CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
L. A. GEELHOED
van 17 maart 2005(1)
Zaak C‑522/03
Scania Finance France SA
tegen
Rockinger Spezialfabrik für Anhängerkupplungen GmbH & Co.
[verzoek om een prejudiciële beslissing van het Oberlandesgericht München (Duitsland)]
„Uitlegging van artikel 27, punt 2, Executieverdrag – Erkenning van beslissing in zaak waarin verweerder niet is verschenen – Kennisgeving van stuk dat procedure inleidt – Toepassing van recht van staat van oorspronkelijke rechter – Betekening bevoegdheid van staat van rechter die de zaak aanvankelijk heeft beslist”
I – Inleiding
1. De onderhavige zaak, een verzoek om een prejudiciële beslissing van het Oberlandesgericht München, betreft het begrip regelmatige betekening of mededeling in de zin van artikel 27, punt 2, van het Verdrag van Brussel betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: „Executieverdrag”). (2)
II – Het rechtskader
A – Het Executieverdrag
2. De bepalingen van het Executieverdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging in een verdragsluitende staat van in een andere verdragsluitende staat gegeven beslissingen, zijn opgenomen in titel III van het Executieverdrag (artikelen 25‑49).
3. Volgens artikel 26, eerste en tweede alinea, Executieverdrag worden „de in een verdragsluitende staat gegeven beslissingen [...] in de overige verdragsluitende staten erkend zonder vorm van proces. Indien tegen de erkenning van een beslissing bezwaar wordt gemaakt, kan iedere partij die er belang bij heeft ten principale te zien vastgesteld, dat de beslissing erkend dient te worden, gebruikmaken van de procedure, geregeld in de afdelingen 2 en 3 van deze titel [...]”
4. Artikel 27, punt 2, Executieverdrag bepaalt dat een beslissing niet wordt erkend „indien het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet regelmatig en zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, is betekend of is medegedeeld.”
5. Artikel IV van het aan het Executieverdrag toegevoegde protocol luidt:
„De gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken, opgemaakt op het grondgebied van een verdragsluitende staat, die medegedeeld of betekend moeten worden aan personen die zich op het grondgebied van een andere verdragsluitende staat bevinden, worden toegezonden op de wijze als is voorzien in tussen de verdragsluitende staten gesloten verdragen of overeenkomsten.
Tenzij de staat van bestemming zich daartegen verzet bij een verklaring gedaan aan de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen, kunnen deze stukken ook rechtstreeks door de deurwaarders van de staat waar de stukken zijn opgesteld, worden toegezonden aan de deurwaarders van de staat op het grondgebied waarvan degene voor wie het stuk bestemd is, zich bevindt. In dat geval zendt de deurwaarder van de staat van herkomst een afschrift van het stuk aan de deurwaarder, die in de aangezochte staat bevoegd is het stuk uit te reiken aan degene voor wie het bestemd is. Deze uitreiking geschiedt volgens de door de wet van de aangezochte staat voorgeschreven formaliteiten. De daarvan opgemaakte verklaring wordt rechtstreeks aan de deurwaarder van de staat van herkomst toegezonden.”
6. Artikel 65 Executieverdrag bepaalt dat het aan het verdrag toegevoegde protocol een wezenlijk onderdeel ervan uitmaakt.
7. Ten slotte is nog van belang, artikel 20 Executieverdrag dat is opgenomen in titel II, bevoegdheid (afdeling 7, „Toetsing van de bevoegdheid en de ontvankelijkheid”). Dit artikel luidt:
„Wanneer de verweerder met woonplaats op het grondgebied van een verdragsluitende staat voor een andere verdragsluitende staat wordt opgeroepen en niet verschijnt, verklaart de rechter zich ambtshalve onbevoegd indien zijn bevoegdheid niet berust op de bepalingen van dit verdrag.
De rechter is verplicht zijn uitspraak aan te houden zolang niet vaststaat dat de verweerder in de gelegenheid is gesteld het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, te ontvangen, of dat daartoe al het nodige is gedaan.
Het bepaalde in de voorgaande alinea wordt vervangen door de bepalingen van artikel 15 van het Verdrag van ’s‑Gravenhage van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of handelszaken, indien de toezending van het stuk dat het geding inleidt, overeenkomstig het bepaalde in dat Verdrag moest geschieden.”
B – Het Verdrag van ’s‑Gravenhage inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke zaken en in handelszaken („Haags Betekeningsverdrag”) (3)
8. Bij het Verdrag van ’s‑Gravenhage inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland, ondertekend op 15 november 1965, zijn alle staten van het Executieverdrag, met uitzondering van Oostenrijk, partij. Het Betekeningsverdrag is van toepassing in alle gevallen waarin in burgerlijke zaken of in handelszaken een (buiten)gerechtelijk stuk ter betekening of kennisgeving naar het buitenland moet worden gezonden. (4) Het voorziet in een belangrijke methode van toezending waarbij de krachtens het recht van de verzoekende staat bevoegde autoriteit of gerechtsdeurwaarder het stuk aan de „centrale Autoriteit” van de aangezochte staat zendt. Zo bepaalt artikel 5, eerste en tweede alinea:
„De centrale Autoriteit van de aangezochte Staat belast zich met de betekening of de kennisgeving van het stuk of het doen betekenen of kennis geven daarvan:
a) hetzij met inachtneming van de vormen, in de wetgeving van de aangezochte Staat voorgeschreven voor de betekening of de kennisgeving van stukken, die in dat land zijn opgemaakt en bestemd zijn voor zich aldaar bevindende personen,
b) hetzij met inachtneming van een bijzondere, door de aanvrager verzochte vorm, mits deze niet in strijd is met de wet van de aangezochte Staat.
Behoudens in het geval, bedoeld in het eerste lid onder b, kan het stuk altijd worden afgegeven aan degene voor wie het bestemd is, zo deze het vrijwillig aanneemt.
Indien van het stuk betekening of kennisgeving moet worden gedaan overeenkomstig het bepaalde bij het eerste lid, kan de centrale Autoriteit verlangen dat het stuk wordt opgesteld of vertaald in de officiële taal of in één van de officiële talen van haar land.
Het gedeelte van de aanvraag bestaande uit het als bijlage aan dit Verdrag toegevoegde modelformulier, dat aard en onderwerp van het te betekenen stuk weergeeft, wordt afgegeven aan degene voor wie het stuk bestemd is.”
9. Het Betekeningsverdrag voorziet in een aantal alternatieve methoden van toezending, zoals langs de consulaire of diplomatieke weg, over de post of door gerechtsdeurwaarders, ambtenaren of andere bevoegde personen van de staat van bestemming. (5) Het Betekeningsverdrag geeft een staat ook het recht, bezwaar te maken tegen het gebruik van sommige van deze alternatieve methoden van toezending. (6)
10. Teneinde de respectieve belangen en rechten van de verzoeker en de verweerder in overeenstemming te brengen, willen de artikelen 15 en 16 van het Betekeningsverdrag de verweerder beschermen tijdens het geding en wanneer een vonnis bij verstek is gewezen. Artikel 15, waarnaar artikel 20, derde alinea, Executieverdrag verwijst, luidt:
„Wanneer een stuk dat het geding inleidt of een daarmede gelijk te stellen stuk ter betekening of kennisgeving overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag naar het buitenland moest worden gezonden en de verweerder niet is verschenen, houdt de rechter de beslissing aan totdat is gebleken, dat
a) hetzij van het stuk betekening of kennisgeving is gedaan met inachtneming van de vormen in de wetgeving van de aangezochte Staat voorgeschreven voor de betekening of de kennisgeving van stukken die in dat land zijn opgemaakt en bestemd zijn voor zich op het grondgebied van dat land bevindende personen,
b) hetzij het stuk aan de verweerder in persoon of aan zijn woonplaats is afgegeven op een andere in dit Verdrag geregelde wijze, en dat de betekening of de kennisgeving, onderscheidenlijk de afgifte zo tijdig is geschied dat de verweerder gelegenheid heeft gehad verweer te voeren.
Iedere Verdragsluitende Staat is bevoegd te verklaren dat zijn rechters in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een beslissing kunnen geven, ook als geen bewijs hetzij van betekening of kennisgeving, hetzij van afgifte is ontvangen, indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
a) het stuk is toegezonden op een van de in dit Verdrag geregelde wijzen,
b) sedert het tijdstip van toezending van het stuk een termijn is verlopen die door de rechter voor elk afzonderlijk geval zal worden vastgesteld doch tenminste zes maanden zal bedragen,
c) in weerwil van alle daartoe bij de bevoegde autoriteiten aangewende pogingen geen bewijs kon worden verkregen.
Het bepaalde in dit artikel belet niet dat door de rechter in spoedeisende gevallen voorlopige of bewarende maatregelen worden genomen.”
11. Daarnaast verlangt artikel 16 van het Betekeningsverdrag dat de verdragsluitende staten, wanneer een stuk dat het geding inleidt of een daarmee gelijk te stellen stuk ter betekening of kennisgeving naar het buitenland moet worden verzonden, hun regels inzake de termijn waarbinnen een rechtsmiddel moet worden aangewend, wijzigen, voor het geval een verweerder pas op de hoogte is gesteld van het geding nadat het vonnis is gewezen.
C – Het nationale recht
12. Krachtens Frans recht worden stukken bestemd voor in het buitenland woonachtige personen betekend bij het Franse parquet (bureau van het Openbaar Ministerie) door middel van een formele betekeningswijze, genaamd signification (artikelen 683 en 684 van de Nouveau Code de Procédure Civile), ofschoon andere in verdragen voorziene betekeningswijzen ook mogelijk zijn.
13. Signification geschiedt door de afgifte, door een gerechtsdeurwaarder, van twee kopieën van het stuk bij het Franse Openbaar Ministerie, dat het origineel van een stempel voorziet en de kopieën voor verspreiding aan het ministerie van Justitie zendt (artikel 685). De deurwaarder moet een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het stuk diezelfde dag of, uiterlijk, de eerste werkdag daarna per aangetekende post aan de geadresseerde zenden (artikel 686). Deze betekeningswijze wordt remise au parquet genoemd en vormt een zogenoemde signification interne fictive (een fictieve binnenlandse betekening), aangezien de betekening wordt geacht te hebben plaatsgevonden op het moment waarop de gerechtsdeurwaarder de kopieën van het stuk bij het Franse Openbaar Ministerie heeft afgegeven, ongeacht de vraag of het stuk feitelijk de geadresseerde in het buitenland heeft bereikt. (7)
III – De feiten
14. Bij vonnis van 8 september 2000 heeft de Cour d’appel d’Amiens Rockinger Spezialfabrik für Anhängerkupplungen GmbH & Co., gevestigd te München (Duitsland) (hierna: „Rockinger”), veroordeeld tot betaling van een bedrag van 615 566,72 FRF aan Scania Finance France, gevestigd te Angers (Frankrijk). Op verzoek van Scania verleende het Landgericht München het exequatur van dit vonnis, dat Rockinger op 15 april 2002 regelmatig werd betekend.
15. In mei 2002 vorderde Rockinger voor het Oberlandesgericht München nietigverklaring van de beslissing van het Landgericht München, op grond dat de inleidende stukken in de Franse procedure haar niet regelmatig waren betekend en tot een beslissing bij verstek hadden geleid. De betekening had plaatsgevonden door middel van de Franse methode van remise au parquet , beschreven in punt 13 hierboven. Ofschoon een Duitse gerechtsambtenaar het verzoekschrift aan Rockinger had overhandigd, had zij geweigerd het in ontvangst te nemen, omdat het stuk niet in het Duits was vertaald. Rockinger had het verzoekschrift daarna per post ontvangen, wederom zonder vertaling.
16. Het Oberlandesgericht München heeft het Hof bij beslissing van 31 oktober 2003 twee prejudiciële vragen voorgelegd. In de eerste plaats, moeten artikel 27, punt 2, Executieverdrag en artikel IV, eerste alinea, van het aan dit verdrag toegevoegde protocol aldus worden uitgelegd dat de betekening of mededeling van een stuk aan een verweerder, woonachtig in een andere verdragsluitende staat dan de staat van herkomst, alleen kan geschieden krachtens verdragen of overeenkomsten, gesloten tussen staten die partij zijn bij dat verdrag? In de tweede plaats, indien dit niet het geval is, moet artikel 12 EG aldus worden uitgelegd dat een nationale regeling als de Franse regel van remise au parquet in strijd is met het gemeenschapsrecht?
17. Overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door Scania, Rockinger, de Duitse, de Franse en de Oostenrijkse regering alsmede de Commissie.
IV – Analyse
A – Ontvankelijkheid
18. Rockinger stelt dat de prejudiciële verwijzing in deze zaak zinloos is en om een aantal redenen onnodig. Zij stelt met name dat het Franse recht niet toestaat dat de betekeningswijzen van artikel 683 van de Nouveau Code de Procédure Civile en die van het Haags Betekeningsverdrag naast elkaar bestaan. Volgens haar geeft het Franse recht voorrang aan de methoden van het Haags Betekeningsverdrag. Aangezien verzoekster in het hoofdgeding niet heeft voldaan aan de voorschriften van het Haags Betekeningsverdrag, moet de Duitse rechter het verzoek om tenuitvoerlegging alleen op die grond afwijzen.
19. Ik vind deze argumenten niet overtuigend. Het is immers vaste rechtspraak dat het in een prejudiciële procedure niet aan het Hof staat, de feiten van het hoofdgeding te beoordelen of de redenen te onderzoeken die voor een nationale rechter aanleiding zijn geweest om het verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen. (8) De toepassing van het nationale recht moet de taak van de nationale rechter zijn. De zaak moet daarom ontvankelijk worden verklaard.
B – De eerste vraag
20. Met zijn eerste vraag wenst het Oberlandesgericht te vernemen, of artikel 27, punt 2, Executieverdrag en artikel IV, eerste alinea, van het aan dat verdrag toegevoegde protocol aldus moeten worden uitgelegd dat de betekening of mededeling van een stuk aan een in het buitenland woonachtige verweerder, alleen kan geschieden krachtens verdragen of overeenkomsten, gesloten tussen staten die partij zijn bij dat verdrag.
21. Zoals hierboven reeds gezegd, bepaalt artikel 27, punt 2, dat een beslissing niet wordt erkend indien het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet „regelmatig” en zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, „is betekend of is medegedeeld”. De onderhavige vraag betreft de juiste uitlegging van „regelmatige betekening of mededeling” in de zin van deze bepaling, zoals gespecificeerd in artikel IV van het aan het verdrag toegevoegde protocol.
22. Om te beginnen wijs ik erop dat noch verordening nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (9) noch verordening nr. 1348/2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (10) in casu van toepassing is, aangezien de relevante feiten van het hoofdgeding zich vóór de inwerkingtreding van deze verordeningen hebben voorgedaan.
23. Bij de beantwoording van de eerste vraag van het Oberlandesgericht moeten de bewoordingen van de betrokken artikelen het eerste referentiepunt zijn. Aangezien artikel 27, punt 2, geen definitie bevat van het begrip „regelmatige betekening of mededeling”, zijn de bewoordingen van artikel IV, eerste alinea, van het aan het verdrag toegevoegde protocol in dit opzicht duidelijk van belang: „de [...] stukken [...] worden toegezonden op de wijze als is bepaald in tussen de verdragsluitende staten gesloten verdragen of overeenkomsten”. (11) Indien men dit letterlijk interpreteert, zou de eerste vraag van de nationale rechter bevestigend moeten worden beantwoord. Het valt bij normale lezing moeilijk in te zien, hoe deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat zij de mededeling of betekening van stukken mogelijk maakt door toezending naar het buitenland op andere wijzen dan die welke zijn voorzien in verdragen of overeenkomsten, gesloten tussen staten die partij zijn bij het Executieverdrag.
24. Bovendien is deze benadering mijns inziens in overeenstemming met de algemene opzet van het Executieverdrag en met de onderliggende doelstellingen van de opstellers ervan.
25. Artikel 27, punt 2, beoogt duidelijk de rechten van de verdediging te beschermen door ervoor te zorgen dat in gevallen waarin een vonnis bij verstek is gewezen, een verweerder de gelegenheid heeft gehad zich te verdedigen in de staat van herkomst van dat vonnis. Het vormt als zodanig een belangrijke uitzondering op de algemene strekking van titel III van het Executieverdrag, welke er volgens de bewoordingen van het rapport‑Jenard naar streeft „het vrij verkeer van vonnissen zo veel mogelijk te bevorderen”. (12) Zo heeft het Hof in het arrest Klomps geoordeeld dat artikel 27, punt 2, van het Executieverdrag dient te verzekeren „dat een beslissing niet overeenkomstig het Executieverdrag wordt erkend of tenuitvoergelegd indien de verweerder niet in de gelegenheid is geweest zich voor de rechter van herkomst te verdedigen”. (13)
26. Om die rechten van de verdediging veilig te stellen moet de geadieerde rechter ervan overtuigd zijn dat aan twee voorwaarden is voldaan: in de eerste plaats dat de betekening of mededeling aan de verweerder „regelmatig” is geweest, in de tweede plaats dat die betekening of mededeling zo tijdig is geschied als met het oog op de verdediging van de verweerder nodig was. (14) Zoals reeds gezegd, gaat het in deze zaak om de juiste uitlegging van de eerste van deze voorwaarden.
27. Artikel 27, punt 2, vormt, wat de erkenning van beslissingen betreft, een afspiegeling van de gelijkwaardige bepaling in titel II van het verdrag, betreffende bevoegdheid, namelijk artikel 20. Dit artikel heeft een soortgelijk doel als artikel 27, punt 2, namelijk „te verzekeren dat in geval van verstek de beslissing wordt gewezen door een bevoegde rechter en dat op deze wijze de verweerder de grootst mogelijke waarborgen in de oorspronkelijke procedure geniet. (15) Het evenwicht tussen deze doelstelling en die van het vrij verkeer van vonnissen is, voor zaken waarin het inleidend stuk of de dagvaarding naar het buitenland moet worden gezonden, vastgelegd in artikel 20, derde alinea, waarin hierboven genoemde toets van artikel 15 van het Haags Betekeningsverdrag is opgenomen.
28. De ratio voor het bestaan van deze garanties op het gebied van de bevoegdheid enerzijds en dat van de erkenning en tenuitvoerlegging anderzijds is door het Hof bevestigd in het arrest Lancray. Het Hof beklemtoonde dat het Executieverdrag geen uitgebreide definitie van het begrip „regelmatige betekening of mededeling” geeft, maar dat de toepassing van dit begrip wordt bepaald door het voor de instantie die de beslissing heeft gegeven toepasselijke recht, daaronder begrepen de internationale verdragen ter zake:
„Zonder de verschillende, in de lidstaten geldende systemen voor de betekening en de kennisgeving van gerechtelijke stukken in het buitenland te harmoniseren, beogen de bepalingen van het Executieverdrag de verweerder een daadwerkelijke bescherming van zijn rechten te verzekeren. Daartoe werd het onderzoek of het stuk dat het geding inleidt regelmatig is betekend, zowel aan de rechter van de staat van herkomst als aan de rechter van de aangezochte staat toevertrouwd. Het Executieverdrag bepaalt niet aan de hand van welke wettelijke regeling dit onderzoek moet geschieden. Daar de voorschriften betreffende de betekening van het stuk dat het geding inleidt, deel uitmaken van de procedure voor het gerecht van de staat van herkomst, kan de vraag of de betekening regelmatig is geschied, enkel worden beantwoord aan de hand van het voor die instantie toepasselijke recht, daaronder begrepen de internationale verdragen ter zake.”16 –Arrest van 3 juli 1990, Lancray (C‑305/88, Jurispr. blz. I‑2725), punten 28 en 29. Zie eveneens arrest van 15 juli 1982, Pendy Plastic Products (228/81, Jurispr. blz. 2723), punt 13.
29. Artikel IV van het aan het Executieverdrag toegevoegde protocol vormt een kwalificatie van het beginsel dat de vraag of er sprake is van een „regelmatige betekening of mededeling” moet worden beantwoord door het recht van het gerecht dat de beslissing gegeven heeft, in die zin dat het een gedeeltelijke specificatie bevat van aanvaarde wijzen van toezending in gevallen waarin (buiten)gerechtelijke stukken moeten worden betekend aan personen in andere verdragsluitende staten. Dit artikel voorziet in twee wijzen van toezending: de eerste, zoals hierboven besproken, op de wijze als is bepaald in tussen de verdragsluitende staten gesloten verdragen of overeenkomsten (artikel IV, eerste alinea), en de tweede, bij gebreke van officieel verzet door de staat van bestemming, rechtstreeks door de deurwaarders van de staat waar de stukken zijn opgesteld aan de deurwaarders van de staat op het grondgebied waarvan degene voor wie het stuk bestemd is, zich bevindt (artikel IV, tweede alinea). De woorden „kunnen ook” in artikel IV, tweede alinea, geven aan dat deze twee mogelijkheden van toezending de enige zijn.
30. Er zou mijns inziens dus afbreuk worden gedaan aan het stelsel en de functie van artikel IV indien het op een niet-uitputtende wijze zou moeten worden gelezen, dat wil zeggen zó dat het andere, daarin niet genoemde wijzen van betekening of mededeling toestaat. (17)
31. Ik wil hieraan toevoegen dat dit niet betekent dat artikel IV van het aan het Executieverdrag toegevoegde protocol alleen wijzen van betekening of mededeling toestaat die expliciet en gedetailleerd worden uiteengezet in verdragen of overeenkomsten, gesloten tussen staten die partij zijn bij het Executieverdrag. Het is mijns inziens duidelijk dat dit artikel elke wijze van betekening toestaat die in die verdragen of overeenkomsten is voorzien, zelfs al worden de mechanismen van een methode daarin niet expliciet en tot in detail uiteengezet. (18) Dit zou zich bijvoorbeeld uitstrekken tot „alternatieve” wijzen van betekening of kennisgeving die de artikelen 8 tot en met 10 van het Haags Betekeningsverdrag toestaan.
32. Het is de taak van het Oberlandesgericht om te beoordelen, of een van de mogelijkheden voorzien in artikel IV van het aan het Executieverdrag toegevoegde protocol in de onderhavige zaak van toepassing is. Het staat met name niet aan het Hof om te beoordelen, of het Franse stelsel van betekening door middel van remise au parquet voldoet aan de voorschriften van het Haags Betekeningsverdrag of aan die van enig ander, mogelijk toepasselijk verdrag. De bevoegdheid van het Hof wordt in dit opzicht door het Protocol betreffende de uitlegging van het Executieverdrag uitdrukkelijk beperkt tot de uitlegging van dat verdrag zelf, van het aan het Executieverdrag toegevoegde protocol en van het Protocol betreffende de uitlegging van het Executieverdrag. (19)
33. Op de eerste vraag moet derhalve worden geantwoord dat artikel 27, punt 2, Executieverdrag en artikel IV van het aan het Executieverdrag toegevoegde protocol aldus moeten worden uitgelegd dat de toezending van in een bepaalde verdragsluitende staat opgestelde (buiten)gerechtelijke stukken die moeten worden betekend of medegedeeld aan een in een andere verdragsluitende staat woonachtige verweerder moet geschieden 1) hetzij op de wijze als is voorzien in verdragen of overeenkomsten, gesloten tussen staten die partij zijn bij het Executieverdrag, zoals bepaald in artikel IV, eerste alinea, van het aan het Executieverdrag toegevoegde protocol, 2) hetzij bij gebreke van officieel verzet van de staat van bestemming, rechtstreeks door de deurwaarders van de staat waar de stukken zijn opgesteld aan de deurwaarders van de staat op het grondgebied waarvan degene voor wie het stuk bestemd is, zich bevindt, zoals bepaald in artikel IV, tweede alinea, van het aan het Executieverdrag toegevoegde protocol.
C – De tweede vraag
34. Met de tweede vraag wenst het Oberlandesgericht te vernemen, of artikel 12 EG bij een ontkennende beantwoording van de eerste vraag aldus moet worden uitgelegd dat een nationale regeling als de Franse regel van remise au parquet in strijd is met het gemeenschapsrecht.
35. Gelet op mijn antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede vraag geen beantwoording. Ik wil echter opmerken dat alle geschillen in burgerlijke of handelszaken waarbij partijen betrokken zijn die in verschillende rechtsgebieden wonen, het in zich hebben om potentiële conflicten te veroorzaken tussen de belangen van de verzoeker en die van de verweerder; zo hebben zij er in het algemeen beiden belang bij dat de procedure in hun eigen rechtsgebied plaatsvindt. De in het Executieverdrag neergelegde regels beogen door hun aard een evenwicht tussen deze belangen te scheppen. In gevallen waarin uit de relevante verdragsbepaling het door de opstellers beoogde evenwicht blijkt – zoals in deze zaak – zou het doel van die bepaling én dat van het Executieverdrag, namelijk het bevorderen van uniformiteit en rechtszekerheid (20) , worden ondermijnd, indien die bepaling buiten toepassing werd gelaten telkens wanneer dit evenwicht in een bepaald geval negatieve gevolgen voor een partij zou kunnen hebben.
V – Conclusie
36. Ik ben daarom van mening dat de vragen van het Oberlandesgericht moeten worden beantwoord als volgt:
„Artikel 27, punt 2, Executieverdrag en artikel IV van het aan het Executieverdrag toegevoegde protocol moeten aldus worden uitgelegd dat de toezending van in een bepaalde verdragsluitende staat opgestelde (buiten)gerechtelijke stukken die moeten worden betekend of medegedeeld aan een in een andere verdragsluitende staat woonachtige verweerder moet geschieden:
– op de wijze als is voorzien in verdragen of overeenkomsten, gesloten tussen staten die partij zijn bij het Executieverdrag, zoals bepaald in artikel IV, eerste alinea, van het aan het Executieverdrag toegevoegde protocol; of
– bij gebreke van officieel verzet van de staat van bestemming, rechtstreeks door de deurwaarders van de staat waar de stukken zijn opgesteld aan de deurwaarders van de staat op het grondgebied waarvan degene voor wie het stuk bestemd is, zich bevindt, zoals bepaald in artikel IV, tweede alinea, van het aan het Executieverdrag toegevoegde protocol.”
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – PB 1998, C 27, blz. 1.
3 – Trb. 1966, 91.
4 – Artikel 1, eerste alinea, van het Haags Betekeningsverdrag.
5 – Haags Betekeningsverdrag, artikelen 8‑10.
6 – Bij de ratificatie van het Betekeningsverdrag heeft de Duitse regering verklaard dat het op Duits grondgebied niet mogelijk is gebruik te maken van de in artikel 10 bedoelde methoden van kennisgeving of betekening, namelijk het rechtstreeks over de post toezenden van gerechtelijke stukken aan personen in het buitenland; de mogelijkheid van gerechtsdeurwaarders of andere bevoegde personen van de staat van herkomst om de kennisgeving of betekening van gerechtelijke stukken rechtstreeks door gerechtsdeurwaarders of andere bevoegde personen van de staat van bestemming te doen verrichten, en de mogelijkheid van iedere belanghebbende bij een rechtsgeding om de betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken rechtstreeks te doen verrichten door gerechtsdeurwaarders of andere bevoegde personen in de staat van bestemming.
7 – De Commissie heeft in haar opmerkingen verklaard dat betekening door middel van „remise au parquet” ook is voorzien in Belgisch, Nederlands en Luxemburgs recht.
8 – Zie bijvoorbeeld arrest van 15 december 1976, Simmenthal (35/76, Jurispr. blz. 1871).
9 – PB 2001, L 12, blz. 1.
10 – PB 2000, L 160, blz. 37.
11 – Zie eveneens de Engelse en de Franse versie van dit artikel („Judicial and extrajudicial documents drawn up in one Contracting State which have to be served on persons in another Contracting State shall be transmitted in accordance with the procedures laid down in the conventions and agreements concluded between the Contracting States”; „Les actes judiciaires et extrajudiciaires dressés sur le territoire d’un État contractant et qui doivent être notifiés ou signifiés à des personnes se trouvant sur le territoire d’un autre État contractant sont transmis selon les modes prévus par les conventions ou accords conclus entre les États contractants”).
12 – Rapport over het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken („rapport‑Jenard”), blz. 42.
13 – Arrest van 16 juni 1981, Klomps (166/80, Jurispr. blz. 1593), punt 9.
14 – Arrest Klomps, aangehaald in voetnoot 13, punt 15.
15 – Rapport‑Jenard, aangehaald in voetnoot 12, blz. 39.
16 – Arrest van 3 juli 1990, Lancray (C‑305/88, Jurispr. blz. I‑2725), punten 28 en 29. Zie eveneens arrest van 15 juli 1982, Pendy Plastic Products (228/81, Jurispr. blz. 2723), punt 13.
17 – Zie eveneens Philips tegen Symes (2002) 1 WLR 853, voor een vonnis van een Engelse rechterlijke instantie die oordeelde dat de betekening moet plaatsvinden volgens de in artikel IV voorziene wijzen, wanneer een verzoeker vertrouwt op betekening vanuit een verdragsluitende staat aan een verweerder in een andere verdragsluitende staat.
18 – Zie eveneens Thierry Noirhomme tegen David Walklater (1992) 1 Lloyd’s Rep, voor een vonnis van een Engelse rechterlijke instantie waarin werd geoordeeld dat artikel IV alle wijzen van toezending van stukken naar het buitenland toestaat waarnaar in verdragen inzake toezending wordt verwezen, en niet alleen de wijzen die door de verdragen zelf worden genoemd.
19 – Eerste Protocol betreffende de uitlegging van het Verdrag van 1968 door het Hof van Justitie (geconsolideerde versie), PB 1998, C27, blz. 28.
20 – Zie bijvoorbeeld arrest van 11 augustus 1995, SISRO (C‑432/93, Jurispr. blz. I‑2269).
Full & Egal Universal Law Academy