Zaak C-89/03
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Groothertogdom Luxemburg
„Niet-nakoming ? Niet-uitvoering van richtlijn 93/15/EEG”
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 2 oktober 2003
Samenvatting van het arrest
Lidstaten ? Verplichtingen ? Uitvoering van richtlijnen ? Niet-nakoming ? Rechtvaardiging op basis van interne orde ? Ontoelaatbaarheid
(Art. 226 EG)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
2 oktober 2003 (1)
„Niet-nakoming – Niet-omzetting van richtlijn 93/15/EEG”
In zaak C-89/03,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door L. Ström en B. Stromsky als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Groothertogdom Luxemburg, vertegenwoordigd door S. Schreiner als gemachtigde,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te hebben doen treden die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 93/15/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende de harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik (PB L 121, blz. 20), of althans de Commissie van deze bepalingen niet in kennis te hebben gesteld, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),,
samengesteld als volgt: M. Wathelet, kamerpresident, P. Jann en A. Rosas (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 27 februari 2003, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld teneinde te doen vaststellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te hebben doen treden die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 93/15/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende de harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik (PB L 121, blz. 20), of althans de Commissie van deze bepalingen niet in kennis te hebben gesteld, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Krachtens artikel 19, lid 1, van richtlijn 93/15 moesten de lidstaten de bepalingen in werking doen treden die noodzakelijk waren om vóór 30 september 1993 aan de artikelen 9 tot en met 14 van deze richtlijn te voldoen. Volgens artikel 19, lid 2, moesten de lidstaten vóór 30 juni 1994 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vaststellen en bekendmaken om aan de andere dan de in lid 1 genoemde bepalingen te voldoen. Zij moesten de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen en deze bepalingen met ingang van 1 januari 1995 toepassen.
3 Van mening dat richtlijn 93/15 niet binnen de gestelde termijn in Luxemburgs recht was omgezet, heeft de Commissie de niet-nakomingsprocedure ingeleid. Na het Groothertogdom Luxemburg te hebben aangemaand zijn opmerkingen te maken, heeft de Commissie op 26 juni 2002 een met redenen omkleed advies uitgebracht, waarin zij deze lidstaat verzocht, binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving ervan de nodige maatregelen te nemen om aan dit advies te voldoen. Omdat uit de door de Luxemburgse autoriteiten aan de Commissie ter kennis gebrachte informatie bleek dat richtlijn 93/15 nog niet was omgezet, heeft zij besloten het onderhavige beroep in te stellen.
4 Zonder te bestrijden dat zij richtlijn 93/15 niet tijdig heeft omgezet, merkt de Luxemburgse regering op dat dit te wijten is aan een herverdeling van de bevoegdheden ter zake van explosieven voor civiel gebruik over de verschillende nationale bestuursorganen. Nu deze is voltooid, wordt thans een wetsontwerp opgesteld voor de omzetting van genoemde richtlijn.
5 In dit verband volstaat het vast te stellen dat volgens vaste rechtspraak de lidstaten zich ter rechtvaardiging van het overschrijden van een voorgeschreven uitvoeringstermijn niet kunnen beroepen op binnenlandse omstandigheden of praktische problemen (zie in die zin arresten van 8 juni 1993, Commissie/Nederland, C-52/91, Jurispr. blz. I-3069, punt 36, en 14 november 2002, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C-140/00, Jurispr. blz. I-10379, punt 60).
6 Onder die omstandigheden moet het door de Commissie ingestelde beroep gegrond worden geacht.
7 Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te hebben doen treden die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 93/15, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
8 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Aangezien het Groothertogdom Luxemburg in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te hebben doen treden die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 93/15/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende de harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik, is het Groothertogdom Luxemburg de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Groothertogdom Luxemburg wordt in de kosten verwezen.
Wathelet
Jann
Rosas
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 2 oktober 2003.
De griffier
De president van de Eerste kamer
R. Grass
M. Wathelet
1 – Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy