzte” en „Zahnärzte” „dezelfde voorwaarden” voor de uitoefening van de werkzaamheden van beoefenaar van de tandheelkunde opleggen; het staat buiten kijf dat hiertoe ook de titel waaronder deze werkzaamheden worden uitgeoefend, behoort.
38. Bovendien heeft de Commissie terecht opgemerkt, dat het vereiste van één enkele titel niet alleen voortvloeit uit de tekst van artikel 19 ter, maar ook strookt met het doel dat door de betrokken richtlijnen wordt nagestreefd, namelijk het invoeren van „een duidelijke scheiding van het beroep van beoefenaar der tandheelkunde en dat van arts”(15).
39. Alle Oostenrijkse beoefenaren van de tandheelkunde dienen dus één en dezelfde titel te voeren (die van „Zahnarzt”-beoefenaar van de tandheelkunde), welke, in tegenstelling tot het begrip „Facharzt” (specialist in de tandheelkunde), geen enkele verwijzing naar de artsenpraktijk bevat en dus een duidelijk en direct onderscheid mogelijk maakt ten opzichte van degenen die laatstgenoemde werkzaamheden uitoefenen.
40. Gelet op de voorgaande overwegingen dient mijns inziens ook de tweede grief van de Commissie te worden aanvaard.
IV – Kosten
41. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Republiek Oostenrijk in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
V – Conclusie
42. Gelet op de voorgaande elementen geef ik het Hof in overweging:
„1) Vast te stellen dat de Republiek Oostenrijk, door de in de §§ 6 en 4, lid 3, van het Dentistengesetz genoemde „Dentisten” toe te staan hun werkzaamheden uit te oefenen onder de titel „Zahnarzt” of „Zahnarzt (Dentist)” en gebruik te maken van de uitzonderingsregel van artikel 19 ter van richtlijn 78/686/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de onderlinge erkenning van de diploma’s, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, hoewel zij niet voldoen aan de minimumvoorwaarden van artikel 1 van richtlijn 78/687/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde, om onder de regeling van deze richtlijnen te vallen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 1 en 19 ter van richtlijn 78/686 en artikel 1 van richtlijn 78/687;
2) vast te stellen dat de Republiek Oostenrijk, door krachtens de §§ 17 en 23 van het Ärztegesetz „Fachärzte für Zahn‑, Mund- und Kieferheilkunde” toe te staan om hun werkzaamheden te blijven uitoefenen onder deze titel, hoewel de gelijkstelling van deze Fachärzte met Zahnärzte onjuist is voorzover deze Fachärzte hun werkzaamheden mogen uitoefenen onder dezelfde voorwaarden als de houders van de in bijlage A bedoelde diploma’s, certificaten of andere titels (Zahnärzte), de krachtens artikel 19 ter van richtlijn 78/686 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
3) te verstaan dat de Republiek Oostenrijk in de kosten wordt verwezen.”
1 – Oorspronkelijke taal: Italiaans.
2 PB L 233, blz. 1. De erkenningsrichtlijn is gewijzigd bij richtlijn 89/594/EEG van de Raad van 30 oktober 1989 (PB L 341, blz. 19), richtlijn 90/658/EEG van de Raad van 4 december 1990 houdende aanpassing, in verband met de Duitse eenwording, van bepaalde richtlijnen inzake de onderlinge erkenning van diploma’s (PB L 353, blz. 73), richtlijn 2001/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2001 (PB L 206, blz. 1), de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Helleense Republiek en de aanpassingen van de Verdragen (PB 1979, L 291, blz. 17), de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (PB 1985, L 302, blz. 23) en de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 1994, C 241, blz. 21 en PB 1995, L 1, blz. 1).
3 PB L 233, blz. 10. De coördinatierichtlijn is op haar beurt gewijzigd bij richtlijn 2001/19 en de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.
4 BGBl. I, 169/1998.
5 BGBl. I, 45/1999.
6 BGBl. II, 57/1999.
7 BGBl. 110/2001.
8 Niet-officiële vertaling.
9 Naar aanleiding van de uitbreiding zijn soortgelijke bepalingen ook ingevoerd voor de Tsjechische en de Slowaakse Republiek (nieuwe artikelen 19 quarter en 19 quinquies van de erkenningsrichtlijn).
10 Arresten Hof van 26 februari 1975, Bonsignore (67/74, Jurispr. blz. 297); 23 maart 1983, Peskeloglou (77/82, Jurispr. blz. 1085), en 14 december 1989, Agegate (C‑3/87, Jurispr. blz. I‑4459).
11 Arrest Hof van 1 juni 1995, Commissie/Italië (C‑40/93, Jurispr. blz. I‑1319).
12 Ibidem, punt 18.
13 Ibidem, punt 24. Zie ook beschikkingen Hof van 5 november 2002, Klett (C‑204/01, Jurispr. blz. I‑10007, punt 33), en 17 oktober 2003, Vogel (C‑35/02, Jurispr. blz. I‑12229, punt 28).
14 Cursivering van mij.
15 Arrest Hof van 29 november 2001, Commissie/Italië (C‑202/99, Jurispr. blz. I‑9319, punt 51). Zie ook beschikking Vogel, reeds aangehaald, punt 33. Cursivering van mij.
Full & Egal Universal Law Academy