CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
D. RUIZ-JARABO COLOMER
van 25 mei 2005 1(1)
Zaak C‑515/03
Eichsfelder Schlachtbetrieb GmbH
tegen
Hauptzollamt Hamburg-Jonas
[Verzoek van het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Landbouw – Uitvoerrestituties – Toekenningsvoorwaarden – Invoer van product in land van bestemming – Begrip – Ingrijpende be‑ of verwerking en wederinvoer van product – Rechtsmisbruik”
I – Inleiding
1. Deze prejudiciële verwijzing heeft betrekking op een goed dat is uitgevoerd naar een derde land, waarbij douane‑ en invoerrechten zijn betaald, en dat na een onomkeerbare verwerking korte tijd later weer in de Gemeenschap is ingevoerd, waarbij die rechten zijn terugbetaald. De verwijzende rechter wenst te vernemen, of daarbij sprake is van echte „invoer” in het derde land in de zin van artikel 17, lid 3, van verordening (EEG) nr. 3665/87(2) en of er derhalve een recht op een uitvoerrestitutie bestaat.
2. Het arrest dat het nauwste verband houdt met deze kwestie is het arrest van 17 oktober 2000, Roquette Frères.(3) Zoals ik hierna nog zal uiteenzetten, is dat arrest in casu echter niet van toepassing.
II – De feiten en het hoofdgeding
3. Bij beschikking van 1 februari 1996 kende het organisme dat in Duitsland is belast met het beheer van de betalingen van het EOGFL, het Hauptzollamt Hamburg-Jonas (hierna: „Hauptzollamt”), verweerder in het hoofdgeding, de vleeswarenproducent Eichsfelder Schlachtbetrieb GmbH (hierna: „Eichsfelder”), verzoekster in het hoofdgeding, op haar verzoek een gedifferentieerde uitvoerrestitutie van 36 653,23 DEM (18 740,50 EUR) toe voor de uitvoer van 20 135 kg rundvlees zonder been naar Polen, dat toen nog een derde land was.
4. Als bewijs dat de goederen in het land van bestemming in het vrije verkeer waren gebracht, legde verzoekster overeenkomstig artikel 16, lid 1, juncto artikel 18, lid 1, sub a, van verordening nr. 3665/87 een voor eensluidend verklaard afschrift over van een douanedocument van 30 december 1995 waaruit bleek dat zij het uitgevoerde vlees voordien had verkocht aan Appelt GmbH, gevestigd te Cottbus (Duitsland).
5. Bij onderzoek door de bevoegde inspectie, het Zollfahndungsamt Hannover, kwam het volgende aan het licht:
Het rundvlees was in Polen verwerkt tot rolladen, waarbij telkens één schijf rundvlees, één of twee schijven buikspek, uien, augurken en mosterd samen werden ingekookt. Deze rolladen zijn, met heffing van de gewone communautaire invoerrechten, weer in Duitsland ingevoerd op grond van een overeenkomst van 3 oktober 1995 tussen Appelt GmbH (importeur) en twee Poolse partners.
Overeenkomstig § 3, sub 6, van de overeenkomst diende een van deze partners onder overlegging van de kwitantie en de relevante uitvoerdocumenten op 7 februari 1996 een verzoek in tot teruggave van de betaalde douanerechten.
Het douanekantoor te Torun (Polen) willigde het verzoek om teruggave van de douanerechten in.
6. Op 27 oktober 1999 vorderde het Hauptzollamt de eerder toegekende uitvoerrestitutie terug op grond dat uit een onderzoek van de Poolse politie was gebleken dat de waren na de contractueel overeengekomen verwerking naar Duitsland waren overgebracht.
7. Bij brief van 19 november 1999 diende verzoekster bezwaar in tegen dit besluit, dat het Hauptzollamt bij beschikking van 21 oktober 2002 ongegrond verklaarde.
8. Tegen deze laatste beschikking is op 26 november 2002 bij de verwijzende rechter het beroep in het hoofdgeding ingesteld.
III – De prejudiciële vraag
9. In die omstandigheden heeft het Finanzgericht Hamburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof krachtens artikel 234, derde lid, EG de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moet artikel 17, lid 3, van verordening (EEG) nr. 3665/87, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1384/95, aldus worden uitgelegd dat een product als ingevoerd moet worden beschouwd wanneer het, na invoer tot verbruik in een derde land, aldaar een ingrijpende be‑ of verwerking ondergaat in de zin van artikel 24 van verordening (EG) nr. 2913/92, om vervolgens, met teruggave van de opgelegde heffingen, bij de wederinvoer in de Gemeenschap onderworpen te worden aan de normale invoerrechten?”
IV – De relevante gemeenschapsregeling
10. Artikel 5, lid 1, van verordening nr. 3665/87 bepaalt:
„1. Voor betaling van de al dan niet gedifferentieerde restitutie geldt niet alleen de voorwaarde dat het product het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten, maar ook dat:
a) wanneer ernstige twijfel bestaat omtrent de werkelijke bestemming van het product, of
b) wanneer het product opnieuw in de Gemeenschap zou kunnen worden ingevoerd als gevolg van het verschil tussen het restitutiebedrag voor het uitgevoerde product en het bedrag van de rechten bij invoer voor eenzelfde product op de dag waarop de aangifte ten uitvoer wordt aanvaard,
het product binnen twaalf maanden na de datum waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, in een derde land en, in voorkomend geval, in een bepaald derde land is ingevoerd, tenzij het tijdens het vervoer als gevolg van overmacht verloren is gegaan.
[...]
Bovendien kunnen de bevoegde instanties van de lidstaten bijkomende bewijzen verlangen waarmee ten genoegen van die instanties wordt aangetoond dat het product in het derde land van invoer werkelijk in ongewijzigde staat op de markt is gebracht.”
11. Artikel 16, lid 1, van verordening nr. 3665/87 luidt:
„In geval van toepassing van een gedifferentieerde restitutievoet naar gelang van de bestemming, wordt de restitutie slechts betaald als de in de artikelen 17 en 18 vastgestelde bijkomende voorwaarden zijn vervuld.”
12. Artikel 17 van verordening nr. 3665/87 bepaalt:
„1. Het product moet binnen twaalf maanden na de datum waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, in het derde land of in een van de derde landen waarvoor de restitutie is vastgesteld, in ongewijzigde staat zijn ingevoerd. Onder de in artikel 47 vastgestelde voorwaarden kunnen evenwel bijkomende termijnen worden toegekend.
[...]
3. Het product wordt als ingevoerd beschouwd wanneer de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik in het derde land zijn vervuld.”
13. In artikel 18 van verordening nr. 3665/87 is in detail geregeld hoe kan worden bewezen dat de douaneformaliteiten zijn vervuld.
14. Artikel 11, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 3665/87 bepaalt dat de begunstigde verplicht is om, indien een restitutie ten onrechte is betaald, de ten onrechte ontvangen bedragen terug te betalen, waaronder begrepen de overeenkomstig lid 1, eerste alinea, geldende sanctiebedragen, vermeerderd met een rente over het tussen de betaling en de terugbetaling verstreken tijdvak.
V – Procedure voor het Hof
15. Het verzoek om een prejudiciële beslissing is op 9 december 2003 ingeschreven ter griffie van het Hof. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Eichsfelder, het Hauptzollamt en de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
16. De zaak is toegewezen aan de Derde kamer van het Hof. Op 17 maart 2005 is een terechtzitting gehouden, waaraan is deelgenomen door Eichsfelder en de Commissie.
VI – Beantwoording van de vraag
A – Ingediende opmerkingen
1. Eichsfelder
17. Volgens verzoekster in het hoofdgeding moet artikel 17, lid 3, van verordening nr. 3665/87 aldus worden uitgelegd dat een product moet worden geacht in het land van bestemming te zijn ingevoerd en aldaar op de markt te zijn gebracht, wanneer het, na de invoer tot verbruik, aldaar een ingrijpende be– of verwerking ondergaat in de zin van artikel 24 van verordening (EG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek.(4)
18. Wanneer een dergelijke ingrijpende verwerking plaatsvindt in een derde land, is het voor het recht op terugbetaling zelfs irrelevant onder welk douanestelsel (vrij verkeer of actieve veredeling) deze verwerking plaatsvond. Ook wanneer het rundvlees pas na afloop van de procedure tot restitutie onder het stelsel van actieve veredeling tot rolladen zou zijn verwerkt en in die vorm naar Duitsland uitgevoerd, zou er recht op terugbetaling bestaan.
19. De latere teruggave van de aan de Poolse autoriteiten betaalde invoerrechten heeft geen enkele invloed op de oorspronkelijke kwalificatie van de invoer. Een andere stelling zou ondraaglijke gevolgen hebben voor de begunstigde van de restitutie, die het risico zou lopen dat a posteriori, om redenen die hij niet in de hand heeft, wordt aangenomen dat geen uitvoer heeft plaatsgevonden.
20. Ter terechtzitting heeft Eichsfelder gesteld dat het onwaarschijnlijk is dat de in Duitsland ingevoerde rolladen zijn bereid met het door haar uitgevoerde vlees, aangezien in de Poolse fabriek geen douane-identificatie van de goederen heeft plaatsgevonden. Bovendien betwist zij dat de Poolse invoerrechten met betrekking tot het rundvlees zijn terugbetaald.
2. Het Hauptzollamt
21. Verweerder stelt dat uit de omstandigheden van het hoofdgeding, met name de bewoordingen van de overeenkomst van 3 oktober 1995, blijkt dat de betrokkenen met misbruik en bedrog hebben gehandeld door kunstmatig de voorwaarden te scheppen om een voordeel te verkrijgen. Zonder Eichsfelder ervan te beschuldigen de details van de verrichting te kennen, merkt het Hauptzollamt op dat bedrieglijke handelingen van een derde in het kader van een verzoek om uitvoerrestituties als een normaal handelsrisico moeten worden beschouwd. De begunstigde kan zich niet op zijn goede trouw beroepen, maar had zich er integendeel via contractuele bedingen van moeten verzekeren dat de goederen niet van hun bestemming werden afgeleid.
22. Het Hauptzollamt meent in het algemeen dat het recht op een gedifferentieerde restitutie afhankelijk is van de formaliteiten voor de invoer tot verbruik in een derde land, waaronder de betaling van de verschuldigde invoerrechten, waarvan de terugbetaling de rechtsgrondslag aan de restitutie ontneemt, aangezien de exporteur niet onder normale omstandigheden toegang heeft gekregen tot de beoogde markt.
23. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt ook dat het Hauptzollamt de identificatie van de goederen en de teruggave van de rechten door schriftelijke stukken bewezen acht. In casu is kennelijk enkel met het oog op de uitvoerrestitutie geopteerd voor de invoer tot verbruik en de aansluitende teruggave van de douanerechten na verwerking van de goederen, zodat geen sprake is van een normale handelstransactie.
3. De Commissie
24. De Commissie stelt dat zij het Duitse Ministerie van Financiën reeds in 1998 haar standpunt heeft meegedeeld, dat overeenstemt met dat van het Hauptzollamt. De betrokken goederen zijn met teruggave van de invoerrechten verwerkt in een veredelingsregeling, en daarna weer in de Gemeenschap ingevoerd. De teruggave door de bevoegde Poolse autoriteiten bewijst dat bij de invoer van de goederen de douaneformaliteiten niet zijn nageleefd. Er is dus geen sprake van invoer tot verbruik, zodat de rechtsgrondslag voor restitutie ontbreekt.
25. Verder preciseert de Commissie, aan welke voorwaarden de ingrijpende verwerking van een goed moet voldoen om de douanekwalificatie te kunnen beïnvloeden.
4. Standpunt van de verwijzende rechter
26. Gelet op het gemeenschapsrecht twijfelt het Finanzgericht Hamburg eraan of in de onderhavige zaak de in artikel 17, lid 3, van verordening nr. 3665/87 geregelde fictie van het op de markt brengen is weerlegd, en of verzoekster krachtens artikel 11, lid 3, eerste zin, de uitvoerrestitutie moet terugbetalen.
B – Beoordeling
27. Vooraf wil ik erop wijzen dat de vertegenwoordiger van Eichsfelder ter terechtzitting feiten heeft aangevoerd die niet overeenstemmen met de feiten waarop het Finanzgericht zijn beschikking heeft gebaseerd.(5) Aangezien het in het kader van de bij artikel 234 EG geregelde samenwerking aan de nationale rechter staat om de feiten vast te stellen, ga ik bij mijn onderzoek uit van de vaststellingen die in de verwijzingsbeschikking als bewezen worden beschouwd.
28. De kern van de vraag is, of de casuspositie in het hoofdgeding beantwoordt aan artikel 17, lid 3, van verordening nr. 3665/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1384/95. Volgens deze bepaling wordt een product als „ingevoerd” beschouwd, waardoor een recht op een restitutie ontstaat, „wanneer de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik in het derde land zijn vervuld”. Onder „derde land” wordt het als land van bestemming aangegeven land verstaan, daar het een voorschrift met betrekking tot het stelsel van gedifferentieerde restituties betreft, dat wil zeggen restituties die worden berekend naar gelang van het land waarnaar wordt uitgevoerd.
29. De verwijzende rechter wil concreet weten, of het vermoeden van artikel 17, lid 3, van verordening nr. 3665/87 geldt voor een goed dat:
a) in het derde land in het vrije verkeer is gebracht;
b) een ingrijpende be‑ of verwerking heeft ondergaan;
c) na teruggave van de invoerrechten opnieuw in de Gemeenschap is binnengebracht.
30. Ik moet erkennen dat zowel de argumenten van Eichsfelder en, ten dele, van de verwijzende rechter ten gunste van de gelding, als die van het Hauptzollamt en de Commissie die daartegen pleiten, overtuigend lijken.
Indien men alle argumenten tegen elkaar wil afwegen, lijkt het echter onvermijdelijk dat afstand wordt genomen van een aantal juridische kwalificaties door de verwijzende rechter. Met name kan worden betwist of het goed is ingevoerd tot verbruik, of althans definitief is ingevoerd.
31. Volgens de Duitse douane levert het verzuim om de goederen tot verbruik in te voeren, overeenkomstig artikel 4, lid 3, van verordening nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen(6) een bedrieglijk gebruik van het stelsel van restituties op. Het begrip „bedrog” moet in dit verband worden opgevat als een onregelmatigheid met het oog op het kunstmatig verkrijgen van een voordeel, en niet als een strafrechtelijk begrip.
32. De Commissie kwalificeert de casuspositie in het hoofdgeding als rechtsmisbruik in het licht van artikel 17 van verordening nr. 3665/87, en niet in dat van artikel 5, lid 1. Het misbruik bestaat erin, dat de betrokkenen zijn overeengekomen een passieve veredeling te verheimelijken teneinde een gedifferentieerde uitvoerrestitutie te ontvangen. Tot staving van haar standpunt verwijst zij naar het arrest van 14 december 2000, Emsland-Stärke.(7)
33. Uitgegaan moet worden van de vaststelling in de verwijzingsbeschikking dat Eichsfelder overeenkomstig artikel 16, lid 1, juncto artikel 18, lid 1, sub a, van verordening nr. 3665/87 een voor eensluidend verklaard afschrift van het douanedocument met betrekking tot de invoer heeft overgelegd. Volgens artikel 17, lid 3, worden de goederen dus geacht te zijn ingevoerd.
34. Het is echter vaste rechtspraak dat het certificaat van inklaring weliswaar een van de belangrijkste bewijsmiddelen is, maar slechts een weerlegbare aanwijzing is voor het feit dat de handeling waarvoor de restitutie is verleend daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.(8) Zo kan de aan een dergelijk certificaat aanklevende bewijskracht daaraan komen te ontvallen, wanneer er goede gronden zijn om te betwijfelen of de goederen daadwerkelijk de markt van het land van bestemming hebben bereikt en aldaar in de handel zijn gebracht.(9)
35. Derhalve moet worden onderzocht of is voldaan aan het vereiste van artikel 17, lid 3.
36. Ik ben het met het Hauptzollamt en de Commissie eens dat het begrip vervulling van de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik in het land van bestemming, anders dan de verwijzende rechter in zijn verwijzingsbeschikking meent, aldus moet worden uitgelegd dat het in voorkomend geval mede de betaling van de invoerrechten omvat.
37. Het gaat erom, welke betekenis moet worden toegekend aan de volgende teksten:
– bijlage B.1 bij de Internationale Overeenkomst inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures, gedaan te Kyoto op 18 mei 1973, namens de Gemeenschap aanvaard bij besluit 85/204/EEG van de Raad van 7 maart 1985(10);
– artikel 79, tweede alinea, van het communautair douanewetboek(11);
– de zeventiende overweging van de considerans van verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten(12).
38. Bij juiste lezing van deze teksten blijkt, dat de voor invoer tot verbruik vereiste douaneformaliteiten mede de betaling van eventuele invoerrechten omvatten, aangezien deze formaliteiten alles moeten omvatten wat voor de verrichting vereist is.
39. Zo wordt „invoer tot verbruik” in bijlage B.1 bij de Overeenkomst van Kyoto omschreven als de regeling krachtens welke de goederen na de betaling van de verschuldigde rechten en heffingen bij invoer en het vervullen van alle noodzakelijke douaneformaliteiten in het douanegebied in het vrije verkeer komen.
40. Een al te letterlijke uitlegging van deze definitie kan leiden tot de opvatting dat de „douaneformaliteiten” los staan van de betaling van heffingen en rechten. De verwijzende rechter lijkt deze uitlegging te verkiezen. Mijns inziens komt het echter niet zozeer aan op de specifieke technische betekenis van deze „formaliteiten”, maar veeleer op het daarmee nagestreefde doel, het in het vrije verkeer brengen van het goed.
41. Volgens artikel 79, tweede alinea, van het communautair douanewetboek omvat het in het vrije verkeer brengen „de toepassing van de handelspolitieke maatregelen en het vervullen van de andere formaliteiten voor de invoer van goederen alsmede de toepassing van de wettelijk verschuldigde rechten”.
42. Afgezien van enkele kleine terminologische verschillen lijdt het geen twijfel dat deze bepaling gehoorzaamt aan dezelfde logica als de definitie in bijlage B.1 bij de Overeenkomst van Kyoto. Ik wil beklemtonen dat bij een juiste uitlegging van artikel 17, lid 3, van verordening nr. 3665/87 rekening moet worden gehouden met het einddoel van de gedifferentieerde restitutie, de gesubsidieerde producten de toegang tot de markt van het concreet aangewezen land te waarborgen; daarvoor moet zijn voldaan aan alle vereisten voor de invoer, ook de betaling van de verschuldigde rechten en heffingen.
43. Daarbij komt dat wat de regeling van gedifferentieerde restituties betreft, de betaling van deze bedragen de belangrijkste douaneformaliteit is, aangezien de restitutie op basis daarvan wordt berekend.
44. De zeventiende overweging van de considerans van verordening nr. 800/1999 bevestigt deze opvatting, nu daarin wordt verklaard dat „de vervulling van de douaneformaliteiten bij invoer met name bestaat in het betalen van de invoerrechten die gelden om het product op de markt van het betrokken derde land te kunnen afzetten”.
45. Het is dus duidelijk dat de betaling van de invoerrechten behoort tot de in artikel 17, lid 3, van verordening nr. 3665/87 bedoelde vereisten. Zij geldt als grondslag voor het bewijs van de invoer en eventueel van het recht op restitutie.
46. Uit een en ander volgt omgekeerd dat de teruggave van de invoerrechten het vermoeden van invoer weerlegt en tegelijk de rechtvaardiging voor de restitutie wegneemt.
47. Voor het overige ben ik het in wezen met het Hauptzollamt eens dat handelingen van een derde in het kader van een verzoek om uitvoerrestituties die verhinderen dat het daarmee nagestreefde doel wordt bereikt, als een normaal handelsrisico moeten worden beschouwd, zodat de begunstigde zich niet op zijn goede trouw kan beroepen, daar hij ervoor verantwoordelijk is dat de goederen niet van hun bestemming worden afgeleid.
48. Om tot dit resultaat te komen behoeft niet te worden gesteld dat de betrokken ondernemingen een verkapte veredeling op het getouw hebben gezet, zoals het Hauptzollamt en de Commissie doen. Ofschoon de geplande verrichting in de praktijk hetzelfde resultaat heeft als deze douaneregeling, is het beter om aan te nemen dat niet is voldaan aan één van de vereisten voor een uitvoerrestitutie. Anders dreigt een lange discussie over de vraag of de verrichting als bedrieglijk moet worden aangemerkt.
49. Deze benadering voorkomt ook dat moet worden onderzocht wat het gevolg is van het feit dat de betrokken goederen eventueel een ingrijpende verwerking hebben ondergaan, zoals in de zaak Roquette Frères het geval was.
50. De feiten van die zaak verschillen in zoverre van de huidige casuspositie, dat het toen ging over het voortbestaan van een recht op restitutie voor de uitvoer van glucosestroop in het kader van het actieve veredelingsverkeer, met gedeeltelijke wederinvoer van het tot penicilline verwerkte product.
51. De Cour administrative d’appel de Nancy (Frankrijk) vroeg zich daarbij af, hoe artikel 5, lid 1, laatste alinea, van verordening nr. 3665/87 moest worden uitgelegd, voorzover daarin als voorwaarde voor de betaling van de restitutie wordt gesteld dat het medicijn in het land van invoer werkelijk in ongewijzigde staat op de markt is gebracht.
52. Het Hof was van oordeel dat in geval van een ingrijpende verwerking geen bijkomende bewijzen kunnen worden verlangd waarmee wordt aangetoond dat het product in het derde land van invoer werkelijk in ongewijzigde staat op de markt is gebracht. Het baseerde zich daarvoor op de doelstelling van de bepaling, die het de autoriteiten van de lidstaten gemakkelijker wil maken het misbruik te bestrijden dat dreigt wanneer het uitgevoerde product weer in de Gemeenschap wordt ingevoerd.(13)
53. Volgens het Hof is er geen sprake van misbruik wanneer het product een ingrijpende en onomkeerbare verwerking heeft ondergaan, waardoor het als zodanig niet meer bestaat en er een nieuw product is ontstaan dat onder een andere tariefpost valt.(14)
54. In zijn conclusie van 3 februari 2000 in de zaak Roquette Frères(15) wees advocaat-generaal Alber erop dat de gemeenschapswetgever niet de uitvoer van communautaire producten om in het derde land van invoer te worden be– of verwerkt, heeft willen beletten en dat het ging om de exploitatie van het product in het derde land. Ongeacht of men deze gang van zaken „verbruik”, „exploitatie” of „werkelijk in ongewijzigde staat op de markt brengen” noemt, de doelstelling is duidelijk: ingrijpende be‑ of verwerking van het product voldoet aan de vereisten, waarbij het er niet op mag aankomen onder welke douaneregeling de verwerking plaatsvindt.
55. Wat de vraag betreft, in hoeverre deze rechtspraak relevant is voor de onderhavige zaak, moet worden opgemerkt dat niemand betwist dat de goederen waarom het in het hoofdgeding gaat, een ingrijpende verwerking in de zin van artikel 24 van het communautair douanewetboek hebben ondergaan. Ook de verwijzende rechter is die mening toegedaan.
56. Evenmin hoeven gevolgen te worden verbonden aan het feit dat het in de zaak Roquette Frères om een niet-gedifferentieerde restitutie ging. Zoals in de verwijzingsbeschikking wordt uiteengezet, gelden de voorwaarden van artikel 5 van verordening nr. 3665/87 zowel voor gedifferentieerde als voor niet-gedifferentieerde restituties; er is geen reden om de vraag of een verrichting die leidt tot een ingrijpende verwerking van het product, waarvan de uitvoer aanleiding heeft gegeven tot een naar het land van bestemming gedifferentieerde restitutie, misbruik oplevert (in het geval van differentiatie), anders te beantwoorden.
57. De beslissende bijzonderheid in deze zaak is dat de invoerrechten zijn terugbetaald, waardoor de goederen met terugwerkende kracht niet meer voldeden aan het vereiste van artikel 17, lid 3, van verordening nr. 3665/87. In de zaak Roquette Frères was het in wezen de vraag of in geval van een ingrijpende wijziging de betaling van een uitvoerrestitutie krachtens artikel 5, lid 1, van verordening nr. 3665/97 afhankelijk kan worden gesteld van bijkomende bewijzen waarmee wordt aangetoond dat het product in het land van bestemming op de markt is gebracht. Het Hof was van oordeel dat de wederinvoer van een goed dat een onomkeerbare verwerking had ondergaan, in de Gemeenschap denkbaar was, aangezien het dan om een ander product ging. Het heeft zich toen er toe beperkt, te ontkennen dat er een risico voor misbruik bestond, zoals blijkt uit punt 19 van het arrest.
58. Kortom, ongeacht de schijnbare vergelijkbaarheid van de twee zaken, blijkt bij nader onderzoek dat zij beide een ander voorwerp hebben en dat de oplossing van het arrest Roquette Frères niet op de onderhavige zaak kan worden toegepast.
VII – Conclusie
59. Ik geef het Hof dan ook in overweging de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
„Artikel 17, lid 3, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1384/95 van de Commissie van 19 juni 1995, moet aldus worden uitgelegd dat de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik in het land van bestemming niet als vervuld kunnen worden beschouwd, wanneer de goederen na de teruggave van de betaalde invoerrechten weer in de Gemeenschap worden binnengebracht”.
1 – Oorspronkelijke taal: Spaans.
2 – Verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 351, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1384/95 van de Commissie van 19 juni 1995 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3665/87 in verband met de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst inzake de landbouw in het kader van de Uruguay-Ronde (PB L 134, blz. 14).
3 – C-114/99, Jurispr. blz. I-8823.
4 – PB L 302, blz. 1.
5 – Zie punt 20.
6 – PB L 312, blz. 1
7 – Zaak C-110/99, Jurispr. blz. I-11569.
8 – Arresten van 11 juli 1984, Dimex (89/83, Jurispr. blz. 2815), punt 11, en 31 maart 1993, Möllmann-Fleisch (C-27/92, Jurispr. blz. I-1701), punt 13. Beide zaken betroffen de uitlegging van artikel 11, lid 1, van verordening (EEG) nr. 192/75 van 17 januari 1975 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 25, blz. 1), en artikel 20, leden 2 en 3, van verordening (EEG) nr. 2730/79 van de Commissie van 29 november 1979 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 317, blz. 1), die inhoudelijk nagenoeg identiek zijn aan de artikelen 17, lid 3, en 18, lid 1, van verordening nr. 3665/87.
9 – Arrest Möllmann-Fleisch, reeds aangehaald, punt 15.
10 – PB L 87, blz. 8.
11 – Reeds aangehaald.
12 – PB L 102, blz. 11.
13 – Punt 17 van het arrest Roquette Frères, waarin wordt verwezen naar het arrest van 21 januari 1999, Duitsland/Commissie (C-54/95, Jurispr. blz. I-35), punten 45 en 46.
14 – Punt 19 van het arrest Roquette Frères.
15 – Jurispr. 2000, blz. I-8823, punten 56 e.v. Lezing van deze conclusie is zeer verhelderend voor een goed begrip van het arrest.
Full & Egal Universal Law Academy