Zaak C‑72/03
Carbonati Apuani Srl
tegen
Comune di Carrara
(verzoek van de Commissione tributaria provinciale di Massa Carrara om een prejudiciële beslissing)
„Heffingen van gelijke werking als douanerecht – Heffing op op grondgebied van gemeente gewonnen marmer, die wordt toegepast wanneer marmer grondgebied van die gemeente verlaat”
Samenvatting van het arrest
Vrij verkeer van goederen – Douanerechten – Heffingen van gelijke werking – Begrip – Heffing die in gemeente van lidstaat met betrekking tot één categorie van goederen wordt toegepast wegens feit dat deze goederen grondgebied van gemeente verlaten – Daaronder begrepen
(Art. 23 EG)
Een aan het gewicht van een goed gerelateerde heffing, die slechts in één gemeente van één lidstaat en met betrekking tot één categorie van goederen wordt toegepast wegens het feit dat deze goederen het grondgebied van de gemeente verlaten, is een heffing van gelijke werking als een uitvoerrecht in de zin van artikel 23 EG, ook al wordt zij ook toegepast op goederen waarvan de eindbestemming binnen het grondgebied van die lidstaat is gelegen.
In de eerste plaats vereist immers het beginsel zelf van de douane-unie, zoals dat uit artikel 23 EG voortvloeit, dat het vrije verkeer van goederen over de gehele lijn wordt verzekerd, niet alleen met betrekking tot de handel tussen de lidstaten, maar ruimer, namelijk op het volledige grondgebied van de douane-unie, en vormt de afwezigheid van heffingen met de kenmerken van een douanerecht of een heffing van gelijke werking zowel tussen de lidstaten als binnen één lidstaat een onontbeerlijke voorwaarde voor de verwezenlijking van deze douane-unie. In de tweede plaats beïnvloedt de betrokken heffing, aangezien zij wordt toegepast op alle goederen van die soort welke het grondgebied verlaten van de gemeente waar zij zijn geproduceerd, zonder dat een onderscheid wordt gemaakt tussen de goederen waarvan de eindbestemming in de lidstaat van productie is gelegen, en de goederen die voor andere lidstaten zijn bestemd, door haar aard en draagwijdte de handel tussen de lidstaten.
(cf. punten 22, 24, 26, 35, dictum 1)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
9 september 2004(1)
„Heffing van gelijke werking als douanerecht – Heffing op marmer dat op grondgebied van gemeente wordt gewonnen, die wordt toegepast wanneer marmer het grondgebied van die gemeente verlaat”
In zaak C-72/03,betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG,ingediend door de Commissione tributaria provinciale di Massa Carrara (Italië) bij beslissing van 11 december 2002, ingeschreven bij het Hof op 18 februari 2003, in de procedure:
Carbonati Apuani Srl
tegen
Comune di Carrara,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),,
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, A. Rosas, S. von Bahr, R. Silva de Lapuerta en K. Lenaerts (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Poiares Maduro,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 maart 2004,gelet op de opmerkingen ingediend door:
– Carbonati Apuani Srl, vertegenwoordigd door G. Andreani en R. Diamanti, avvocati,
– Comune di Carrara, vertegenwoordigd door A. Calamia, F. Batistoni Ferrara, L. Buselli, G. M. Roberti en A. Franchi, avvocati,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door M. Fiorilli, avvocato dello Stato,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door X. Lewis en R. Amorosi als gemachtigden, bijgestaan door G. Bambara, avvocato,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 mei 2004,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 23 EG, 81 EG, 85 EG en 86 EG.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure waarin de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht ter discussie is gesteld van een door de Comune di Carrara (hierna: „gemeente Carrara”) ingestelde heffing op marmer dat op haar grondgebied wordt gewonnen, die wordt toegepast wanneer het marmer het grondgebied van de gemeente verlaat.
Het Italiaanse rechtskader
3 Het enige artikel van wet nr. 749 van 15 juli 1911, zoals gewijzigd bij artikel 55, lid 18, van wet nr. 449 van 27 december 1997 (GURI nr. 302 van 30 december 1997), bepaalt:
„Ten gunste van de gemeente Carrara wordt een heffing ingevoerd op marmer dat op haar grondgebied wordt gewonnen en buiten dit grondgebied wordt gebracht. Deze heffing wordt door de gemeente toegepast en geïnd wanneer het marmer het grondgebied van de gemeente verlaat, op basis van een door de gemeenteraad, na raadpleging van de sociale partners, vastgestelde bijzondere regeling.
De gemeenteraad stelt jaarlijks bij de vaststelling van de begroting van de gemeente de hoogte van de heffing voor het volgende jaar vast. Wanneer de gemeente evenwel met de opbrengst van de heffing duurzame investeringen moet bekostigen of garanderen, kan de gemeenteraad de hoogte van de bedoelde heffing voor meerdere jaren vooraf vaststellen.
De gemeente kan, bij besluit van de gemeenteraad, overeenkomstig de gemeentelijke en provinciale regelgeving en onder voorbehoud van goedkeuring door de Giunta provinciale amministrativa [provinciale bestuurlijke commissie], voorschrijven dat een deel van de opbrengst van de heffing wordt besteed aan de kosten en de verplichtingen voor de aanleg en de exploitatie van de haven van Marina di Carrara, in voorkomend geval met inachtneming van wet nr. 50 van 12 februari 1903; zij kan tevens voorschrijven dat een deel van de heffing wordt besteed voor betaling van de bijdragen van de werknemers in de marmerindustrie aan de Cassa nazionale di previdenza per gli operai [nationaal socialezekerheidsfonds voor werknemers] […]”
4 Artikel 2, lid 2 ter, van decreto legge (voorlopig wetsbesluit) nr. 8 van 26 januari 1999, met een aantal wijzigingen omgezet in wet nr. 75 van 1999 (GURI nr. 72 van 27 maart 1999), bepaalt:
„Het enige artikel van wet nr. 749 […] moet aldus worden uitgelegd dat de heffing [...] wordt toegepast op marmer en marmerderivaten en dat bij de vaststelling van de hoogte ervan rekening wordt gehouden met de kosten die rechtstreeks of indirect voortvloeien uit de activiteiten van de lokale marmersector.”
5 Op grond van deze bepalingen past de gemeente Carrara krachtens een gemeentelijke verordening een heffing toe op marmer dat op haar grondgebied is gewonnen en buiten haar grondgebied wordt gebracht. Ten tijde van de feiten in het hoofdgeding was het op marmerblokken toepasselijke tarief vastgesteld op 8 000 ITL per ton.
6 Het op het grondgebied van de gemeente gewonnen en gebruikte marmer is daarentegen van de heffing vrijgesteld. Bovendien wordt er in de verwijzingsbeschikking op gewezen dat eveneens vrijstelling kan worden verleend voor marmer dat in de buurgemeenten van de gemeente Carrara wordt gebruikt of bewerkt.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
7 Verzoekster in het hoofdgeding is bij de Commissione tributaria provinciale di Massa Carrara opgekomen tegen de heffingsaanslag waarbij de gemeente Carrara de door haar over de maand mei 2001 verschuldigde heffing op marmer heeft vastgesteld. Zij heeft voor deze rechterlijke instantie de vraag van de verenigbaarheid van deze heffing met de bepalingen van het EG-Verdrag opgeworpen.
8 Omdat de Commissione tributaria provinciale di Massa Carrara van mening was dat de heffing op marmer als een douanerecht of een heffing van gelijke werking als een douanerecht zou kunnen worden aangemerkt, en dat de toepassing van deze heffing de mededinging zou kunnen vervalsen, heeft zij de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
„Is de in de wetten nrs. 749 van 15 juli 1911 en 449 van 27 december 1997, en in decreto legge nr. 8 van 26 januari 1999, zoals met een aantal wijzigingen omgezet in wet nr. 75 van 1999 – invoering van een heffing op marmer in de gemeente Carrara – vervatte Italiaanse wettelijke regeling [verenigbaar] met de artikelen 23, 81, 85 en 86 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, in de versie die geldt na het Verdrag van Amsterdam, dat door Italië bij wet nr. 209 van 1998 werd geratificeerd?”
De ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
9 Volgens de Commissie geeft de verwijzingsbeschikking het feitelijke en juridische kader waarin de gestelde vraag moet worden geplaatst, ontoereikend weer. Zij is derhalve van oordeel dat het verzoek niet-ontvankelijk is.
10 In dit verband zij eraan herinnerd dat wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te komen, het noodzakelijk is dat deze rechter een omschrijving geeft van het feitelijke en juridische kader waarin de gestelde vraag moet worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vraag is gebaseerd (zie met name arrest van 26 januari 1993, Telemarsicabruzzo e.a., C-320/90−C-322/90, Jurispr. blz. I-393, punt 6; beschikkingen van 19 maart 1993, Banchero, C-157/92, Jurispr. blz. I‑1085, punt 4; 30 april 1998, Testa en Modesti, C-128/97 en C-137/97, Jurispr. blz. I-2181, punt 5, en 8 juli 1998, Agostini, C-9/98, Jurispr. blz. I-4261, punt 4).
11 Verder heeft het Hof geoordeeld dat het onontbeerlijk is dat de nationale rechter enigszins uiteenzet waarom hij om uitlegging van bepaalde communautaire bepalingen verzoekt, en dat hij aangeeft welk verband hij legt tussen deze bepalingen en de nationale wettelijke regeling die op het geschil van toepassing is (beschikking van 28 juni 2000, Laguillaumie, C-116/00, Jurispr. blz. I‑4979, punt 16).
12 In casu staat vast dat het Hof over voldoende gegevens beschikt om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te verstrekken, voorzover de vraag de uitlegging van artikel 23 EG betreft. In de verwijzingsbeschikking wordt immers op nauwkeurige wijze het juridische kader van de heffing op marmer uiteengezet, welke heffing volgens de verwijzende rechter als een douanerecht of een maatregel van gelijke werking zou kunnen worden aangemerkt. Wat de feitelijke context betreft, blijkt uit de verwijzingsbeschikking dat verzoekster in het hoofdgeding, die marmer van Carrara buiten het grondgebied van deze gemeente heeft gebracht, voor de nationale rechter de wettigheid betwist van de heffingsaanslag waarbij de gemeente Carrara de door haar over de maand mei 2001 verschuldigde heffing op het marmer heeft vastgesteld.
13 Gelijk de advocaat-generaal in de punten 18 tot en met 21 van zijn conclusie heeft beklemtoond, verstrekt de verwijzende rechter daarentegen geen enkele nuttige aanwijzing aangaande het verband dat hij legt tussen de artikelen 81 EG, 85 EG en 86 EG, en de nationale wettelijke regeling die op het geschil van toepassing is. Hij verklaart slechts dat de heffing „van invloed kan zijn op de vrije mededinging”, zonder evenwel het verband aan te geven dat tussen de heffing op het marmer en vermeend mededingingsbeperkende gedragingen van ondernemingen zou kunnen bestaan.
14 In die omstandigheden is het verzoek om een prejudiciële beslissing alleen ontvankelijk voorzover het de uitlegging van artikel 23 EG betreft.
Aangaande de prejudiciële vraag
15 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een heffing zoals deze op marmer, die slechts in één gemeente van één lidstaat en op één soort goederen − te weten het op het grondgebied van deze gemeente gewonnen marmer − wordt toegepast wegens de omstandigheid dat dit marmer de betrokken gemeente verlaat, als een heffing van gelijke werking als een douanerecht moet worden aangemerkt.
16 De Italiaanse regering en de gemeente Carrara betogen dat de heffing op marmer zonder onderscheid van toepassing is op het naar andere lidstaten uitgevoerde marmer en op het marmer dat naar andere delen van het Italiaanse grondgebied wordt gebracht. Aangezien de heffing niet uitsluitend betrekking heeft op de voor uitvoer bestemde goederen, kan zij niet worden geacht binnen de werkingssfeer van artikel 23 EG te vallen. Hooguit kan de litigieuze heffing een binnenlandse belasting in de zin van artikel 90 EG vormen, die met het Verdrag verenigbaar is omdat zij op dezelfde wijze en in hetzelfde stadium van verhandeling wordt toegepast op marmer dat op het Italiaanse grondgebied wordt verwerkt en verhandeld, en op marmer dat naar andere lidstaten wordt uitgevoerd (arresten van 17 juli 1997, Haahr Petroleum, C-90/94, Jurispr. blz. I-4085, en 23 april 2002, Nygård, C-234/99, Jurispr. blz. I-3657).
17 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Hof al heeft geoordeeld dat een last geen heffing van gelijke werking als een douanerecht, maar een binnenlandse belasting in de zin van artikel 90 EG, is indien hij deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen waardoor groepen producten stelselmatig worden getroffen volgens objectieve, onafhankelijk van de oorsprong of de bestemming van het product toegepaste criteria (zie in die zin arresten van 3 februari 1981, Commissie/Frankrijk, 90/79, Jurispr. blz. 283, punt 14, en 16 juli 1992, Legros e.a., C-163/90, Jurispr. blz. I-4625, punt 11).
18 In casu moet worden opgemerkt dat de litigieuze heffing wordt toegepast op marmer van Carrara dat het grondgebied van de gemeente Carrara verlaat. Het feit dat de belasting doet ontstaan, is dus het overschrijden van de gemeentegrenzen. Het binnen de gemeente Carrara gebruikte marmer is van de heffing vrijgesteld, juist wegens deze lokale bestemming en niet op grond van objectieve criteria die ook zouden kunnen worden toegepast op marmer dat het grondgebied van de gemeente heeft verlaten. Wegens deze elementen kan de litigieuze heffing niet als een binnenlandse belasting in de zin van artikel 90 EG worden aangemerkt (zie arrest Legros e.a., reeds aangehaald, punt 12).
19 Vervolgens moet worden nagegaan of een heffing als deze op marmer, een heffing van gelijke werking als een douanerecht in de zin van artikel 23 EG is.
20 Gelijk het Hof reeds meermaals heeft geoordeeld, vormt een eenzijdig opgelegde − zij het geringe − geldelijke last, wat de benaming en techniek ervan ook mogen zijn, die bij een grensoverschrijding op nationale of buitenlandse goederen wordt gelegd en geen douanerecht in eigenlijke zin is, een heffing van gelijke werking in de zin van artikel 23 EG (zie arrest van 9 november 1983, Commissie/Denemarken, 158/82, Jurispr. blz. 3573, punt 18; arrest Legros e.a., reeds aangehaald, punt 13; arresten van 22 juni 1994, Deutsches Milch-Kontor, C‑426/92, Jurispr. blz. I-2757, punt 50; 14 september 1995, Simitzi, C-485/93 en C-486/93, Jurispr. blz. I-2655, punt 15, en 17 september 1997, UCAL, C-347/95, Jurispr. blz. I-4911, punt 18).
21 De Italiaanse regering en de gemeente Carrara voeren evenwel aan dat het in artikel 23 EG geformuleerde verbod, dat ook in artikel 25 EG is opgenomen, uitsluitend ziet op douanerechten en heffingen van gelijke werking als die rechten in de handel „tussen de lidstaten”.
22 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het verbod van douanerechten en heffingen van gelijke werking zijn rechtvaardiging vindt in de belemmeringen die geldelijke lasten die wegens een grensoverschrijding worden opgelegd, voor het goederenverkeer opleveren (zie met name arresten van 1 juli 1969, Brachfeld en Chougol, 2/69 en 3/69, Jurispr. blz. 211, punt 14, en 9 augustus 1994, Lancry e.a., C-363/93, C-407/93−C-411/93, Jurispr. blz. I-3957, punt 25). Welnu, het beginsel zelf van de douane-unie, zoals het uit artikel 23 EG voortvloeit, vereist dat het vrije verkeer van goederen over de gehele lijn wordt verzekerd, niet alleen met betrekking tot de handel tussen de lidstaten, maar ruimer, namelijk op het volledige grondgebied van de douane-unie. Dat in de artikelen 23 EG en 25 EG alleen de handel tussen de lidstaten uitdrukkelijk wordt vermeld, heeft hiermee te maken, dat door de opstellers van het Verdrag nooit is gedacht aan het bestaan van heffingen met de kenmerken van een douanerecht binnen de staten zelf (zie arrest Lancry e.a., reeds aangehaald, punt 29).
23 Verder moet worden opgemerkt dat bij de Europese Akte in 1986 een artikel 8 A (nadien artikel 7 A EG-Verdrag, en thans, na wijziging, artikel 14 EG) in het EEG-Verdrag is ingevoegd, waarin de doelstelling werd geformuleerd, vóór 31 december 1992 een interne markt tot stand te brengen. Artikel 14, lid 2, EG omschrijft de interne markt als „een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd volgens de bepalingen van dit Verdrag”, en in deze bepaling wordt geen onderscheid gemaakt tussen de grenzen tussen de lidstaten en de grenzen binnen één lidstaat.
24 Aangezien de artikelen 23 EG en volgende in samenhang met artikel 14, lid 2, EG moeten worden gelezen, vormt de afwezigheid van heffingen met de kenmerken van een douanerecht of een heffing van gelijke werking − zowel tussen de lidstaten als binnen één lidstaat − een onontbeerlijke voorwaarde voor de verwezenlijking van een douane-unie waarin het vrije verkeer van goederen is gewaarborgd.
25 Aldus heeft het Hof in zijn reeds aangehaalde arresten Legros e.a. (punt 18), Lancry e.a. (punt 32) en Simitzi (punt 17) reeds geoordeeld dat een naar aanleiding van de overschrijding van een binnenlandse grens toegepaste heffing een heffing van gelijke werking als een douanerecht is.
26 Verder dient te worden beklemtoond dat het in het hoofdgeding gerezen probleem zich niet aandient als een in alle opzichten tot de interne sfeer van een lidstaat beperkte situatie. Vaststaat namelijk dat de heffing op marmer wordt toegepast op alle marmer van Carrara dat het grondgebied van deze gemeente verlaat, zonder dat een onderscheid wordt gemaakt tussen het marmer waarvan de eindbestemming in Italië is gelegen, en het marmer dat voor andere lidstaten is bestemd. Door zijn aard en draagwijdte beïnvloedt de heffing op marmer bijgevolg de handel tussen de lidstaten (zie arrest Lancry e.a., reeds aangehaald, punt 30; zie, in dezelfde zin, wat de maatregelen van gelijke werking als een kwantitatieve beperking betreft, arresten van 15 december 1982, Oosthoek’s Uitgeversmaatschappij, 286/81, Jurispr. blz. 4575, punt 9; 15 december 1993, Ligur Carni e.a., C-277/91, C-318/91 en C-319/91, Jurispr. blz. I-6621, punten 36 en 37; 13 januari 2000, TK-Heimdienst, C-254/98, Jurispr. blz. I-151, punten 27‑31, en 5 december 2000, Guimont, C-448/98, Jurispr. blz. I-10663, punten 21‑23).
27 De gemeente Carrara voert evenwel aan dat diverse omstandigheden eraan in de weg staan dat de heffing op marmer als een heffing van gelijke werking als een douanerecht wordt aangemerkt. Zij merkt hieromtrent op dat, anders dan de in de reeds aangehaalde arresten Legros e.a., Lancry e.a. en Simitzi bedoelde heffing, de heffing in het hoofdgeding door een territoriale gemeenschap van beperkte omvang wordt geheven en wordt toegepast op één soort producten, te weten het marmer van Carrara, en niet op alle producten die het grondgebied van de gemeente verlaten.
28 Deze argumenten kunnen niet worden aanvaard. Er zij immers aan herinnerd dat artikel 23 EG, net als artikel 25 EG, elke geldelijke last verbiedt die een − zij het geringe − tarifaire handelsbelemmering vormt die eenzijdig wordt opgelegd door een daartoe bevoegde overheidsinstantie van een lidstaat (zie punt 20 hierboven). Om uit te maken of een heffing een heffing van gelijke werking als een douanerecht is, is de omvang van de territoriale gemeenschap die de heffing toepast, bijgevolg van geen belang, voorzover de betrokken heffing de handel binnen de interne markt belemmert.
29 Aangezien de artikelen 23 EG en 25 EG elke handelsbelemmering beogen weg te werken, maakt het geen verschil of de heffing die in het hoofdgeding aan de orde is, op één bepaalde soort goederen wordt toegepast (zie arresten van 22 april 1999, CRT France International, C-109/98, Jurispr. blz. I-2237, en 21 september 2000, Michaïlidis, C-441/98 en C-442/98, Jurispr. blz. I-7145) dan wel op alle goederen die het grondgebied van de betrokken gemeenschap verlaten (zie arresten Legros e.a. en Lancry e.a., reeds aangehaald).
30 Verweerster in het hoofdgeding beklemtoont overigens het specifieke doel van die heffing. Met de opbrengst ervan worden de uitgaven gedekt die de gemeente Carrara ten gevolge van de marmerindustrie op haar grondgebied heeft te dragen. De heffing dient de belangen van al degenen die marmer exploiteren, met inbegrip van degenen die de betrokken producten in het buitenland verhandelen.
31 Het Hof heeft al geoordeeld dat douanerechten en heffingen van gelijke werking als douanerechten verboden zijn ongeacht het doel waarmee zij werden ingevoerd of de bestemming van de opbrengst ervan (zie arrest van 1 juli 1969, Commissie/Italië, 24/68, Jurispr. blz. 193, punt 7, en arrest Simitzi, reeds aangehaald, punt 14). Het Hof heeft evenwel erkend dat een last die de tegenprestatie vormt voor een aan een marktdeelnemer, die tot betaling van deze last is gehouden, werkelijk verleende dienst en die evenredig is aan de kosten daarvan, geen heffing van gelijke werking als een douanerecht is (arresten van 26 februari 1975, Cadsky, 63/74, Jurispr. blz. 281, punt 8, en 9 november 1983, Commissie/Denemarken, 158/82, Jurispr. blz. 3573, punt 19, en arrest CRT France International, reeds aangehaald, punt 17).
32 Dit is in casu evenwel niet het geval. Er bestaat immers hooguit een indirect verband tussen de in geding zijnde heffing en de diensten die worden verleend aan de marktdeelnemers die de heffing moeten betalen. Aldus blijkt uit de opmerkingen van de gemeente Carrara dat deze heffing met name tot doel heeft de uitgaven te dekken die de gemeente doet voor het herstel en het onderhoud van het wegennet, de totstandbrenging van een haveninfrastructuur, het onderhoud van een museum, het onderzoek ter zake van de veiligheid in de groeven, de beroepsopleiding op het gebied van de mijnbouw, of de sociale bijstand ten gunste van de werknemers. Tal van deze diensten komen dus niet specifiek ten goede aan de marktdeelnemers die marmer buiten het grondgebied van de gemeente Carrara brengen.
33 Met betrekking tot het argument dat de „lokale” marktdeelnemers, doordat zij gemeentebelasting betalen, reeds bijdragen aan de kosten die de marmerindustrie voor de gemeente meebrengt, moet eraan worden herinnerd dat de heffing verschuldigd wordt door het feit dat het marmer het grondgebied van de gemeente verlaat, ongeacht of de betrokken marktdeelnemer aan de gemeentebelasting is onderworpen.
34 Hoe dan ook volstaat de omstandigheid dat een wegens de overschrijding van een grens tussen de lidstaten of binnen één lidstaat toegepaste heffing is ingevoerd ter compensatie van een lokale last die op het soortgelijke nationale product drukt, niet om deze heffing niet als een heffing van gelijke werking als een douanerecht aan te merken. Dit zou het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten immers uithollen (zie in die zin arrest van 31 mei 1979, Denkavit, 132/78, Jurispr. blz. 1923, punt 8, en arrest Michaïlidis, reeds aangehaald, punt 23).
35 Uit het voorgaande volgt derhalve dat een aan het gewicht van een goed gerelateerde heffing, die slechts in één gemeente van één lidstaat en met betrekking tot één soort goederen wordt toegepast wegens het feit dat deze goederen het grondgebied van de gemeente verlaten, een heffing van gelijke werking als een uitvoerrecht in de zin van artikel 23 EG is, ook al wordt zij ook toegepast op goederen waarvan de eindbestemming binnen het grondgebied van die lidstaat is gelegen.
De gevolgen in de tijd van dit arrest
36 De gemeente Carrara verzoekt het Hof, indien het van oordeel is dat een heffing als de in geding zijnde onverenigbaar is met de relevante bepalingen van het Verdrag, de gevolgen in de tijd van het onderhavige arrest te beperken. Zij wijst op de onzekerheid die omtrent het op de betrokken heffing toepasselijke recht bestaat, en voorts op de ernstige financiële consequenties die voor de gemeentebegroting van Carrara zouden voortvloeien uit de toepassing van het arrest zonder beperking in de tijd.
37 Er zij aan herinnerd dat het Hof slechts bij uitzondering, met toepassing van een aan de communautaire rechtsorde inherent algemeen beginsel van rechtszekerheid, aanleiding kan vinden om voor iedere belanghebbende beperkingen te stellen aan de mogelijkheid om met een beroep op een door het Hof uitgelegde bepaling te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen weer in geding te brengen (arrest Legros e.a., reeds aangehaald, punt 30, en arrest van 23 mei 2000, Buchner e.a., C-104/98, Jurispr. blz. I-3625, punt 39).
38 Dienaangaande heeft het Hof in het arrest Legros e.a. (reeds aangehaald, punten 30‑36) geoordeeld dat wegens dwingende overwegingen van rechtszekerheid de verdragsbepalingen betreffende heffingen van gelijke werking als invoerrechten niet voor vorderingen tot terugbetaling van een heffing als het octroi de mer konden worden ingeroepen, indien die heffing was voldaan vóór de datum van dat arrest, te weten 16 juli 1992, behalve indien vóór die datum een beroep in rechte was ingesteld of een daarmee gelijk te stellen bezwaarschrift was ingediend (zie arrest Simitzi, reeds aangehaald, punt 30).
39 Als heffing op de overschrijding van een gebiedsgrens binnen een lidstaat is de litigieuze heffing als een heffing van dezelfde aard als het octroi de mer in de reeds aangehaalde zaak Legros e.a. te beschouwen. Tot 16 juli 1992 kon de gemeente Carrara derhalve redelijkerwijs aannemen, dat de betrokken heffing zich met het gemeenschapsrecht verdroeg.
40 Bijgevolg moet in casu met dezelfde overwegingen van rechtszekerheid rekening worden gehouden en worden beslist, dat de in het reeds aangehaalde arrest Legros e.a. gestelde beperking in de tijd eveneens geldt voor vorderingen tot terugbetaling van bedragen die uit hoofde van de heffing in het hoofdgeding zijn geïnd.
41 Er is evenwel geen reden voor een beperking van de gevolgen van het onderhavige arrest tot een datum na 16 juli 1992, de datum van het reeds aangehaalde arrest Legros e.a. Vanaf die datum behoorde de gemeente Carrara immers te weten, dat de litigieuze heffing in strijd was met het gemeenschapsrecht.
42 Concluderend dient te worden gepreciseerd, dat op de verdragsbepalingen betreffende heffingen van gelijke werking als douanerechten geen beroep kan worden gedaan voor vorderingen tot terugbetaling van bedragen die uit hoofde van de litigieuze heffing zijn geïnd vóór 16 juli 1992, behalve door verzoekers die vóór die datum een beroep in rechte hebben ingesteld of een daarmee gelijk te stellen bezwaarschrift hebben ingediend.
Kosten
43 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht:
1) Een aan het gewicht van een goed gerelateerde heffing, die slechts in één gemeente van één lidstaat en met betrekking tot één soort goederen wordt toegepast wegens het feit dat deze goederen het grondgebied van de gemeente verlaten, is een heffing van gelijke werking als een uitvoerrecht in de zin van artikel 23 EG, ook al wordt zij ook toegepast op goederen waarvan de eindbestemming binnen het grondgebied van die lidstaat is gelegen.
2) Op artikel 23 EG kan geen beroep worden gedaan voor vorderingen tot terugbetaling van bedragen die uit hoofde van de heffing op marmer zijn geïnd vóór 16 juli 1992, behalve door verzoekers die vóór die datum een beroep in rechte hebben ingesteld of een daarmee gelijk te stellen bezwaarschrift hebben ingediend.
ondertekeningen
1 – Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy