Zaak C‑5/03
Helleense Republiek
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„EOGFL – Uitsluiting van bepaalde uitgaven – Groenten en fruit – Sinaasappelen – Dierenpremies – Runderen – Schapen en geiten”
Conclusie van advocaat-generaal L. A. Geelhoed van 14 oktober 2004
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 7 juli 2005
Samenvatting van het arrest
1. Landbouw – EOGFL – Goedkeuring van rekeningen – Weigering uitgaven ten laste te brengen die gevolg zijn van onregelmatigheden bij toepassing van gemeenschapsregeling – Betwisting door betrokken lidstaat – Bewijslast – Verdeling tussen Commissie en lidstaat
(Verordening nr. 729/70 van de Raad)
2. Landbouw – EOGFL – Goedkeuring van rekeningen – Weigering uitgaven ten laste te brengen die gevolg zijn van onregelmatigheden bij toepassing van gemeenschapsregeling – Financiële correctie – Voorwaarden – Bestaan van aanzienlijke tekortkoming waardoor EOGFL aan reëel risico van verlies wordt blootgesteld
(Verordening nr. 729/70 van de Raad)
1. Op het gebied van de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid door het EOGFL staat het weliswaar aan de Commissie, wanneer zij bepaalde bedragen aan de communautaire financiering wenst te ontrekken, om schending van het gemeenschapsrecht te bewijzen, maar zij hoeft niet het bestaan van werkelijke schade te bewijzen of de ontoereikendheid van de door de nationale administraties verrichte controles of de onregelmatigheid van de door hen voorgelegde cijfers uitputtend aan te tonen, maar kan genoegen nemen met ernstige aanwijzingen in die zin of een bewijs leveren voor de ernstige en redelijke twijfel die zij omtrent die controles en cijfers heeft.
Wanneer de Commissie een dergelijk bewijs heeft geleverd, moet de lidstaat in voorkomend geval bewijzen dat de Commissie een vergissing heeft begaan wat de eraan te verbinden financiële gevolgen betreft. De lidstaat kan de bevindingen van de Commissie niet weerleggen zonder bij zijn argumentatie het bewijs te leveren van het bestaan van een betrouwbaar en operationeel controlesysteem. Hij dient gedetailleerd en volledig te bewijzen dat hij daadwerkelijk controles heeft verricht of dat zijn cijfers juist en, in voorkomend geval, de verklaringen van de Commissie onjuist zijn.
Deze verlichting van de bewijslast berust op de verdeling van de bevoegdheden tussen de Gemeenschap en de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en op het feit dat het beheer van de EOGFL-financiering in hoofdzaak bij de nationale autoriteiten berust, die over de strikte naleving van de communautaire voorschriften moeten waken.
(cf. punten 36, 38‑40, 46‑47, 62, 75, 79)
2. Op het gebied van de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL levert het feit dat een procedure voor verbetering vatbaar is, op zich geen grond op voor een financiële correctie. Er moet sprake zijn van een aanzienlijke tekortkoming bij de toepassing van uitdrukkelijke gemeenschapsrechtelijke voorschriften en het EOGFL moet daardoor aan een reëel risico van verlies of onregelmatigheid worden blootgesteld.
(cf. punt 51)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
7 juli 2005 (*)
„EOGFL – Uitsluiting van bepaalde uitgaven – Groenten en fruit – Sinaasappelen – Dierenpremies – Runderen – Schapen en geiten”
In zaak C‑5/03,
betreffende een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG, ingesteld op 3 januari 2003,
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door S. Charitaki en E. Svolopoulou als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Condou-Durande als gemachtigde, bijgestaan door N. Korogiannakis, dikigoros, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Rosas (rapporteur), kamerpresident, A. Borg Barthet, J.‑P. Puissochet, J. Malenovský en U. Lõhmus, rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 september 2004,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 oktober 2004,
het navolgende
Arrest
1 De Helleense Republiek verzoekt om nietigverklaring van beschikking 2002/881/EG van de Commissie van 5 november 2002 houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten voor het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, hebben verricht (PB L 306, blz. 26), voorzover het daarin gaat om financiële correcties voor een bedrag van 2 438 896,91 EUR ter zake van de sector groenten en fruit voor de begrotingsjaren 1997 tot en met 2001, 11 352 868 EUR ter zake van dierenpremies voor runderen voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, en 22 969 271 EUR ter zake van dierenpremies voor schapen en geiten voor de begrotingsjaren 1998 en 1999.
2 Wat de sector groenten en fruit betreft, stemmen deze financiële correcties overeen met een gerichte correctie van 3 % voor verzekeringsbijdragen en met een forfaitaire correctie van 2 % voor ontoereikende controles. Wat de sectoren dierenpremies voor runderen respectievelijk voor schapen en geiten betreft, stemt de financiële correctie overeen met forfaitaire correcties van respectievelijk 10 % en 5 %.
Toepasselijke bepalingen
Algemene gemeenschapsregeling inzake de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid
3 Verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 94, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1287/95 van de Raad van 22 mei 1995 (PB L 125, blz. 1; hierna: „verordening nr. 729/70”), vormt in dat verband de basisregeling, wat uitgaven vóór 1 januari 2000 betreft. Op latere uitgaven is verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad van 17 mei 1999 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 160, blz. 103) van toepassing.
4 Krachtens de artikelen 1, lid 2, sub b, en 3, lid 1, van verordening nr. 729/70, en de artikelen 1, lid 2, sub b, en 2, lid 2, van verordening nr. 1258/99, financiert het EOGFL, afdeling Garantie, de interventies ter regulering van die landbouwmarkten waartoe volgens de communautaire voorschriften in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten wordt overgegaan.
5 Volgens artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70 en artikel 7, lid 4, van verordening nr. 1258/99, neemt de Commissie een besluit over de bedragen die moeten worden onttrokken aan de communautaire financiering, wanneer zij constateert dat de desbetreffende uitgaven niet overeenkomstig de communautaire voorschriften zijn verricht. Bij de bepaling van de te ontrekken bedragen houdt de Commissie rekening met de aard en de ernst van de overtreding, alsmede met de voor de Gemeenschap ontstane financiële schade.
6 In de bijlage bij verordening (EG) nr. 1663/95 van de Commissie van 7 juli 1995 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 729/70 aangaande de procedure inzake de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, afdeling Garantie (PB L 158, blz. 6), is bepaald dat het betaalorgaan per cheque betaalt.
Gemeenschapsregeling inzake groenten en fruit: sinaasappelen
7 Verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 (PB L 297, blz. 1) stelt een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit in.
8 Verordening (EG) nr. 2202/96 van de Raad van 28 oktober 1996 tot invoering van een steunregeling voor telers van bepaalde citrussoorten (PB L 297, blz. 49) baseert die ordening op overeenkomsten tussen telersverenigingen en verwerkers, en op de kwalitatieve en kwantitatieve controle van die overeenkomsten door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten.
9 Artikel 15, lid 2, van verordening (EG) nr. 1169/97 van de Commissie van 26 juni 1997 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 2202/96 (PB L 169, blz. 15) bepaalt dat de telersvereniging binnen 15 werkdagen na de datum waarop de steun of het steunvoorschot is ontvangen, de ontvangen bedragen integraal en per bank‑ of postgiro aan haar leden betaalt.
Gemeenschapsregeling inzake dierenpremies voor runderen
10 Verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 (PB L 148, blz. 24) stelt een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees in.
11 In artikel 11, lid 1, van richtlijn 92/102/EEG van de Raad van 27 november 1992 met betrekking tot de identificatie en de registratie van dieren (PB L 355, blz. 32) heet het dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om, wat de voorschriften voor runderen betreft, in dier voege aan de richtlijn te voldoen dat voor runderen vanaf 1 februari 1993 een registratieverplichting geldt volgens de bestaande nationale procedure, alsmede een identificatieverplichting overeenkomstig de bestaande regels bedoeld in voornoemde richtlijn.
12 Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad van 21 april 1997 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten (PB L 117, blz. 1), die volgens de negende overweging van de considerans ervan is vastgesteld omdat de toepassing van richtlijn nr. 92/102 in dat verband niet voldeed, bepaalt in artikel 22, tweede alinea, dat zij van toepassing is met ingang van 1 juli 1997.
13 Artikel 1, lid 2, van voornoemde verordening preciseert dat de bepalingen van richtlijn nr. 92/102 die specifiek betrekking hebben op runderen, niet langer van toepassing zijn op dieren vanaf de datum waarop deze overeenkomstig het bepaalde in titel I van die verordening moeten worden geïdentificeerd.
14 Artikel 3 van de verordening bepaalt dat de identificatie‑ en registratieregeling oormerken, gecomputeriseerde gegevensbestanden, dierenpaspoorten en individuele registers op elk bedrijf omvat. De artikelen 4 tot en met 7 geven een gedetailleerde omschrijving van elk van die onderdelen van de regeling.
15 Verordening (EG) nr. 2629/97 van de Commissie van 29 december 1997 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 820/97 inzake oormerken, bedrijfsregisters en paspoorten overeenkomstig de identificatie‑ en registratieregeling voor runderen (PB L 354, blz. 19), is ingevolge artikel 10 ervan van toepassing met ingang van 1 januari 1998. Deze verordening preciseert verordening nr. 820/97 op een aantal punten.
16 Verordening (EG) nr. 2630/97 van de Commissie van 29 december 1997 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 820/97 inzake de minimaal te verrichten controles overeenkomstig de identificatie‑ en registratieregeling voor runderen (PB L 354, blz. 23), is volgens artikel 6 ervan van toepassing met ingang van 1 januari 1998. In de verordening zijn de minimumvoorwaarden voor de overeenkomstig de identificatie‑ en registratieregeling voor runderen te verrichten controles vastgesteld. Met name bepaalt artikel 2, lid 3, ervan, dat de te controleren bedrijven op basis van een risicoanalyse worden geselecteerd, waarbij rekening wordt gehouden met de in het daaropvolgende lid vermelde gegevens.
17 Bij verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad van 27 november 1992 is een geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 355, blz. 1) ingesteld. Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 391, blz. 36), zoals met ingang van 1 januari 1999 gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1678/98 van de Commissie van 29 juli 1998 (PB L 212, blz. 23; hierna: „verordening nr. 3887/92”), is ingevolge artikel 1 ervan van toepassing onverminderd bijzondere bepalingen die in de sectorale verordeningen zijn vastgesteld.
18 Artikel 6, lid 2, van verordening nr. 3887/92 voorziet in een administratieve controle, die met name kruiscontroles betreffende de aangegeven dieren omvat, om elke dubbele toekenning van steun te voorkomen. Sinds de wijziging op 1 januari 1999, en zodra het gecomputeriseerde gegevensbestand volledig operationeel is overeenkomstig artikel 5 van verordening nr. 820/97, voorziet het nieuwe sub b van artikel 6, lid 2, eveneens in kruiscontroles om erop toe te zien dat de communautaire steun uitsluitend wordt toegekend voor runderen waarvoor alle gegevens inzake verplaatsingen, geboorte en sterfte door de aanvrager naar behoren zijn gemeld bij de bevoegde autoriteit. In lid 4 van dat artikel heet het dat de aanvragen waarvoor controles ter plaatse worden verricht, met name aan de hand van een risicoanalyse waarbij rekening wordt gehouden met de in dat lid vermelde gegevens worden geselecteerd.
Gemeenschapsregeling inzake dierenpremies voor schapen en geiten
19 De eerste overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 2700/93 van de Commissie van 30 september 1993 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen inzake de premie ten behoeve van schapen- en geitenvleesproducenten (PB L 245, blz. 99), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 279/94 van de Commissie van 8 februari 1994 (PB L 37, blz. 1; hierna: „verordening nr. 2700/93”), brengt in herinnering dat op grond van verordening nr. 3887/92 de bepalingen inzake de steunaanvragen en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor de regeling inzake de premie voor geiten en ooien met ingang van het verkoopseizoen 1994 van toepassing zijn.
20 Artikel 1, lid 3, van verordening nr. 2700/93 bepaalt de periode waarvoor de producent de verplichting aangaat het aantal ooien en/of geiten waarvoor de premie wordt aangevraagd, op zijn bedrijf te houden. De tweede alinea van dat lid luidt: „Voordat alle of een deel van de ooien en/of geiten waarvoor de premie wordt aangevraagd voor verzorging worden uitbesteed tijdens de periode gedurende welke de dieren moeten worden gehouden, moeten deze dieren worden geïdentificeerd [...] en de plaatsen waar deze dieren zullen worden gehouden [moeten] in de premieaanvraag worden vermeld [...]”
21 Ingevolge artikel 4, lid 1, van die verordening worden de controles ter plaatse uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 van verordening nr. 3887/92 en moet het toegepaste permanent registratiesysteem voor de mutaties binnen het schapenbestand aan de bepalingen van artikel 4 van richtlijn 92/102 voldoen.
22 De oorspronkelijke versie van artikel 10, lid 5, van verordening nr. 3887/92, thans, met ingang van 1 januari 1999, artikel 10, lid 11, bepaalt dat, indien het bedrijfshoofd, door oorzaken die verband houden met natuurlijke omstandigheden die het leven van dieren in kuddeverband kenmerken, zich niet kan houden aan zijn verbintenis om de voor een premie aangemelde dieren aan te houden gedurende de periode waarin deze dieren moeten worden aangehouden, het recht op de premie wordt gehandhaafd voor het aantal feitelijk in aanmerking komende dieren die gedurende de voorgeschreven periode zijn aangehouden, op voorwaarde dat het bedrijfshoofd de bevoegde instantie schriftelijk van dat feit in kennis heeft gesteld binnen tien werkdagen nadat de vermindering van het aantal van de betrokken dieren is vastgesteld.
De financiële correctie inzake groenten en fruit
Gerichte correctie van 3 %
Argumenten van partijen
23 De Griekse regering betwist de gerichte correctie van 3 %, die overeenstemt met de inhouding, in weerwil van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 1169/97, van verzekeringsbijdragen door de telersverenigingen. Uit het samenstel van de Griekse voorschriften en circulaires blijkt dat de Griekse regelgeving geen enkele mogelijkheid openlaat om van het gemeenschapsrecht af te wijken, dat de Griekse autoriteiten nooit hebben aanvaard dat daarmee in strijd zijnde handelingen werden verricht, en dat zij evenmin een praktijk van onwettige inhouding van verzekeringsbijdragen hebben gevolgd. Het kleine aantal eventuele inbreuken dat niet onmiddellijk door de autoriteiten is ontdekt, is een fenomeen van gering belang, dat zich voordeed in het kader van de vereiste controles, en in ieder geval beperkt is tot de periode van vóór het einde van maart 1999, tijdstip van de inspecties van de Commissie.
24 De Commissie stelt vast dat de Griekse regering niet betwist dat 3 % van de steun is ingehouden als verzekeringsbijdrage, en evenmin dat deze praktijk in strijd is met artikel 15, lid 2, van verordening nr. 1169/97. Daar de inbreuk geen verband houdt met het verrichten of de aard van de controles, kan zij niet worden opgenomen in de forfaitaire correctie wegens ontoereikende controles. Bovendien brachten de inspecties van de Commissie en van de Rekenkamer aan het licht dat de betrokken praktijk ten minste tot 31 december 2000 door de Griekse regering is getolereerd.
Beoordeling door het Hof
25 Artikel 15, lid 2, van verordening nr. 1169/97 bepaalt dat „de telersvereniging [...] de ontvangen bedragen integraal [...] aan zijn leden betaalt”.
26 Vaststaat dat een aantal telersverenigingen de ontvangen steunbedragen niet integraal heeft betaald, en dat 3 % van die bedragen als verzekeringsbijdrage is ingehouden.
27 Vastgesteld moet dus worden dat die telersverenigingen die bedragen niet conform de communautaire voorschriften hebben betaald. Derhalve heeft de Commissie de desbetreffende bedragen terecht aan de communautaire financiering onttrokken.
28 De Griekse regering betoogt dat de gerichte correctie hoe dan ook niet op de uitgaven na 31 maart 1999 zou mogen worden toegepast.
29 In dat verband zij opgemerkt dat de Commissie, onder verwijzing naar de stand van de Griekse wetgeving in juli 1999 en naar de door de gemeenschapsinstellingen in de loop van het jaar 2000 verrichte controles, betoogt dat die inhouding ten minste tot 31 december 2000 bleef bestaan.
30 De Griekse regering voert niets aan dat de stelling van de Commissie weerspreekt.
31 Gelet op het voorgaande, kunnen de argumenten van de Griekse regering tegen de gerichte correctie van 3 %, die overeenstemt met de inhouding van de verzekeringsbijdragen door de telersverenigingen, niet worden aanvaard.
Forfaitaire correctie van 2 %
Argumenten van partijen
32 De Griekse regering betwist de forfaitaire correctie van 2 %, op grond dat de betaling per cheque het EOGFL niet blootstelt aan enig gevaar voor verlies, dat de telersvereniging die de bedragen niet tijdig aan haar leden zou hebben betaald een alleenstaand en niet-representatief geval was, dat de weigering, op het ogenblik van de inspectie door de Commissie, van een lading waarvan de kwaliteit niet voldeed, het bewijs vormt van de correcte toepassing van het gemeenschapsrecht, en niet van het tegendeel, en dat het bewaren van de weegbriefjes niet door het gemeenschapsrecht wordt voorgeschreven, zodat de Commissie haar niet kan verwijten deze niet te hebben bewaard.
33 De Commissie betoogt dat de Griekse regering erkent dat in strijd met artikel 15, lid 2, van verordening nr. 1169/97 bedragen per cheque zijn betaald, en dat, wat vier producenten betreft, de steun niet binnen de gestelde termijn is betaald. Bovendien vinden de verklaringen van de met de controles belaste ambtenaren, dat een tolerantie van respectievelijk 5 % voor gekneusd fruit en 1 % voor rot fruit gold, steun in het feit dat tijdens het gehele betrokken verkoopseizoen slechts twee ladingen werden afgekeurd, waarvan één op de dag zelf van de inspectie door de Commissie. In dat verband zouden de weegbriefjes een waardevol hulpmiddel kunnen zijn om de kwaliteit van de controles te verbeteren. Aangezien al deze elementen samen voor het EOGFL evenwel maar een gering risico van verliezen met zich brengen, is de toegepaste forfaitaire correctie beperkt tot 2 %.
Beoordeling door het Hof
34 Wat de eerste twee grieven betreft, die verband houden met de telersverenigingen, zij eraan herinnerd dat volgens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 1169/97 „de telersvereniging binnen 15 werkdagen na de datum waarop de steun of het steunvoorschot is ontvangen, de ontvangen bedragen integraal en per bank- of postgiro aan [haar] leden betaalt”.
35 Vaststaat dat per cheque is betaald, en dat, wat vier producenten betreft, de steunbedragen niet binnen de gestelde termijn zijn betaald.
36 Vastgesteld moet worden dat de betrokken uitgaven niet in overeenstemming met de gemeenschapsrechtelijke voorschriften zijn verricht. Bijgevolg heeft de Commissie deze uitgaven terecht aan de communautaire financiering onttrokken.
37 Wat de betalingen per cheque betreft, betwist de Griekse regering dat het EOGFL gevaar voor verlies liep, hierbij verwijzend naar verordening nr. 1663/95, op basis waarvan betaling per cheque mogelijk is in het kader van de betalingen door het EOGFL aan de betaalorganen van de lidstaten.
38 Volgens vaste rechtspraak staat het weliswaar aan de Commissie om schending van het gemeenschapsrecht te bewijzen, maar moet de lidstaat – wanneer die schending eenmaal vaststaat – in voorkomend geval bewijzen dat de Commissie een vergissing heeft begaan wat de eraan te verbinden financiële gevolgen betreft (zie in die zin arresten van 12 juli 1984, Luxemburg/Commissie, 49/83, Jurispr. blz. 2931, punt 30, en 7 oktober 2004, Spanje/Commissie, C‑153/01, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 67).
39 Bovendien hoeft de Commissie het bestaan van werkelijke schade niet aan te tonen, maar kan zij genoegen nemen met ernstige aanwijzingen in die zin (zie arrest Spanje/Commissie, reeds aangehaald, punt 66). Deze verlichting van de bewijslast berust op de verdeling van de bevoegdheden tussen de Gemeenschap en de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (zie in die zin arrest van 10 november 1993, Nederland/Commissie, C‑48/91, Jurispr. blz. I‑5611, punt 17, en 1 oktober 1998, Ierland/Commissie, C‑238/96, Jurispr. blz. I‑5801, punt 29).
40 Het beheer van de EOGFL-financiering berust namelijk in hoofdzaak bij de nationale autoriteiten, die over de strikte naleving van de communautaire voorschriften moeten waken (zie arrest Ierland/Commissie, reeds aangehaald, punt 30).
41 Zoals in de punten 34 tot en met 36 van het onderhavige arrest is opgemerkt, was de betaling per cheque in strijd met artikel 15, lid 2, van verordening nr. 1169/97. De Commissie stelt enerzijds dat deze bepaling ertoe strekt te waarborgen dat de begunstigden de hun verschuldigde steun persoonlijk ontvangen, en anderzijds dat dezelfde handtekening was gebruikt voor verschillende personen, wat aantoont dat de begunstigden de betrokken steunbedragen niet persoonlijk hadden ontvangen, en dat het EOGFL aan een risico van verliezen was blootgesteld.
42 De verwijzing door de Griekse regering naar het feit dat een dergelijke betaalwijze in een andere context is toegestaan, kan niet afdoen aan de vaststellingen van de Commissie inzake de waarschijnlijkheid van het risico van verlies voor het EOGFL.
43 Derhalve falen de eerste twee grieven van de Griekse regering.
44 Wat de derde en de vierde grief betreft, die verband houden met de verwerkers, zij opgemerkt dat deze grieven ertoe strekken aan te tonen dat de Commissie ten onrechte heeft geconcludeerd dat het Griekse controlesysteem voor groenten en fruit niet betrouwbaar en doeltreffend was, en dat zij de desbetreffende uitgaven ten onrechte aan de communautaire financiering heeft ontrokken.
45 Met haar derde grief verwijt de Griekse regering de Commissie dat zij zich niet heeft gebaseerd op de onwettige aanvaarding van een lading die niet voldeed aan de kwaliteitsnormen van de toepasselijke voorschriften, maar op de afwijzing, op basis van die voorschriften, van een dergelijke lading.
46 Zoals is opgemerkt in punt 38 van het onderhavige arrest, staat het aan de Commissie om schending van het gemeenschapsrecht te bewijzen (zie in die zin ook arresten van 19 februari 1991, Italië/Commissie, C‑281/89, Jurispr. blz. I‑347, punt 19, en 28 oktober 1999, Italië/Commissie, C‑253/97, Jurispr. blz. I‑7529, punt 6).
47 Volgens vaste rechtspraak behoeft de Commissie de ontoereikendheid van de door de nationale administraties verrichte controles of de onregelmatigheid van de door hen voorgelegde cijfers evenwel niet uitputtend aan te tonen, maar moet zij een bewijs leveren voor de ernstige en redelijke twijfel die zij omtrent die controles en cijfers heeft (zie in die zin arrest Nederland/Commissie, reeds aangehaald, punt 17, en arrest van 4 maart 2004, Duitsland/Commissie, C‑344/01, Jurispr. blz. I‑2081, punt 58).
48 Onderzocht moet dus worden of de Commissie een samenstel van onderling overeenstemmende feiten heeft overgelegd waaruit een dergelijke ernstige en redelijke twijfel blijkt. In de onderhavige zaak heeft de Commissie zich in de eerste plaats gebaseerd op het feit dat slechts twee ladingen aangeboden fruit in het desbetreffende seizoen waren afgekeurd (waarbij de tweede lading nog juist werd afgekeurd op het moment dat twee auditoren van de Commissie aanwezig waren), en in de tweede plaats op de verklaringen van de vertegenwoordigers van de Griekse regering dat voor gekneusd en rot fruit een tolerantiepercentage gold van 5 % respectievelijk 1 %.
49 Zoals de advocaat-generaal in punt 30 van zijn conclusie terecht heeft opgemerkt, volgt uit deze feitelijke elementen, die van geen enkele onregelmatigheid doen blijken, niet dat er twijfel bestaat inzake de grondigheid en volledigheid van de door de betrokken lidstaat uitgevoerde controles. De Commissie heeft dus niet voldaan aan haar verplichting om een bewijs over te leggen van de ernstige en redelijke twijfel die zij heeft omtrent die controles.
50 Met haar vierde grief komt de Griekse regering op tegen het feit dat er bij de beoordeling van het risico van verliezen voor het EOGFL rekening is gehouden met het feit dat de verwerkers de weegbriefjes betreffende het verkoopseizoen 1997/1998 niet hadden bewaard, nu het gemeenschapsrecht niet voorziet in een dergelijke bewaarplicht.
51 In dat verband zij opgemerkt dat het feit dat een procedure voor verbetering vatbaar is, op zich geen grond oplevert voor een financiële correctie. Er moet sprake zijn van een aanzienlijke tekortkoming bij de toepassing van uitdrukkelijke gemeenschapsrechtelijke voorschriften en het EOGFL moet daardoor aan een reëel risico van verlies of onregelmatigheid worden blootgesteld (zie in die zin arrest van 24 februari 2005, Nederland/Commissie, C‑318/02, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 34).
52 In de onderhavige zaak heeft de Commissie niet aangetoond waarom het niet-bewaren van de weegbriefjes een dergelijke aanzienlijke tekortkoming bij de toepassing van de gemeenschapsrechtelijke voorschriften vormt, en evenmin waarom het bewaren van die briefjes voor de betrokken controles noodzakelijk was.
53 Uit een en ander volgt dat de eerste twee grieven van de Griekse regering falen en dat haar derde en haar vierde grief gegrond zijn.
54 In dat verband zij opgemerkt dat, volgens het syntheseverslag AGRI‑625‑2002, punt B.2.2.3.2, de forfaitaire correctie van 2 % op de uitgaven in de sector groenten en fruit voor de verkoopseizoenen 1997/1998 en 1998/1999 is toegepast omdat er sprake was van tekortkomingen bij een aantal controles. Van dergelijke tekortkomingen is evenwel slechts gebleken bij twee van de vier reeksen opmerkingen van de Commissie. De forfaitaire correctie is dus onvoldoende gemotiveerd.
55 Mitsdien moet beschikking nr. 2002/881 nietig worden verklaard, voorzover daarbij 2 % van de uitgaven in de sector groenten en fruit wegens ontoereikende controles aan de communautaire financiering wordt onttrokken.
De financiële correctie inzake dierenpremies voor runderen
Argumenten van partijen
56 De Griekse regering betwist de forfaitaire correctie van 10 % die de Commissie heeft toegepast op de dierenpremies voor runderen, en voert daartoe drie reeksen argumenten aan.
57 Wat in de eerste plaats de door de Commissie vastgestelde ernstige tekortkomingen bij de essentiële controles betreft, te weten: de niet-mededeling van wijzigingen in de regelgeving inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem bij de verordeningen nrs. 1678/98 en 2804/99, het feit dat de databank niet was voltooid en het ontbreken van kruiscontroles, het feit dat de registers van de kuddes runderen niet conform verordening nr. 820/97 werden gehouden, de tekortkomingen bij het oormerken van de runderen, inzonderheid wat de pasgeboren dieren betreft, en het feit dat de dierenpaspoorten niet conform verordening nr. 820/97 werden verstrekt, is de Griekse regering van mening dat die tekortkomingen, gelet op de overgangsmaatregelen en de verbeteringen in de nationale procedures, niet voldoende ernstig zijn om een correctie van 10 % te rechtvaardigen.
58 Wat vervolgens de door de Commissie vastgestelde ernstige tekortkomingen in de aanvullende controles betreft, die betrekking hadden op het ontbreken van een afbakening van de taken, de ontoereikende samenwerking tussen de veterinaire diensten van de bevoegde autoriteiten, het ontoereikende toezicht op de landbouwcoöperaties, de vertraging waarmee de aanvragen werden verwerkt, het feit dat de risicoanalyse niet was geïnformatiseerd, en de fouten in de statistische gegevens, betwist de Griekse regering de gegrondheid van de vaststellingen van de Commissie, en brengt zij tegelijkertijd in herinnering dat de eventuele niet-naleving van bepaalde aanvullende controles enkel grond kan opleveren voor een forfaitaire correctie van hoogstens 2 %.
59 Ten slotte voert de Griekse regering de overschrijding van de grenzen van de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie aan, nu het risico van verliezen voor het EOGFL geen grond kon opleveren voor een financiële correctie van 10 %.
60 De Commissie merkt in wezen enkel op dat de vaststellingen waarop de forfaitaire correctie berust door de Griekse regering uitdrukkelijk erkend dan wel onweersproken zijn. Wat de overschrijding van de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid betreft, is de Commissie van mening dat de vaststellingen van haar diensten wijzen op ernstige tekortkomingen in het kader van de organisatie en de uitvoering van het systeem van essentiële controles, waardoor, nu een aantal van die controles niet of ontoereikend zijn uitgevoerd, het EOGFL wordt blootgesteld aan een groot risico van verliezen.
Beoordeling door het Hof
61 Wat om te beginnen de essentiële controles betreft, zij opgemerkt dat, zoals de Commissie stelt, de Griekse regering de vaststellingen van de Commissie uitdrukkelijk erkent, met uitzondering van die betreffende de niet-mededeling van de wijzigingen in de regelgeving van respectievelijk 1 januari 1999 en 1 januari 2000.
62 In dat verband zij eraan herinnerd dat de Commissie een bewijs heeft geleverd voor de ernstige en redelijke twijfel, zodat de lidstaat de bevindingen van de Commissie niet kan weerleggen zonder bij zijn argumentatie het bewijs te leveren van het bestaan van een betrouwbaar en operationeel controlesysteem. De lidstaat dient gedetailleerd en volledig te bewijzen dat hij daadwerkelijk controles heeft verricht of dat zijn cijfers juist en, in voorkomend geval, de verklaringen van de Commissie onjuist zijn (zie in die zin arrest van 24 februari 2005, Griekenland/Commissie, C‑300/02, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 34‑36).
63 De Griekse regering stelt dat bedoelde wijzigingen tijdig zijn meegedeeld bij wege van jaarlijkse informatieseminars, en dat het feit dat de circulaires met gedetailleerde instructies voor de toepassing van de betrokken verordeningen respectievelijk twee en vier maanden te laat aan de regionale instanties zijn toegezonden, niet in de weg stond van de toepassing van die verordeningen bij de controles in 1999 en 2000. Deze argumenten kunnen de vaststelling van de Commissie evenwel niet weerleggen.
64 Wat vervolgens de aanvullende controles betreft, zij opgemerkt dat de argumenten van de Griekse regering tegen de beweringen van de Commissie niet volstaan om de door de Commissie geuite twijfels over de betrokken controles weg te nemen.
65 De Griekse regering voert inzake het ontbreken van de afbakening van taken en van het toezicht op de landbouwcoöperaties immers enkel algemene argumenten aan. De regering vermeldt maar één circulaire ten betoge dat er voldoende samenwerking bestond tussen de veterinaire diensten van de bevoegde autoriteiten. Hoewel zij toegeeft dat er vertraging bestond bij de verwerking van de aanvragen, blijft de Griekse regering er niettemin bij, dat zij de risicoanalyse manueel en tijdig heeft verricht. Zoals de advocaat-generaal in punt 53 van zijn conclusie opmerkt, zijn de beweringen van de Griekse regering ten aanzien van de onjuiste statistische gegevens bovendien moeilijk te begrijpen, en valt daaruit niet op te maken hoe deze worden geverifieerd en verbeterd. Het ontbreken van betrouwbare cijfergegevens ten aanzien van de controle brengt een groot risico van benadeling van het EOGFL mee.
66 Wat ten slotte de argumenten van de Griekse regering betreft inzake de overschrijding van de grenzen van de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie, moet worden vastgesteld, gelijk de advocaat-generaal in de punten 57 tot en met 59 van zijn conclusie opmerkt, dat deze, gelet op de voorgaande overwegingen, niet kunnen worden aanvaard.
67 Nu de Griekse regering er niet in is geslaagd de beweringen van de Commissie te weerleggen door aan te tonen dat er een betrouwbaar en operationeel controlesysteem bestaat, moeten de door de Commissie vastgestelde ernstige tekortkomingen in de essentiële en in de aanvullende controles bewezen worden geacht.
68 De Commissie kan dus niet worden verweten dat zij conform de richtsnoeren van document nr. VI/5330/97 een correctie van 10 % heeft toegepast, aangezien, wanneer een of meer essentiële controles niet zijn uitgevoerd, dan wel zo gebrekkig of sporadisch zijn uitgevoerd dat zij niet volstaan om na te gaan of de aanvraag in aanmerking komt of om onregelmatigheden te voorkomen, redelijkerwijs kan worden gesteld dat de kans op algemene benadeling van het EOGFL groot was.
69 Gelet op een en ander, dient de argumentatie van de Griekse regering tegen de toepassing van een forfaitaire correctie van 10 % op de dierenpremies voor runderen als ongegrond te worden afgewezen.
De financiële correctie inzake dierenpremies voor schapen en geiten
Argumenten van partijen
70 De Griekse regering betwist de forfaitaire correctie van 5 % die de Commissie heeft toegepast op de dierenpremies voor schapen en geiten. Deze correctie is volgens de Griekse regering immers gebaseerd op de correctie – ook van 5 % – die voor de jaren 1995 tot en met 1997 op dezelfde premies is toegepast. Nu de Griekse regering het stelsel in de loop van de jaren 1998 en 1999 beter heeft toegepast, moet de correctie tot 2 % worden verminderd.
71 De Commissie merkt in wezen enkel op dat de vaststellingen waarop de financiële correctie berust, namelijk het ontbreken van een register voor de mutaties in het schapenbestand, de onbetrouwbaarheid van de controlestatistieken, de vertraging bij de verwerking van gegevens, het ontbreken van een risicoanalyse, de onduidelijke aanduiding van de plaats waar de dieren werden gehouden en de mondelinge mededeling van de verliezen, onweersproken zijn. Aangezien geen duidelijke verbetering merkbaar was ten aanzien van de vaststellingen op basis waarvan voor de jaren 1995 tot en met 1997 een forfaitaire correctie van 5 % is toegepast, is dit correctiepercentage ook voor de jaren 1998 en 1999 toegepast.
Beoordeling door het Hof
72 Vooraf moet worden opgemerkt dat het Hof, in zijn arrest van 9 september 2004 (Griekenland/Commissie, C‑332/01, Jurispr. blz. I‑7699, punten 99 e.v.), het beroep van de Helleense Republiek tegen beschikking 2001/557/EG van de Commissie van 11 juli 2001 houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten voor het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, hebben verricht (PB L 200, blz. 28), heeft verworpen, voorzover daarbij voor de jaren 1995 tot en met 1997 een forfaitaire correctie van 5 % is toegepast op dierenpremies voor schapen en geiten.
73 De in het onderhavige beroep betrokken financiële correctie is toegepast wegens de algemeen voorkomende nalatigheden die de Commissie had vastgesteld voor de jaren 1995 tot en met 1997, ten aanzien waarvan haar diensten in de loop van de jaren 1998 en 1999 geen enkele duidelijke verbetering hebben vastgesteld.
74 Derhalve moeten de door de Griekse regering overgelegde bewijselementen tegen de vaststellingen van de Commissie worden onderzocht, om na te gaan of de situatie anders is dan die ten tijde van de vorige forfaitaire correctie.
75 In dat verband zij er, net als in punt 62 van het onderhavige arrest, aan herinnerd dat het, wanneer de Commissie een bewijs heeft geleverd voor de ernstige en redelijke twijfel die zij omtrent het betrokken controlesysteem heeft, vervolgens aan de lidstaat staat gedetailleerd en volledig te bewijzen dat hij daadwerkelijk controles heeft verricht of dat de beweringen van de Commissie onjuist zijn.
76 Net als in de zaak naar aanleiding waarvan het Hof het reeds aangehaalde arrest van 9 september 2004, Griekenland/Commissie, heeft gewezen, erkent de Griekse regering dat het register voor de mutaties binnen het schapenbestand in de betrokken jaren nog steeds niet was voltooid, in strijd met artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2700/93. De Griekse regering voert evenwel niets aan waaruit zou kunnen worden afgeleid over welke verbeteringen zij het heeft.
77 Evenzo erkent de Griekse regering dat haar autoriteiten de mondelinge mededeling van verliezen hebben aanvaard, in strijd met het bepaalde in artikel 10, lid 5, van verordening nr. 3887/92.
78 Wat de onbetrouwbaarheid van de controlestatistieken betreft, wees de advocaat-generaal in punt 66 van zijn conclusie terecht de verwijzing van de Griekse regering naar de goede kwalificaties van haar controleurs af als bewijs dat de telling van de dieren goed is verlopen.
79 Met betrekking tot de vertraging bij de gegevensverwerking en bij de in artikel 6, lid 4, van voornoemde verordening vastgestelde risicoanalyse, dient, zoals ook de procespartijen dit doen, te worden verwezen naar de vaststellingen inzake de dierenpremies voor runderen (zie punten 62 en 65 van onderhavig arrest). Bijgevolg kan een lidstaat de bevindingen van de Commissie niet weerleggen zonder bij zijn argumentatie het bewijs te leveren van het bestaan van een betrouwbaar en operationeel controlesysteem. Een loutere verwijzing naar het feit dat die analyse manueel wordt verricht, volstaat in dit verband niet (zie arrest van 9 september 2004, Griekenland/Commissie, reeds aangehaald, punten 128 en 129).
80 Wat de aanduiding betreft van de plaats waar de dieren worden gehouden, zij opgemerkt, zoals het Hof in de punten 133 tot en met 137 van vorengenoemd arrest reeds heeft geoordeeld, dat, gelet op de systematiek en het doel van artikel 5, lid 1, vierde streepje, van verordening nr. 3887/92, moet worden aangenomen dat de verlangde aanduiding zo duidelijk moet zijn dat de controleautoriteiten kunnen nagaan waar precies de dieren worden gehouden.
81 Bijgevolg falen de argumenten van de Griekse regering tegen de toepassing van een forfaitaire correctie van 5 % op de dierenpremies voor schapen en geiten.
82 Gelet op een en ander, moet beschikking 2002/881 nietig worden verklaard, voorzover daarbij 2 % van de uitgaven in de sector groenten en fruit aan de communautaire financiering wordt onttrokken. Het beroep van de Helleense Republiek moet worden verworpen voor het overige.
Kosten
83 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Ingevolge artikel 69, lid 3, eerste alinea, van dit Reglement kan het Hof de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op één of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Aangezien de Helleense Republiek met betrekking tot twee van de drie grieven van de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in twee derde van de kosten van de Commissie te worden verwezen. Aangezien de Helleense Republiek niet heeft geconcludeerd inzake de kosten, zullen de partijen hun eigen kosten dragen voor het overige.
Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart:
1) Beschikking 2002/881/EG van de Commissie van 5 november 2002 houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten voor het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, hebben verricht, wordt nietig verklaard voorzover daarbij 2 % van de uitgaven in de sector groenten en fruit aan de communautaire financiering wordt onttrokken.
2) Het beroep wordt verworpen voor het overige.
3) De Helleense Republiek wordt verwezen in twee derde van de kosten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
4) De partijen zullen hun eigen kosten dragen voor het overige.
ondertekeningen
* Procestaal: Grieks.
Full & Egal Universal Law Academy