Zaak C‑64/03
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Bondsrepubliek Duitsland
„Niet-nakoming – Niet-uitvoering van richtlijn 98/30/EG”
Samenvatting van het arrest
Beroep wegens niet-nakoming – Onderzoek van gegrondheid door Hof – In aanmerking te nemen situatie – Situatie bij verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn
(Art. 226 EG)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
1 april 2004(1)
„Niet-nakoming – Niet-uitvoering van richtlijn 98/30/EG”
In zaak C-64/03,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Grunwald en H. Støvlbæk als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door W.-D. Plessing en M. Lumma als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas (PB L 204, blz. 1), de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),,
samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, R. Schintgen (rapporteur) en N. Colneric, rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: R. Grass,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 14 februari 2003, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas (PB L 204, blz. 1; hierna: „richtlijn”), de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Volgens artikel 29 van de richtlijn doen de lidstaten de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden die nodig zijn om uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding ervan aan deze richtlijn te voldoen en stellen zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis. Overeenkomstig artikel 30 ervan is de richtlijn op 10 augustus 1998 in werking getreden. De uitvoeringstermijn is dus op 10 augustus 2000 verstreken.
3 Omdat de Commissie van de Bondsrepubliek Duitsland geen informatie over de uitvoering van de richtlijn kreeg, heeft zij overeenkomstig de procedure van artikel 226, eerste alinea, EG deze lidstaat aangemaand zijn opmerkingen in te dienen, en vervolgens heeft zij, bij brief van 13 juni 2001, een met redenen omkleed advies uitgebracht, waarbij zij deze lidstaat verzocht de nodige maatregelen te nemen om binnen een termijn van twee maanden zijn uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen na te komen. Daar uit de informatie die de Duitse autoriteiten na dat advies aan de Commissie hebben verstrekt, is gebleken dat een aantal bepalingen van de richtlijn niet of slechts ten dele in nationaal recht waren omgezet, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
4 De Commissie verwijt de Bondsrepubliek Duitsland dat zij een aantal bepalingen van de richtlijn niet in nationaal recht heeft omgezet en bovendien andere bepalingen van diezelfde richtlijn slechts ten dele heeft uitgevoerd. Bijgevolg is de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens artikel 29 van de richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
5 De Duitse regering betwist de gestelde niet-nakoming niet. Zij merkt echter op dat de bepalingen die nodig zijn om de richtlijn volledig uit te voeren, op 23 mei 2003 zijn bekendgemaakt en de dag daarna in werking zijn getreden.
6 In dat verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en dat het Hof met sedertdien opgetreden wijzigingen geen rekening kan houden (zie met name arrest van 16 januari 2003, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C-63/02, Jurispr. blz. I-821, punt 11).
7 In casu betwist de Bondsrepubliek Duitsland niet dat zij de richtlijn niet volledig heeft uitgevoerd binnen de gestelde termijn.
8 Bijgevolg is het door de Commissie ingestelde beroep gegrond.
9 Mitsdien staat vast dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om aan de richtlijn te voldoen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
10 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Bondsrepubliek Duitsland in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas, is de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Bondsrepubliek Duitsland wordt verwezen in de kosten.
Rosas
Schintgen
Colneric
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 1 april 2004.
De griffier
De president van de Derde kamer
R. Grass
A. Rosas
1 – Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy