Zaak C‑36/03
Approved Prescription Services Ltd
tegen
Licensing Authority
[verzoek van de High Court of Justice (England & Wales), Queen’s Bench Division (Administrative Court)] om een prejudiciële beslissing
„Geneesmiddelen – Vergunning voor in handel brengen – Procedures voor in wezen gelijkwaardige geneesmiddelen”
Samenvatting van het arrest
Harmonisatie van wetgevingen – Geneesmiddelen – Vergunning voor in handel brengen – Hybride verkorte procedure – Referentiegeneesmiddel bij onderzoek van vergunningsaanvraag – Bevoegdheid van bevoegde autoriteit om te verwijzen naar nieuwe farmaceutische vorm van geneesmiddel dat al minstens zes of tien jaar in Gemeenschap is toegelaten
(Richtlijn 2001/83 van het Europees Parlement en de Raad, art. 10, lid 1, sub a‑iii)
Een aanvraag voor een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel C kan volgens de hybride verkorte procedure van artikel 10, lid 1, sub a‑iii, van richtlijn 2001/83/EG tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik worden ingediend wanneer met deze aanvraag wordt beoogd aan te tonen dat geneesmiddel C in wezen gelijkwaardig is aan geneesmiddel B en wanneer geneesmiddel B een nieuwe farmaceutische vorm van geneesmiddel A is, en geneesmiddel A, anders dan geneesmiddel B, ten minste gedurende de in deze bepaling vermelde periode van zes of tien jaar in de Gemeenschap in de handel is toegelaten.
(cf. punt 30 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
9 december 2004(1)
„Geneesmiddelen – Vergunning voor in handel brengen – Procedures voor in wezen gelijkwaardige geneesmiddelen”
In zaak C-36/03,betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de High Court of Justice (England & Wales), Queen's Bench Division (Administrative Court) (Verenigd Koninkrijk), bij beslissing van 23 december 2002, ingekomen bij het Hof op 3 februari 2003, in de procedure:
The Queen, op verzoek vanApproved Prescription Services Ltd,
tegen
Licensing Authority, vertegenwoordigd door het Medicines and Healthcare Products Regulatory Agency,
in tegenwoordigheid vanEli Lilly & Co. Ltd,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),,
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, C. Gulmann (rapporteur), J.-P. Puissochet, N. Colneric en J. N. Cunha Rodrigues, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: M. Múgica Arzamendi, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 25 mei 2004,gelet op de opmerkingen van:
– Approved Prescription Services Ltd, vertegenwoordigd door J. Mutimear en T. Cook, solicitors,
– Eli Lilly & Co. Ltd, vertegenwoordigd door I. Dodds-Smith, solicitor, D. Anderson, QC, en R. Hugues, solicitor,
– de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door P. Ormond en K. Manji als gemachtigden, bijgestaan door P. Sales en J. Coppel, barristers,
– de Deense regering, vertegenwoordigd door J. Molde als gemachtigde,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en C. Bergeot-Nunes als gemachtigden,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door H. G. Sevenster als gemachtigde,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. Støvlbæk en X. Lewis als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 juli 2004,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 10, lid 1, sub a-iii, van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311, blz. 67).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de vennootschap Approved Prescription Services Ltd (hierna: „APS”) en de Licensing Authority, vertegenwoordigd door het Medicines and Healthcare Products Regulatory Agency (hierna: „MHRA”) over een aanvraag voor een vergunning voor het in de handel brengen (hierna: „VHB”) van een geneesmiddel.
Het rechtskader
3 Volgens artikel 6, lid 1, van richtlijn 2001/83 mag een geneesmiddel in een lidstaat slechts in de handel worden gebracht wanneer een VHB is afgegeven.
4 Artikel 8, lid 3, sub i, van deze richtlijn bepaalt:
„Bij de aanvraag [ter verkrijging van een VHB] moeten de navolgende gegevens en bescheiden worden gevoegd, gepresenteerd overeenkomstig bijlage I:
[…]
i) resultaten van de proeven:
– van fysisch-chemische, biologische of microbiologische aard,
– van toxicologische en farmacologische aard,
– van klinische aard.”
5 Artikel 10, lid 1, sub a, van deze richtlijn, in de versie ten tijde van de feiten in het hoofdgeding, bepaalde:
„In afwijking van artikel 8, lid 3, sub i, en onverminderd het recht met betrekking tot de bescherming van de industriële en commerciële eigendom:
a) is de aanvrager niet gehouden de resultaten van de toxicologische, farmacologische en klinische proeven te verschaffen, wanneer hij kan aantonen dat:
[…]
iii) hetzij het geneesmiddel in wezen gelijkwaardig is aan een geneesmiddel dat al minstens zes jaar volgens de geldende communautaire bepalingen in de Gemeenschap is toegelaten en dat in de lidstaat waarop de aanvraag betrekking heeft, in de handel wordt gebracht; […] een lidstaat [kan] deze periode […] tot tien jaar verlengen bij één enkel besluit dat betrekking heeft op alle op zijn grondgebied in de handel gebrachte geneesmiddelen, als die lidstaat zulks om redenen van volksgezondheid noodzakelijk acht. […]
Evenwel dienen, in het geval waarin het geneesmiddel bestemd is voor een ander therapeutisch gebruik of dient te worden toegediend langs andere wegen dan wel in andere doses dan de andere in de handel zijnde geneesmiddelen, de resultaten van geëigende toxicologische, farmacologische en/of klinische proeven te worden verschaft”.
6 De bij artikel 10, lid 1, sub a-i tot en met iii, van richtlijn 2001/83 ingevoerde procedures worden doorgaans de „verkorte procedures” genoemd. De specifieke procedure ter verkrijging van een VHB ingesteld bij artikel 10, lid 1, sub a, laatste alinea, van richtlijn 2001/83 (hierna: „voorbehoud”) is een zogenaamde „hybride” verkorte procedure.
7 Met gebruikmaking van de mogelijkheid die artikel 10, lid 1, sub a‑iii, van richtlijn 2001/83 de lidstaten biedt, heeft het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland de in deze bepaling vermelde periode tot tien jaar verlengd.
De feiten en de prejudiciële vraag
8 In het hoofdgeding gaat het om drie geneesmiddelen, die alle het werkzame bestanddeel fluoxetine bevatten.
9 Twee van deze geneesmiddelen worden geproduceerd door Eli Lilly & Co. Ltd (hierna: „Eli Lilly”). Het eerste geneesmiddel is Prozac in de vorm van capsules, met als werkzaam bestanddeel fluoxetine, waarvoor een VHB in de Gemeenschap is afgegeven. Dat geneesmiddel is in het Verenigd Koninkrijk toegelaten op 25 november 1988. Het tweede geneesmiddel is Prozac in de vorm van siroop, dat op 14 oktober 1992 voor het eerst in de Gemeenschap is toegelaten in Denemarken. In het Verenigd Koninkrijk is voor dat geneesmiddel een VHB afgegeven op 28 oktober 1992 na een aanvraag die Eli Lilly had ingediend volgens de hybride verkorte procedure. Het referentiegeneesmiddel waarnaar Eli Lilly in haar aanvraag had verwezen, was Prozac in de vorm van capsules. Zij had toen erkend dat Prozac in de vorm van siroop wegens het verschil in de farmaceutische vorm ervan niet in wezen gelijkwaardig was aan Prozac in de vorm van capsules, en zij had aanvullende gegevens verstrekt om de biologische equivalentie van beide geneesmiddelen aan te tonen.
10 Het derde geneesmiddel dat in het hoofdgeding aan de orde is, is Fluoxetine in de vorm van siroop 20 mg/5 ml en wordt geproduceerd door APS.
11 In oktober 1999 heeft APS voor dat geneesmiddel een aanvraag voor een VHB ingediend bij het MHRA.
12 Daarbij heeft APS gebruik gemaakt van de verkorte procedure van artikel 10, lid 1, sub a‑iii, van richtlijn 2001/83, op grond dat haar geneesmiddel in wezen gelijkwaardig was aan Prozac in de vorm van siroop. Zij heeft bovendien als datum van de eerste VHB van haar referentiegeneesmiddel 25 november 1988 opgegeven, te weten de datum van de VHB van Prozac in de vorm van capsules in het Verenigd Koninkrijk.
13 Het MHRA was van oordeel dat APS Prozac in de vorm van siroop niet als referentiegeneesmiddel voor de toepassing van artikel 10, lid 1, sub a‑iii, van richtlijn 2001/83 kon gebruiken, aangezien dat geneesmiddel op het tijdstip van de indiening van de aanvraag voor een VHB minder dan tien jaar in de Gemeenschap was toegelaten.
14 Bijgevolg werd APS verzocht, haar aanvraag in die zin te wijzigen dat als referentiegeneesmiddel Prozac in de vorm van capsules werd opgegeven, dat al meer dan tien jaar was toegelaten. Aangezien laatstgenoemd geneesmiddel niet in wezen gelijkwaardig is aan Fluoxetine in de vorm van siroop, had APS volgens het MHRA gebruik moeten maken van de hybride verkorte procedure en aanvullende gegevens moeten verstrekken in de vorm van een onderzoek van de biologische equivalentie waarbij beide geneesmiddelen met elkaar worden vergeleken.
15 APS heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de High Court of Justice en daartoe gesteld dat zij haar aanvraag wel degelijk mocht baseren op de voor Prozac in de vorm van siroop meegedeelde gegevens.
16 In deze omstandigheden heeft de High Court of Justice (England & Wales), Queen’s Bench Division (Administrative Court), de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Kan een aanvraag voor een [VHB] van geneesmiddel C worden ingediend volgens artikel 10, lid 1, sub a-iii, eerste alinea, van richtlijn 2001/83, wanneer met de aanvraag wordt beoogd aan te tonen dat geneesmiddel C in wezen gelijkwaardig is aan geneesmiddel B, en wanneer
– geneesmiddel B gerelateerd is aan oorspronkelijk geneesmiddel A, in die zin dat geneesmiddel B is toegelaten als ,line extension’ van geneesmiddel A, doch een andere farmaceutische vorm dan geneesmiddel A heeft, dan wel anderszins niet in wezen gelijkwaardig is aan geneesmiddel A in de zin van artikel 10, lid 1, sub a-iii,
– geneesmiddel A langer dan de in artikel 10, lid 1, sub a-iii, bedoelde periode van zes/tien jaar in de Gemeenschap in de handel is toegelaten, en
– geneesmiddel B minder dan de in artikel 10, lid 1, sub a‑iii, bedoelde periode van zes/tien jaar in de handel is toegelaten?”
Aangaande de prejudiciële vraag
17 Een geneesmiddel is in wezen gelijkwaardig, in de zin van artikel 10, lid 1, sub a‑iii, van richtlijn 2001/83, aan een oorspronkelijk geneesmiddel wanneer het voldoet aan de volgende criteria: dezelfde kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling aan werkzame bestanddelen, dezelfde farmaceutische vorm en biologische equivalentie, mits dat geneesmiddel, gelet op de wetenschappelijke inzichten, niet aanzienlijk verschilt van de oorspronkelijke specialiteit, wat de veiligheid of doeltreffendheid betreft [arrest van 3 december 1998, Generics (UK) e.a., C-368/96, Jurispr. blz. I-7967, punt 36, inzake de overeenstemmende bepaling van richtlijn 65/65/EEG van de Raad van 26 januari 1965 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake farmaceutische specialiteiten (PB 1965, 22, blz. 369)].
18 Krachtens artikel 10, lid 1, sub a-iii, van richtlijn 2001/83 is de aanvrager, wanneer is aangetoond dat een geneesmiddel in wezen gelijkwaardig is aan een geneesmiddel dat al minstens zes of tien jaar in de Gemeenschap is toegelaten en in de handel wordt gebracht in de lidstaat waarop de aanvraag betrekking heeft, er niet toe gehouden, de resultaten van de toxicologische, farmacologische en klinische proeven te verschaffen. Volgens de laatste alinea van deze bepaling „dienen, in het geval waarin het geneesmiddel bestemd is voor een ander therapeutisch gebruik of dient te worden toegediend langs andere wegen dan wel in andere doses dan de andere in de handel zijnde geneesmiddelen, de resultaten van geëigende toxicologische, farmacologische en/of klinische proeven te worden verschaft”.
19 Ter terechtzitting hebben APS, de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Deense, de Franse en de Nederlandse regering, alsmede de Commissie, zich beroepen op het arrest van 29 april 2004, Novartis Pharmaceuticals (C‑106/01, nog niet gepubliceerd in Jurisprudentie), dat is gewezen nadat zij hun schriftelijke opmerkingen hadden ingediend, doch vóór de terechtzitting. Zij zijn van mening dat de door het Hof in dat arrest gevolgde redenering noodzakelijkerwijs impliceert dat de aanvraag voor een VHB van geneesmiddel C, in omstandigheden als die in het hoofdgeding, met toepassing van de verkorte procedure moet kunnen worden ingediend, zelfs indien geneesmiddel B minder dan tien jaar in de Gemeenschap is toegelaten en de geneesmiddelen A en B wegens een verschil in hun farmaceutische vorm niet in wezen gelijkwaardig zijn in de zin van de richtlijn.
20 Eli Lilly, die in haar schriftelijke opmerkingen de tegenovergestelde mening was toegedaan, was op de terechtzitting niet aanwezig.
21 Vastgesteld zij dat het standpunt van de partijen die pleidooi hebben gehouden, namelijk dat de door het Hof in het reeds aangehaalde arrest Novartis Pharmaceuticals gevolgde redenering op de zaak in het hoofdgeding kan worden toegepast, gegrond is.
22 In dat arrest heeft het Hof artikel 4, derde alinea, punt 8, sub a, van richtlijn 65/65 uitgelegd. De tekst van artikel 10, lid 1, sub a, van richtlijn 2001/83 is evenwel in wezen identiek met deze bepaling.
23 De situatie waarop het reeds aangehaalde arrest Novartis Pharmaceuticals betrekking heeft, was als volgt: voor geneesmiddelen A en B, die door dezelfde onderneming werden geproduceerd, was in het Verenigd Koninkrijk sinds meer respectievelijk minder dan tien jaar vanaf de datum van de voor geneesmiddel C ingediende aanvraag een VHB afgegeven. De VHB van geneesmiddel B was volgens de hybride verkorte procedure verkregen. De geneesmiddelen A, B en C waren wegens een verschil in biologische beschikbaarheid in wezen niet gelijkwaardig in de zin van artikel 4, derde alinea, punt 8, sub a, van richtlijn 65/65.
24 Onder verwijzing naar het voorbehoud heeft het Hof in de punten 56 tot en met 67 van genoemd arrest erkend dat de aanvrager van een VHB van geneesmiddel C kan verwijzen naar de farmacologische, toxicologische en klinische documenten betreffende geneesmiddel B, dat op basis van referentiegeneesmiddel A is ontwikkeld, zelfs indien de geneesmiddelen A en B wegens een verschil in biologische beschikbaarheid niet in wezen gelijkwaardig zijn.
25 In dat verband heeft het Hof met name opgemerkt dat wanneer een aanvrager op grond van het voorbehoud kan verwijzen naar de gegevens betreffende variant B, die van referentiegeneesmiddel A verschilt door de wijze van toediening en de dosering ervan, waarbij de verschillen op deze punten in het algemeen inhouden dat de geneesmiddelen A en B niet biologisch equivalent zijn, hij a fortiori hetzelfde moet kunnen doen wanneer deze twee geneesmiddelen zich slechts door hun verschillende biologische beschikbaarheid onderscheiden, terwijl de wijze van toediening en de dosering ervan onveranderd blijven (zie arrest Novartis Pharmaceuticals, reeds aangehaald, punt 66).
26 Welnu, dezelfde redenering kan worden gevolgd wanneer het oorspronkelijke geneesmiddel en de variant zich slechts door hun verschillende farmaceutische vorm onderscheiden. Aangezien een nieuwe wijze van toediening doorgaans een verandering in de farmaceutische vorm impliceert, zoals alle ter terechtzitting aanwezige partijen hebben opgemerkt, is de situatie in het hoofdgeding vergelijkbaar met die in het reeds aangehaalde arrest Novartis Pharmaceuticals.
27 Deze conclusie vindt overigens steun in de door de Commissie in 2001 gepubliceerde Mededeling aan aanvragers van VHB’s van geneesmiddelen voor menselijk gebruik in de lidstaten van de Europese Gemeenschap, zoals de advocaat-generaal in de punten 14 tot en met 18 en 69 tot en met 73 van zijn conclusie heeft opgemerkt.
28 Hoewel de regering van het Verenigd Koninkrijk het eens is met de in punt 26 van het onderhavige arrest gevolgde redenering, stelt zij dat uit het reeds aangehaalde arrest Novartis Pharmaceuticals eveneens voortvloeit dat in omstandigheden als die in het hoofdgeding de aanvrager van een VHB slechts naar de gegevens betreffende geneesmiddel B kan verwijzen op voorwaarde dat hij zijn aanvraag met een beroep op het voorbehoud heeft ingediend.
29 Dienaangaande kan worden volstaan met de opmerking dat, hoewel in de in het reeds aangehaalde arrest Novartis Pharmaceuticals gevolgde redenering wordt verwezen naar de bepaling betreffende het voorbehoud, daaruit nog niet volgt dat de aanvrager van een VHB van geneesmiddel C een aanvraag met een beroep op deze bepaling moet indienen.
30 Gelet op het voorgaande dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat een aanvraag voor een VHB van geneesmiddel C volgens artikel 10, lid 1, sub a‑iii, van richtlijn 2001/83 kan worden ingediend wanneer met deze aanvraag wordt beoogd aan te tonen dat geneesmiddel C in wezen gelijkwaardig is aan geneesmiddel B en wanneer:
– geneesmiddel B een nieuwe farmaceutische vorm van geneesmiddel A is, en
– geneesmiddel A, anders dan geneesmiddel B, ten minste gedurende de in deze bepaling vermelde periode van zes of tien jaar in de Gemeenschap in de handel is toegelaten.
Kosten
31 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht:
Een aanvraag voor een vergunning voor het in de handel brengen van geneesmiddel C kan volgens artikel 10, lid 1, sub a-iii, van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik worden ingediend wanneer met deze aanvraag wordt beoogd aan te tonen dat geneesmiddel C in wezen gelijkwaardig is aan geneesmiddel B en wanneer:
– geneesmiddel B een nieuwe farmaceutische vorm van geneesmiddel A is, en
– geneesmiddel A, anders dan geneesmiddel B, ten minste gedurende de in deze bepaling vermelde periode van zes of tien jaar in de Gemeenschap in de handel is toegelaten.
ondertekeningen
1 – Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy