Zaak C‑166/03
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Franse Republiek
„Niet-nakoming – Artikel 28 EG – Verhandeling van edelmetalen werken – Benamingen ,goud’ en ‚goudlegering’”
Samenvatting van het arrest
Vrij verkeer van goederen – Kwantitatieve beperkingen – Maatregelen van gelijke werking – Nationale regeling die benaming „goud” voorbehoudt aan werken met gehalte van 750 duizendsten – Ontoelaatbaarheid – Rechtvaardiging – Bescherming van consumenten – Eerlijkheid van handelstransacties – Geen
(Art. 28 EG)
Een lidstaat die de benaming „goud” voorbehoudt aan werken met een gehalte van 750 duizendsten, terwijl werken met een gehalte van 375 of 585 duizendsten de benaming „goudlegering” dragen, ofschoon zij in hun land van herkomst onder de benaming „goud” worden verhandeld, komt de krachtens artikel 28 EG op hem rustende verplichtingen niet na.
Een dergelijke regeling schrijft voor werken met de twee laagste zuiverheidgehaltes een overbodige, dubbele aanduiding voor, namelijk niet alleen de vermelding van het gehalte van het werk, maar eveneens de benaming „goudlegering”, en is daarom niet evenredig met het doel, de eerlijkheid van de handelstransacties en de bescherming van de consumenten te verzekeren, daar dit doel ook kan worden bereikt met maatregelen die het intracommunautaire handelsverkeer minder belemmeren.
(cf. punten 13‑14, 19‑21 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
8 juli 2004(1)
„Niet-nakoming – Artikel 28 EG – Verhandeling van edelmetalen werken – Benamingen ‚goud’ en ‚goudlegering’”
In zaak C-166/03,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Stromsky als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Franse Republiek, vertegenwoordigd door G. de Bergues en F. Million als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Franse Republiek, door de benaming „goud” voor te behouden aan werken met een gehalte van 750 duizendsten, terwijl werken met een gehalte van 375 of 585 duizendsten de benaming „goudlegering” dragen, de krachtens artikel 28 EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),,
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, J.-P. Puissochet, J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), R. Schintgen en N. Colneric, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: R. Grass,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 februari 2004,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 10 april 2003, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG een beroep ingesteld, strekkende tot vaststelling dat de Franse Republiek, door de benaming „goud” voor te behouden aan werken met een gehalte van 750 duizendsten, terwijl werken met een gehalte van 375 of 585 duizendsten de benaming „goudlegering” dragen, de krachtens artikel 28 EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Het rechtskader
2 Artikel 522 bis van de Code général des impôts (Algemeen wetboek van belastingen), zoals gewijzigd bij wet nr. 94-6 van 4 januari 1994 tot wijziging van de wetgeving inzake het waarborgen van edele metalen en de controlebevoegdheid van de douaneambtenaren inzake de administratieve toestand van bepaalde personen (JORF van 5 januari 1994, blz. 245; hierna: „CGI”) bepaalt:
„Alleen werken met een goudgehalte van 750 duizendsten of meer mogen bij hun verhandeling in de detailhandel voor particulieren de benaming ‚goud’ dragen.
Werken met een goudgehalte van 585 of 375 duizendsten dragen bij hun verhandeling in de detailhandel voor particulieren de benaming ‚goudlegering’, vergezeld van hun gehalte.”
De precontentieuze procedure
3 Van oordeel dat deze bepaling niet in overeenstemming was met artikel 28 EG, heeft de Commissie de niet-nakomingsprocedure van artikel 226 EG ingeleid. Na de Franse Republiek te hebben aangemaand haar opmerkingen te maken, heeft de Commissie op 19 september 2001 een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij deze lidstaat verzocht, binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving ervan de nodige maatregelen te nemen om aan dit advies te voldoen.
4 De Franse Republiek heeft bij brief van 4 februari 2002 verklaard dat artikel 522 bis CGI noodzakelijk was voor de vereiste bescherming van de consumenten en de eerlijkheid van de handelstransacties en de Commissie verzocht, haar oordeel te herzien. De Commissie heeft besloten, het onderhavige beroep in te stellen.
Het beroep
Argumenten van partijen
5 De Commissie betoogt dat artikel 522 bis CGI verbiedt dat werken met een goudgehalte van 585 of 375 duizendsten in Frankrijk onder de benaming „goud” worden verhandeld, ook al mogen deze in hun lidstaat van herkomst wel die benaming dragen, en voor die werken een andere benaming voorschrijft, namelijk „goudlegering”, die bij de consument minder bekend is en door hem minder wordt gewaardeerd. Deze bepaling kan de verhandeling van die werken in Frankrijk moeilijker maken en dus, althans indirect, de handel tussen de lidstaten belemmeren. Indien de omstreden benamingsregels niet gerechtvaardigd kunnen worden door een doel van algemeen belang, vormen zij dus door artikel 28 EG verboden maatregelen van gelijke werking.
6 Volgens de Commissie zijn deze regels niet noodzakelijk om de bescherming van de consumenten of de eerlijkheid van de handelstransacties te waarborgen en zijn zij niet gerechtvaardigd uit hoofde van artikel 28 EG. Het volstaat immers dat de lidstaten een adequate etikettering voorschrijven die juiste informatie bevat over het werkelijke goudgehalte van de verschillende ter verkoop aangeboden werken.
7 De Franse regering betwist de stelling dat het bestaan van twee categorieën werken een merkbare invloed heeft op het intracommunautaire handelsverkeer. Door niet aan te tonen dat er sprake is van gevolgen voor het intracommunautaire handelsverkeer, heeft de Commissie niet voldaan aan de bewijslast die in het kader van een beroep wegens niet-nakoming op haar rust.
8 Volgens de Franse regering is het bestaan van twee benamingen, „goud” en „goudlegering”, voor twee soorten werken waarvan het goudgehalte aanzienlijk verschilt, ingegeven door de wens de consument te informeren teneinde hem te beschermen. Het betreft hier een doel van algemeen belang dat een maatregel betreffende de benaming van werken kan rechtvaardigen, gelet op de vereisten van artikel 28 EG.
9 Het stelsel van dubbele benaming zorgt overigens voor een betere informatie van de consument dan het de Commissie voorgestelde stelsel, namelijk een etikettering die alleen het goudgehalte van de werken aangeeft. Laatstgenoemd stelsel geeft de consumenten een technische basisinformatie, terwijl de dubbele benaming verder gaat dan dat, door hun een gemakkelijk te begrijpen uitleg over de kwaliteit van de betrokken producten te geven.
10 In deze omstandigheden stelt de Franse regering zich op het standpunt dat het uit artikel 522 bis CGI voortvloeiende benamingstelsel niet in strijd is met artikel 28 EG.
Beoordeling door het Hof
11 Volgens vaste rechtspraak moet elke maatregel die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren, worden aangemerkt als een maatregel van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen, die uit dien hoofde door artikel 28 EG is verboden (zie arresten van 11 juli 1974, Dassonville, 8/74, Jurispr. blz. 837, punt 5, en 11 december 2003, Deutscher Apothekerverband, C‑322/01, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 66).
12 De Commissie stelt, zonder door de Franse regering te zijn weersproken, dat werken met een goudgehalte van 375 of 585 duizendsten in andere lidstaten dan Frankrijk legaal worden verhandeld onder de benaming „goud”.
13 Vaststaat dat de benaming „goudlegering” voor consumenten minder aantrekkelijk is dan de benaming „goud”.
14 De bij artikel 522 bis CGI opgelegde verplichting om dergelijke werken onder de benaming „goudlegering” te verkopen, terwijl deze in hun land van herkomst onder de benaming „goud” worden verhandeld, kan onder dergelijke omstandigheden de handel tussen de lidstaten belemmeren.
15 Hieruit volgt dat deze bepaling van de CGI als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 28 EG moet worden aangemerkt, zonder dat het bewijs behoeft te worden geleverd dat zij een merkbaar gevolg voor het intracommunautaire handelsverkeer heeft gehad.
16 Met betrekking tot de vraag of een dergelijke bepaling niettemin uit hoofde van het gemeenschapsrecht gerechtvaardigd kan zijn, zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof een bij gebreke van gemeenschappelijke of geharmoniseerde regels vastgestelde nationale regeling die gelijkelijk van toepassing is op nationale en uit andere lidstaten ingevoerde producten, verenigbaar kan zijn met het Verdrag, voorzover zij noodzakelijk is om te voldoen aan dwingende vereisten, onder meer verband houdend met de eerlijkheid van de handelstransacties en met de bescherming van de consumenten, voorzover zij evenredig is aan het daarmee beoogde doel en voorzover dit doel niet kan worden bereikt met maatregelen die het intracommunautaire handelsverkeer minder belemmeren (zie arrest van 5 december 2000, Guimont, C‑448/98, Jurispr. blz. I‑10663, punt 27).
17 Vaststaat dat de gehaltes die moeten worden gebruikt om het aandeel edele metalen in de werken aan te geven en de wijze waarop deze moeten worden aangegeven, bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht niet zijn geharmoniseerd. Vaststaat eveneens dat artikel 522 bis CGI gelijkelijk van toepassing is op Franse producten en op uit andere lidstaten ingevoerde producten.
18 Voorts moet worden erkend dat de betrokken bepaling van de CGI de eerlijkheid van de handelstransacties en de bescherming van de consumenten beoogt te verzekeren.
19 De omstreden regeling schrijft evenwel voor werken met de twee laagste zuiverheidgehaltes die in de detailhandel voor particulieren worden verhandeld, een overbodige, dubbele aanduiding voor, aangezien zij niet alleen bepaalt dat het gehalte van het werk moet worden vermeld, hetgeen een objectieve informatie over de zuiverheidgraad ervan is, maar eveneens dat de benaming „goudlegering” moet worden gebruikt, hetgeen een veel onnauwkeuriger informatie over hetzelfde aspect vormt.
20 Hieruit volgt dat het in artikel 522 bis CGI bepaalde stelsel van dubbele aanduiding niet evenredig is met het doel, de eerlijkheid van de handelstransacties en de bescherming van de consumenten te verzekeren, en dat dit doel kan worden bereikt met maatregelen die het intracommunautaire handelsverkeer minder belemmeren.
21 Derhalve moet worden vastgesteld dat de Franse Republiek, door de benaming „goud” voor te behouden aan werken met een gehalte van 750 duizendsten, terwijl werken met een gehalte van 375 of 585 duizendsten de benaming „goudlegering” dragen, de krachtens artikel 28 EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
22 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door de benaming „goud” voor te behouden aan werken met een gehalte van 750 duizendsten, terwijl werken met een gehalte van 375 of 585 duizendsten de benaming „goudlegering” dragen, is de Franse Republiek de krachtens artikel 28 EG op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.
Timmermans
Puissochet
Cunha Rodrigues
Schintgen
Colneric
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 8 juli 2004.
De griffier
De president van de Tweede kamer
R. Grass
C. W. A. Timmermans
1 – Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy