CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. STIX-HACKL
van 12 april 2005 (1)
Zaak C-495/03
Intermodal Transports BV
tegen
Staatssecretaris van Financiën
(verzoek van de Hoge Raad der Nederlanden om een prejudiciële beslissing)
„Beroep voor nationale rechter op bindende tariefinlichting die door douaneautoriteit van andere lidstaat voor soortgelijk goed aan derde is verstrekt – Afwijkende indeling in gecombineerde nomenclatuur door nationale rechter – Uniforme uitlegging en toepassing van gemeenschapsrecht – Artikel 234 EG – Verwijzingsplicht van nationale rechter – Voorwaarden – Rechter die in laatste instantie en rechter die niet in laatste instantie uitspraak doet – Arrest Foto-Frost en arrest CILFIT – Gemeenschappelijk douanetarief – Gecombineerde nomenclatuur – Tariefindeling – Post 8709”
Inhoud
I – Inleiding
II – Toepasselijke bepalingen
A – De indeling in de gecombineerde nomenclatuur
B – De bindende tariefinlichting
1. Het douanewetboek
2. De uitvoeringsverordening
III – Feiten en procesverloop
IV – Beantwoording van de prejudiciële vragen
A – Eerste vraag
1. Voornaamste argumenten van partijen en andere betrokkenen
2. Juridische beoordeling
a) Opmerkingen vooraf
i) Overzicht van de verwijzingsplichten van de nationale rechters
ii) Systematisering van de problematiek in het licht van de prejudiciële vraag
b) Verwijzingsplicht volgens de Foto-Frost-rechtspraak?
c) Verwijzingsplicht van een rechter die in laatste instantie uitspraak doet, in het licht van het arrest CILFIT?
i) Fundamentele opmerkingen over het arrest CILFIT
ii) Post-CILFIT?
iii) De bijzonderheden van het onderhavige geval – automatische verwijzingsplicht?
iv) Verwijzingsplicht op grond van het gelijkheidsbeginsel?
v) Gevolgtrekkingen voor het onderhavige geval op basis van de CILFIT-rechtspraak
B – Tweede vraag
1. Voornaamste argumenten van partijen en de andere betrokkenen
2. Beoordeling
V – Conclusie
I – Inleiding
1. De kernvraag die dient te worden beantwoord in dit bij arrest van 21 november 2003 van de Hoge Raad der Nederlanden ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing, ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie op 24 november 2003, is of een nationale rechter verplicht is het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing te verzoeken in een geval waarin een belanghebbende zich op een door de douaneautoriteiten van een andere lidstaat voor soortgelijke goederen aan een derde afgegeven bindende tariefinlichting beroept, die volgens de nationale rechter niet in overeenstemming is met de gecombineerde nomenclatuur (hierna: „GN”) en waarvan hij derhalve voornemens is af te wijken.
2. Voorts vraagt de verwijzende rechter of voertuigen zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, moeten worden ingedeeld onder post 8709 GN, zoals deze in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief(2), in de versie van verordening (EG) nr. 2261/98 van de Commissie van 26 oktober 1998(3), is opgenomen.
3. Deze vragen zijn gerezen in een cassatieberoep voor de Hoge Raad der Nederlanden, waarin de te Amsterdam gevestigde vennootschap naar Nederlands recht Intermodal Transports BV (hierna: „Intermodal”) opkomt tegen een vonnis waarin het Gerechtshof Amsterdam de door de Nederlandse douaneautoriteiten gemaakte en door Intermodal bestreden douanerechtelijke indeling van bepaalde als „Magnum ET-120 Terminal Tractors” aangeduide motorvoertuigen onder postonderverdeling 8701 20 10 van de GN heeft bevestigd.
II – Toepasselijke bepalingen
A – De indeling in de gecombineerde nomenclatuur
4. Voor goederen geldt in de Gemeenschap voor het douanetarief en voor statistische doeleinden de tariefindeling volgens de bij verordening nr. 2658/87 ingestelde GN, die zelf op het internationale geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen(4) (hierna: „GS”) is gebaseerd.
5. In het onderhavige geval is hoofdstuk 87 van bijlage I bij de GN van toepassing, dat betrekking heeft op „automobielen, tractors, rijwielen, motorrijwielen en andere voertuigen voor vervoer over land, alsmede delen en toebehoren daarvan”.
6. Overeenkomstig aantekening 2 bij dit hoofdstuk worden als „tractors (trekkers) aangemerkt, motorvoertuigen speciaal gemaakt om andere werktuigen, voertuigen of lasten te trekken of voort te duwen, ook indien zij voorzien zijn van een bergplaats of laadplaats van bijkomstige betekenis voor het vervoer van gereedschap, zaad, meststoffen, enz., mits dit vervoer verband houdt met het voornaamste gebruik van de tractor”.
7. GN-post 8701 vermeldt „Tractors (trekkers), andere dan die bedoeld bij post 8709” en bevat onder andere de volgende onderverdelingen:
8701 20 – trekker (wegtractors) voor opleggers:
– 8701 20 10 – – nieuwe
– 8701 20 90 – – gebruikte
8. GN-post 8709 betreft onder andere „transportwagens met eigen beweegkracht, niet voorzien van een hefsysteem, van de soort gebruikt in fabrieken, in opslagplaatsen, op haventerreinen of op vliegvelden, voor het vervoer van goederen over korte afstanden […]”
9. De toelichtingen bij het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, waarop de GN is gebaseerd (hierna: „GS-toelichtingen”), bevatten met betrekking tot post 8709 onder andere de volgende verduidelijkingen:
„[…] De belangrijkste gemeenschappelijke kenmerken van de bij deze post bedoelde voortuigen, waardoor zij zich onderscheiden van de posten 8701, 8703 en 8704, kunnen als volgt worden samengevat:
1. zij kunnen, in verband met hun constructie en met de inrichtingen waarmee zij gewoonlijk zijn uitgerust, niet worden gebruikt voor het personenvervoer en evenmin voor het goederenvervoer op de openbare weg;
2. hun maximumsnelheid in geladen toestand bedraagt in het algemeen niet meer dan 30 tot 35 km/u;
3. de draaicirkel is ongeveer gelijk aan de lengte van het voertuig.
De bij post 8709 bedoelde transportwagens hebben gewoonlijk geen gesloten bestuurderscabine. Soms is er voor de bestuurder slechts een klein platform om staande te sturen. Boven de voor de bestuurder bestemde plaats is soms een beschermende armatuur of een kooi van metaal aangebracht.
Voertuigen van het bij deze post bedoelde type, die door een voetganger worden bestuurd, behoren ook tot deze post. […]
De trekkers van de soort gebruikt in stations zijn hoofdzakelijk bestemd om andere wagens, onder meer perronwagentjes, te trekken of te duwen. Zij vervoeren zelf geen goederen en zijn over het algemeen lichter en minder krachtig dan de tractors bedoeld bij post 8701. Trekkers van deze soort worden ook gebruikt in havens, opslagplaatsen, enzovoort […]”
B – De bindende tariefinlichting
10. Het verstrekken van zogeheten bindende tariefinlichtingen door de nationale douaneautoriteiten is geregeld bij verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek(5), in de bij verordening (EG) nr. 82/97 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996(6) gewijzigde versie (hierna: „douanewetboek”), alsmede bij verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993(7) houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van het douanewetboek (hierna: „uitvoeringsverordening”), in de versie van verordening (EG) nr. 12/97 van de Commissie van 18 december 1996.(8)
1. Het douanewetboek
11. Artikel 4 van het douanewetboek bepaalt onder meer het volgende:
„In de zin van dit wetboek wordt verstaan onder: […]
5. beschikking: elke administratieve beslissing verband houdend met de douanewetgeving die door een douaneautoriteit over een bepaald geval wordt genomen en die voor een of meer personen wier identiteit bekend is of kan worden vastgesteld, rechtsgevolgen heeft; hieronder vallen onder meer bindende inlichtingen in de zin van artikel 12; [...]”
12. Artikel 12, leden 1 tot en met 6, van het douanewetboek bepalen onder meer:
„(1) De douaneautoriteiten verstrekken, op schriftelijk verzoek en overeenkomstig de volgens de procedure van het Comité vastgestelde nadere regels, bindende tariefinlichtingen of bindende inlichtingen betreffende de oorsprong.
(2) De bindende tariefinlichting of de bindende inlichting betreffende de oorsprong binden de douaneautoriteiten tegenover de verkrijger van de inlichting slechts voor de tariefindeling, respectievelijk de vaststelling van de oorsprong van de goederen.
[...]
(4) Een bindende inlichting is, gerekend vanaf de datum waarop zij wordt verstrekt, gedurende zes jaar geldig indien zij op het tarief, en gedurende drie jaar geldig indien zij op de oorsprong betrekking heeft. In afwijking van artikel 8 wordt zij met terugwerkende kracht ingetrokken indien zij is verstrekt op de grondslag van onjuiste of onvolledige gegevens van de aanvrager.
(5) Een bindende inlichting verliest haar geldigheid wanneer zij:
a) op tariefgebied:
i) ten gevolge van de vaststelling van een verordening niet meer met het aldus vastgestelde recht in overeenstemming is;
ii) niet langer verenigbaar is met de uitlegging van één van de nomenclaturen als bedoeld in artikel 20, lid 6:
– op communautair niveau, door een wijziging in de toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur of door een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen; […]
iii) overeenkomstig artikel 9 wordt ingetrokken of gewijzigd en mits aan de verkrijger van de inlichting daarvan kennis wordt gegeven.
De datum waarop de bindende inlichting ten aanzien van de sub i en ii genoemde gevallen haar geldigheid verliest, is de datum van de bekendmaking van de bovengenoemde maatregelen […]
[...]”
2. De uitvoeringsverordening
13. De uitvoeringsverordening bevat in titel II een aantal preciseringen over de juridische draagwijdte van bindende tariefinlichtingen en over de daarvoor geldende procedures.
14. Zo bepaalt artikel 9, lid 1, voor het geval van verschillen tussen bindende inlichtingen het volgende:
„Wanneer tussen twee of meer bindende inlichtingen verschillen worden geconstateerd:
– plaatst de Commissie dit vraagstuk eigener beweging of op verzoek van de vertegenwoordiger van een lidstaat op de agenda van de vergadering van het Comité van de volgende maand of, indien dit niet mogelijk is, op die van zijn eerst daaropvolgende vergadering;
– stelt de Commissie volgens de procedure van het Comité zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes maanden na de in het eerste streepje bedoelde vergadering, een maatregel vast die de eenvormige toepassing van de voorschriften op het gebied van, naargelang van het geval, de nomenclatuur of de oorsprong garandeert.”
15. Ingevolge artikel 10, lid 1, van de uitvoeringsverordening mag op de bindende inlichting slechts door de rechthebbende een beroep worden gedaan. Volgens lid 3, sub a, van dit artikel mag de rechthebbende zich voor bepaalde goederen daarop bovendien slechts beroepen indien, wat de tariefinlichting betreft, ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt vastgesteld dat deze goederen in alle opzichten aan de in de voorgelegde inlichting opgenomen omschrijving beantwoorden.
16. Ten slotte bepaalt artikel 11 van de uitvoeringsverordening dat de vanaf 1 januari 1991 door de douaneautoriteiten van een lidstaat verstrekte bindende tariefinlichtingen onder dezelfde voorwaarden de douaneautoriteiten van alle lidstaten binden.
III – Feiten en procesverloop
17. Op 1 maart 1999 heeft Intermodal in Amsterdam acht als „Magnum ET-120 Terminal Tractors“ aangeduide motorvoertuigen aangegeven onder GN-postonderverdeling 8709 11 90.
18. Dit type voertuig is volgens de uiteenzettingen van de verwijzende rechter een vierwielig motorvoertuig, voorzien van een dieselmotor met een vermogen van 132 kW bij 2 500 toeren per minuut en van een volautomatische transmissie met vier versnellingen vooruit en één achteruit. Het heeft een gesloten cabine met een luchtgeveerde ophanging en een luchtgeveerde zetel voor de bestuurder. Het chassis is voorzien van een zogeheten hefschotel met een hefhoogte van 60 cm en met een maximaal draagvermogen van 32 000 kg. De hefschotel dient voor het aankoppelen van een trailer (oplegger).
19. In een door Intermodal overgelegde brochure wordt het betrokken voertuig voorts als volgt beschreven: „De Magnum ET 120 met achterwielaandrijving is specifiek ontworpen voor de behandeling van trailers in distributiecentra en grootwarenhuizen. Het extra lage chassis maakt het mogelijk ook de zogenaamde Mega of Jumbo trailers te behandelen. Met zijn korte draaicirkel (de beste op de markt) is zelfs de behandeling van trailers met de grootste overhang zeer eenvoudig.”
20. Het betrokken voertuig kenmerkt zich volgens de verwijzende rechter door zijn specifieke functie, in die zin dat het is ontworpen en bestemd om opleggers efficiënt over korte afstanden – op bedrijfsterreinen en in bedrijfsgebouwen – te kunnen verplaatsen. Het voertuig is als zodanig niet ontworpen of bestemd voor goederenvervoer.
21. De met de verificatie van de aangifte van de voertuigen belaste douaneautoriteiten kwamen tot de slotsom dat deze niet zoals Intermodal had aangenomen onder GN-postonderverdeling 8709 11 90, maar onder GN-postonderverdeling 8701 20 10 moesten worden ingedeeld en hebben Intermodal uitgenodigd tot betaling van de voor deze indeling geldende hogere douanerechten.
22. Tegen dit besluit is Intermodal in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: „Gerechtshof”).
23. Intermodal heeft zich in de procedure voor het Gerechtshof op een op 14 mei 1996 door de Finse douaneautoriteiten aan een derde, Sisu Terminal Systems Oy, Tampere (Finland), gerichte bindende tariefinlichting beroepen, waarin de als „Sisu-Terminaaltraktori” aangeduide voertuigen onder GN-post 8709 werden ingedeeld, welke voertuigen volgens Intermodal ten minste gelijksoortig zijn aan de door haar aangegeven voertuigen. Niet in geschil is dat deze tariefinlichting ten tijde van de aangifte van de voertuigen door Intermodal nog steeds geldig was.
24. Het Gerechtshof heeft echter, onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie met betrekking tot de beslissende criteria voor de tariefindeling van goederen volgens de GN, de door de Nederlandse douaneautoriteiten gekozen indeling van de betrokken voertuigen in GN-postonderverdeling 8701 20 10 bevestigd. Het Gerechtshof heeft dit oordeel doen steunen op de overweging dat, nu de voertuigen niet zijn ontworpen en bestemd voor het zelf vervoeren van goederen en voorts niet geschikt zijn voor het trekken van perronwagentjes, indeling onder GN-post 8709 niet mogelijk is.
25. Het Gerechtshof stelde vast dat de indeling van de betrokken voertuigen onder GN-postonderverdeling 8701 20 10 dermate duidelijk is dat er geen reden bestond om een verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen, en dat daaraan niet wordt afgedaan door de omstandigheid dat de Finse douaneautoriteiten voor een soortgelijk goed aan een derde een van die postonderverdeling afwijkende bindende tariefinlichting hebben afgegeven.
26. Tegen dit vonnis heeft Intermodal bij de verwijzende rechter beroep in cassatie ingesteld en daarin drie middelen aangevoerd.
27. De verwijzende rechter zet in het verwijzingsarrest in dit verband uiteen dat buiten gerede twijfel is dat krachtens de gemeenschapsbepalingen slechts de rechthebbende van de bindende tariefinlichting daaraan rechten kan ontlenen met betrekking tot de indeling van de goederen waarvoor de inlichting is verstrekt en dat het tweede en het derde middel, die van een ander standpunt uitgaan, derhalve falen.
28. Het is volgens de verwijzende rechter echter niet zonder meer duidelijk wat de nationale rechter moet doen, indien een belanghebbende in een geschil over de indeling in de GN een beroep doet op een aan een derde afgegeven bindende tariefindeling en die rechter van oordeel is dat die bindende tariefinlichting niet in overeenstemming is met de GN. Dient hij dan vragen van uitlegging van de GN te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, ook indien hij van oordeel is dat aan de onjuistheid van die inlichting redelijkerwijs niet kan worden getwijfeld? Voor een bevestigend antwoord op deze vraag pleit dat dan de juiste én de eenvormige toepassing van de GN in de Gemeenschap wordt gewaarborgd, doordat een bindende tariefinlichting mede haar geldigheid verliest wanneer zij wegens een arrest van het Hof van Justitie niet langer verenigbaar is met de uitlegging van de GN (artikel 12, lid 5, sub a‑ii, eerste streepje, van het douanewetboek).
29. Voorts stelt de verwijzende rechter de vraag of een strikte uitlegging van post 8709 juist, in die zin dat de onderhavige voertuigen niet daaronder kunnen worden ingedeeld omdat zij niet zelf goederen vervoeren en ook geen trekkers zijn van perronwagentjes en dergelijke, dan wel of zij toch onder deze post kunnen worden ingedeeld nu – volgens de verwijzende rechter – de GS-toelichtingen een ruimere interpretatie mogelijk maken, waar zij inhouden dat het gaat om trekkers die zelf geen goederen vervoeren maar worden gebruikt voor het trekken of duwen van andere wagens en die behalve in stations ook worden gebruikt in havens, opslagplaatsen, enzovoorts.
30. Op grond van deze overwegingen heeft de Hoge Raad der Nederlanden het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:
1. Dient de nationale rechter, indien een belanghebbende in een aan die rechter voorgelegd geschil over de indeling in de GN van een bepaald goed een beroep doet op het oordeel van een douaneautoriteit zoals dat tot uitdrukking is gebracht in een aan een derde afgegeven bindende tariefinlichting voor een soortgelijk goed en die rechter van oordeel is dat die bindende tariefinlichting niet in overeenstemming is met de GN, vragen van uitlegging van de GN te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen?
2. Moet post 8709 van de GN zo worden uitgelegd dat voertuigen als de onderhavige onder deze post vallen?
IV – Beantwoording van de prejudiciële vragen
A – Eerste vraag
31. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of een nationale rechter verplicht is het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de GN te verzoeken in een geval waarin een belanghebbende zich beroept op de indeling in een door de douaneautoriteiten van een andere lidstaat voor een soortgelijk goed aan een derde afgegeven bindende tariefinlichting, die volgens de nationale rechter niet in overeenstemming is met de GN en waarvan hij derhalve voornemens is af te wijken.
1. Voornaamste argumenten van partijen en andere betrokkenen
32. Met betrekking tot de eerste vraag hebben de Commissie, de Nederlandse regering, de Oostenrijkse regering en Intermodal opmerkingen ingediend. De kern van hun opvattingen kan als volgt worden samengevat.
33. De Commissie en de Nederlandse regering verwijzen naar het ingevolge artikel 234 EG te maken onderscheid tussen de rechter die niet in laatste instantie uitspraak doet, aan wie het in beginsel vrijstaat om een verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen, en de rechter die wél in laatste instantie uitspraak doet, die in beginsel verplicht is om een verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen.
34. De Commissie onderzoekt de juridische aard van de bindende tariefinlichting aan de hand van de uitvoeringsverordening en staat op het standpunt dat het bij deze handeling niet gaat om een gemeenschapshandeling waarvoor volgens de Foto-Frost-rechtspraak(9) ook op rechters die niet in laatste instantie uitspraak doen, een verwijzingsplicht rust.
35. Met betrekking tot de rechters die in laatste instantie uitspraak doen, wijzen de Commissie en de Nederlandse regering op het arrest CILFIT(10), volgens hetwelk een dergelijke rechter van een vraag aan het Hof van Justitie kan afzien, wanneer de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan omtrent de wijze waarop de gestelde vraag moet worden opgelost. Volgens de Nederlandse regering is het niet zo dat aan deze voorwaarde automatisch niet is voldaan omdat er een afwijkende tariefinlichting voor soortgelijke goederen is verstrekt. In de omstandigheden waarop de verwijzende rechter zich baseert, gaat de nationale rechter ervan uit dat buiten twijfel staat dat de tariefinlichting niet in overeenstemming is met de GN, zodat er in dit geval geen verwijzingsplicht bestaat.
36. Ook de Oostenrijkse regering staat op het standpunt dat de eerste vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Zij fundeert deze opvatting vooral op de scheiding tussen de bestuurlijke en de rechterlijke macht, op grond waarvan een rechter bij de beslissing over dezelfde zaak niet aan de beslissing van een douaneautoriteit gebonden kan zijn. De uniforme uitlegging van de GN wordt bovendien ook middels de in het douanewetboek voorziene mogelijkheden van intrekking e.d. gewaarborgd.
37. De Commissie brengt daartegen in dat volgens het arrest CILFIT de vraag of er sprake is van een „acte clair”, volgens een strenge maatstaf moet worden beoordeeld. Volgens haar moet het feit dat er een afwijkende tariefinlichting bestaat voor de nationale rechter reden voor twijfel geven en moet de vraag of er voor de rechter die in laatste instantie uitspraak doet, een verwijzingsplicht bestaat dus bevestigend worden beantwoord.
38. Intermodal ten slotte fundeert de verwijzingsplicht met artikel 12, lid 5, sub a‑ii, eerste streepje, van het douanewetboek, naar luid waarvan een bindende tariefinlichting haar geldigheid verliest wanneer zij wegens een arrest van het Hof van Justitie niet langer verenigbaar is met de uitlegging van de GN. In verbinding met het gelijkheidsbeginsel pleit deze bepaling haars inziens tegen de toepasselijkheid van de in het arrest CILFIT geformuleerde uitzonderingen op de verwijzingsplicht.
2. Juridische beoordeling
a) Opmerkingen vooraf
i) Overzicht van de verwijzingsplichten van de nationale rechters
39. Het is de taak van alle overheidsinstanties, nationale rechters daaronder begrepen, om binnen de grenzen van hun bevoegdheden de inachtneming en uitvoering van het gemeenschapsrecht te verzekeren.(11) In het bijzonder dienen de nationale rechters de rechten te beschermen die het gemeenschapsrecht rechtstreeks aan particulieren verleent.(12)
40. Met de in artikel 234 EG geregelde procedure voor het verwijzen van vragen over de uitlegging of de geldigheid van een gemeenschapsrechtelijk voorschrift heeft het EG‑Verdrag een systeem van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties – in hun hoedanigheid van rechters belast met de toepassing van het gemeenschapsrecht – en het Hof gecreëerd, dat tot doel heeft de juiste toepassing en uniforme uitlegging van het gemeenschapsrecht in alle lidstaten te verzekeren.(13)
41. Dit mechanisme van gerechtelijke samenwerking ter eerbiediging van de uniformiteit bij de toepassing en de uitlegging van het gemeenschapsrecht in een systeem van rechtsbescherming in gedecentraliseerde vorm, omvat op zich weliswaar alle nationale rechters in de zin van het specifiek gemeenschapsrechtelijke begrip „rechter”, doch het maakt zoals bekend onderscheid tussen „rechterlijke instantie van een der lidstaten” in de zin van de tweede alinea van dit artikel (hierna: „rechter die niet in laatste instantie uitspraak doet”) enerzijds, en rechterlijke instanties van de afzonderlijke lidstaten waarvan „de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep” in de zin van de derde alinea van dit artikel (hierna: „rechter die in laatste instantie uitspraak doet”) anderzijds.
42. Alleen rechters die in laatste instantie uitspraak doen, zijn overeenkomstig artikel 234, derde alinea, EG in beginsel verplicht tot verwijzing naar het Hof van Justitie, indien voor hen een vraag over de uitlegging of de geldigheid van een gemeenschapshandeling rijst. Met de verwijzingsplicht voor nationale rechterlijke instanties waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, moet in het bijzonder worden voorkomen dat vragen over de uitlegging of de geldigheid van het gemeenschapsrecht bij wijze van spreken op nationaal niveau doodlopen of dat, zoals het Hof van Justitie het in vaste rechtspraak heeft geformuleerd, „zich in een lidstaat een nationale rechtspraak ontwikkelt die niet met de regels van gemeenschapsrecht strookt”.(14)
43. Van deze verwijzingsplicht van nationale rechters die in laatste instantie uitspraak doen mag volgens de in de rechtspraak geformuleerde voorwaarden bij uitzondering worden afgeweken, en wel wanneer de opgeworpen vraag gelijk is aan een vraag welke reeds in een identiek of gelijksoortig geval voorwerp van een prejudiciële beslissing is geweest of wanneer er al een vaste rechtspraak van het Hof bestaat over het punt waarop het geding betrekking heeft(15) of, zoals het Hof van Justitie in het arrest CILFIT heeft vastgesteld, wanneer de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan.(16)
44. Rechters die niet in laatste instantie uitspraak doen, hebben daarentegen overeenkomstig artikel 234, tweede alinea, EG het recht, maar zijn in beginsel niet verplicht, om het Hof van Justitie prejudiciële vragen te stellen. Uit de Foto-Frost-rechtspraak volgt echter dat er een uitzondering geldt, namelijk dat de nationale rechterlijke instanties niet bevoegd zijn zelf de ongeldigheid van handelingen van de Gemeenschap vast te stellen.(17) Uitsluitend het Hof van Justitie is bevoegd om handelingen van de gemeenschapsinstellingen ongeldig te verklaren. Dit volgt vooral uit het vereiste om een uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht te verzekeren, hetgeen inzonderheid geboden is wanneer het om de geldigheid van een gemeenschapshandeling gaat.(18)
45. De nationale rechter kan echter een onderzoek instellen naar de geldigheid van een gemeenschapshandeling en eventueel vaststellen dat deze handeling ten volle geldig is.(19) Door een dergelijke vaststelling van de geldigheid wordt namelijk aan de uniforme gelding van de communautaire rechtsorde zelf en aan het fundamentele vereiste van rechtszekerheid geen afbreuk gedaan.
46. De Foto-Frost-rechtspraak mag echter niet aldus worden begrepen dat zij enkel betrekking heeft op een „formele ongeldigheidsverklaring”. Deze rechtspraak betreft ook het geval waarin een nationale rechter – zonder formele ongeldigheidsverklaring – overweegt van een gemeenschapshandeling af te wijken omdat hij deze ongeldig acht. Een nationale rechter mag niet van een handeling van gemeenschapsrecht afwijken resp. deze buiten toepassing laten, voordat het Hof van Justitie in het kader van een verwijzingsprocedure in voorkomend geval de ongeldigheid van deze handeling van gemeenschapsrecht heeft vastgesteld.
47. Dit volgt reeds uit de artikelen 10 EG en 249 EG alsmede in het algemeen uit de reeds genoemde verplichting van de nationale rechter om het gemeenschapsrecht toe te passen en de eerbiediging daarvan ten volle te verzekeren.(20) Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie mag de nationale rechter slechts onder bepaalde voorwaarden bij het bestaan van ernstige twijfel over de geldigheid van een gemeenschapshandeling de tenuitvoerlegging van daarop gebaseerde uitvoeringshandelingen voorlopig opschorten of voorlopige maatregelen treffen, waardoor deze gemeenschapshandeling voorlopig niet wordt toegepast. Als voorwaarde daarvoor geldt dat de vraag over de geldigheid van de betrokken gemeenschapshandeling naar het Hof van Justitie wordt verwezen.(21) „Alleen de mogelijkheid van een – aan het Hof voorbehouden – ongeldigheidsverklaring kan immers de toewijzing van een verzoek om opschorting rechtvaardigen.”(22)
48. Hieruit volgt dus dat – behalve de verwijzingsplicht van de nationale rechter die in laatste instantie uitspraak doet – ook rechters wier beslissingen volgens het nationale recht nog vatbaar zijn voor hoger beroep, indien zij van oordeel zijn dat een gemeenschapshandeling ongeldig is, daarvan niet mogen afwijken resp. deze niet buiten toepassing mogen laten, zonder de vraag over de geldigheid van deze gemeenschapshandeling aan het Hof van Justitie voor te leggen.(23)
ii) Systematisering van de problematiek in het licht van de prejudiciële vraag
49. Wat nu de eerste vraag betreft, blijkt uit het verwijzingsarrest niet rechtstreeks of de verwijzende rechter de procedure voor het Gerechtshof te Amsterdam – een rechter in lagere instantie – dan wel de cassatieprocedure van de Hoge Raad zelf – een rechter in laatste instantie – voor ogen heeft, dus op welk soort nationale rechter hij deze vraag betrokken wil zien.
50. In het verwijzingsarrest en in de prejudiciële vraag noemt de verwijzende rechter „de nationale rechter” zonder nadere precisering. In de cassatieprocedure moet hij echter een oordeel geven over de door Intermodal tegen het vonnis van het Gerechtshof aangevoerde cassatiegrond dat die rechter niet zonder verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Hof van Justitie van de betwiste tariefinlichting had mogen afwijken, hetgeen er eerder op duidt dat opheldering nodig is met betrekking tot de verwijzingsplicht van rechters die niet in laatste instantie uitspraak doen. Anderzijds geeft de advocaat-generaal in zijn conclusie bij het verwijzingsarrest overwegingen over de vraag welke rechtsmiddelen en mogelijkheden er alles bij elkaar genomen in het systeem van de tariefinlichting bestaan om de ongelijke behandeling als gevolg van uiteenlopende tariefinlichtingen uit de weg te ruimen, hetgeen weer voor de noodzaak van opheldering van eventuele verwijzingsplichten van rechters in alle instanties pleit.
51. Ten slotte bevatten het verwijzingsarrest en de daarbij gevoegde handelingen verwijzingen naar zowel de Foto-Frost-rechtspraak als de CILFIT-rechtspraak, waarbij er kennelijk onduidelijkheden bestaan over de procedurele toepassing van de in deze arresten ontwikkelde criteria. Zo heeft het Gerechtshof – waarop het verwijzingsarrest betrekking heeft – met een beroep op een uitlegging van de GN waarover geen twijfel bestaat – in het licht van de CILFIT-rechtspraak dus – afgezien van een verzoek om een prejudiciële beslissing (als rechter die niet in laatste instantie uitspraak doet).
52. De uiteenzettingen van de verwijzende rechter over het garanderen van de juiste en uniforme uitlegging van de GN en de verwijzing naar „vragen van uitlegging” in de prejudiciële vraag wijzen echter weer meer op een CILFIT‑situatie en doen aldus gezien de indruk ontstaan dat de verwijzende rechter met deze vraag op zichzelf doelt waarbij – waarop de tweede vraag lijkt te duiden – hij niet zonder meer de zekerheid van het Gerechthof over de uitlegging van de GN lijkt te delen.
53. Al met al wordt in de stukken – uitgaande van de redenering van Intermodal – het uitgangsprobleem van de afwijking van de betwiste tariefinlichting enigszins ambivalent behandeld: ten dele vanuit het gezichtspunt van de „ongeldigheidsverklaring” resp. het buiten toepassing laten van de tariefinlichting, hetgeen aan een Foto-Frost-situatie doet denken, ten dele vanuit het gezichtspunt van de uiteenlopende uitlegging van de GN, hetgeen aan de CILFIT-rechtspraak doet denken.
54. Om de verwijzende rechter in elk geval een nuttig antwoord te geven, lijkt het tegen deze achtergrond aangewezen de eerste prejudiciële vraag zowel ten aanzien van rechters die niet als ten aanzien van rechters die wél in laatste instantie uitspraak doen, te onderzoeken.
55. In het licht van de hierboven geschetste verwijzingsplichten van nationale rechters moet voor de beantwoording van de eerste vraag dus enerzijds worden onderzocht of een nationale rechter een beslissing mag nemen die afwijkt van een tariefinlichting die door de douaneautoriteiten van een andere lidstaat voor een gelijksoortig goed aan een derde is verstrekt, zonder het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing te verzoeken, dan wel of er – zelfs voor de nationale rechter die niet in laatste instantie uitspraak doet – een verwijzingsplicht bestaat in de zin van de Foto-Frost-rechtspraak.
56. Anderzijds moet worden onderzocht of er in omstandigheden zoals de onderhavige waarin er sprake is van een tariefinlichting zoals door de verwijzende rechter beschreven en waarin de nationale rechter het met de daarin gegeven uitlegging van de GN niet eens is, voor de nationale rechter die in laatste instantie uitspraak doet, volgens de CILFIT-rechtspraak al dan niet een verwijzingsplicht bestaat.
57. De vraag is dus of deze rechter die in laatste instantie uitspraak doet, er in deze omstandigheden van uit mag gaan dat de toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is dat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop de gerezen vraag moet worden opgelost.(24)
58. Meer subsidiair heeft Intermodal ter fundering van een verwijzingsplicht, eventueel in samenhang met artikel 12, lid 5, sub a‑ii, van het douanewetboek, ten slotte het gelijkheidsbeginsel aangevoerd.
b) Verwijzingsplicht volgens de Foto-Frost-rechtspraak?
59. Bij de bindende tariefinlichting gaat het om een individuele rechtshandeling van de nationale douaneautoriteiten van een lidstaat, waarmee aan een marktdeelnemer op diens verzoek wordt meegedeeld onder welke GN-post een goed dat hij voornemens is in of uit te voeren, moet worden ingedeeld.(25) Het Hof van Justitie heeft er in verband met de doelen die met de instelling van deze rechtsfiguur worden nagestreefd, op gewezen dat „het zowel met het oog op het verschaffen van een zekere rechtszekerheid aan het bedrijfsleven bij de uitoefening van zijn activiteit als ter vergemakkelijking van het werk van de douane zelf en ter verkrijging van een grotere eenvormigheid bij de toepassing van het communautaire douanerecht noodzakelijk is gebleken, een regeling in te voeren die de douaneautoriteiten ertoe verplicht inlichtingen te verstrekken die onder bepaalde nauwkeurig omschreven voorwaarden de administratie binden”.(26)
60. Wat nu de vraag naar de toepasbaarheid van de Foto-Frost-rechtspraak in de onderhavige zaak betreft, dient om te beginnen te worden vastgesteld dat er in casu reeds gelet op de werkingssfeer van de bindende tariefinlichting geen sprake is van een situatie waarin de nationale rechter volgens deze rechtspraak verplicht zou kunnen zijn het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing te verzoeken. Zelfs wanneer er namelijk van uit wordt gegaan, zoals de verwijzende rechter doet, dat de betrokken tariefinlichting op zijn minst soortgelijke goederen betreft als die waarvoor in het hoofdgeding om de indeling wordt gevraagd, dan nog is deze hoe dan ook ratione personae niet toepasbaar.
61. Uit artikel 12, lid 2, van het douanewetboek juncto artikel 10, lid 1, van de uitvoeringsverordening volgt immers ondubbelzinnig dat slechts de rechthebbende, dat wil zeggen degene aan wie de douaneautoriteiten de tariefinlichting hebben verstrekt, daarop een beroep mag doen. Dus indien, zoals in casu, een nationale rechter voor een andere indeling kiest dan die welke in een aan een derde verstrekte tariefinlichting tot uitdrukking komt, is er in feite eigenlijk geen sprake van „afwijking” of „intrekking” respectievelijk „vaststelling van de ongeldigheid” van deze tariefinlichting, omdat deze hoe dan ook niet geldt voor die derde die zich voor de nationale rechter daarop beroept.
62. In de tweede plaats dient te worden beklemtoond dat de verplichting in de zin van de Foto-Frost-rechtspraak om het Hof van Justitie een vraag over de geldigheid voor te leggen, beperkt is tot handelingen van de gemeenschapsinstellingen.
63. Zowel uit artikel 234, eerste alinea, sub b, EG als uit artikel 230, eerste alinea, EG volgt dat voor de bevoegdheid van het Hof van Justitie voor de rechtmatigheidstoetsing volgens deze artikelen wordt uitgegaan van de auteur van de handeling, en niet van de rechtsgrondslag waarop deze handeling is gebaseerd. Zoals het Hof van Justitie heeft vastgesteld, vormt het verzoek om een prejudiciële beslissing ter beoordeling van de geldigheid aldus samen met het beroep tot nietigverklaring overeenkomstig artikel 230 EG en het inroepen van de niet‑toepasselijkheid overeenkomstig artikel 241 EG, een volledig stelsel van beroepsmogelijkheden en procedures, dat het toezicht op de wettigheid van de handelingen van de gemeenschapsinstellingen, dat aan de communautaire rechter is opgedragen, moet waarborgen. Volgens dit stelsel kunnen natuurlijke of rechtspersonen die, wegens de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 230, vierde alinea, EG tegen gemeenschapshandelingen van algemene strekking geen rechtstreeks beroep kunnen instellen, naar gelang van het geval de ongeldigheid van dergelijke gemeenschapshandelingen aanvoeren, hetzij incidenteel voor de gemeenschapsrechter krachtens artikel 241 EG, hetzij voor de nationale rechter, die weliswaar niet bevoegd is zelf de ongeldigheid van genoemde handelingen vast te stellen maar die ertoe kan worden gebracht daarover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof.(27)
64. Voor een beslissing over de geldigheid van handelingen van gemeenschapsinstellingen is derhalve – uitsluitend – het Hof van Justitie bevoegd, terwijl de toetsing van de maatregelen van een nationale autoriteit, aan de nationale rechter is voorbehouden, zelfs indien die maatregelen ter uitvoering van het gemeenschapsrecht zijn vastgesteld.(28)
65. Ook de rechtspraak van het arrest Dzodzi(29) leidt niet tot een andere slotsom. Volgens deze rechtspraak dienen weliswaar prejudiciële vragen te worden gesteld in gevallen waarin in het nationale recht – rechtstreeks dan wel indirect – naar bepalingen van het gemeenschapsrecht wordt verwezen, resp. waarin dit door het nationale recht op interne situaties van toepassing is verklaard.(30) Het Hof van Justitie beperkt zich echter ook hier tot de toetsing van de bepalingen van gemeenschapsrecht waarnaar verwezen wordt.(31)
66. Een bindende tariefinlichting is echter een maatregel van een nationale douaneautoriteit en is derhalve, zoals de Commissie op goede gronden heeft uiteengezet, geen gemeenschapshandeling, waarvan de rechtmatigheid door het Hof van Justitie zou kunnen worden getoetst. Dat deze rechtshandeling op gemeenschapsrecht berust – in formeel opzicht op het douanewetboek en de uitvoeringsverordening, en in materieel opzicht op de GN – kenmerkt deze handeling als een uitvoeringsmaatregel, maar verandert niets aan de kwalificatie ervan als rechtshandeling van een lidstaat.
67. Ook het feit dat de gemeenschapsrechtelijke grondslagen de bindende tariefinlichting wat haar geldigheidsvoorwaarden betreft in meerdere opzichten bepalen, maakt niet dat deze rechtshandeling een handeling van een gemeenschapsinstelling wordt, waarvan de geldigheid uitsluitend door het Hof van Justitie wordt beoordeeld en waarvan overeenkomstig de Foto-Frost-rechtspraak derhalve enkel op basis van een prejudiciële beslissing zou mogen worden afgeweken. Daarvoor pleit ook dat ingevolge artikel 10 van het douanewetboek de geldigheid van de bindende tariefinlichting – afgezien van de gemeenschapsrechtelijk vastgelegde geldigheidsvereisten – moet worden beoordeeld volgens de voorschriften van de afzonderlijke lidstaten, dat wil zeggen volgens de in de betrokken lidstaat geldende wetten inzake de administratieve rechtspleging.
68. Tot de gemeenschapsrechtelijk vastgelegde bepalingen over de geldigheid van de bindende tariefinlichting behoort ook het zowel door Intermodal als door de verwijzende rechter afzonderlijk behandelde artikel 12, lid 5, sub a‑ii, eerste streepje, van het douanewetboek, volgens hetwelk een bindende tariefinlichting haar geldigheid verliest wanneer zij wegens een arrest van het Hof van Justitie niet langer verenigbaar is met de uitlegging van de GN.
69. Zoals het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C‑133/02 en C‑134/02 heeft vastgesteld, geldt voor een bindende tariefinlichting weliswaar het voorbehoud dat de daarin door de nationale douaneautoriteiten gegeven uitlegging van de relevante tariefvoorschriften juist is, hetgeen tot uitdrukking komt in de beschrijving in artikel 12, lid 5, sub a, van het douanewetboek van de drie situaties waarin een bindende tariefinlichting ongeldig wordt.(32) Uit het feit dat voor de geldigheid van een bindende tariefinlichting onder andere het voorbehoud geldt dat zij in overeenstemming is met de rechtspraak van het Hof van Justitie, kan echter niet worden afgeleid dat het Hof van Justitie bevoegd is om te beslissen over de geldigheid van de door de nationale douaneautoriteiten verstrekte bindende tariefinlichting zelf.
70. Daaraan dient te worden toegevoegd dat voor de nationale rechter eventueel de geldigheid kan worden aangevochten van de gemeenschapshandelingen waarop de betrokken bindende tariefinlichting is gebaseerd. In een dergelijk geval moet dan de nationale rechter, wanneer hij een aan de bindende tariefinlichting ten grondslag liggende gemeenschapshandeling ongeldig acht, het Hof van Justitie een vraag voorleggen over de geldigheid van die gemeenschapshandeling.(33)
71. In het onderhavige geval wordt echter de geldigheid van de GN noch van het douanewetboek of van de uitvoeringsverordening in twijfel getrokken.
72. Gelet op een en ander, dient dus te worden vastgesteld dat in het licht van de Foto-Frost-rechtspraak een nationale rechter een beslissing mag nemen die afwijkt van een door de douaneautoriteiten van een andere lidstaat voor soortgelijke goederen aan een derde verstrekte tariefinlichting, zonder het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing te verzoeken. Voorzover de eerste prejudiciële vraag een rechter betreft die niet in laatste instantie uitspraak doet, dient zij dus ontkennend te worden beantwoord.
c) Verwijzingsplicht van een rechter die in laatste instantie uitspraak doet, in het licht van het arrest CILFIT?
73. Vervolgens dient te worden onderzocht of in het licht van de CILFIT-rechtspraak een rechter die in laatste instantie uitspraak doet, onder omstandigheden zoals die welke aan de prejudiciële vraag ten grondslag liggen, verplicht is het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing te verzoeken.
74. In het arrest CILFIT heeft het Hof van Justitie, uitgaand van het arrest Da Costa, rechters die in laatste instantie uitspraak doen in de zin van artikel 234, derde alinea, EG – naast het geval waarin een beslissing over de in een procedure gerezen vraag van gemeenschapsrecht niet noodzakelijk is voor het wijzen van het vonnis – ook van de verwijzingsplicht vrijgesteld in gevallen waarin de betrokken gemeenschapsrechtelijke bepaling – ongeacht in welk soort procedure – reeds door het Hof van Justitie is uitgelegd (de zogenoemde „acte éclairé”), of waarin de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan (de zogenoemde „acte clair”).
75. Voor de beantwoording van de vraag die ons hier interesseert – of er in een geval zoals dat wat aan deze procedure ten grondslag ligt en waarin meer in het bijzonder sprake is van een uiteenlopende uitlegging door een nationale rechter en door een buitenlandse nationale autoriteit, mag worden uitgegaan van een „acte clair” in de zin van het arrest CILFIT – dienen eerst enkele opmerkingen te worden gemaakt over de achtergrond van dat arrest en de daarin geformuleerde beoordelingscriteria.
i) Fundamentele opmerkingen over het arrest CILFIT
76. In de procedure voor de Corte suprema di cassazione die aan bedoeld arrest ten grondslag ligt, had het Italiaanse ministerie van Volksgezondheid aangevoerd, dat de oplossing van de aldaar gerezen vraag betreffende de uitlegging van een gemeenschapsrechtelijke verordening zo evident was, dat omtrent de uitlegging geen twijfel kon bestaan en dat er derhalve geen verwijzingsplicht bestond. De Corte suprema di cassazione vroeg tegen deze achtergrond of – en zo ja, in hoeverre – de verwijzingsplicht van artikel 234, derde alinea, EG afhankelijk is van het bestaan van een „redelijke twijfel omtrent de uitlegging”?(34)
77. Het Hof van Justitie heeft in dat arrest deze uitzondering op de verwijzingsplicht in beginsel aanvaard, doch zoals de Commissie terecht heeft uiteengezet, onder beperkende voorwaarden.
78. De uitzondering betreft namelijk enkel het geval waarin „de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is”, „dat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan omtrent de wijze waarop de gestelde vraag moet worden opgelost”.(35)
79. Van „de afwezigheid van twijfel” over, of anders gezegd, „evidentie” van de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht mag de nationale rechter die in laatste instantie uitspraak doet, echter alleen dan uitgaan wanneer „hij ervan overtuigd is dat die oplossing even evident zou zijn voor de rechterlijke instanties van de andere lidstaten en voor het Hof van Justitie.”(36)
80. Bij de beoordeling van de vraag of aan deze voorwaarden voor het wegvallen van de verwijzingsplicht is voldaan, moet bovendien „rekening worden gehouden met de eigen kenmerken van het gemeenschapsrecht [en] de bijzondere moeilijkheden bij de uitlegging ervan.”(37)
81. Het Hof van Justitie heeft in dit opzicht de nadruk gelegd op drie kenmerken van het gemeenschapsrecht en van de uitlegging ervan, waarmee rekening dient te worden gehouden.(38)
82. In de eerste plaats vereist de uitlegging van een gemeenschapsrechtelijk voorschrift een vergelijking van de verschillende, gelijkelijk authentieke taalversies. Zelfs wanneer deze taalversies volledig overeenstemmen, dient in de tweede plaats te worden opgemerkt dat het gemeenschapsrecht een eigen, specifieke terminologie bezigt en dat de rechtsbegrippen in het gemeenschapsrecht niet noodzakelijkerwijs dezelfde inhoud hebben als in de verschillende nationale rechtsstelsels. In de derde plaats moet elke bepaling van gemeenschapsrecht in haar context worden geplaatst en worden uitgelegd in het licht van dit recht in zijn geheel, zijn doelstellingen en zijn ontwikkelingsstand op het ogenblik waarop de betrokken bepaling moet worden toegepast.
83. Over de precieze betekenis van het arrest CILFIT en de daarin geformuleerde criteria bestaan sindsdien zeer verschillende opvattingen; deze lopen uiteen van de opvatting dat het Hof van Justitie in dit arrest de vooral in het Franse rechtssysteem bekende leer van de „acte clair” heeft overgenomen, tot de opvatting dat het deze heeft verworpen en in werkelijkheid met een „tactische zet” de speelruimte van de nationale rechters die in laatste instantie uitspraak doen, praktisch tot nul heeft gereduceerd.(39)
84. De waarheid ligt ook hier eigenlijk – en dit verklaart ook de vaagheid van het arrest – in het midden, in die zin dat het arrest een zeer subtiel compromis formuleert.(40)
85. Om te beginnen lijkt de omstandigheid dat in de beslissende passage van het arrest(41) niet het woord „uitlegging”, maar de uitdrukking „juiste toepassing” van het gemeenschapsrecht is gebruikt, een concessie aan de leer van de „acte clair” te zijn, althans voorzover deze leer op de gedachte berust dat een duidelijke bepaling geen uitlegging behoeft („in claris non fit interpretatio”), zodat een toepassing zonder uitlegging mogelijk is.(42)
86. De vraag is echter of het Hof van Justitie op basis van dit maxime in het arrest CILFIT in de zin van de traditionele taakverdeling tussen het Hof van Justitie en de nationale rechters(43) enkel op de toepassing van gemeenschapsrechtelijke bepalingen doelde, dan wel of het de nationale rechter – zij het in beperkte omvang – een beslissingsbevoegdheid heeft gegeven in uitleggingsvragen.(44)
87. Zoals reeds advocaat-generaal Capotorti in zijn conclusie bij het arrest CILFIT heeft uiteengezet, veronderstelt echter de toepassing van iedere, ook „ondubbelzinnig” of „duidelijk” lijkende, norm principieel een voorafgaande uitlegging. De vaststelling dat een norm „duidelijk” is, is immers reeds het resultaat van een uitlegging, zodat het reeds geciteerde Latijnse adagium „in claris non fit interpretatio” op een petitio principii is gebaseerd.(45) Daarvan te onderscheiden is echter de vraag of de uitlegging van een bepaling een grotere argumentatieve en intellectuele inspanning vergt, dat wil zeggen „moeilijk” of „problematisch” is, dan wel of de betekenis ervan meteen kan worden opgemaakt en bij wijze van spreken voor de hand ligt, dat wil zeggen, dat de uitlegging ervan „makkelijk” of „onproblematisch” lijkt te zijn.
88. De toepassing van een norm is dus uiteindelijk rechtstreeks aan de uitlegging ervan gekoppeld, en waar het Hof van Justitie in het arrest CILFIT van de „juiste toepassing” spreekt, moet in deze samenhang steeds ook worden gedacht aan de „juiste uitlegging” waaruit de juiste toepassing voortvloeit. Per slot van rekening gaat het in het arrest CILFIT immers juist om de omvang van de verwijzingsplicht overeenkomstig artikel 234, derde alinea, EG met betrekking tot vragen over de uitlegging van gemeenschapsrecht.(46)
89. Het Hof van Justitie heeft in het arrest CILFIT dus niet een grens getrokken tussen gemeenschapshandelingen die wél en die welke niet behoeven te worden uitgelegd, doch veeleer de nationale rechter die in laatste instantie uitspraak doet, een zekere vrijheid gelaten om het gemeenschapsrecht „op eigen verantwoordelijkheid”(47) uit te leggen.
90. Het Hof streefde er echter tegelijkertijd naar om de beoordelingsmarge van de nationale rechter ten aanzien van het – met de in artikel 234, derde alinea, EG verankerde verwijzingsplicht – nagestreefde doel, het verzekeren van de uniforme uitlegging en toepassing van het gemeenschapsrecht, te begrenzen en om door strenge voorwaarden eventueel misbruik van deze mogelijkheid door de nationale rechter zo veel mogelijk tegen te gaan.(48)
91. Het Hof van Justitie heeft daarom de twijfel over de juiste uitlegging nauw omschreven („dermate evident […] dat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan omtrent de wijze waarop de gestelde vraag moet worden opgelost”).
92. Met het vereiste dat de nationale rechter alleen zeker kan zijn van het antwoord op de voor hem gerezen vraag wanneer hij ervan overtuigd is dat die uitlegging even evident zou zijn voor de rechterlijke instanties van de andere lidstaten en voor het Hof van Justitie, en met het vereiste dat rekening wordt gehouden met de kenmerken van het gemeenschapsrecht en de bijzondere moeilijkheden bij de uitlegging ervan, wordt gestreefd naar een zekere objectivering van de grenzen van de beoordelingsmarge van de nationale rechter die in laatste instantie uitspraak doet. De nationale rechter moet dus enerzijds niet alleen vanuit zijn eigen gezichtshoek tot het oordeel komen dat aan de betekenis van een bepaling niet kan worden getwijfeld, en moet anderzijds niet alleen op basis van de hem ter beschikking staande bewoordingen van deze bepalingen vaststellen of de uitlegging van een bepaling voor hem en voor de rechters van de andere lidstaten en voor het Hof van Justitie als boven alle twijfel verheven kan worden aangemerkt.(49)
93. Is een dergelijke objectivering echter werkelijk gelukt? Bij nadere beschouwing worden aan de beoordelingsmarge van de rechter die in laatste instantie uitspraak doet, immers slechts schijnbaar of in beperkte mate grenzen gesteld.(50)
94. Want de nationale rechter heeft uiteindelijk slechts zijn eigen oordeelsvermogen, hij kan zich er – vanzelfsprekend – niet daadwerkelijk zelf van vergewissen „dat die oplossing [voor de voor hem gerezen uitleggingsvraag] even evident zou zijn voor de rechterlijke instanties van de andere lidstaten en voor het Hof van Justitie”.
95. Overigens rijst bovendien de vraag aan welke rechters – alle in alle lidstaten, uitsluitend de rechters in laatste instantie, ter zake bevoegde bijzondere rechters, et cetera – de nationale rechter moet denken en, hetgeen in het concrete geval zal moeten worden onderzocht, in hoeverre dit eventueel ook de nationale overheidsautoriteiten omvat.(51)
96. Daar de nationale rechter hoe dan ook uiteindelijk toch geen andere maatstaf heeft dan zijn eigen mening, moet de vraag worden gesteld in hoeverre hij, wanneer hij zelf een oplossing evident acht, ervan uit kan gaan dat een andere rechter of het Hof van Justitie over de gerezen uitleggingsvraag een andere opvatting dan de zijne zou hebben.(52)
97. De nationale rechter kan echter op grond van de volgens het arrest CILFIT in aanmerking te nemen taalkenmerken van het gemeenschapsrecht en van de bijzondere moeilijkheden bij de uitlegging ervan, genoopt zijn aan een dergelijke evidentie voor andere rechters of voor het Hof van Justitie te twijfelen. Hij moet daarbij vooral bedenken dat de uitlegging op basis van andere taalversies anders zou kunnen luiden en dat zelfs wanneer deze andere taalversies met de zijne overeenstemmen, voor hem zelf in de nationale rechtsorde gangbare rechtsbegrippen in de verschillende andere nationale rechtssystemen en in het gemeenschapsrecht niet noodzakelijkerwijs dezelfde dan wel een vergelijkbare inhoud hoeven te hebben.
98. Maar ook met de door het Hof van Justitie genoemde (taal)kenmerken van het gemeenschapsrecht en met de bijzondere moeilijkheden bij de uitlegging ervan behoeft enkel – als het ware „zekerheidshalve” – rekening te worden gehouden, en de nationale rechter behoeft zich daarin niet volledig „in te werken”.
99. Derhalve sta ik op het standpunt dat het arrest CILFIT niet aldus kan worden begrepen dat de nationale rechter bijvoorbeeld verplicht is een gemeenschapsrechtelijk voorschrift in alle officiële talen van de Gemeenschap te onderzoeken.(53) Dit zou een praktisch ondraaglijke last op de nationale rechter leggen en zou betekenen dat in feite lippendienst wordt bewezen aan de – weliswaar beperkte – taak van de rechter die in laatste instantie uitspraak doet, om vragen van gemeenschapsrecht waarover geen twijfel bestaat zelf te beantwoorden overeenkomstig het arrest CILFIT, of dat het feit dat hij met deze taak werd belast, niet meer is dan een „tactische zet”.(54)
100. Aanvaard dient dus te worden dat de CILFIT-vereisten niet kunnen worden opgevat als een soort schematisch toe te passen beslissingshandleiding voor nationale rechters die in laatste instantie uitspraak doen, aan de hand waarvan een objectieve en duidelijke scheidslijn kan worden getrokken tussen uitleggingsvragen die uitzonderlijkerwijs door dergelijke rechters zelf mogen worden beantwoord en uitleggingsvragen die naar het Hof van Justitie moeten worden verwezen. Deze vereisten kunnen geen maatstaf vormen om „objectief” vast te stellen wanneer de betekenis van een gemeenschapsvoorschrift zo evident is dat geen ruimte blijft voor redelijke twijfel over de juiste uitlegging.(55)
101. Dit hangt samen met het feit dat een rechtsvoorschrift niet „op zich” eenduidig of duidelijk kan zijn of een betekenis hebben waarover geen twijfel kan bestaan.(56) De uitlegging van een norm veronderstelt, zoals hierboven reeds is vastgesteld, immers altijd een begripvormingsproces waarvoor geen mathematische formule bestaat(57) – dit geldt in het bijzonder voor het gemeenschapsrecht met zijn vele uitleggingsvariabelen, die op hun beurt de dynamische ontwikkeling ervan teweegbrengen.(58) Maar juist omdat in laatste instantie niet of slechts in beperkte mate objectief kan worden bepaald wanneer de uitlegging van een norm zo evident is dat redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kan bestaan(59), moet deze vaststelling uiteindelijk worden overgelaten aan de beoordeling door de nationale rechter voor wie deze vraag is gerezen.(60)
102. De in het arrest CILFIT geformuleerde vereisten moeten de nationale rechter echter aansporen niet te gemakkelijk – niet enkel uit zijn eigen gezichtspunt en op basis van de tekst van de aan hem voorgelegde bepaling – van een uitlegging van een gemeenschapsbepaling „waarover geen twijfel bestaat” uit te gaan. Zij moeten de nationale rechter bewust maken van de specificiteit van het gemeenschapsrecht, en derhalve behoeden voor te haastige of eenzijdige gevolgtrekkingen en daarmee op een „weloverdachte evidentie” aansturen.(61) Deze evidentie dient de „evidentie van iemand met kennis van zaken” te zijn, die het onderzoek van een vraag van gemeenschaprecht benadert als iemand die op de hoogte is met de fundamentele kenmerken van het gemeenschapsrecht.(62)
ii) Post-CILFIT?
103. Nu zou men de CILFIT-rechtspraak in haar geheel in twijfel kunnen trekken. Vanwege de moeilijkheden bij de toepassing van deze rechtspraak dienen in elk geval enkele korte opmerkingen te worden gemaakt, ook al is de onderhavige procedure door partijen en andere betrokkenen niet als aanleiding gebruikt om de CILFIT-rechtspraak fundamenteel in twijfel te trekken.
104. De hierboven besproken CILFIT-criteria zijn wat hun concrete betekenis betreft dan wel zeer vaag, het is even moeilijk om op basis van het Verdrag een hanteerbaarder of objectiever „filtersysteem” te definiëren voor uitleggingsvragen die het Hof van Justitie moeten worden voorgelegd respectievelijk aan de nationale rechters moeten worden gelaten. Het voorstel van advocaat-generaal Jacobs in de zaak Wiener bijvoorbeeld, om de in het arrest CILFIT genoemde „voorwaarden” slechts toe te passen wanneer er een vraag van algemene betekenis is gerezen en er werkelijk behoefte bestaat aan een uniforme uitlegging(63), doelt weliswaar op het soort vragen waarvoor opheldering door het Hof van Justitie het meest nodig is, maar het lijkt mij echter dat de beoordeling van de betekenis van een vraag en van de behoefte aan een uniforme uitlegging voor het gemeenschapsrecht vanuit het gezichtspunt van de nationale rechter die in laatste instantie uitspraak doet, nog extra moeilijkheden oplevert en de beoordelingsmarge van de rechters nog meer in het vage laat.
105. Ook al zou het Hof van Justitie ertoe komen duidelijkere criteria te formuleren voor de verwijzingsplicht van rechters die in laatste instantie uitspraak doen, dan die in het arrest CILFIT, dan nog blijft het toelaten van de mogelijkheid van een zelfstandige beslissing over uitleggingsvragen voor rechters die in laatste instantie uitspraak doen, tot op zekere hoogte onvermijdelijk verbonden met een zekere beoordelingsmarge, dus met een subjectief element. De „juistheid” van een door deze nationale rechter als „buiten twijfel staand” opgevatte uitlegging blijkt uiteindelijk pas met zekerheid uit (de overeenstemming met) een eventueel arrest van het Hof van Justitie. Deze omstandigheid biedt des te minder houvast nu op grond van het arrest Köbler vaststaat dat de schending van de verwijzingsplicht van artikel 234, derde alinea, EG tot de elementen behoort die in aanmerking moeten worden genomen met betrekking tot de – door de bevoegde nationale rechterlijke instanties te beoordelen – vraag van de overheidsaansprakelijkheid voor schade die is veroorzaakt door een met het gemeenschapsrecht strijdige beslissing van een rechter die in laatste instantie uitspraak doet.(64)
106. Zou men derhalve, indien men de idee dat er steeds een beoordelingsmarge blijft bestaan consequent doortrekt, enerzijds mogelijkerwijs zelfs tot de opvatting kunnen komen, dat nationale rechters die in laatste instantie uitspraak doen tegen deze achtergrond uiteindelijk geen aansprakelijkheid moeten hebben, anderzijds is het als alternatief voor het CILFIT-systeem in de huidige of en in gewijzigde vorm denkbaar dat wordt teruggekeerd naar een onvoorwaardelijke verwijzingsplicht voor nationale rechters die in laatste instantie uitspraak doen.(65) Dit laatste niet in de laatste plaats tegen de achtergrond van het feit dat met de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 104, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof in de vereenvoudigde procedure bij gemotiveerde beschikking over een prejudiciële vraag te beslissen, op het niveau van het Hof van Justitie thans een „filtersysteem” ter beschikking staat dat in wezen een afspiegeling is van de Da Costa- en CILFIT-criteria.
107. Pragmatisch gezien dient echter te worden bedacht – ook al is dit niet beslissend – dat ook de vereenvoudigde behandeling van prejudiciële vragen door het Hof van Justitie in samenspraak met de nationale rechters proceduretijd vergt. Afgezien van alle bezwaren en principiële kritiek op het „CILFIT-systeem”, rijst bovendien nog de vraag of het Hof van Justitie zijn taak, de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en de toepassing van het Verdrag te verzekeren, in een Unie met 25 lidstaten en een gestadig groeiend acquis communautaire kan vervullen zonder ten minste binnen bepaalde grenzen op het – in de meest ware zin van het woord – oordeelsvermogen van de nationale rechters te vertrouwen, zelfs indien deze arbeidsverdeling in de praktijk moeilijkheden kan opleveren.
108. Ik zal derhalve hieronder onderzoeken hoe de in de procedure in het hoofdgeding gerezen vragen op basis van de bestaande CILFIT-rechtspraak moeten worden beantwoord.
iii) De bijzonderheden van het onderhavige geval – automatische verwijzingsplicht?
109. Bovenstaande uiteenzettingen dienen voor ogen te worden gehouden voor de beantwoording van de in het onderhavige geval gerezen vraag of er voor een nationale rechter die in laatste instantie uitspraak doet sprake kan zijn van een CILFIT-situatie van een uitlegging waaraan niet valt te twijfelen, wanneer door de nationale douaneautoriteiten van een andere lidstaat in een bindende tariefinlichting een uitlegging is gegeven die in strijd is met de opvatting van deze rechter. Volgens de Commissie dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord, terwijl de overige betrokkenen bij de procedure – zij het met verschillende nuances in de redenering – ervan uitgaan dat een dergelijke tariefinlichting niet automatisch meebrengt dat de nationale rechter twijfels dient te koesteren over de juiste uitlegging.
110. Om te beginnen moet worden aanvaard dat de „evidentie” van een juiste uitlegging niet in het algemeen wordt weerlegd door het feit dat er sprake is van „twee” interpretaties, omdat zoals ik hierboven heb uiteengezet een bepaling nooit „op zich” ondubbelzinnig en duidelijk kan zijn, maar de uitlegging altijd een meer of minder groot beslissings‑ of beoordelingselement, een subjectief moment dus, in zich draagt.
111. Het kan zijn dat de uitlegging van een nationale douaneautoriteit naar gelang van de redenering geschikt is de nationale rechter de ogen te openen voor een nieuwe zienswijze en hem daardoor aan de door hem gegeven uitlegging te doen twijfelen. Maar anderzijds kan het, zoals de Nederlandse regering heeft uiteengezet, vanuit de gezichtshoek van de nationale rechter die in laatste instantie uitspraak doet ook duidelijk zijn dat de uitlegging van de nationale douaneautoriteiten onjuist is, of dat deze zich heeft vergist.
112. Dit gaat vanzelfsprekend niet alleen op wanneer voor een nationale rechter sprake is van een afwijkende uitlegging van een nationale autoriteit, maar in beginsel ook in het geval van van elkaar afwijkende uitleggingen van nationale rechters. Voor de rechter die in laatste instantie uitspraak doet geldt overeenkomstig het arrest CILFIT evenwel het vereiste dat hij ervan overtuigd moet zijn dat de oplossing even evident zou zijn voor de rechterlijke instanties van de andere lidstaten en voor het Hof van Justitie.
113. Zoals ik hierboven heb uiteengezet gaat het daarbij weliswaar om de uitkomst van een „denkoefening” waarbij de rechter die in laatste instantie uitspraak doet „zich ervan moet vergewissen dat de oplossing deze toets kan doorstaan”; het gaat niet om een factor die door deze rechter inderdaad empirisch zou kunnen worden vastgesteld. Daartegenover staat dat mijns inziens althans in beginsel de oplossing niet „even evident” kan zijn „voor de rechterlijke instanties van de andere lidstaten”, wanneer de nationale rechter die in laatste instantie uitspraak doet, daadwerkelijk wordt geconfronteerd met een door een dergelijke rechter gegeven uitlegging die in strijd is met de uitlegging waaraan hij de voorkeur geeft.
114. In het onderhavige geval kan deze vraag echter open blijven. Ook de vraag of dit geldt voor alle soorten of alleen voor bepaalde soorten rechterlijke instanties van de overige lidstaten of in bepaalde omstandigheden zelfs voor rechterlijke instanties van dezelfde lidstaat, kan open blijven, omdat het hier hoe dan ook om een douaneautoriteit van een lidstaat gaat.
115. Het feit dat er een bindende tariefinlichting van een dergelijke autoriteit bestaat waarin een uitlegging van de GN wordt verdedigd waarmee de nationale rechter die in laatste instantie uitspraak doet, het niet eens is, hoeft mijns inziens niet ipso facto de overtuiging van deze rechter, dat de juiste uitlegging van de GN voor de rechterlijke instanties van de andere lidstaten even evident zou zijn, aan het wankelen te brengen.
116. In dit verband dient er ook op te worden gewezen dat het vereiste betreffende de evidentie voor de rechterlijke instanties van de andere lidstaten, in het dictum van het arrest CILFIT niet meer wordt herhaald, maar dat in plaats daarvan op het „gevaar van uiteenlopende rechtspraak binnen de Gemeenschap” wordt gewezen. Dit gevaar doet zich duidelijk voor wanneer een nationale rechter die in laatste instantie uitspraak doet, afwijkt of voornemens is af te wijken van een aan hem voorgelegd vonnis van een nationale rechter van een andere lidstaat. Daarentegen is in het geval van een tariefinlichting van een nationale douaneautoriteit van een lidstaat niet noodzakelijkerwijs gezegd dat bijvoorbeeld ook een nationale rechter van deze lidstaat het eens zou zijn met de uitlegging van de douaneautoriteit zodat – wanneer een nationale rechter van een andere lidstaat van deze uitlegging afwijkt – het gevaar van uiteenlopende rechtspraak zou bestaan. Men zou het ook aldus kunnen uitdrukken dat aan het discours over de uitlegging van het gemeenschapsrecht in het kader van het in artikel 234 EG gecreëerde systeem van samenwerking wordt deelgenomen door het Hof van Justitie en de nationale rechters, niet door de nationale overheidsautoriteiten.
117. Indien dus iemand zich voor een nationale rechter die in laatste instantie uitspraak doet, zoals in casu beroept op een bindende tariefinlichting van een nationale douaneautoriteit van een andere lidstaat, die niet overeenstemt met de door de nationale rechter die in laatste instantie uitspraak doet, juist geachte uitlegging van de GN, dan is deze rechter in ieder geval niet automatisch verplicht het Hof van Justitie een vraag te stellen over de uitlegging van de GN. Hij dient veeleer zelf te beoordelen of de juiste uitlegging van de GN voor hem „evident” kan zijn. De uitlegging in de bindende tariefinlichting en de argumenten waarop deze eventueel is gebaseerd, kunnen daarbij de evidentie voor de rechter – zoals overigens alle andere in verband met de betrokken uitleggingsvraag relevante informatie – versterken of afzwakken.
118. Het concept van de scheiding der machten dat door de Oostenrijkse regering ter sprake werd gebracht, speelt in de onderhavige samenhang strikt genomen geen rol, omdat het immers niet om binding van een nationale rechter aan een rechtsopvatting van een nationale autoriteit gaat, maar enkel om de vraag in hoeverre deze – andere – rechtsopvatting een verplichting meebrengt om de gerezen uitleggingsvraag voor een – onafhankelijke – beslissing aan het Hof van Justitie voor te leggen.
119. Volledigheidshalve dient nog te worden ingegaan op het – met de prejudiciële procedure van artikel 234 EG en in het bijzonder met de in de derde alinea van deze bepaling neergelegde verwijzingsplicht – nagestreefde doel om de eerbiediging van de uniforme uitlegging en toepassing van het gemeenschapsrecht te verzekeren, waarop enkele betrokkenen bij de procedure op goede gronden hebben gewezen.
120. Hierover is in het algemeen op te merken dat een volledige uniformiteit alleen dan kan worden gewaarborgd wanneer werkelijk elke (belangrijke) uitleggingsvraag die voor een nationale rechter die in laatste instantie uitspraak doet rijst, aan het Hof van Justitie zou moeten worden voorgelegd. Maar zelfs dan zou het systeem niet perfect zijn zolang – zoals overeenkomstig vaste rechtspraak het geval is – de nationale rechter het belang van een vraag over het gemeenschapsrecht voor het nationale hoofdgeding zelf mag beoordelen(66), want ook deze beoordeling veronderstelt weer een bepaalde voorstelling van de inhoud en de werkingssfeer van een gemeenschapsrechtelijke bepaling waarop bijvoorbeeld een partij zich heeft beroepen.(67)
121. Elke arbeidsverdeling tussen het Hof van Justitie en de nationale rechters in het kader van de gemeenschappelijke rechtsbescherming heeft dus in zekere zin gevolgen voor de mate van uniformiteit van de uitlegging en de toepassing van gemeenschapsrecht, de vraag is alleen waar en hoe men overeenkomstig de vereisten van het Verdrag en op basis van de CILFIT-rechtspraak de grenzen trekt.
122. Op de hierboven uiteengezette gronden sta ik in casu derhalve op het standpunt dat het feit dat er een bindende tariefinlichting van een nationale douaneautoriteit van een andere lidstaat bestaat, een nationale rechter die in laatste instantie uitspraak doet, niet de mogelijkheid ontneemt om in de zin van de CILFIT-rechtspraak de voor hem gerezen uitleggingsvraag op eigen verantwoordelijkheid te beantwoorden.
iv) Verwijzingsplicht op grond van het gelijkheidsbeginsel?
123. Ten slotte werd door Intermodal aangevoerd dat op grond van het gelijkheidsbeginsel de GN op gelijke gevallen op dezelfde wijze moet worden toegepast en dat de nationale rechter derhalve in ieder geval niet van de bindende tariefinlichting mag afwijken zonder het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing te verzoeken, ter verzekering van de gelijke en uniforme toepassing van de GN.
124. Om te beginnen ligt het in de aard van een individuele rechtshandeling zoals de bindende tariefinlichting, dat in beginsel uitsluitend degene voor wie de rechtshandeling is bestemd zich daarop kan beroepen. Daarmee kan vanzelfsprekend niet worden uitgesloten dat ten aanzien van een derde anders wordt beslist dan in die rechtshandeling is gebeurd, en er zo gezien het gevaar bestaat dat een derde ten opzichte van degene die een bepaalde bindende tariefinlichting heeft verkregen wat de indeling van zijn goederen betreft „ongelijk” wordt behandeld. Aan de andere kant had de gemeenschapswetgever de nationale douaneautoriteiten kunnen belasten met het uitvaardigen van algemeen bindende tariefinlichtingen, waarop dus alle personen die in een lidstaat desbetreffende goederen aangeven, zich kunnen beroepen. Dergelijke algemeen geldige tariefinlichtingen zouden echter gelijkstaan aan een indelingsverordening die alleen door de Commissie mag worden vastgesteld en ten aanzien waarvan het ook niet verstandig is om de vaststelling te decentraliseren of aan afzonderlijke nationale douaneautoriteiten over te dragen.
125. De bindende tariefinlichtingen in hun huidige vorm verhogen ten minste de rechtszekerheid en dragen – middels de door de Commissie te treffen maatregelen, zoals de vaststelling van een indelingsverordening – bij aan een grotere uniformiteit in de toepassing van het communautaire douanerecht, ook al wordt deze niet volledig gewaarborgd.
126. Ik ga er derhalve vooralsnog niet van uit – doch deze vraag werd in casu ook niet aldus gesteld – dat het bestaande mechanisme van de bindende tariefinlichting als zodanig het gelijkheidsbeginsel schendt.
127. Voorzover dit systeem – althans tijdelijk – ongelijkheden, bijvoorbeeld vanwege uiteenlopende uitleggingen door een nationale douaneautoriteit en door een nationale rechter, toelaat, denk ik echter in elk geval niet dat dit een reden kan vormen voor een wijziging van de omvang van de verwijzingsplicht van de nationale rechters die in laatste instantie uitspraak doen, zoals deze in artikel 234, derde alinea, EG is neergelegd en in de CILFIT-rechtspraak is uitgelegd.(68)
v) Gevolgtrekkingen voor het onderhavige geval op basis van de CILFIT-rechtspraak
128. Gelet op een en ander, kan tegen de achtergrond van de CILFIT-rechtspraak met betrekking tot de eerste prejudiciële vraag het volgende worden vastgesteld:
1. Indien een belanghebbende in een geding voor een nationale rechter die in laatste instantie uitspraak doet, over de indeling van een bepaald goed in de GN, zich beroept op de opvatting van een nationale douaneautoriteit in een aan een derde verstrekte bindende tariefinlichting voor een vergelijkbaar/soortgelijk goed, dan is deze rechter, wanneer hij een andere dan de in deze bindende tariefinlichting tot uitdrukking komende uitlegging van de GN juist acht, niet automatisch verplicht het Hof van Justitie een vraag over de uitlegging van de GN voor te leggen.
2. De betrokken nationale rechter die in laatste instantie uitspraak doet mag de gerezen vraag over de uitlegging van de GN op eigen verantwoordelijkheid beantwoorden indien de juistheid van door hem verdedigde uitlegging, ongeacht de andere opvatting van de nationale douaneautoriteit, voor hem evident is.
3. Daarbij moet hij echter de kenmerken van het gemeenschapsrecht en de bijzondere moeilijkheden bij de uitlegging ervan voor ogen houden en – eventueel rekening gehouden met de uitlegging en de argumenten in de bindende tariefinlichting die haar funderen – tot de overtuiging komen dat de uitlegging van de GN voor de rechters van de andere lidstaten en voor het Hof van Justitie even evident zou zijn.
4. Het gelijkheidsbeginsel doet niet af aan de aldus vastgestelde omvang van de verwijzingsplicht van nationale rechters die in laatste instantie uitspraak doen.
B – Tweede vraag
129. Met de tweede prejudiciële vraag wordt gevraagd of GN-post 8709 aldus moet worden uitgelegd dat daaronder voertuigen vallen met eigenschappen en kenmerken zoals die van de voertuigen die in het onderhavige geval aan de orde zijn.
1. Voornaamste argumenten van partijen en de andere betrokkenen
130. De Commissie, de Nederlandse regering en Intermodal hebben opmerkingen ingediend over de vraag naar de tariefindeling.
131. De Commissie meent dat in het onderhavige geval vooral de passage in de GS-toelichtingen bij post 8709 beslissend is waarin is gesteld dat „Trekkers van deze soort in havens, opslagplaatsen, enzovoort” worden gebruikt; het gebruiksdoel is volgens vaste rechtspraak een objectief tariefindelingscriterium. De Commissie wijst erop dat de betrokken voertuigen specifiek zijn ontworpen voor de behandeling van trailers in distributiecentra en grootwarenhuizen. De Nederlandse regering sluit zich grotendeels aan bij de opvatting van het Gerechtshof en bij de uiteenzettingen van de advocaat-generaal in het hoofdgeding, volgens welke voertuigen zoals die waar het in casu om gaat, niet onder GN-post 8709 kunnen worden ingedeeld. Volgens de advocaat-generaal heeft deze post enerzijds betrekking op een specifiek soort voertuigen die zelf goederen vervoeren en anderzijds op een specifiek soort trekkers. Aangezien de hefschotel van de betrokken voertuigen enkel dient ter aankoppeling van opleggers, gaat het niet om voertuigen voor het vervoer van goederen in de zin van de GS‑toelichtingen bij post 8709. Evenmin kan het gaan om trekkers in de zin van deze post omdat deze zonder uitzondering voor het trekken van kleine aanhangers of perronwagentjes worden gebruikt, waarvoor de betrokken voertuigen niet geschikt zijn. Volgens Intermodal pleit tegen indeling onder GN‑post 8709 enkel het feit dat de betrokken voertuigen niet minder sterk zijn dan trekkers waarop GN-post 8701 van toepassing is. Aangezien dit onderscheid volgens de tekst van de GS‑toelichtingen enkel in het algemeen bestaat, staat deze factor al met al niet in de weg aan indeling onder GN‑post 8709.
2. Beoordeling
132. Om te beginnen dient te worden herinnerd aan de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, volgens welke in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in beginsel moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in de tekst van de GN-posten en in de aantekeningen bij de afdelingen of hoofdstukken zijn omschreven.(69)
133. De GN-toelichtingen van de Commissie en de GS-toelichtingen van de Internationale Douaneraad dragen bovendien aanzienlijk bij aan de uitlegging van de draagwijdte van de verschillende tariefposten, zonder echter rechtens bindend te zijn.(70)
134. Om te beginnen dient te worden vastgesteld dat de GN in post 8701 in het algemeen betrekking heeft op „trekkers”; waarbij men, zoals uit de desbetreffende GS-toelichtingen blijkt, bijvoorbeeld dient te denken aan landbouwtractoren, maar ook aan andere, bijvoorbeeld industrieel gebruikte trekkers die bedoeld zijn voor het trekken van de meest uiteenlopende lasten en die hoogstens zijn voorzien van een laadbord van bijkomstige betekenis; zij kunnen voorts zijn voorzien van een bestuurderscabine en van een hefsysteem voor de aankoppeling van werktuigen of van lasten.
135. Daarvan te onderscheiden zijn de zogeheten „transportwagens” die overeenkomstig het opschrift bij GN-post 8701 een eigen, van de categorie trekkers uitgezonderde categorie vormen onder GN-post 8709, die wederom verschillende soorten „transportwagens en trekkers” omvat.
136. Op basis van de GS-toelichtingen bij GN-post 8709 moet worden vastgesteld dat het bij de onder deze post vallende transportwagens algemeen gesproken om een soort „kleine” trekkers gaat zoals die welke in fabrieken, opslagplaatsen, op haventerreinen of stations wordt gebruikt. Zij zijn van andere trekkers te onderscheiden onder andere door hun geringe snelheid, gewoonlijk niet meer dan 30 tot 35 km/u, en door hun kleine draaicirkel. Trekkers in deze zin hebben voorts gewoonlijk geen bestuurderscabine en zelfs trekkers die door een bestuurder te voet worden bestuurd, vallen daaronder.
137. Zoals de Nederlandse regering heeft opgemerkt, hebben de GS‑toelichtingen bij GN-post 8709 enerzijds betrekking op transportwagens die zelf over een draagplatform of laadbak beschikken waarop of waarin goederen kunnen worden vervoerd, en anderzijds op trekkers van het soort dat op stations maar ook bijvoorbeeld in havens en opslagplaatsen wordt gebruikt voor het trekken van kleine aanhangers. Daar de voertuigen waar het in casu om gaat, volgens de beschrijving van de verwijzende rechter enkel over een hefschotel beschikken die dient voor het aankoppelen van opleggers, lijkt als type‑referentie niet de transportwagen waarop zelf goederen kunnen worden vervoerd geëigend, maar de trekker van laatstbedoelde soort.
138. In casu is echter van belang dat in verband met dergelijke trekkers in de GS-toelichtingen „kleine aanhangers” resp. „perronwagentjes” worden genoemd. Bovendien wordt erop gewezen dat trekkers in de zin van GN-post 8709 over het algemeen lichter en minder krachtig zijn dan trekkers van GN-post 8701.
139. Voertuigen zoals die welke in casu aan de orde zijn, vertonen echter onder andere de volgende kenmerken: zij zijn, zoals Intermodal zelf heeft vermeld, even krachtig als trekkers in de zin van GN-post 8701, beschikken over een gesloten bestuurderscabine en dienen niet – zoals trekkers van [GN-post 8709] – voor het vervoer van kleine aanhangers zoals perronwagentjes, maar voor het vervoer van trailers of opleggers, waarbij het zelfs om zogenoemde mega- of jumbotrailers kan gaan.
140. Een voertuig met deze kenmerken voldoet niet aan het profiel van de „kleinere” transportwagens of trekkers van GN-post 8709, zoals ik dat hierboven op basis van de GS-toelichtingen heb geschetst.
141. Derhalve dient op de tweede prejudiciële vraag te worden geantwoord, dat GN-post 8709 aldus moet worden uitgelegd dat voertuigen met de eigenschappen en kenmerken als die van de betrokken voertuigen niet daaronder vallen.
V – Conclusie
142. Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
1. In een procedure voor een nationale rechter waarin een belanghebbende zich op de indeling beroept die in een door de douaneautoriteiten van een andere lidstaat voor een vergelijkbaar goed aan een derde verstrekte bindende tariefinlichting is gegeven, welke indeling volgens de nationale rechter niet in overeenstemming is met de GN,
– is een nationale rechter wiens beslissingen naar nationaal recht vatbaar zijn voor hoger beroep, niet verplicht het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing over de uitlegging of – aangezien het bij een bindende tariefinlichting niet om een handeling van een gemeenschapsinstelling gaat – over de geldigheid te verzoeken,
– is een nationale rechter wiens beslissingen naar nationaal recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, niet automatisch verplicht om het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de uitlegging van de GN, wanneer hij van oordeel is dat een andere dan de in de bindende tariefinlichting tot uitdrukking komende uitlegging van de GN juist is. De rechter die in laatste instantie uitspraak doet, mag de over de uitlegging van de GN gerezen vraag op eigen verantwoordelijkheid beantwoorden, indien de juistheid van de door hem verdedigde uitlegging niettegenstaande de andere opvatting van de nationale douaneautoriteiten voor hem evident is. Daarbij moet hij echter de kenmerken van het gemeenschapsrecht en de bijzondere moeilijkheden bij de uitlegging ervan voor ogen houden en – eventueel onder inaanmerkingneming van de uitlegging en de argumenten in de bindende tariefinlichting waarop deze is gebaseerd – tot de overtuiging komen dat die uitlegging even evident zou zijn voor de rechterlijke instanties van de andere lidstaten en voor het Hof van Justitie.
2. GN-post 8709 dient aldus te worden uitgelegd, dat voertuigen met eigenschappen en kenmerken als die van de betrokken voertuigen niet daaronder vallen.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – PB L 256, blz. 1.
3 – Verordening tot wijziging van bijlage I van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 292, blz. 1).
4 – Geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen op basis van het internationale verdrag van 14 juni 1983 dat door de Gemeenschap bij besluit 87/369/EEG van de Raad van 7 april 1987 inzake de sluiting van het internationaal verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, alsmede van het daarbij behorende protocol van wijziging (PB L 198, blz. 1) is goedgekeurd.
5 – PB L 302, blz. 1.
6 – Verordening tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1997, L 17, blz. 1).
7 – Verordening houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253, blz. 1).
8 – Verordening tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1997, L 9, blz. 1).
9 – Arrest van 22 oktober 1987, Foto-Frost (314/85, Jurispr. blz. 4199).
10 – Arrest van 6 oktober 1982, CILFIT e.a. (283/81, Jurispr. 1982, blz. 3415).
11 – Onder andere arresten van 10 april 1984, Von Colson en Kamann (14/83 Jurispr. blz. 1891, punt 26); 12 juni 1990, Duitsland/Commissie (C‑8/88, Jurispr. blz. I‑2321, punt 13), en 13 januari 2004, Kühne & Heitz (C‑453/00, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 20).
12 – Zie reeds arrest van 5 februari 1963, Van Gend en Loos (26/62, Jurispr. blz. 3, punt 16).
13 – Zie o.a. arresten van 7 oktober 2004, Sintesi (C‑247/02, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 21); 18 maart 2004, Siemens en ARGE Telekom (C‑314/01, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 33); 16 juli 1992, Lourenço Dias (C‑343/90, Jurispr. blz. I‑4673, punt 14); 27 oktober 1982, Elestina (35/82 en 36/82, Jurispr. blz. 3723, punt 8), en 24 mei 1977, Hoffmann-La Roche (107/76, Jurispr. blz. 957, punt 5).
14 – Onder andere arresten van 4 juni 2002, Lyckeskog (C‑99/00, Jurispr. blz. I‑4839, punt 14) en 4 november 1997, Parfums Christian Dior (C‑337/95, Jurispr. blz. I‑6013, punt 25), alsmede arrest Hoffmann-La Roche (aangehaald in voetnoot 13, punt 5).
15 – Zie arrest van 27 maart 1963, Da Costa (28/62–30/62, Jurispr. blz. 60), en arrest CILFIT (aangehaald in voetnoot 10, punt 14), alsmede arrest Parfums Christian Dior (aangehaald in voetnoot 14, punt 29).
16 – Arrest CILFIT (aangehaald in voetnoot 10, punten 16 en 21).
17 – Arrest Foto-Frost (aangehaald in voetnoot 9, punt 20).
18 – Zie arrest Foto-Frost (aangehaald in voetnoot 9, punten 15 en 17).
19 – Zie arrest Foto-Frost (aangehaald in voetnoot 9, punt 14).
20 – Zie supra, punt 39.
21 – Arresten van 21 februari 1991, Zuckerfabrik Süderdithmarschen en Zuckerfabrik Soest (C‑143/88 en C‑92/89, Jurispr. blz. I‑415, punt 33); 9 november 1995, Atlanta Fruchthandelsgesellschaft e.a. (C‑465/93, Jurispr. blz. I‑3761, punt 30), alsmede 17 juli 1997, Krüger (C‑334/95, Jurispr. blz. I‑4517, punt 44).
22 – Arrest Zuckerfabrik Süderdithmarschen en Zuckerfabrik Soest (aangehaald in voetnoot 21, punt 23).
23 – De tot nog toe door het Hof van Justitie niet beantwoorde vraag of, resp. in hoeverre de CILFIT-rechtspraak eventueel ook kan worden toegepast op geldigheidsvragen, is aan de orde in de thans bij het Hof van Justitie aanhangige zaak Gaston Schul Douane, C‑461/03 (PB C 7 van 19 januari 2004, blz. 24). In dat verzoek om een prejudiciële beslissing stelt het College van Beroep voor het bedrijfsleven namelijk de vraag in hoeverre een rechter in laatste instantie de mogelijkheid heeft bepalingen van een (gemeenschapsrechtelijke) verordening buiten toepassing te laten, zonder de gerezen vraag over de geldigheid van deze bepalingen aan het Hof van Justitie voor te leggen voor een prejudiciële beslissing, wanneer het Hof van Justitie overeenkomstige bepalingen van een vergelijkbare verordening reeds ongeldig heeft verklaard.
24 – In het onderhavige geval is er geen sprake van een arrest van het Hof van Justitie in een gelijksoortig geval over de GN-indeling in de zin van het arrest Da Costa, waardoor de „grond” voor de verplichting die op de rechter rust die in laatste instantie uitspraak doet, om de bij hem gerezen vraag over de uitlegging van de GN naar het Hof van Justitie te verwijzen, uitzonderlijkerwijs zou komen te vervallen. Zie supra punt 44, en arresten Da Costa (aangehaald in voetnoot 15) en Parfums Christian Dior (aangehaald in voetnoot 14, punt 29).
25 – Zie artikelen 4, punt 5, en 12, lid 1, van het douanewetboek.
26 – Arrest van 29 januari 1998, Lopex (C‑315/96, Jurispr. blz. I‑317, punt 19).
27 – Zie arrest Foto-Frost (aangehaald in voetnoot 9, punt 16), en arresten van 23 april 1986, Les Verts/Parlement (294/83, Jurispr. blz. 1339, punt 23); 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultures (C‑50/00 P, Jurispr. blz. I‑6677, punt 40), en 1 april 2004, Jégo-Quéré (C‑263/02, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 30).
28 – Zie o.a. arresten van 21 maart 2000, Greenpeace e.a. (C‑6/99, Jurispr. blz. I‑1651, punt 53), en 25 oktober 1972, Hägeman/Commissie (96/71, Jurispr. blz. 1005, punten 9‑13).
29 – Arrest van 18 oktober 1990 (297/88 en C‑197/89, Jurispr. blz. I‑3763).
30 – Zie bijvoorbeeld ook arresten van 17 juli 1997, Giloy (C‑130/95, Jurispr. blz. I‑4291), en 7 januari 2003, BIAO (C‑306/99, Jurispr. blz. I‑1, met name punten 87 e.v.).
31 – Zie in dit verband expliciet arrest Dzodzi (aangehaald in voetnoot 29, punt 42).
32 – Zie arrest van 22 januari 2004, Timmermans (C‑133/02 en C‑134/02, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 21‑24).
33 – Zie bijvoorbeeld arrest van 17 mei 2001, Hewlett Packard (C‑199/99, Jurispr. blz. I‑3981); zie ook het arrest Greenpeace e.a. (aangehaald in voetnoot 28, punt 55).
34 – Arrest CILFIT (aangehaald in voetnoot 10, punten 2‑4).
35 – Arrest CILFIT (aangehaald in voetnoot 10, punten 16 en 21).
36 – Ibidem.
37 – Arrest CILFIT (aangehaald in voetnoot 10, punt 17).
38 – Zie arrest CILFIT (aangehaald in voetnoot 10, punten 18‑20).
39 – Zie hierover Bebr, „The Rambling Ghost of ‚Cohn-Bendit’: Acte Clair and the Court of Justice”, Common Market Law Review 20/1983, 439 (466 e.v. en 471); Rasmussen, „The European Court’s Acte Clair Strategy in C.I.L.F.I.T. (Or: Acte Clair, of Course! But What does it Mean?)”, EL Rev 342/1984, 342 (256 e.v.); Mancini/Keeling, „From CILFIT to ERT: the Constitutional Challenge facing the European Court”, Y.E.L. 11/1991, 1 (4).
40 – Zie Lenaerts/Arts, Europees Procesrecht, 2003, blz. 88.
41 – Arrest CILFIT (aangehaald in voetnoot 10, punt 16).
42 – Zie conclusie van advocaat-generaal Capotorti van 13 juli 1982 in zaak CILFIT (arrest aangehaald in voetnoot 10, punt 4); voor een discussie over de betekenis van deze doctrine, zie Bebr (aangehaald in voetnoot 39, blz. 440 e.v.).
43 – Volgens vaste rechtspraak wordt deze taakverdeling aldus omschreven dat het Hof van Justitie zich beperkt tot de uitlegging van relevante gemeenschapsrechtelijke voorschriften, terwijl het aan de nationale rechter is voorbehouden om de aldus uitgelegde normen op het concrete geval toe te passen: zie o.a. arrest Da Costa (aangehaald in voetnoot 15, blz. 81), alsmede arresten van 7 november 2002, Lohmann e.a. (C‑260/00–C‑263/00, Jurispr. blz. I‑10045, punten 26‑28); 10 mei 2001, Agorà en Excelsior (C‑223/99 en C‑260/99, Jurispr. blz. I‑3605, punten 23 en 24), en 12 februari 1998, Louisette Cordelle (C‑366/96, Jurispr. blz. I‑583, punt 8).
44 – Deze ambivalentie komt ook reeds naar voren in de argumenten van partijen in de zaak CILFIT. Enerzijds werd aangevoerd dat volledig duidelijke bepalingen waarover geen twijfel bestaat, niet behoefden te worden uitgelegd, resp. geen „uitleggingsvragen” zouden doen rijzen en dus niet onder de verwijzingsplicht van artikel 234, derde alinea, EG vielen. Anderzijds werd aangevoerd dat ook duidelijke bepalingen in zekere mate moeten worden uitgelegd, maar dat de verwijzingsplicht enkel betrekking heeft op bepalingen waarvan de uitlegging onzeker is, resp. „werkelijke en echte problemen” meebrengt: zie ook supra, punt 78, en de uiteenzettingen van partijen in de zaak CILFIT (aangehaald in voetnoot 10, blz. 3420 e.v.).
45 – Conclusie van advocaat-generaal Capotorti bij arrest CILFIT (aangehaald in voetnoot 42, arrest aangehaald in voetnoot 10, punt 4); vgl. ook Pescatore, „Interpretation of Community Law and the Doctrine of ‚Acte Clair’” in: Legal Problems of an Enlarged European Community, 1972, 27 (41 en 43 e.v.).
46 – Zie supra, punt 78, en arrest CILFIT (aangehaald in voetnoot 10, punten 2 en 3).
47 – Arrest CILFIT (aangehaald in voetnoot 10, punt 16).
48 – Over de achtergrond van het arrest CILFIT zie voorts de uiteenzettingen van advocaat-generaal Tizzano in zijn conclusie van 21 februari 2002 in zaak C‑99/00 (arrest aangehaald in voetnoot 14, punten 56 e.v.).
49 – Vgl. Bebr (aangehaald in voetnoot 39, blz. 469).
50 – Zie reeds advocaat-generaal Capotorti in zijn conclusie bij arrest CILFIT (aangehaald in voetnoot 42, arrest aangehaald in voetnoot 10, punt 9); zo ook: Pescatore (aangehaald in voetnoot 45, blz. 42).
51 – Zie hierover infra, punten 116 e.v.
52 – Kritisch over deze veronderstelling en met vele voorbeelden Wattel, „Köbler, Cilfit and Welthgrove: We Can’t Go On Meeting Like This”, CML Rev. 2004, 177 (179).
53 – Zie conclusie van advocaat-generaal Jacobs van 10 juli 1997 bij arrest van 20 november 1997, Wiener (C‑338/95, Jurispr. blz. I‑6495, punt 65), en die van advocaat-generaal Tizzano bij arrest C‑99/00 (arrest aangehaald in voetnoot 14, punt 75).
54 – In die zin Rasmussen (aangehaald in voetnoot 39, blz. 242).
55 – Natuurlijk strookt het met de ervaring van elke rechtspracticus, dat er bepalingen zijn waarvan de betekenis onmiddellijk duidelijk lijkt te zijn of na een uitleggingsproces althans duidelijk de voorkeur verdient of zelfs redelijkerwijze de enige mogelijke lijkt te zijn. Het probleem is echter – en precies dit probleem ligt ook ten grondslag aan het arrest CILFIT – dat het uitleggingsproces aan de hand waarvan een rechter tot zijn conclusie komt, niet kan worden geobjectiveerd – en derhalve ook niet vooraf kan worden bepaald.
56 – Pierre Pescatore heeft het in „Das Vorabentscheidungsersuchen – Die Entwicklung des Systems“ in: 1952 – 2002: Fünfzigjähriges Bestehen des Gerichtshofes der Europäischen Gemeinschaften (Kolloquium über die Zusammenarbeit zwischen dem Gerichtshof und den nationalen Gerichten), 3 december 2002, 17 (27), aldus uitgedrukt „dass in der normativen Welt, in der wir leben, nichts völlig klar ist, da alle Rechtsbegriffe von der Polysemie eines Systems erfasst werden, das ständig in Bewegung ist”.
57 – Dit ligt in het wezen van het recht zelf verankerd, dat naar zijn aard aan de mogelijkheden van de verbale expressie is gebonden en derhalve even vaag en onvolmaakt is als de taal zelf. Inzicht in het recht is dan ook geen „objectief inzicht” in de zin van de natuurwetenschappen (waarbij dit begrip zelfs in natuurwetenschappelijk verband met omzichtigheid moet worden gebruikt). Rechtspraak is dus praktisch nooit een zuiver kennis‑ of een mechanisch deductief proces maar impliceert ook een beslissingselement, zoals ook heel toepasselijk tot uitdrukking komt in de formule „hat für Recht erkannt”/„dit pour droit”/„verklaart voor recht”. Zie hierover Larenz en Canaris, Methodenlehre der Rechtswissenschaft; 3. Auflage 1995, 28 e.v.; Schübel-Pfister, Sprache und Gemeinschaftsrecht: die Auslegung der mehrsprachig verbindlichen Rechtstexte durch den Europäischen Gerichtshof, 2004, 112 e.v.
58 – Zie ook arrest CILFIT (aangehaald in voetnoot 10, punt 20).
59 – Weliswaar kunnen aanvaardbare uitleggingsmethoden worden genoemd, zoals het Hof deze in het arrest CILFIT voor het gemeenschapsrecht heeft opgenoemd, doch ook de toepassing van deze methoden leidt strikt genomen niet tot één enkel juist resultaat. Zelfs indien een rangorde van de verschillende uitleggingscriteria wordt aanvaard, is een zekere beoordelingsmarge onvermijdelijk. Het uitgangs- en – maar hierover is men het binnen de rechtsmethodologie niet eens – het eindpunt van de uitlegging zal in het algemeen de verbale tekst zijn, waarin het recht wordt uitgedrukt, maar daartussen ligt een breed veld met verschillende te volgen wegen. Wie deze vaststellingen niet reeds uit methodologische of (rechts-)epistemologische gronden wil aanvaarden, moest op zijn minst erkennen dat de uitlegging – vooral in het gemeenschapsrecht – een proces met vele variabelen vormt, zodat er een grote kans bestaat dat twee rechters, zelfs wanneer zij zeer nauwgezet rekening houden met de kenmerken van het gemeenschaprecht en de desbetreffende uitleggingsmethoden, tot uiteenlopende uitleggingsresultaten komen.
60 – Op deze lijn heeft bijvoorbeeld Pescatore in verband met de „acte clair”-doctrine er terecht op gewezen dat de vaststelling door een rechter dat er sprake is van een „duidelijk” rechtsvoorschrift, eigenlijk een middel is om een discussie over de uitlegging te beëindigen en daarin een beslissing te nemen, waarbij de rechter in feite eenvoudigweg zijn eigen uitlegging van dit rechtsvoorschrift toepast: zie Pescatore (aangehaald in voetnoot 45, blz. 41).
61 – Zie ook advocaat-generaal Tizzano in zijn conclusie bij arrest C‑99/00 (arrest aangehaald in voetnoot 14, punt 75).
62 – Zie Timmermans, „Over de prejudiciële procedure en ‚acte clair’”, in: Mok-aria: opstellen aangeboden aan prof. mr. M. R. Mok ter gelegenheid van zijn 70e verjaardag, 2002, 349 (354); Dauses, Vorabentscheidungsverfahren, 2. Auflage 1995, 113; Holoubek, „Vorlageberechtigung und Vorlageverpflichtung“ in: Das EuGH-Verfahren in Steuersachen, 2000, 45 (61).
63 – Conclusie van advocaat-generaal Jacobs in zaak C‑338/95 (aangehaald in voetnoot 53, punt 64).
64 – Arrest van 30 september 2003, Köbler (C‑224/01, Jurispr. blz. I‑10239, punt 55); kritisch daarover: Wattel (aangehaald in voetnoot 52, 177 (178 e.v.).
65 – En de „filtering” van uitleggingsvragen dus volledig aan het Hof van Justitie over te laten.
66 – Zie arrest CILFIT (aangehaald in voetnoot 10, punt 10), en o.a. arresten van 28 juni 1984, Moser (180/83, Jurispr. blz. 2539, punt 6); 5 oktober 1988, Alsatel (247/86, Jurispr. blz. 5987, punt 8); 27 oktober 1993, Enderby (C‑127/92, Jurispr. blz. I‑5535, punt 10); 2 juni 1994, AC‑ATEL Electronics (C‑30/93, Jurispr. blz. I‑2305, punt 19), en 15 december 1995, Bosman (C‑415/93, Jurispr. blz. I‑4921, punt 59).
67 – Zo mag evenmin over het hoofd worden gezien dat ook arresten, waarvan juist het arrest CILFIT het bewijs vormt, moeten worden uitgelegd – de toepasselijkheid resp. de betekenis is vaak het beslissende punt bij de oplossing van gemeenschapsvragen – en dat derhalve ook in het geval van een „acte éclairé” soms een aanzienlijke beoordelingsmarge overblijft voor de nationale rechter. Zie hierover Kanninen, „La marge de manoeuvre de la juridiction suprême nationale pour procéder à un renvoi préjudiciel à la Cour de justice des Communautés européennes” in: Colneric e.a. (ed.), Une communauté de droit: Festschrift für Gil Carlos Rodríguez Iglesias, 2003, 611 (616).
68 – Hetzelfde geldt overigens – men zou kunnen zeggen, pas echt – met betrekking tot de vraag naar de verwijzingsplicht van nationale rechters die niet in laatste instantie uitspraak doen.
69 – Zie o.a. arrest van 7 februari 2002, Turbon International (C‑276/00, Jurispr. blz. I‑1389, punt 21), en arrest Lohmann e.a. (aangehaald in voetnoot 43, punt 30).
70 – Zie arrest van 28 april 1999, Mövenpick Deutschland (C‑405/97, Jurispr. blz. I‑2397, punt 18).
Full & Egal Universal Law Academy