CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. STIX-HACKL
van 13 september 2005 1(1)
Zaak C‑547/03 P
Asian Institute of Technology (AIT)
tegen
Commissie
„Hogere voorziening – Onderzoekscontract met het Center for Energy-Environment Research and Development’ in het kader van het programma Asia-Invest – Kennelijke niet-ontvankelijkheid – Ontbreken van rechtspersoonlijkheid van organisatie waarmee de Commissie het contract heeft gesloten”
I – Inleiding
1. Deze hogere voorziening betreft een voor de praktijk van het Gerecht van eerste aanleg wezenlijk procesrechtelijk probleem, namelijk onder welke voorwaarden het Gerecht een beroep als kennelijk niet-ontvankelijk kan verwerpen. Het gaat dus om de uitlegging van de procedurele voorwaarden van artikel 111 van het Reglement voor de van het Gerecht van eerste aanleg (hierna: „Reglement voor de procesvoering”).
2. Het voorwerp van deze procedure is de beoordeling van een beschikking van het Gerecht van eerste aanleg betreffende een beroep tot nietigverklaring van een besluit van de Commissie waarbij zij een contract met een onderzoeksorganisatie heeft gesloten.
II – Rechtskader
3. Het Reglement voor de procesvoering, in de toepasselijke versie op het voor de procedure relevante tijdstip, bepaalt in artikel 111:
„Wanneer het Gerecht kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van een beroep, of wanneer dit kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, kan het, de advocaat-generaal gehoord, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beschikking.”
4. Artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering bepaalt onder meer:
„1. De maatregelen tot organisatie van de procesgang hebben tot doel, het voldingen van de zaken, het procesverloop en de afdoening van de geschillen zoveel mogelijk te bespoedigen. Er wordt toe besloten door het Gerecht, de advocaat-generaal gehoord.
2. De maatregelen tot organisatie van de procesgang hebben in het bijzonder tot doel:
a) het goede verloop van de schriftelijke en mondelinge behandeling te verzekeren en de bewijsvoering te vergemakkelijken;
b) de punten te bepalen, ten aanzien waarvan partijen hun vertogen moeten aanvullen, of die instructie behoeven;
c) de strekking van de conclusies en van de middelen en argumenten van partijen te preciseren en hun geschilpunten te verduidelijken;
d) een minnelijke regeling van de geschillen te vergemakkelijken.
3. Maatregelen tot organisatie van de procesgang kunnen met name bestaan in:
a) het stellen van vragen aan partijen;
b) het uitnodigen van partijen om zich schriftelijk of mondeling over bepaalde aspecten van het geschil uit te laten;
c) het vragen van gegevens of inlichtingen aan partijen of aan derden;
d) het verzoeken om overlegging van documenten of stukken die betrekking hebben op de zaak;
e) het ter vergadering oproepen van de gemachtigden van partijen of de partijen in persoon.
4. Iedere partij kan in elke stand van het geding voorstellen doen tot vaststelling of wijziging van maatregelen tot organisatie van de procesgang. In dit geval worden de andere partijen gehoord, alvorens die maatregelen worden gelast.
Wanneer de omstandigheden van de procedure dat vereisen, stelt het Gerecht partijen in kennis van de beoogde maatregelen; het stelt hen in de gelegenheid, mondeling of schriftelijk opmerkingen te maken.
...”
III – Feiten
5. Het Asian Institute of Technology (AIT) is een in Thailand gevestigde organisatie zonder winstoogmerk voor technologisch onderwijs en onderzoek. Het Center for Energy-Environment Research and Development (hierna: „CEERD”) was tot 2001 een dienst zonder rechtspersoonlijkheid van AIT. Tot 31 december 2001 was Lefèvre directeur van deze dienst.
6. In het kader van het programma "'Asia-Invest - contacten met ondernemingen” heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen op 10 april 2001 een oproep tot het indienen van voorstellen (nr. EUROPEAID/112441/C/G) gepubliceerd.
7. Het CEERD heeft op 19 november 2001 een door directeur Lefèvre ondertekend voorstel ingediend.
8. Na beoordeling van het voorstel besloot de Commissie om het contract met het CEERD te sluiten. Het contract van 27 februari 2002 werd ondertekend door Lefèvre in zijn hoedanigheid van directeur het CEERD. Een voorschot van 27 481,88 euro werd betaald op een rekening van de Foundation for International Human Resource Development (hierna: „FIHRD”) bij de Thai Farmers Bank.
9. Bij brief van 17 juli 2002 verzocht de raadsman van het AIT de Commissie (de dienst EuropeAid) om informatie over een project genaamd „Facilitating the Dissemination of European Clean Technologies in Thailand”. In die brief wees hij erop dat het CEERD slechts een dienst van het AIT was zonder rechtspersoonlijkheid. Bovendien was Lefèvre na 31 december 2001 geen directeur meer.
10. In antwoord op deze brief heeft E. W. Muller, directeur van de dienst voor samenwerking van de Commissie (EuropeAid), op 21 juli 2002 aan de raadsman van het AIT een brief gestuurd die luidt als volgt:
„Naar aanleiding van uw verzoek kan ik u het volgende meedelen:
– de betrokken overeenkomst is op 22 februari 2002 getekend door mijzelf en M. Eich van EuropeAid enerzijds, en op 27 februari 2002 door professor Thierry Lefèvre, directeur van het .Center for Energy-Environment Research and Development, anderzijds;
– het totaalbedrag van het project beloopt 68 704,70 [euro], waarvan 34 352,35 [euro] de subsidie van de Europese Commissie vormt;
– 80 % van de gemeenschapssubsidie, namelijk 27 481,88 [euro], is als voorschot betaald. Het restant namelijk 6 870,47 [euro], zal worden betaald bij beëindiging van het project;
– de duur van het project bedraagt vijftien maanden; de einddatum is 28 mei 2003;
– in de bijlage bij deze brief vindt u nadere inlichtingen over de plaats waar dit bedrag zich bevindt;
– de overeenkomst is gesloten na publicatie van een offerteaanvraag voor het programma Asia-Invest in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 10 april 2001;
– de opdrachten worden verleend na beraadslaging in een beoordelingscomité, waaraan de opdrachtgeefster, de Europese Commissie, vervolgens haar goedkeuring moet hechten.”
IV – Procesverloop voor het Gerecht van eerste aanlag en de betwiste beschikking
11. Op 23 september 2002 heeft het AIT bij het Gerecht van eerste aanleg beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 4 juli 2000 betreffende de sluiting van het contract met Lefèvre, de directeur van het CEERD/FIHRD (zaak T‑287/02). Ook heeft het beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 22 februari 2002 betreffende het contract met het CEERD (zaak T‑288/02).
12. Op 20 december 2002 heeft de Commissie haar verweerschrift ingediend waarin zij onder meer verzocht om beide zaken te voegen. Het AIT heeft zich tegen voeging verzet.
13. De Commissie heeft bovendien in haar verweerschrift een exceptie van niet-ontvankelijkheid in zaak T‑288/02 opgeworpen. Zij stelde dat het contract het AIT niet rechtstreeks en individueel raakte en dat het besluit van de Commissie geen voor het AIT bezwarend besluit was.
14. Tijdens de procedure in zaak T‑288/02 heeft het Gerecht de Commissie verzocht om overlegging van bepaalde documenten. De Commissie heeft daaraan op 22 juli 2003 gevolg gegeven, waarna het Gerecht het AIT heeft verzocht om een standpunt over de exceptie van niet-ontvankelijkheid in te nemen. Het AIT heeft dat binnen de gestelde termijn gedaan.
15. Bij beschikking van 25 juni 2003 heeft het Gerecht op grond van de artikelen 113 en 114 van het Reglement voor de procesvoering het beroep in zaak T‑287/02 niet-ontvankelijk verklaard.
16. Bij beschikking van 15 oktober 2003 heeft het Gerecht op grond van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering het beroep in zaak T‑288/02 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
17. Het Gerecht motiveerde zijn beslissing met het argument dat het door de schriftelijk opmerkingen van partijen voldoende was ingelicht en dat de mondelinge behandeling dus achterwege kon blijven.
18. Het Gerecht baseerde zich daarbij op de vaste rechtspraak, dat natuurlijke of rechtspersonen uit hoofde van artikel 230, vierde alinea, op EG enkel handelingen kunnen aanvechten die bindende rechtsgevolgen hebben, welke hun belangen kunnen schaden doordat zij hun rechtspositie ingrijpend wijzigen.
19. Het Gerecht leidt uit de stukken af dat de Commissie zich bij het nemen van het besluit volledig bewust was van het feit dat de contractpartij een andere organisatie dan het AIT was en dat het CEERD, evenals zijn directeur, niet meer aan het AIT gebonden was.
20. Het voorstel van 19 november 2001, met name het tweede gedeelte, vermeldt uitdrukkelijk dat het CEERD aan het FIHRD is overgedragen en dat Lefèvre niet langer in dienst van het AIT was. Het besluit van de Commissie berustte dus niet op een vergissing of op bewuste misleiding.
21. Het besluit is dus gericht tot het CEERD/FIHRD en niet tot het AIT. Het contract legt het AIT geen verplichtingen op en verleent het ook geen rechten. Het besluit raakt het AIT dus niet. Het AIT kan dus niet stellen dat het betwiste besluit een handeling is met bindende rechtsgevolgen die zijn belangen schaden doordat zij zijn rechtspositie ingrijpend wijzigen.
22. Het Gerecht heeft het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
V – De hogere voorziening: conclusies en middelen
23. Het AIT heeft op 22 december 2003 hogere voorziening ingesteld tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vijfde kamer) van 15 oktober 2003 in zaak T‑288/02, Asian Institute of Technology/Commissie van de Europese Gemeenschappen.
24. AIT concludeert dat het het Hof behage:
– de bestreden beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van de 15 oktober 2003 te vernietigen;
– de zaak te verwijzen naar het Gerecht;
– subsidiair, de mondelinge behandeling te openen;
– het besluit van de Commissie van 22 of 27 februari 2002 om een onderzoekscontract te sluiten met Lefèvre, die zich directeur van het „Center for Energy-Environment Research and Development” noemt, nietig te verklaren.
25. Tot staving van zijn vordering tot vernietiging van de beschikking voert het AIT in wezen drie middelen aan: Om te beginnen procedurefouten, omdat het Gerecht het beroep kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard; in de tweede plaats een beoordelingsfout bij het onderzoek van de ontvankelijkheid, gelet op artikel 230, vierde alinea, EG; in de derde plaats, subsidiair, schending van de rechten van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
VI – De vordering tot vernietiging van de beschikking
A – Het eerste middel
1. Argumenten van partijen
a) AIT
26. Het AIT baseert zijn vordering tot vernietiging van de bestreden beschikking op drie middelen.
27. Het eerste middel betreft procedurefouten. Het Gerecht van eerste aanleg heeft het beroep van het AIT in zaak T‑288/02 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering. Kennelijke niet-ontvankelijkheid kan enkel aan het begin van de procedure worden vastgesteld en in geen geval na aanvullende instructie. Wanneer het beroep echter niet kennelijk niet-ontvankelijk is en de niet-ontvankelijkheid pas na een maatregel van instructie aan het licht komt, is artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van toepassing en niet artikel 111. Bij niet kennelijke niet-ontvankelijkheid heeft het Gerecht nog de discretionaire bevoegdheid om een mondelinge behandeling te houden, terwijl artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering een mondelinge behandeling automatisch uitsluit. In het onderhavige geval heeft het Gerecht een kennelijke niet-ontvankelijkheid afhankelijk gemaakt van de resultaten van verdere instructiemaatregelen en daarmee de verzoeker het recht op een mondelinge behandeling ontnomen.
b) Commissie
28. De Commissie is van mening dat het eerste middel ongegrond is. Zij wijst er in het bijzonder op dat zij de exceptie van niet-ontvankelijkheid in haar verweerschrift heeft opgeworpen. Verder heeft het AIT in repliek lange opmerkingen over de ingediende documenten gemaakt. Bovendien vloeit de niet-ontvankelijkheid niet voort uit de door de Commissie in juli 2003 ingediende documenten, maar uit het verweerschrift en de begeleidende documenten.
2. Beoordeling
29. In het kader van de beoordeling van het eerste middel betreffende de vraag of artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering al dan niet juist is toegepast, moet eerst de betekenis van deze bepaling worden bezien zoals die uit de bewoordingen ervan blijkt.
30. De betekenis van het woord „kennelijk” is in dit verband de kern van het probleem. Deze nadere kwalificatie van de niet-ontvankelijkheid kan twee betekenissen hebben. In eerste plaats kan deze kwalificatie, bezien vanuit een formeel standpunt, aldus worden uitgelegd dat de niet-ontvankelijkheid van dien aard is dat zij evident, wellicht al op het eerste gezicht, bestaat. In de tweede plaats zou „kennelijk”, en ook andere taalversies wijzen in die richting, kunnen worden begrepen als zeer sterk of ernstig. Deze bepaling kan dus een materieel concept inhouden, in die zin dat het gaat om duidelijke, niet twijfelachtige gevallen.
31. Aangezien de bewoordingen van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering in beide richtingen kunnen worden uitgelegd, moet als tweede stap de ontstaansgeschiedenis van deze bepaling worden nagegaan.
32. Voor een onderzoek naar de historische ontwikkeling moet worden teruggegaan naar de tijd vóór de oprichting van het Gerecht van eerste aanleg. Want het eerste Reglement voor de procesvoering van het Gerecht uit 1991 bevatte al een in wezen gelijkluidende bepaling. Die kwam inhoudelijk overeen met artikel 92, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof uit 1991(2).
33. Aangezien de hier in geding zijnde bepaling naar het voorbeeld van artikel 92, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof is geformuleerd, verdient het aanbeveling om de bewoordingen van de daarvoor geldende versie weer te geven, dus de gemeenschappelijke eerdere bepaling in de zogenoemde Wijzigingen van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen(3) van 12 september 1979(4):
„Wanneer het Hof kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van een verzoekschrift dat aan de vereisten van artikel 38, paragraaf 1, beantwoordt, kan het Hof bij met redenen omklede beschikking dit verzoekschrift niet-ontvankelijk verklaren. Deze beschikking kan worden gegeven nog voordat het verzoekschrift aan de wederpartij is toegezonden.”
34. Uit deze bepaling blijkt duidelijk dat de beslissing over de niet-ontvankelijkheid, zelfs wanneer deze kennelijk is, door middel van een beschikking slechts een bevoegdheid en geen verplichting is. Verder kan uit de bepaling worden afgeleid dat een dergelijke beslissing ook in een zeer vroeg stadium kon worden genomen. Een verplichting daartoe bestond niet.
35. In de latere versies van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, zoals ook in die van het Gerecht, bleef dit basisidee wel gehandhaafd, maar werd gekozen voor een algemenere formulering. Zij staan een beslissing toe zonder voortzetting van de procedure.
36. De reglementen voor de procesvoering, en dat geldt zowel voor de oorspronkelijke als voor de hier toepasselijke versie, bevatten echter geen nadere regeling over het stadium van de procedure waarin een dergelijke beschikking over de kennelijke niet-ontvankelijkheid kan worden gegeven.
37. Uit de bewoordingen en uit de ontstaansgeschiedenis kan evenwel worden afgeleid dat de mogelijkheid om in een vroeg stadium van de procedure te beslissen door middel van een beschikking is bedoeld om de procedure te bespoedigen. In dergelijke gevallen kan worden afgezien van de gewone procedure en kan een verkorte procedure worden gevolgd. Een verplichting daartoe bestaat niet.
38. Uit het Reglement voor de procesvoering kunnen echter geen verdere voorwaarden worden afgeleid op basis waarvan een beschikking uit hoofde van artikel 111 kan worden gegeven.
39. De rechtspraak van het Hof tot dusver bevat geen uitdrukkelijke precedenten, al zijn er wel aanwijzingen in te vinden voor de uitlegging van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering.
40. Het arrest van het Hof in hogere voorziening in de zaak Alexopolou(5) betreft weliswaar kennelijke ongegrondheid, maar bevat toch een sterke aanwijzing voor het feit dat het Hof het materiële concept aanhangt.
41. Het Hof beoordeelde het begrip kennelijk toen namelijk aan de hand van de mate van afwijking van de bestaande rechtspraak. Dit uitgangspunt, weliswaar geformuleerd in verband met ongegrondheid, kan ook voor de niet-ontvankelijkheid gelden. Dat zou betekenen dat het hier aankomt op de mate van afwijking van de door het gemeenschapsrecht gestelde voorwaarden.
42. Uit de zaak Autosalone Ispra dei Fratelli Rossi blijkt dat het Hof ook met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid eerder naar het materiële concept neigt.
43. Het Hof heeft in die hogere voorziening niet onderzocht op welk tijdstip het Gerecht zijn op artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering steunende beschikking had gegeven, maar wel of was voldaan aan het in die bepaling gestelde vereiste dat de advocaat-generaal moet worden gehoord. (6)
44. Uit de procedure in eerste aanleg in die zaak blijkt echter(7), dat het Gerecht pas bij een beschikking uit hoofde van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering besliste nadat het partijen had verzocht om nadere inlichtingen.
45. Ook in de procedure waartegen de hogere voorziening in de zaak Infrisa(8) was gericht, had het Gerecht partijen eerst een vraag gesteld alvorens te beslissen bij een beschikking uit hoofde van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering.(9)
46. Maar zelfs wanneer men het formele concept volgt, dat wil zeggen wanneer men zich baseert op de processuele situatie, is de handelwijze van het Gerecht in de onderhavige procedure toch door artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering gedekt.
47. Zoals reeds gezegd, kan uit de hier toepasselijke versie van het Reglement voor de procesvoering niet worden afgeleid, dat voor de beoordeling van de vraag of de niet-ontvankelijkheid kennelijk is, slechts de eerste schriftuur, dat wil zeggen het verzoekschrift, in aanmerking moet worden genomen.
48. In dit verband rijst de vraag of artikel 111 wel van toepassing kan zijn, wanneer maatregelen tot organisatie van de procesgang in de zin van artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering worden genomen. Dit kan echter niet uit de voorwaarden voor dergelijke maatregelen of uit de voorwaarden voor beslissing van de zaak volgens artikel 111 worden afgeleid.
49. Uit het met artikel 64, lid 1, nagestreefde doel dat maatregelen tot organisatie van de procesgang onder meer de voorbereiding van beslissingen moeten garanderen, en uit de omstandigheid dat niet is voorzien in een beperking tot bepaalde categorieën beslissingen, kan worden afgeleid dat maatregelen tot organisatie van de procesgang ook kunnen dienen ter voorbereiding van een beslissing volgens artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering.
50. Artikel 64, lid 2, sub c, concretiseert dat in die zin, dat maatregelen tot organisatie van de procesgang onder meer tot doel hebben de strekking van de conclusies en van de middelen en argumenten van partijen te preciseren en hun geschilpunten te verduidelijken.
51. Aangezien het Gerecht niet enkel vóór de indiening van het verweerschrift een beschikking uit hoofde van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering kan geven, maar ook in een later stadium, zou het onlogisch zijn het Gerecht wel toe te staan om passief het verdere verloop van de procedure passief af te wachten, maar niet ook om maatregelen tot organisatie van de procesgang te nemen.
52. Dit betekent uiteindelijk dat niet enkel aan het criterium van kennelijkheid is voldaan wanneer dit blijkt uit de memories die in een zeer vroeg stadium van de procedure worden ingediend. Er kan ook sprake zijn van kennelijkheid wanneer het in een later stadium blijkt, met inbegrip van het geval dat het blijkt uit bepaalde documenten die pas op verzoek van het Gerecht worden ingediend.
53. In de hier aanhangige zaak heeft het Gerecht de Commissie verzocht om overlegging van de tekst van de oproep tot het indienen van voorstellen, alsook van de rechtsregels betreffende steunverlening in het kader van Asia-Invest en van het volledige voorstel van het CEERD.
54. Aangezien gedeelten van deze documenten reeds bij het verzoekschrift waren gevoegd, gaat het in werkelijkheid om een aanvulling van het verzoekschrift.
55. Er hoeft hier niet te worden nagegaan welke feiten al uit het verzoekschrift bleken en of het verzoek van het Gerecht met juist deze inhoud noodzakelijk was. Het staat in elk geval niet in de weg aan de toepassing van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering.
56. Dit verzoek uit hoofde van artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering vormt een correcte handelwijze van een orgaan met beslissingsbevoegdheid, waaraan ook een contradictoir element kleeft.
57. Over de klacht van het AIT dat er geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, kan worden opgemerkt dat artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering niet in een verplichte mondelinge behandeling voorziet. Bovendien kan het beginsel van een procedure op tegenspraak ook zonder mondelinge behandeling worden gegarandeerd. Uit de handelwijze van het Gerecht in deze procedure blijkt precies dat dit beginsel ook op schriftelijke wijze kan worden gehandhaafd. Zo heeft het Gerecht het AIT verzocht om ten aanzien van bepaalde punten positie te kiezen, in het bijzonder ten aanzien de niet-ontvankelijkheid. Het AIT heeft deze mogelijkheid gebruikt. Het heeft dus niet enkel de gelegenheid gehad om zijn standpunt naar voren te brengen, maar heeft die gelegenheid ook gebruikt.
58. Wanneer het AIT niettemin stelt dat het Gerecht artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering had moeten toepassen, miskent zij dat ook deze bepaling geen mondelinge behandeling garandeert. Uit de verwijzing in die bepaling naar artikel 114, leden 3 en 4, blijkt namelijk dat het Gerecht kan afzien van een mondelinge behandeling.
59. Aangezien het Gerecht zijn beslissing reeds op basis van de overgelegde documenten kon nemen en een mondelinge behandeling geen verder nut zou hebben gehad, kan de keuze van het Gerecht om volgens artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering te beslissen niet worden aangevochten.
60. Het Gerecht heeft bij de toepassing van zijn Reglement voor de procesvoering het recht dus niet geschonden.
61. Het eerste middel is daarom ongegrond.
B – Het tweede middel
1. Argumenten van partijen
a) AIT
62. Het AIT voert als tweede middel aan dat er bij het onderzoek van de ontvankelijkheid, gelet op artikel 230, vierde alinea, EG, beoordelingsfouten zijn gemaakt. Het Gerecht heeft de motivering van zijn beschikking ten onrechte gebaseerd op punt 9 van het arrest van het Hof in de zaak IBM/Commissie.
63. Aangezien AIT niet de „geadresseerde” van de beslissing om het contract te sluiten is geweest, had het Gerecht het criterium van het arrest Plaumann moeten toepassen met de versoepelingen die het Hof in deze rechtspraak heeft aangebracht teneinde artikel 173 EG-Verdrag (thans artikel 230, vierde alinea, EG) minder restrictief uit te leggen. Want het CEERD/FIHRD waarmee de Commissie het contract had gesloten, was een concurrent en bovendien en deloyale concurrent van het CEERD/AIT. De gunning van het contract aan het CEERD/FIHRD door de Commissie, waardoor het AIT niet meer kon profiteren van de concurrentievoordelen die voortvloeiden uit het feit dat het CEERD/AIT een van zijn diensten was, beïnvloedde de concurrentiepositie van het AIT wezenlijk. De omstreden beslissing tast ook het recht van het AIT aan om zich met het gebruik van zijn naam en zijn logo „CEERD” van alle andere marktdeelnemers te onderscheiden. Het betwiste contract raakt het AIT rechtstreeks en individueel, omdat het, ook al is het AIT geen onderneming, zijn concurrentiepositie wezenlijk beïnvloedt. Het AIT heeft zijn processuele rechten die voortvloeien uit de oproep tot indiening van voorstellen, niet gebruikt. Overigens is het tweede contract uit 2002 slechts een voortzetting van het contract uit 2000.
b) Commissie
64. De Commissie is van mening dat het tweede middel als nieuwe argumentatie niet-ontvankelijk is, omdat het AIT die argumenten niet bij het Gerecht naar voren heeft gebracht.
65. Het tweede middel is in elk geval ongegrond, aldus de Commissie. Het feit dat het sluiten van het contract met het CEERD/FIHRD de concurrentiepositie van het AIT zou hebben beïnvloed, individualiseert het AIT, gelet op de rechtspraak van het Hof, niet voldoende. De gevolgen voor zijn marktpositie vloeien niet voort uit het besluit van de Commissie, maar uit het gebruik van de naam door een voormalige medewerker.
66. Het argument dat het op 27 februari 2002 gesloten contract slechts een voortzetting is van het op 4 juli 2002 gesloten contract, mist elke grondslag, omdat beide contracten los van elkaar staan. Dat blijkt uit verschillende omstandigheden, zoals bij voorbeeld uit het feit dat verschillende procedures zijn gevolgd en dat de tweede oproep tot indienen van voorstellen een ander voorwerp had.
67. Met betrekking tot het argument dat is gebaseerd op het arrest in de zaak Codorníu, beklemtoont de Commissie dat het met het CEERD gesloten contract het AIT niet van de naam CEERD berooft. Overigens was het contract al geëindigd. Het gedrag van de heer Lefèvre moet door de Thaise rechter worden beoordeeld.
2. Beoordeling
a) Ontvankelijkheid
68. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het tweede middel moet erop worden gewezen, dat daarmee wordt geklaagd over de motivering van de beschikking van het Gerecht. De door het AIT aangevoerde argumenten betreffen de uitlegging van artikel 230, vierde alinea, EG door het Gerecht. Dergelijke middelen die de juridische beoordeling van de handelwijze van het Gerecht betreffen, zijn echter naar hun aard nieuw, omdat zij immers niet bij het Gerecht naar voren gebracht konden worden.
69. Het tweede middel is dus ontvankelijk
b) Gegrondheid
70. Wanneer het AIT stelt dat het Gerecht in punt 27 van zijn beschikking ten onrechte verwijst naar het arrest van het Hof in de zaak IBM(10), moet worden opgemerkt dat dit citaat vanuit zijn juridische context gezien niet passend is.
71. Dat arrest betrof handelingen in een procedure met meer fases, waarbij het ging om de vraag welke van de maatregelen van de Commissie een voor beroep vatbare handeling vormt.
72. De overige in punt 27 geciteerde arresten ter illustratie van de vaste rechtspraak blijken wel passend te zijn, omdat zij in wezen het volgende beginsel tot uitdrukking brengen:
„Natuurlijke of rechtspersonen kunnen krachtens artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag slechts opkomen tegen handelingen die bindende rechtsgevolgen hebben, welke hun belangen aantasten doordat zij hun rechtspositie aanmerkelijk wijzigen.”
73. Verder moet worden onderzocht of de juridische redenering van het Gerecht in de punten 28 tot en met 30 van de beschikking juist is. Op de in de schriftelijke stukken vermelde feiten hoeft in deze hogere voorziening niet te worden ingegaan.
74. Het oordeel van het Gerecht in punt 30 dat het besluit van de Commissie tot het CEERD/FIHRD was gericht, is rechtens juist.
75. Blijft nog de vraag of het oordeel van het Gerecht juist is, dat dit besluit voor het AIT geen bindende rechtsgevolgen had die zijn belangen aantastten doordat zij zijn rechtspositie aanmerkelijk wijzigden.
76. Het AIT verwijst in zijn argumentatie naar een reeks arresten van het Gerecht en van het Hof.
77. Het motiveert zijn standpunt om te beginnen met de stelling dat het arrest van het Gerecht in de gevoegde zaken Métropole Télévision e.a.(11) tot een andere beoordeling van het geschil had moeten leiden. Daarover moet worden opgemerkt dat het in die procedure ging om derden die in een bestuursrechtelijke procedure, op het gebied van het mededingingsrecht, over bepaalde procedurele rechten beschikken(12) . In die de zaak had het besluit van de Commissie invloed op de concurrentiepositie.
78. Verder motiveert het AIT zijn standpunt met een verwijzing naar het arrest van het Gerecht in de zaak Kruidvat(13). Het is zeker juist dat de omstandigheid dat een verzoeker niet aan de procedure bij de Commissie heeft deelgenomen, nog niet zonder meer tot niet-ontvankelijkheid van het beroep leidt(14). Maar het Gerecht heeft destijds in zijn arrest beklemtoond, dat het voor de procesbevoegdheid niet volstond dat verzoekster met derden concurreerde. Evenals in die procedure bestaat er namelijk geen verschil tussen het AIT en de talrijke andere marktdeelnemers op de parallelle markt(15).
79. Het AIT tracht bovendien met een verwijzing naar het arrest van het Hof in de zaak Codorníu te bewijzen dat de beschikking rechtens onjuist is.
80. De enige parallel met die zaak is dat het daarin ook om de bescherming van een benaming ging. Anders dan in deze procedure was de beweerde aantasting van het „naamrecht” echter veroorzaakt door een gemeenschapsinstelling en niet, zoals in casu, door een derde. Maar het AIT vindt zelf niet eens dat het besluit van de Commissie een aantasting van het „naamrecht” vormt.
81. De door het AIT aangevoerde zaak Cook(16) verschilt van de hier aanhangige zaak doordat het daarin ging om een procedure betreffende staatssteun, waarin bijzondere regels voor de rechtspositie van derdeondernemingen gelden.
82. Ten slotte doet het AIT een beroep op het arrest in de zaak Groupement des agences de voyages(17). Ook dit arrest biedt echter geen steun aan de stelling dat het Gerecht de procesbevoegdheid onjuist heeft beoordeeld. De „Groupement” werd namelijk geen procesbevoegdheid toegekend, juist omdat het niet aan de aanbesteding had deelgenomen.(18) Daartegenover werd de procesbevoegdheid van de vereniging van agentschappen die aan de aanbesteding had deelgenomen, wel erkend.(19)
83. Bijgevolg is het tweede middel ongegrond.
C – Het derde middel
1. Argumenten van partijen
a) AIT
84. Subsidiair stelt het AIT, als derde middel, schending van zijn recht op een doeltreffende voorziening in rechte, zoals gewaarborgd bij artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het AIT stelt bovendien schending van zijn in artikel 17, lid 2, van het Handvest gegarandeerde recht op intellectuele eigendom. Ten slotte vallen derde staten niet onder de verplichting om doeltreffende voorzieningen in rechte in te voeren, zodat de belangrijkste reden voor de afwijzing van de procesbevoegdheid in het arrest in de zaak Unión de Pequeños Agricultores(20) in deze zaak niet geldt.
b) Commissie
85. De Commissie beklemtoont dat het AIT niet heeft aangetoond dat geen doeltreffende voorziening in rechte beschikbaar was, omdat het in Thailand rechtsbescherming had kunnen zoeken. Het AIT beweert eenvoudig dat de nationale voorzieningen niet doeltreffend waren, zonder dat aan te tonen. Dat zou er bovendien leiden toe leiden dat personen uit derde landen waar geen effectieve rechtsbescherming bestaat, in een gunstiger positie komen te verkeren dan personen binnen de EU, waar de verplichting bestaat om daarin te voorzien.
2. Beoordeling
86. Verzoeker voert aan dat het Gerecht zijn recht op een doeltreffende voorziening in rechte en zijn recht op intellectuele eigendom heeft geschonden.
87. De schending van deze rechten wordt onderbouwd met een verwijzing naar het Handvest van de grondrechten. Aangezien het Handvest echter juridisch niet bindend is, was ook het Gerecht daaraan niet gebonden.
88. Als rechtsgrondslag voor een verplichting om een doeltreffende voorziening in rechte te garanderen, waren hooguit de uit het Europese Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens af te leiden vereisten in aanmerking gekomen, waaraan ook de gemeenschapsinstelling, met inbegrip van het Gerecht, gebonden zijn. Maar die redenering is niet gevolgd.
89. Bijgevolg is het derde middel ongegrond.
VII – De overige vorderingen
A – Argumenten van partijen
90. Het AIT voert aan dat het CEERD/FIHRD geen rechtspersoonlijkheid heeft. Daarom heeft de Commissie inbreuk gemaakt op het beginsel van goed bestuur, en wel ten aanzien van punt 2, tweede alinea, van de „Guidelines for applicants” van het Asia‑Invest programma, op grond waarvan contracten enkel mogen worden gesloten met instellingen die volgens hun respectieve nationale recht rechtspersoonlijkheid hebben en waarvan de statuten zijn goedgekeurd.
91. Volgens de Commissie is het CEERD/FIHRD een rechtspersoon. Dat het CEERD een dienst van het FIHRD is, verandert niets aan de positie van de contractpartijen. Het gaat om problemen tussen het AIT, het FIHRD en de heer Lefèvre. De Commissie wijst er bovendien op dat de gemeenschapsrechter het gebruik van benamingen niet door middel van nietigverklaring van het contract kan beëindigen.
B – Beoordeling
92. Zoals reeds uit de aan het Gerecht overlegde documenten blijkt, beschikt de instelling waarmee de Commissie een contract heeft gesloten, namelijk het FIHRD, over de noodzakelijke rechtspersoonlijkheid. De juridische status van het CEERD als zodanig is hier dus niet van belang.
93. Verder heeft het AIT niet bewezen dat de Commissie heeft nagelaten om te onderzoeken of aan de voorwaarden voor een correcte sluiting van het contract was voldaan.
94. Alles bijeen genomen heeft het AIT niet kunnen aantonen dat de Commissie inbreuk heeft gemaakt op het beginsel van goed bestuur. De overige vorderingen zijn dus ongegrond.
VIII – Kosten
95. Volgens artikel 122 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof ten aanzien van de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat volgens artikel 118 op de procedure in hogere voorziening van toepassing is, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien AIT in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
IX – Conclusie
96. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om te beslissen als volgt:
1. De hogere voorziening wordt afgewezen.
2. AIT wordt in de kosten verwezen.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Artikel 92, paragraaf 1, van de originele versie uit 1991 (Wijzigingen van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van 15 mei 1991; PB L 176, blz. 1).
3 – Hierbij werd het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen uit 1959 (PB 1959, nr. 18, blz. 349) vervangen.
4 – PB 1979, L 238. blz. 1.
5 – Arrest van 1 juli 1999, C‑155/98 P, Alexopolou/Commissie, Jurispr. blz. I‑4069, punt 13.
6 – Beschikking van 18 juli 2002, C‑136/01 P, Autosalone Ispra dei Fratelli Rossi/Commissie, Jurispr. blz. I‑6565, punten 17 e.v.
7 – Beschikking van 17 januari 2001, T‑124/99, Autosalone Ispra dei Fratelli Rossi/EGA, Jurispr. blz. II‑53.
8 – Beschikking van 14 oktober 1999, C‑437/98 P, Infrisa/Commissie, Jurispr. blz. I‑7145.
9 – Beschikking van 15 september 1998, T‑136/95, Industria del Frio Auxiliar Conservera/Commissie, Jurispr. blz. II‑3301.
10 – Arrest van 11 november 1981, 60/81, IBM/Commissie, Jurispr. blz. 2639.
11 – Arrest van 11 juli 1996, Métropole Télévision/Commissie, T‑528/93, T‑542/93, T‑543/93 en T‑546/93, Jurispr. blz. II‑649.
12 – Punt 62.
13 – Arrest van 12 december 1996, Kruidvat/Commissie, T‑87/92, Jurispr. blz. II‑1931.
14 – Punt 67.
15 – Punt 70.
16 – Arrest van 19 mei 1993, Cook/Commissie, C‑198/91, Jurispr. blz. I‑2487.
17 – Arrest van 28 oktober 1982, Groupement des agences de voyage/Commissie, 135/81, Jurispr. blz. 3799.
18 – Punt 7.
19 – Punt 13.
20 – Arrest van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad, C‑50/00 P, Jurispr. blz. I‑6677.
Full & Egal Universal Law Academy