Zaak C‑148/03
Nürnberger Allgemeine Versicherungs AG
tegen
Portbridge Transport International BV
(verzoek van het Oberlandesgericht München om een prejudiciële beslissing)
„Executieverdrag – Artikelen 20 en 57, lid 2 – Verweerder die niet verschijnt – Verweerder met woonplaats op grondgebied van andere verdragsluitende staat – Verdrag van Genève betreffende overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over weg – Conflict tussen verdragen”
Samenvatting van het arrest
Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen – Verhouding tot andere verdragen – Verdragen betreffende bijzonder onderwerp – Verdrag dat regels inzake rechterlijke bevoegdheid bevat – Betwisting door verweerder van internationale bevoegdheid van rechter waarbij geschil op grond van dergelijk verdrag aanhangig is gemaakt – Inachtneming door rechter waarbij geschil overeenkomstig artikel 57 van Executieverdrag aanhangig is gemaakt, van bevoegdheidsregels van bijzonder verdrag
(Executieverdrag van 27 september 1968, art. 20 en 57, lid 2, sub a)
Artikel 57, lid 2, sub a, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek, het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en het Verdrag van 29 november 1996 inzake de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden, moet aldus worden uitgelegd dat het gerecht van een verdragsluitende staat waarvoor de verweerder met woonplaats op het grondgebied van een andere verdragsluitende staat wordt opgeroepen, zijn bevoegdheid kan steunen op een bijzonder verdrag waarbij ook de eerste staat partij is en die specifieke regels inzake de rechterlijke bevoegdheid bevat, zelfs wanneer de verweerder zich in het kader van de betrokken procedure niet uitspreekt ten gronde en de internationale bevoegdheid van het nationale gerecht waarbij de zaak is aangebracht formeel, betwist.
Hoewel volgens artikel 20 van het Verdrag van 27 september 1968, dat toepasselijk is krachtens artikel 57, lid 2, sub a, tweede zin, de betrokken rechter zich ambtshalve onbevoegd dient te verklaren indien zijn bevoegdheid niet berust op de bepalingen van dit verdrag, moet echter worden aangenomen dat de bevoegdheid van die rechter op dit verdrag berust, aangezien artikel 57 van dit verdrag juist bepaalt dat het de door bijzondere verdragen voorziene bevoegdheidsregels onverlet laat.
In deze omstandigheden moet het gerecht van een verdragsluitende staat, waarvoor de verweerder met woonplaats in een andere verdragsluitende staat wordt opgeroepen en niet verschijnt, bij het ambtshalve controleren van zijn bevoegdheid overeenkomstig voornoemd verdrag rekening houden met de bevoegdheidsregels van de bijzondere verdragen waarbij ook de eerste verdragsluitende staat partij is.
(cf. punten 16‑20 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
28 oktober 2004(1)
„Executieverdrag – Artikelen 20 en 57, lid 2 – Verweerder die niet verschijnt – Verweerder met woonplaats op grondgebied van andere verdragsluitende staat – Verdrag van Genève betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg – Conflict tussen verdragen”
In zaak C-148/03,betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ingediend door het Oberlandesgericht München (Duitsland) bij beslissing van 27 maart 2003, ingekomen bij het Hof op 31 maart daaraanvolgend, in de procedure
Nürnberger Allgemeine Versicherungs AG
tegen
Portbridge Transport International BV,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),,
samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, R. Schintgen (rapporteur) en N. Colneric, rechters,
advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,gelet op de opmerkingen van:
– Nürnberger Allgemeine Versicherungs AG, vertegenwoordigd door K. Demuth, Rechtsanwalt,
– Portbridge Transport International BV, vertegenwoordigd door J. Kienzle, Rechtsanwalt,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door R. Wagner als gemachtigde,
– de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door K. Manji als gemachtigde, bijgestaan door D. Beard, barrister,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A.‑M. Rouchaud en W. Bogensberger als gemachtigden,
gezien de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder terechtzitting en zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 20 en 57, lid 2, sub a, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32; hierna: „Executieverdrag”), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1, en – gewijzigde tekst – blz. 77), het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB L 388, blz. 1), het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB L 285, blz. 1) en het Verdrag van 29 november 1996 inzake de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (PB 1997, C 15, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Nürnberger Allgemeine Versicherungs AG (hierna: „Nürnberger”) en Portbridge Transport International BV (hierna: „Portbridge”) over een vordering tot vergoeding van de schade die Nürnberger heeft geleden wegens het verlies van goederen die Portbridge naar het Verenigd Koninkrijk had moeten vervoeren.
Rechtskader
3 Artikel 57, leden 1 en 2, sub a, van het Executieverdrag luidt:
„1. Dit Verdrag laat onverlet de verdragen waarbij de verdragsluitende staten partij zijn of zullen zijn en die, voor bijzondere onderwerpen, de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen regelen.
2. Teneinde de eenvormige uitlegging van lid 1 te waarborgen wordt dit lid als volgt toegepast:
a) Dit verdrag staat er niet aan in de weg dat een gerecht van een verdragsluitende staat die partij is bij een verdrag over een bijzonder onderwerp, overeenkomstig dat verdrag kennis neemt van een zaak, ook indien de verweerder zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat die geen partij is bij dat verdrag. Het gerecht past in ieder geval artikel 20 van dit verdrag toe.”
4 Artikel 20, eerste alinea, van het Executieverdrag luidt:
„Wanneer de verweerder met woonplaats op het grondgebied van een verdragsluitende staat voor een andere verdragsluitende staat wordt opgeroepen en niet verschijnt, verklaart de rechter zich ambtshalve onbevoegd indien zijn bevoegdheid niet berust op de bepalingen van dit verdrag.”
5 Het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, ondertekend te Genève op 19 mei 1956 (hierna: „CMR”), is krachtens zijn artikel 1 van toepassing „op iedere overeenkomst onder bezwarende titel voor het vervoer van goederen over de weg door middel van voertuigen, wanneer de plaats van inontvangstneming der goederen en de plaats bestemd voor de aflevering, zoals deze zijn aangegeven in de overeenkomst, gelegen zijn in twee verschillende landen, waarvan ten minste één een bij het verdrag partij zijnd land is, ongeacht de woonplaats en de nationaliteit van partijen”.
6 Artikel 31, lid 1, CMR luidt:
„Alle rechtsgedingen, waartoe het aan dit verdrag onderworpen vervoer aanleiding geeft, kunnen door de eiser behalve voor de gerechten van de bij dit verdrag partij zijnde landen, bij beding tussen partijen aangewezen, worden gebracht voor de gerechten van het land op het grondgebied waarvan:
a) de gedaagde zijn gewone verblijfplaats, zijn hoofdzetel of het filiaal of agentschap heeft, door bemiddeling waarvan de vervoerovereenkomst is gesloten, of
b) de plaats van inontvangstneming der goederen of de plaats bestemd voor de aflevering der goederen, is gelegen;
zij kunnen voor geen andere gerechten worden gebracht.”
7 Zowel de Bondsrepubliek Duitsland als het Koninkrijk der Nederlanden is partij bij het CMR.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
8 Nürnberger is een transportverzekeringsmaatschappij naar Duits recht. Zij vordert van Portbridge, een transportfirma naar Nederlands recht, schadevergoeding voor het verlies, in juni 2000, van goederen die door deze laatste te Vöhringen (Duitsland) in ontvangst zijn genomen en die naar het Verenigd Koninkrijk hadden moeten worden vervoerd.
9 Het vervoer dat in het hoofdgeding aan de orde is, wordt beheerst door het CMR. Overeenkomstig artikel 31, lid 1, sub b, van dit verdrag is het gerecht waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, namelijk het Landgericht Memmingen (Duitsland), bevoegd omdat de plaats van inontvangstneming van de goederen is gelegen in zijn rechtsgebied. Portbridge heeft echter de internationale bevoegdheid van dit gerecht betwist en heeft zich niet uitgesproken ten gronde.
10 Het Landgericht Memmingen heeft in een tussenvonnis zijn internationale bevoegdheid afgewezen en het beroep van Nürnberger niet-ontvankelijk verklaard. Het was van oordeel dat, ongeacht de bevoegdheidsregels van artikel 31 CMR, overeenkomstig artikel 57, lid 2, sub a, tweede zin, van het Executieverdrag, artikel 20 van dit verdrag moet worden toegepast wanneer de verweerder niet verschijnt of weigert zich ten gronde uit te spreken. Deze bepaling zou in dergelijke omstandigheden van de aangezochte rechter vereisen dat deze zich ambtshalve onbevoegd verklaart indien zijn bevoegdheid niet berust op de bepalingen van het Executieverdrag.
11 Nürnberger heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het Oberlandesgericht München. Zij stelde dat de bevoegdheidsregels van artikel 31, lid 1, CMR voorrang hebben op de algemene bevoegdheidsregels van het Executieverdrag, zelfs wanneer de verweerder zich niet uitspreekt ten gronde, maar zich beperkt tot het betwisten van de internationale bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak is aangebracht.
12 In deze omstandigheden heeft de verwijzende rechter besloten om de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
„Hebben de bevoegdheidsregels van andere verdragen ook voorrang op de algemene bevoegdheidsregels van het Executieverdrag, wanneer de verweerder met woonplaats op het grondgebied van een verdragsluitende staat bij het Executieverdrag voor een gerecht in een andere verdragsluitende staat wordt opgeroepen en zich in de aldaar aanhangige procedure niet uitspreekt ten gronde?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
13 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 57, lid 2, sub a, van het Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd dat het gerecht van een verdragsluitende staat waarvoor de verweerder met woonplaats op het grondgebied van een andere verdragsluitende staat wordt opgeroepen, zijn bevoegdheid kan steunen op een bijzonder verdrag waarbij ook de eerste staat partij is en die specifieke regels inzake de rechterlijke bevoegdheid bevat, en aldus de toepassing van het Executieverdrag kan uitsluiten, zelfs wanneer de verweerder zich in het kader van de betrokken procedure niet uitspreekt ten gronde.
14 In dit verband zij opgemerkt dat artikel 57 een uitzondering invoert op de algemene regel dat het Executieverdrag voorrang heeft boven de andere door de verdragsluitende staten gesloten verdragen inzake de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen. Deze uitzondering heeft tot doel, de in bijzondere verdragen neergelegde bevoegdheidsregels in acht te doen nemen, omdat bij de vaststelling van deze regels rekening is gehouden met de bijzondere kenmerken van de onderwerpen waarop zij betrekking hebben (zie arrest van 6 december 1994, Tatry, C‑406/92, Jurispr. blz. I‑5439, punt 24).
15 Portbridge stelt echter dat de bevoegdheidsregels van artikel 31, lid 1, CMR buiten toepassing moeten blijven, en dat in plaats daarvan het Executieverdrag van toepassing is krachtens artikel 57, lid 2, sub a, tweede zin, daarvan, volgens hetwelk het gerecht „in ieder geval artikel 20 van dit verdrag toe[past]”.
16 Er zij aan herinnerd dat artikel 20 bepaalt dat wanneer de verweerder voor een gerecht van een andere verdragsluitende staat wordt opgeroepen en niet verschijnt, de rechter zich ambtshalve onbevoegd verklaart indien zijn bevoegdheid niet berust op de bepalingen van het Executieverdrag.
17 In dit geval moet echter worden aangenomen dat de bevoegdheid van de rechter op het Executieverdrag berust, aangezien artikel 57 van dit verdrag juist bepaalt dat het de door bijzondere verdragen voorziene bevoegdheidsregels onverlet laat.
18 In deze omstandigheden moet het gerecht van een verdragsluitende staat, waarvoor de verweerder met woonplaats in een andere verdragsluitende staat wordt opgeroepen en niet verschijnt, bij het ambtshalve controleren van zijn bevoegdheid overeenkomstig voornoemd verdrag rekening houden met de bevoegdheidsregels van de bijzondere verdragen waarbij ook de eerste verdragsluitende staat partij is.
19 Dat geldt ook wanneer, zoals in dit geval, de verweerder zich niet uitspreekt ten gronde, maar de internationale bevoegdheid van het nationale gerecht waarbij de zaak is aangebracht formeel betwist.
20 Derhalve moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 57, lid 2, sub a, van het Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd dat het gerecht van een verdragsluitende staat waarvoor de verweerder met woonplaats op het grondgebied van een andere verdragsluitende staat wordt opgeroepen, zijn bevoegdheid kan steunen op een bijzonder verdrag waarbij ook de eerste staat partij is en die specifieke regels inzake de rechterlijke bevoegdheid bevat, zelfs wanneer de verweerder zich in het kader van de betrokken procedure niet uitspreekt ten gronde.
Kosten
21 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 57, lid 2, sub a, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek, het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en het Verdrag van 29 november 1996 inzake de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden, moet aldus worden uitgelegd dat het gerecht van een verdragsluitende staat waarvoor de verweerder met woonplaats op het grondgebied van een andere verdragsluitende staat wordt opgeroepen, zijn bevoegdheid kan steunen op een bijzonder verdrag waarbij ook de eerste staat partij is en die specifieke regels inzake de rechterlijke bevoegdheid bevat, zelfs wanneer de verweerder zich in het kader van de betrokken procedure niet uitspreekt ten gronde.
ondertekeningen
1 – Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy