Zaak C‑178/03
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Europees Parlement
en
Raad van de Europese Unie
„Beroep tot nietigverklaring – Verordening (EG) nr. 304/2003 van Europees Parlement en Raad van 28 januari 2003 betreffende in‑ en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen – Keuze van rechtsgrondslag – Artikelen 133 EG en 175 EG”
Conclusie van advocaat-generaal J. Kokott van 26 mei 2005
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 10 januari 2006
Samenvatting van het arrest
1. Handelingen van de instellingen – Keuze van rechtsgrondslag – Criteria – Gemeenschapshandeling met tweeledig doel of met twee componenten
2. Milieu – Gemeenschappelijke handelspolitiek – Verordening betreffende in‑ en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen
(Art. 133 EG et 175, lid 1, EG; verordening nr. 304/2003 van het Europees Parlement en de Raad)
3. Beroep tot nietigverklaring – Arrest houdende nietigverklaring – Gevolgen – Beperking door Hof
(Art. 231, tweede alinea, EG; verordening nr. 304 van het Europees Parlement en de Raad)
1. De keuze van de rechtsgrondslag voor een gemeenschapshandeling moet berusten op objectieve gegevens die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn. Tot die gegevens behoren met name het doel en de inhoud van de handeling.
Indien na onderzoek van een gemeenschapshandeling blijkt dat zij een tweeledig doel heeft of dat er sprake is van twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoel of overwegende component, terwijl het andere doel of de andere component slechts ondergeschikt is, moet de handeling op één rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is gelet op het hoofddoel of de overwegende component. Indien echter wordt aangetoond dat een handeling tegelijkertijd meerdere doelstellingen of componenten heeft die onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn, zonder dat de ene secundair en indirect is ten opzichte van de andere, zal die handeling bij wijze van uitzondering op de verschillende desbetreffende rechtsgrondslagen moeten worden gebaseerd. Het gebruik van een dubbele rechtsgrondslag is evenwel uitgesloten wanneer de procedures welke voor de twee rechtsgrondslagen zijn voorgeschreven, onverenigbaar zijn en/of wanneer de cumulatie van rechtsgrondslagen de rechten van het Parlement aantast.
(cf. punten 41‑43, 57)
2. Verordening nr. 304/2003 betreffende de in‑ en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen bevat, zowel wat de door de auteurs nagestreefde doelstellingen als de inhoud ervan betreft, twee onverbrekelijk met elkaar verbonden componenten, zonder dat de ene als secundair of indirect ten opzichte van de andere kan worden beschouwd, waarvan de ene onder de gemeenschappelijke handelspolitiek en de andere onder de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu valt.
In de eerste plaats bevat het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande [geïnformeerde] toestemming ten aanzien van bepaalde [gevaarlijke] chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel, waarvan de uitvoering het hoofddoel van verordening nr. 304/2003 is, namelijk twee componenten – regulering van het handelsverkeer en bescherming van de menselijke gezondheid en van het milieu – die zo nauw met elkaar verbonden zijn dat het besluit inzake de sluiting van dit verdrag namens de Gemeenschap moest worden gebaseerd op de artikelen 133 EG en 175, lid 1, EG. De omstandigheid dat een of meer bepalingen van het Verdrag als rechtsgrondslag voor de sluiting van een internationale overeenkomst zijn gekozen, bewijst op zich weliswaar nog niet dat deze bepalingen ook als rechtsgrondslag moeten worden gekozen voor de vaststelling van handelingen die deze overeenkomst op gemeenschapsniveau beogen uit te voeren. In dit geval dienen het besluit inzake de sluiting van het Verdrag van Rotterdam namens de Gemeenschap en de verordening die dit verdrag op gemeenschapsniveau uitvoert, evenwel hoe dan ook dezelfde rechtsgrondslagen te hebben, gelet op de duidelijke overeenstemming tussen de bepalingen van deze twee handelingen, waarin zowel het streven tot uiting komt om het handelsverkeer van gevaarlijke chemische stoffen te regelen, als dat om een verantwoord beheer van deze stoffen te verzekeren en/of de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van de handel in deze stoffen.
In de tweede plaats leverden de bepalingen van verordening nr. 304/2003 die een ruimere werkingssfeer hebben dan het Verdrag van Rotterdam, een meer dan toereikende rechtvaardiging op voor een beroep op artikel 133, EG, naast een beroep op artikel 175, lid 1, EG.
Verordening nr. 304/2003 diende derhalve te worden gebaseerd op de twee desbetreffende rechtsgrondslagen, te weten, in het onderhavige geval, de artikelen 133 EG en 175, lid 1, EG.
In dit verband zij opgemerkt dat een beroep op zowel artikel 133 EG als artikel 175, lid 1, EG niet is uitgesloten omdat de procedures die voor de twee rechtsgrondslagen zijn voorgeschreven, onverenigbaar zouden zijn, daar het feit dat ook voor artikel 133 EG werd gekozen, in casu geen invloed kan hebben op de binnen de Raad geldende regels voor de stemming, daar artikel 133, lid 4, EG evenals artikel 175, lid 1, EG bepaalt dat de Raad bij de uitoefening van de hem bij eerstgenoemd artikel verleende bevoegdheden besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen. Voorts doet een beroep op zowel artikel 133 EG als artikel 175, lid 1, EG evenmin afbreuk aan de rechten van het Parlement, nu het eerste van deze twee artikelen weliswaar niet formeel de medewerking van deze instelling bij de vaststelling van een handeling als de onderhavige voorschrijft, doch het tweede artikel het Parlement de mogelijkheid biedt om de handeling volgens de medebeslissingsprocedure vast te stellen.
Verordening nr. 304/2003 moet bijgevolg nietig worden verklaard voorzover zij uitsluitend op artikel 175, lid 1, EG is gebaseerd.
(cf. punten 44‑47, 50, 56‑60)
3. Sinds de inwerkingtreding van verordening nr. 304/2003 betreffende de in‑ en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen wordt het handelsverkeer van deze stoffen door deze verordening geregeld en heeft de Commissie op grond van deze verordening verschillende communautaire invoerbesluiten met betrekking tot bepaalde chemische stoffen genomen. Gelet op een en ander en in het bijzonder om te vermijden dat na de nietigverklaring van deze verordening rechtsonzekerheid ontstaat over de regeling die op het handelsverkeer van deze stoffen van toepassing is, moeten de gevolgen ervan door het Hof worden gehandhaafd totdat binnen een redelijke termijn een nieuwe verordening is vastgesteld die op de passende rechtsgrondslagen is gebaseerd.
(cf. punten 62, 64‑65)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
10 januari 2006 (*)
„Beroep tot nietigverklaring – Verordening (EG) nr. 304/2003 van Europees Parlement en Raad van 28 januari 2003 betreffende in‑ en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen – Keuze van rechtsgrondslag – Artikelen 133 EG en 175 EG”
In zaak C‑178/03,
betreffende een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG, ingesteld op 24 april 2003,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. zur Hausen, L. Ström van Lier en E. Righini als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Europees Parlement, aanvankelijk vertegenwoordigd door C. Pennera en M. Moore, vervolgens door M. Moore en K. Bradley als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
Raad van de Europese Unie, aanvankelijk vertegenwoordigd door B. Hoff-Nielsen en M. Sims-Robertson, vervolgens door M. Sims-Robertson en K. Michoel als gemachtigden,
verweerders,
ondersteund door:
Franse Republiek, vertegenwoordigd door G. de Bergues, F. Alabrune en E. Puisais als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
Republiek Finland, vertegenwoordigd door T. Pynnä als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door R. Caudwell als gemachtigde, bijgestaan door A. Dashwood, barrister, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënten,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans (rapporteur), kamerpresident, J. Makarczyk, C. Gulmann, P. Kūris en J. Klučka, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 april 2005,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 mei 2005,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt om nietigverklaring van verordening (EG) nr. 304/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende de in‑ en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen (PB L 63, blz. 1; hierna: „bestreden verordening”), voorzover deze is gebaseerd op artikel 175, lid 1, EG en niet op artikel 133 EG.
2 In dit verband staat vast dat de Commissie het laatstgenoemde artikel als rechtsgrondslag had gekozen in haar op 24 januari 2002 ingediende voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de in‑ en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen (PB C 126 E, blz. 291). Na de facultatieve raadpleging van het Europees Parlement krachtens artikel 133 EG heeft de Raad van de Europese Unie met eenparigheid van stemmen besloten dit voorstel niet te volgen en artikel 133 EG te vervangen door artikel 175, lid 1, EG, dat de enige rechtsgrondslag is van de bestreden verordening, die door het Parlement en de Raad tezamen is vastgesteld volgens de procedure van artikel 251 EG.
Toepasselijke bepalingen
3 Zoals met name blijkt uit de eerste vier punten van de considerans heeft de bestreden verordening een dubbel doel. Ten eerste geeft zij uitvoering aan de voorschriften van het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel (hierna: „Verdrag van Rotterdam”) – dat op 11 september 1998 door de Europese Gemeenschap is ondertekend, en namens haar bij besluit 2003/106/EG van de Raad van 19 december 2002 (PB 2003, L 63, blz. 27) is goedgekeurd – zonder evenwel het niveau van bescherming af te zwakken dat aan de bevolking en het milieu van invoerende landen wordt geboden uit hoofde van verordening (EEG) nr. 2455/92 van de Raad van 23 juli 1992 betreffende de in‑ en uitvoer van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen (PB L 251, blz. 13), die bij de bestreden verordening wordt ingetrokken en vervangen. Ten tweede gaat zij in sommige opzichten verder dan de bepalingen van het Verdrag van Rotterdam, waarbij in punt 4 van de considerans van deze verordening in deze context uitdrukkelijk artikel 15, lid 4, van dit verdrag wordt vermeld, dat de verdragsluitende partijen het recht geeft om onder bepaalde voorwaarden maatregelen te treffen die de gezondheid van de mens en het milieu een stringentere bescherming bieden dan op grond van dit verdrag vereist is.
4 Vanuit dit oogpunt bepaalt artikel 1, lid 1, van de bestreden verordening:
„Deze verordening heeft tot doel:
a) uitvoering te geven aan het Verdrag van Rotterdam [...]
b) gedeelde verantwoordelijkheid en gezamenlijke inspanningen bij de internationale activiteiten met gevaarlijke chemische stoffen te bevorderen ter bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu tegen mogelijke schade, en
c) bij te dragen aan een milieuverantwoord gebruik van deze stoffen.
Deze doelstellingen worden verwezenlijkt door de uitwisseling van informatie over de kenmerken van deze chemische stoffen te vergemakkelijken, door een besluitvormingsproces binnen de Gemeenschap voor de in‑ en uitvoer vast te stellen en door de genomen beslissingen onder de partijen en andere landen te verspreiden.”
5 Uit artikel 1, lid 2, van deze verordening komt verder naar voren dat zij tevens tot doel heeft ervoor te zorgen dat de bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van voor mens en milieu gevaarlijke chemische stoffen in richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen, zoals gewijzigd, en in richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten, zoals gewijzigd, die gelden wanneer deze stoffen in de Gemeenschap op de markt worden gebracht, ook gelden wanneer zij vanuit de lidstaten naar andere partijen of andere landen worden uitgevoerd, tenzij deze bepalingen strijdig zijn met specifieke voorschriften van die partijen of andere landen.
6 Luidens artikel 2, lid 1, betreffende de werkingssfeer van deze verordening, is zij van toepassing op:
„a) bepaalde gevaarlijke chemische stoffen die zijn onderworpen aan de procedure van voorafgaande geïnformeerde toestemming (hierna: ‚PIC-procedure’) uit hoofde van het Verdrag van Rotterdam;
b) bepaalde gevaarlijke chemische stoffen die binnen de Gemeenschap of een lidstaat verboden of aan strenge beperkingen onderworpen zijn, en
c) alle chemische stoffen bij uitvoer, voorzover het de indeling, de verpakking en het kenmerken ervan betreft”.
7 De precieze betekenis van deze woorden staat in artikel 3 van de bestreden verordening, waarin grotendeels de definities van artikel 2 van het Verdrag van Rotterdam worden overgenomen. Dat geldt met name voor de begrippen „verboden”, „aan strenge beperkingen onderworpen” of „chemische stoffen”, die slaan op chemische stoffen waarvan ter bescherming van de gezondheid van de mens of het milieu „alle” dan wel „nagenoeg alle” toepassingen op grond van definitieve regelgeving door de Gemeenschap of een lidstaat zijn verboden. Dat geldt ook voor het begrip „zeer gevaarlijke bestrijdingsmiddelformulering”, dat staat voor „een voor gebruik als bestrijdingsmiddel geformuleerde chemische stof die ernstige gevolgen voor de gezondheid of het milieu heeft, die, na eenmalige of herhaalde blootstelling bij gebruik, op korte termijn kunnen worden geconstateerd” (artikel 3, sub 9 tot en met 11 en 15). De PIC-procedure wordt in artikel 3, sub 14, omschreven als „procedure van voorafgaande geïnformeerde toestemming zoals vastgesteld in het Verdrag van Rotterdam”.
8 Artikel 5 van de bestreden verordening preciseert hoe de Gemeenschap aan het Verdrag van Rotterdam deelneemt; in de eerste alinea wordt met name bepaald dat deze deelneming „een gedeelde verantwoordelijkheid is van de Commissie en de lidstaten, met name voor technische bijstand, de uitwisseling van informatie en aangelegenheden in verband met de regeling van geschillen, deelneming in ondersteunende organen, en stemmingen”. Wat de administratieve functies van het Verdrag van Rotterdam in verband met de PIC-procedure en de kennisgeving van uitvoer betreft, volgt uit dit artikel 5, tweede alinea, dat zij door de Commissie als gemeenschappelijk aangewezen autoriteit namens alle door de lidstaten aangewezen nationale instanties en in nauwe samenwerking met deze instanties worden uitgeoefend. Wat dit aangaat, is de Commissie in het bijzonder bevoegd om communautaire kennisgevingen van uitvoer aan partijen bij het Verdrag van Rotterdam en andere landen door te zenden overeenkomstig artikel 7 van de bestreden verordening en om informatie en kennisgevingen van de door het Verdrag van Rotterdam bedoelde definitieve regelgevingsmaatregelen over te leggen of te ontvangen. Luidens artikel 5, derde alinea, laatste volzin, van deze verordening verstrekt de Commissie aan het door het Verdrag van Rotterdam ingestelde secretariaat tevens „communautaire antwoorden inzake de invoer voor chemische stoffen die ingevolge artikel 12 onder de PIC-procedure vallen”.
9 Zoals blijkt uit artikel 6, leden 1 en 2, van de bestreden verordening, worden de chemische stoffen die onder de materiële werkingssfeer van deze verordening vallen, vermeld in bijlage I daarbij en worden zij, naargelang het deel van deze bijlage waarin zij zijn opgenomen, aan een verschillende regeling onderworpen, met dien verstande echter dat bepaalde stoffen in meerdere delen van deze bijlage kunnen voorkomen en bijgevolg onder verschillende regelingen kunnen vallen. Luidens lid 2 van dit artikel moet voor de in deel 1 van deze bijlage opgenomen chemische stoffen een kennisgeving van uitvoer worden gedaan die bepaalde, in bijlage III bij de bestreden verordening vermelde inlichtingen bevat die met name betrekking heeft op de uit te voeren stof, de identiteit, de fysisch-chemische, toxicologische en ecotoxicologische eigenschappen, alsmede de voorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen bij toepassing ervan. De in deel 2 van bijlage I bij deze verordening genoemde stoffen, die bijzondere risico’s voor de menselijke gezondheid of het milieu inhouden, zijn niet alleen onderworpen aan de procedure voor kennisgeving van uitvoer uit hoofde van artikel 7 van de bestreden verordening, maar komen ook in aanmerking voor de procedure voor PIC-kennisgeving van artikel 10 van deze verordening. De in deel 3 van deze bijlage I opgenomen stoffen komen globaal overeen met de stoffen in bijlage III bij het Verdrag van Rotterdam en zijn uit dien hoofde aan de eigenlijke PIC-procedure onderworpen. De bijzondere verplichtingen met betrekking tot de invoer en de uitvoer van de laatstgenoemde stoffen worden in de artikelen 12 en 13 van de bestreden verordening nader omschreven.
10 Artikel 7 van de bestreden verordening dat, zoals hiervoor gezegd, betrekking heeft op de procedure voor kennisgeving van uitvoer, bepaalt in wezen dat, wanneer een in bijlage I, deel 1, bij deze verordening opgenomen chemische stof door een exporteur uit de Gemeenschap naar een verdragspartij of een ander land moet worden uitgevoerd, de exporteur de aangewezen nationale instantie van de lidstaat waarin hij is gevestigd, daarvan in kennis stelt. Nadat deze instantie heeft gecontroleerd of deze informatie aan de vereisten van bijlage III bij deze verordening voldoet, zendt zij de ontvangen kennisgeving aan de Commissie, die alle nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat aan de bevoegde instanties van de invoerende partij of het invoerende land van de uitvoer kennis wordt gegeven alvorens die plaatsvindt, en registreert zij deze kennisgeving in een voor het publiek toegankelijke databank.
11 Artikel 7, lid 3, van de bestreden verordening preciseert dat door de exporteur een nieuwe kennisgeving van uitvoer moet worden gedaan voor uitvoer die plaatsvindt nadat de communautaire wetgeving betreffende het in de handel brengen, het gebruik of het kenmerken van de betrokken stoffen is gewijzigd of wanneer de samenstelling van het betrokken preparaat is veranderd zodat het kenmerken van dat preparaat een wijziging ondergaat. Volgens lid 4 van dit artikel kan van de hierboven beschreven procedure voor kennisgeving evenwel ontheffing worden verleend „wanneer de uitvoer van een chemische stof geschiedt in verband met een noodsituatie waarin uitstel gevaarlijk kan zijn voor de volksgezondheid of het milieu op het grondgebied van de invoerende partij of het invoerende [...] land”.
12 Verder komen luidens artikel 7, lid 5, van de bestreden verordening de verplichtingen in het kader van de procedure voor kennisgeving van uitvoer te vervallen wanneer de chemische stof een aan de PIC-procedure onderworpen chemische stof is geworden, het invoerende land partij bij het Verdrag van Rotterdam is en het secretariaat overeenkomstig artikel 10, lid 2, van dit verdrag heeft meegedeeld of het de invoer van de chemische stof al dan niet toestaat, en de Commissie deze informatie van het secretariaat heeft ontvangen en naar de lidstaten heeft doorgezonden. In de tweede alinea van dit lid 5 wordt echter gepreciseerd dat zulks niet geldt „wanneer het invoerende land partij bij het Verdrag van Rotterdam is en expliciet continuering van de kennisgeving van uitvoer door uitvoerende partijen vereist [...]”.
13 Soortgelijke verplichtingen als die van artikel 7 van de bestreden verordening zijn in artikel 8 van deze verordening opgenomen voor de invoer in de Gemeenschap van chemische stoffen die door een andere partij bij het Verdrag van Rotterdam of een ander land zijn verboden of aan strenge beperkingen onderworpen, terwijl artikel 9 van deze verordening de importeurs en exporteurs van in bijlage I daarbij opgenomen chemische stoffen uitnodigt, de nationale instanties van de lidstaat waarin zij zijn gevestigd, elk jaar in kennis te stellen van de hoeveelheid chemische stoffen die in het voorgaande jaar is in‑ of uitgevoerd. Op basis van de aldus verzamelde gegevens moeten de lidstaten geaggregeerde informatie verstrekken aan de Commissie, die deze informatie eerst op communautair niveau samenvat en de niet-vertrouwelijke informatie vervolgens ter beschikking stelt van het publiek.
14 Artikel 10, leden 1 en 2, van de bestreden verordening bepaalt dat de Commissie het secretariaat in kennis stelt van chemische stoffen die voor PIC-kennisgeving in aanmerking komen, en naarmate meer chemische stoffen daarvoor in aanmerking komen en aan bijlage I, deel 2, bij deze verordening worden toegevoegd, het secretariaat hierover informeert. Deze kennisgeving moet zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de desbetreffende definitieve regelgeving van de Gemeenschap waarbij de chemische stof wordt verboden of aan strenge beperkingen wordt onderworpen, worden ingediend en moet alle overeenkomstig bijlage II bij deze verordening vereiste informatie bevatten, met name over de fysisch-chemische, toxicologische en ecotoxicologische eigenschappen van deze stof alsmede over de gevaren en de risico’s die zij inhoudt voor de gezondheid van de mens of het milieu.
15 Volgens artikel 10, lid 6, van de bestreden verordening dient verder de Commissie de door haar van het secretariaat ontvangen informatie over chemische stoffen die andere partijen als verboden of aan strenge beperkingen onderworpen hebben aangemeld, onmiddellijk door te zenden aan de lidstaten en „in nauwe samenwerking met de lidstaten, de noodzaak [te beoordelen] om op communautair niveau maatregelen voor te stellen om onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid van de mens en het milieu binnen de Gemeenschap te voorkomen”.
16 Zoals in punt 9 supra is opgemerkt, betreffen de artikelen 12 en 13 van de bestreden verordening meer bepaald de in deel 3 van bijlage I daarbij genoemde stoffen waarvoor de PIC-procedure geldt. Deze artikelen komen overeen met de artikelen 10 en 11 van het Verdrag van Rotterdam en noemen de andere verplichtingen met betrekking tot de invoer en de uitvoer van chemische stoffen dan de kennisgeving.
17 Met betrekking tot de invoer van verboden of aan strenge beperkingen onderworpen chemische stoffen bepaalt artikel 12, lid 1, van de bestreden verordening, dat de Commissie een van het secretariaat ontvangen leidraad voor besluiten betreffende de opneming van een nieuwe chemische stof in bijlage III bij het Verdrag van Rotterdam onmiddellijk doorzendt naar de lidstaten. De Commissie neemt vervolgens een definitief of voorlopig besluit namens de Gemeenschap ten aanzien van de toekomstige invoer in de Gemeenschap van de betrokken chemische stof „overeenkomstig bestaande communautaire wetgeving”. Dit besluit, in de vorm van een – eventueel voorwaardelijke – toestemming voor dan wel een verbod van invoer, wordt volgens dit artikel 12, leden 1 en 4, samen met een beschrijving van de wettelijke of bestuursrechtelijke maatregel waarop het is gebaseerd, meegedeeld aan het secretariaat.
18 Met betrekking tot een chemische stof die ingevolge de wetgeving van één of meer lidstaten verboden of aan strenge beperkingen onderworpen is, verplicht artikel 12, lid 2, van de bestreden verordening de Commissie, bij haar invoerbesluit voor die stof met die informatie rekening te houden, indien de betrokken staat of staten daarom schriftelijk verzoeken, terwijl artikel 12, lid 6, net als artikel 10, lid 6, van deze verordening de Commissie tevens uitnodigt om „in nauwe samenwerking met de lidstaten en rekening houdend met de in de leidraad voor besluiten vervatte informatie, de noodzaak [te beoordelen] om op communautair niveau maatregelen voor te stellen om onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid van de mens en het milieu binnen de Gemeenschap te voorkomen”.
19 Artikel 13 van de bestreden verordening, betreffende de uitvoer van verboden of aan strenge beperkingen onderworpen chemische stoffen, bevat verschillende voorschriften die de naleving van de besluiten van de andere partijen bij het Verdrag van Rotterdam en van de andere landen ten aanzien van de invoer van deze stoffen op hun grondgebied beogen te verzekeren. Zo verplicht het de Commissie om aan de lidstaten en Europese industriefederaties onverwijld door haar met name in de vorm van circulaires van het secretariaat ontvangen informatie over aan de PIC-procedure onderworpen chemische stoffen toe te zenden, alsook de besluiten van invoerende partijen betreffende de voorwaarden voor de invoer van deze chemische stoffen (artikel 13, lid 1), en verplicht het de lidstaten om deze door de Commissie toegezonden reacties mee te delen aan alle belanghebbenden in hun rechtsgebied (artikel 13, lid 3). Artikel 13, lid 4, preciseert dat de exporteurs „uiterlijk zes maanden na de datum waarop het secretariaat de Commissie [...] voor het eerst van de reactie op de hoogte heeft gebracht” moeten voldoen aan de in elke reactie vervatte besluiten.
20 Lid 6 van dit artikel luidt:
„In bijlage I, deel 2 of deel 3, vermelde chemische stoffen mogen niet worden uitgevoerd, tenzij:
a) de exporteur via zijn aangewezen nationale instantie en de aangewezen nationale instantie van de invoerende partij of een bevoegde instantie in een invoerend ander land om uitdrukkelijke toestemming voor de invoer heeft gevraagd en deze heeft verkregen, of
b) in het geval van chemische stoffen die in bijlage I, deel 3, [zijn] opgenomen, uit de meest recente overeenkomstig lid 1 door het secretariaat uitgegeven circulaire blijkt dat de invoerende partij met de invoer heeft ingestemd.”
21 Vanuit hetzelfde oogpunt bepaalt artikel 13, lid 7, van de bestreden verordening:
„Een chemische stof mag niet op een later tijdstip dan zes maanden vóór de uiterste gebruiksdatum – zo deze expliciet wordt aangegeven, dan wel van de productiedatum kan worden afgeleid – worden uitgevoerd, tenzij de intrinsieke eigenschappen van de chemische stof dit onuitvoerbaar maken. Met name in het geval van bestrijdingsmiddelen zorgen de exporteurs ervoor dat omvang en verpakking van houders van bestrijdingsmiddelen zijn geoptimaliseerd om aldus de risico’s van het ontstaan van verouderde voorraden tot een minimum te beperken.”
22 Ten slotte luidt artikel 13, lid 8:
„Bij de uitvoer van bestrijdingsmiddelen zien de exporteurs erop toe dat het etiket specifieke informatie bevat over opslagomstandigheden en de stabiliteit bij opslag in de klimaatsomstandigheden van de invoerende partij of het invoerende andere land. Bovendien zien zij erop toe dat de uitgevoerde bestrijdingsmiddelen voldoen aan de desbetreffende zuiverheidsspecificatie van de communautaire wetgeving.”
23 Artikel 14 van de bestreden verordening heeft betrekking op de bijzondere situatie van artikelen die de in bijlage I, deel 2 of deel 3, bij deze verordening genoemde chemische stoffen bevatten – welke artikelen volgens artikel 14, lid 1, aan de procedure voor kennisgeving van uitvoer van artikel 7 worden onderworpen – en op de situatie van chemische stoffen waarvan de gevolgen voor de menselijke gezondheid of het milieu bijzonder verontrustend zijn – voor welke producten volgens dit artikel 14, lid 2, een volledig uitvoerverbod geldt. De artikelen 15 en 16 van deze verordening betreffen onderscheidenlijk informatie over transitovervoer en informatie die bij uitgevoerde chemische stoffen moet worden gevoegd. De laatstgenoemde stoffen zijn onderworpen aan de door de relevante communautaire bepalingen vastgestelde voorschriften inzake het verpakken en kenmerken, alsmede aan de eventuele verplichting om de uiterste gebruiksdatum en de productiedatum op het etiket te vermelden (artikel 16, leden 1 en 2). Artikel 16, lid 3, van de bestreden verordening bepaalt verder, dat de exporteur aan elke importeur van de in lid 1 van dit artikel bedoelde chemische stoffen een veiligheidsinformatieblad toezendt dat voldoet aan richtlijn 91/155/EEG van de Commissie van 5 maart 1991 houdende beschrijving en vaststelling van de wijze van uitvoering voor het systeem voor specifieke informatie inzake gevaarlijke preparaten krachtens artikel 10 van richtlijn 88/379/EEG van de Raad (PB L 76, blz. 35).
24 De laatste artikelen van de bestreden verordening betreffen respectievelijk de verplichtingen van de autoriteiten van de lidstaten inzake de controle op in‑ en uitvoer (artikel 17), de vaststelling door de lidstaten van sancties die van toepassing zijn bij schending van de bepalingen van deze verordening, en die „doeltreffend, evenredig en afschrikkend” moeten zijn (artikel 18), de periodieke toezending van informatie over de werking van de krachtens deze verordening ingevoerde procedures door de lidstaten aan de Commissie en de opstelling van een samenvattend verslag door de Commissie (artikel 21), de bijwerking van de bijlagen bij de bestreden verordening „op basis van de ontwikkelingen op het gebied van de communautaire wetgeving en van het Verdrag van Rotterdam” (artikel 22) en de opstelling door de Commissie van technische richtsnoeren om de dagelijkse toepassing van deze verordening te vergemakkelijken (artikel 23). De artikelen 19 en 20 van deze verordening spreken in bewoordingen die sterk lijken op die van de artikelen 14 en 16 van het Verdrag van Rotterdam, over de noodzaak om informatie uit te wisselen en technische bijstand te verlenen, in het bijzonder aan ontwikkelingslanden en landen met een overgangseconomie.
Conclusies van partijen
25 De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
– de bestreden verordening nietig te verklaren;
– te verklaren dat de gevolgen van deze verordening moeten worden gehandhaafd tot de Raad een nieuwe verordening vaststelt, en
– het Parlement en de Raad te verwijzen in de kosten.
26 Het Parlement en de Raad verzoeken het Hof, dit beroep ongegrond te verklaren en verzoekster te verwijzen in de kosten.
27 Bij beschikking van de president van het Hof van 15 september 2003 zijn de Franse Republiek, de Republiek Finland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland in de onderhavige zaak toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van het Parlement en de Raad.
Het beroep
Argumenten van partijen
28 Tot staving van haar beroep voert de Commissie één middel aan: schending van het EG-Verdrag doordat een onjuiste rechtsgrondslag is gekozen. Voorzover immers de bestreden verordening een instrument is dat hoofdzakelijk de internationale handel in bepaalde gevaarlijke chemische stoffen beoogt te regelen, valt zij onder de gemeenschappelijke handelspolitiek en niet onder het communautair milieubeleid. Zij had dan ook moeten worden vastgesteld in de vorm van een op artikel 133 EG gebaseerde verordening van de Raad en niet in de vorm van een op artikel 175, lid 1, EG gebaseerde verordening van het Parlement en de Raad. Volgens de Commissie vloeit deze conclusie voort uit de tekst van de considerans van de bestreden verordening, waarin de auteurs de doelstellingen ervan hebben uiteengezet, alsook uit de inhoud van deze verordening.
29 Wat in de eerste plaats de doelstellingen van deze verordening betreft, betoogt de Commissie dat deze onmiddellijk uit de titel daarvan kunnen worden afgeleid, omdat daarin wordt gesproken over de „in‑ en uitvoer” van gevaarlijke chemische stoffen. Het gebruik van deze woorden alsmede de in punt 3 van de considerans van deze verordening uitgedrukte wil om het Verdrag van Rotterdam uit te voeren zonder op enigerlei wijze de werking van de bestaande communautaire regelgeving voor de uitvoer en de invoer van gevaarlijke chemische stoffen af te zwakken, tonen duidelijk het overwegend commerciële doel van deze verordening aan, namelijk het handelsverkeer van dergelijke stoffen tussen de Gemeenschap en derde landen te regelen.
30 Artikel 1 van de bestreden verordening, waarin de door de auteurs ervan nagestreefde doelstellingen zijn neergelegd, vormt overigens de rechtstreekse weerslag van dit streven, daar luidens lid 1, sub a, van dit artikel de bestreden verordening tot doel heeft „uitvoering te geven aan het Verdrag van Rotterdam”. Volgens de Commissie behoort dit verdrag nu juist tot het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek omdat het betrekking heeft op de procedure van voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel. In artikel 1, lid 1, sub b en c, van deze verordening worden de in artikel 1 van het Verdrag van Rotterdam vastgelegde doelstellingen gewoon overgenomen.
31 Artikel 1, lid 2, van de bestreden verordening past eveneens in dit commercieel perspectief, omdat de Gemeenschap ervoor dient te zorgen dat de communautaire regelgeving inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen, die geldt wanneer deze stoffen in de Gemeenschap op de markt worden gebracht, ook geldt wanneer zij naar andere verdragspartijen of andere landen worden uitgevoerd. De handel in deze stoffen met derde landen is dus een centrale doelstelling van de bestreden verordening.
32 Ook de inhoud van de bestreden verordening bevestigt volgens de Commissie de stelling dat zij hoofdzakelijk een commercieel instrument is. De Commissie wijst in dit verband met name op de artikelen 6 tot en met 16 van deze verordening, die de voorschriften betreffende de uitvoer en de invoer van gevaarlijke chemische stoffen bevatten en die haars inziens de belangrijkste bepalingen van deze verordening zijn, alsmede op artikel 3 van deze verordening, waarin sub 16 en 17 de begrippen „uitvoer” en „invoer” worden gedefinieerd onder verwijzing naar de in de Gemeenschap geldende douaneregelingen. Volgens de Commissie betekent een dergelijke verwijzing hoe dan ook dat de activiteiten met de stoffen die in de onderhavige zaak in geding zijn, worden gelijkgesteld met de handel in dergelijke stoffen en als zodanig aan dezelfde regels zijn onderworpen.
33 In deze context merkt de Commissie op dat de indeling, het kenmerken, het gebruik of het op de markt brengen van de chemische stoffen, waarvoor de bestreden verordening geldt, in het gemeenschapsrecht worden geregeld door een reeks van richtlijnen die, op één uitzondering na, alle zijn gebaseerd op artikel 95 EG dan wel op de artikelen 100 EEG-Verdrag (na wijziging, artikel 100 EG-Verdrag, thans artikel 94 EG) of 100 A EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 95 EG). De lidstaten die het gebruik van een chemische stof waarvoor geen communautaire harmonisatiemaatregel is genomen, willen verbieden of beperken, moeten dus een beroep doen op artikel 30 EG om dit verbod of deze beperking te rechtvaardigen, of om een afwijking verzoeken op grond van de bepalingen van artikel 95, lid 4 of 5, EG. Daar de lidstaten in de Gemeenschap niet zonder een dergelijke afwijking verschillende nationale voorschriften kunnen toepassen, is het uitgesloten dat deze lidstaten wordt toegestaan uiteenlopende voorschriften toe te passen op de invoer en de uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen. Het handelsverkeer van dergelijke stoffen met derde landen moet hoe dan ook uniform worden geregeld om een eventuele verstoring van het intracommunautaire handelsverkeer te vermijden. Artikel 133 EG is dus de passende rechtsgrondslag voor de bestreden verordening.
34 De Commissie herinnert ten slotte aan de vaste rechtspraak van het Hof waaruit kan worden opgemaakt dat de gemeenschappelijke handelspolitiek naar haar aard ruim moet worden opgevat, en betreurt dat de materiële werkingssfeer van de bestreden verordening is uitgebreid tot stoffen die in haar oorspronkelijke voorstel niet voorkwamen, namelijk de gevaarlijke chemische stoffen die slechts in één of meerdere lidstaten zijn verboden of aan strenge beperkingen onderworpen. Deze wijziging, alsook de in artikel 5, eerste alinea, van de bestreden verordening aangebrachte precisering dat de deelneming van de Gemeenschap aan het Verdrag van Rotterdam voor bepaalde in dit artikel bedoelde kwesties „een gedeelde verantwoordelijkheid van de Commissie en de lidstaten” is, staan duidelijk op gespannen voet met de op communautair niveau beoogde harmonisatie, omdat zij het bestaan van dergelijke nationale verboden of beperkende maatregelen als vanzelfsprekend lijken te beschouwen, daar enkel artikel 10, lid 7, van de bestreden verordening spreekt van de noodzaak om de communautaire wetgeving in acht te nemen.
35 Voor verweerders heeft de in artikel 5, eerste alinea, van deze verordening aangebrachte precisering echter geen ander doel dan het gemengde karakter van de deelneming van de Gemeenschap en de lidstaten aan het Verdrag van Rotterdam beter te laten uitkomen. De uitbreiding van de materiële werkingssfeer van deze verordening tot stoffen die enkel in bepaalde lidstaten verboden of aan strenge beperkingen onderworpen zijn, vormt volgens deze verweerders een bijkomend bewijs van het belang dat zij aan de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu hechten, daar ten opzichte van het door de Commissie ingediende voorstel meer stoffen onder de potentiële werkingssfeer van de bestreden verordening zijn gebracht. De Raad en het Parlement verwijzen in deze context naar artikel 15, lid 4, van het Verdrag van Rotterdam, dat de verdragspartijen toestaat om onder bepaalde voorwaarden „voor de gezondheid van de mens en voor het milieu” strengere beschermingsmaatregelen te treffen dan op grond van dit verdrag vereist is, alsmede naar de punten 4 en 17 van de considerans van de bestreden verordening, volgens welke het noodzakelijk is „in sommige opzichten verder te gaan dan de bepalingen van het Verdrag van Rotterdam”, respectievelijk in elk geval „een verantwoord beheer van chemische stoffen” te garanderen.
36 Wat verder de inhoud van deze verordening betreft, zijn verweerders en interveniënten het in wezen eens met de beoordeling van de Commissie, dat de regelingen in de artikelen 6 tot en met 16 van deze verordening een centrale plaats innemen, maar volgens hen wijzen deze regelingen er eerder op dat de gemeenschapswetgever de gezondheid van de mens en het milieu heeft willen beschermen tegen de schadelijke gevolgen van het ongecontroleerd omgaan met gevaarlijke chemische stoffen dan dat hij de daadwerkelijke handel in deze stoffen heeft willen regelen of bevorderen. In dit verband noemen verweerders en interveniënten met name artikel 1, lid 2, van de bestreden verordening, dat uitdrukkelijk verwijst naar de relevante gemeenschapsbepalingen betreffende de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke chemische stoffen voor mens of milieu, alsmede de artikelen 10, lid 6, en 12, lid 6, van deze verordening, volgens welke de Commissie in nauwe samenwerking met de lidstaten de noodzaak kan beoordelen om op communautair niveau maatregelen voor te stellen om onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid van de mens en het milieu binnen de Gemeenschap te voorkomen.
37 Volgens de Finse regering zijn de artikelen 17 tot en met 21 van de bestreden verordening overigens door dezelfde zorg voor de gezondheid en het milieu ingegeven, aangezien daarin concrete eisen worden gesteld betreffende zowel het toezicht op en de nakoming van de in het Verdrag van Rotterdam en deze verordening vastgelegde verplichtingen als de vaststelling van efficiënte sancties die kunnen worden toegepast bij schending van de bepalingen daarvan.
38 Wat verder het argument van de Commissie betreft, dat de activiteiten met gevaarlijke chemische stoffen hoe dan ook in het kader van de gemeenschappelijke handelspolitiek moeten worden gereguleerd om eventuele verstoringen van het intracommunautaire handelsverkeer te voorkomen, benadrukken verweerders, dat in het verleden geen belangrijke verstoring is vastgesteld, hoewel de betrokken voorschriften waren vastgesteld op een milieugrondslag, en dat bovendien de regels die op gemeenschapsniveau worden vastgesteld om het handelsverkeer van gevaarlijke stoffen te regelen, in elk geval door de lidstaten en de ondernemers in acht moeten worden genomen, ongeacht de rechtsgrondslag die voor de vaststelling ervan is gekozen. De lidstaten kunnen dus enkel nationale maatregelen vaststellen die in overeenstemming zijn met deze gemeenschappelijke voorschriften en de relevante communautaire wetgeving, zoals overigens duidelijk tot uiting komt in artikel 10, lid 7, van de bestreden verordening.
39 Net als in de stukken die zij hebben ingediend in het kader van het door de Commissie ingestelde beroep tegen besluit 2003/106 inzake de sluiting van het Verdrag van Rotterdam namens de Gemeenschap (zie dienaangaande arrest van heden, Commissie/Raad, C‑94/03, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), vermelden de Raad en het Parlement ten slotte verschillende gemeenschapshandelingen die ook bepalingen met een handelskarakter bevatten maar toch op dit artikel 175, lid 1, EG, op artikel 130 S EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 175 EG), dan wel op artikel 130 S EEG-Verdrag (na wijziging, artikel 130 S EG-Verdrag) zijn gebaseerd, omdat de milieudoelstelling ervan overweegt. Dat geldt met name voor verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (PB L 30, blz. 1) en verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier‑ en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PB 1997, L 61, blz. 1), alsmede voor verordening nr. 2455/92, die bij de bestreden verordening uitdrukkelijk wordt ingetrokken en vervangen. Deze continuïteit tussen verordening nr. 2455/92 en de bestreden verordening is een bijkomende aanwijzing dat deze laatste op artikel 175, lid 1, EG moest worden gebaseerd.
Beoordeling door het Hof
40 Verzoekster en verweerders betwisten niet, dat de bestreden verordening zowel handels- als milieuelementen bevat. Zij zijn het er echter niet over eens, waar het zwaartepunt van deze verordening ligt. Terwijl de Commissie namelijk stelt dat de bestreden verordening weliswaar positieve effecten heeft voor de gezondheid van de mens en het milieu, maar haar hoofddoel toch is, regelen te stellen voor het handelsverkeer van gevaarlijke chemische stoffen, betogen het Parlement en de Raad, alsmede alle interveniënten daarentegen, dat dit laatste aspect accessoir is, aangezien het primaire doel van de bestreden verordening is, regels en procedures in te voeren waarmee een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu kan worden gewaarborgd.
41 Volgens vaste rechtspraak moet de keuze van de rechtsgrondslag voor een gemeenschapshandeling berusten op objectieve gegevens, die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn. Tot die gegevens behoren met name het doel en de inhoud van de handeling (zie arresten van 26 maart 1987, Commissie/Raad, 45/86, Jurispr. blz. 1493, punt 11; 11 juni 1991, Commissie/Raad, „Titaandioxide-arrest”, C‑300/89, Jurispr. blz. I‑2867, punt 10; 3 december 1996, Portugal/Raad, C‑268/94, Jurispr. blz. I‑6177, punt 22, en 13 september 2005, Commissie/Raad, C‑176/03, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 45).
42 Indien na onderzoek van een gemeenschapshandeling blijkt, dat zij een tweeledig doel heeft of dat er sprake is van twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoel of overwegende component, terwijl het andere doel of de andere component slechts ondergeschikt is, moet de handeling op één rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is gelet op het hoofddoel of de overwegende component (zie arresten van 30 januari 2001, Spanje/Raad, C‑36/98, Jurispr. blz. I‑779, punt 59; 11 september 2003, Commissie/Raad, C‑211/01, Jurispr. blz. I‑8913, punt 39, en 29 april 2004, Commissie/Raad, C‑338/01, Jurispr. blz. I‑4829, punt 55).
43 Indien echter wordt aangetoond dat een handeling tegelijkertijd meerdere doelstellingen of componenten heeft die onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn, zonder dat de ene secundair en indirect is ten opzichte van de andere, zal die handeling bij wijze van uitzondering op de verschillende desbetreffende rechtsgrondslagen moeten worden gebaseerd (zie in die zin met name arresten van 19 september 2002, Huber, C‑336/00, Jurispr. blz. I‑7699, punt 31; 12 december 2002, Commissie/Raad, C‑281/01, Jurispr. blz. I‑12049, punt 35, en 11 september 2003, Commissie/Raad, reeds aangehaald, punt 40).
44 Dit is in casu nu juist het geval. Immers, de bestreden verordening heeft zowel wat haar doelstellingen als haar inhoud betreft, handels‑ en milieucomponenten die zodanig onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn, dat deze handeling op basis van zowel artikel 133 EG als artikel 175, lid 1, EG moest worden vastgesteld.
45 In de eerste plaats heeft de bestreden verordening, zoals overigens uit haar considerans alsook uit artikel 1, lid 1, sub a, blijkt, tot belangrijkste doel, het Verdrag van Rotterdam uit te voeren. Zoals het Hof in punt 51 van het reeds aangehaalde arrest van heden, Commissie/Raad, heeft geoordeeld, bevat dit verdrag nu juist twee componenten – regulering van het handelsverkeer en bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu – die zo nauw met elkaar verbonden zijn dat het besluit inzake de sluiting van dit verdrag namens de Gemeenschap moest worden gebaseerd op de artikelen 133 EG en 175, lid 1, EG.
46 De omstandigheid dat een of meer bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap als rechtsgrondslag voor de sluiting van een internationale overeenkomst zijn gekozen, bewijst op zich nog niet dat deze bepalingen ook als rechtsgrondslag moeten worden gekozen voor de vaststelling van handelingen die deze overeenkomst op gemeenschapsniveau beogen uit te voeren.
47 In dit geval dienen het besluit inzake de sluiting van het Verdrag van Rotterdam namens de Gemeenschap en de bestreden verordening, die dit verdrag op gemeenschapsniveau uitvoert, hoe dan ook dezelfde rechtsgrondslagen te hebben, gelet op de duidelijke overeenstemming tussen de bepalingen van deze twee handelingen, waarin zowel het streven om het handelsverkeer van gevaarlijke chemische stoffen te regelen tot uiting komt, als het streven om een verantwoord beheer van deze stoffen te verzekeren en/of de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van de handel in deze stoffen.
48 Dit geldt met name voor de artikelen 1, lid 1, en 2 van de bestreden verordening, waarin over de door de auteurs ervan nagestreefde doelstellingen alsmede over de materiële werkingssfeer van deze verordening in soortgelijke termen wordt gesproken als in respectievelijk de artikelen 1 en 3 van het Verdrag van Rotterdam zijn gebruikt, terwijl overigens de definities in artikel 2 van dit verdrag sterk overeenkomen met die van artikel 3 van de bestreden verordening.
49 Dit geldt ook en vooral voor de artikelen 6 tot en met 13 van deze verordening, die voorschriften en procedures voor de handel in gevaarlijke chemische stoffen bevatten in bewoordingen die in menig opzicht de voorschriften en de procedures van het Verdrag van Rotterdam weerspiegelen. Zo verwijzen de artikelen 7 en 8 van de bestreden verordening duidelijk naar artikel 12 van het verdrag, betreffende de kennisgevingen van uitvoer, terwijl de artikelen 12 en 13 van deze verordening, betreffende de verplichtingen met betrekking tot de invoer en de uitvoer van chemische stoffen, een rechtstreekse weerslag van de artikelen 10 en 11 van het Verdrag van Rotterdam vormen, aangezien hierin dezelfde verplichtingen zijn neergelegd.
50 In de tweede plaats heeft de bestreden verordening buiten de nagestreefde parallellie met het Verdrag van Rotterdam, dat zij op gemeenschapsniveau beoogt uit te voeren, een ruimere werkingssfeer dan dit verdrag, aangezien zoals overigens met zoveel woorden uit punt 4 van de considerans van deze verordening blijkt, de gemeenschapswetgever voornemens is „in sommige opzichten verder te gaan dan de bepalingen van het Verdrag van Rotterdam”. De bepalingen die vanuit deze optiek in de bestreden verordening zijn opgenomen, leverden echter een meer dan toereikende rechtvaardiging voor een beroep op artikel 175, lid 1, EG, naast een beroep op artikel 133 EG op.
51 Dat is bijvoorbeeld het geval voor de artikelen 14, lid 2, en 16, lid 1, van de bestreden verordening. Voorzover het eerste de uitvoer van de in bijlage V bij deze verordening genoemde chemische stoffen en artikelen volledig verbiedt en het tweede, junctis de artikelen 1, lid 2, en 2, lid 1, sub c, van deze verordening, vereist dat bij uitvoer de relevante gemeenschapsregels inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen en formuleringen, onverminderd specifieke voorschriften van de invoerende partij of het invoerend land, worden nageleefd, regelen deze twee artikelen namelijk rechtstreeks de handel in en het handelsverkeer van deze stoffen.
52 In deze context hebben verweerders met name betoogd dat een beroep op artikel 133 EG niet nodig was, omdat in de jaren daarvoor geen belangrijke verstoring van het intracommunautaire handelsverkeer was vastgesteld, en de lidstaten bij de uitoefening van hun bevoegdheden hoe dan ook de relevante communautaire wetgeving in acht moeten nemen, zoals overigens volgt uit artikel 10, lid 7, van de bestreden verordening.
53 Dienaangaande kan worden volstaan met de opmerking dat het feit – gesteld dat het juist is – dat geen verstoring van het intracommunautaire handelsverkeer van de betrokken stoffen is vastgesteld, in casu aan het beroep op artikel 133 EG niets afdoet. De juistheid van het beroep op dit artikel als rechtsgrondslag voor een gemeenschapshandeling hangt immers af van de kenmerken van deze handeling zelf en van de vraag of deze kenmerken voldoen aan de objectieve criteria die bepalen of deze rechtsgrondslag kan worden gebruikt. Zoals hierboven is vastgesteld, voldoet de bestreden verordening specifiek aan deze criteria.
54 Het argument – waartegen op zich niets kan worden ingebracht – dat de lidstaten bij de uitoefening van hun bevoegdheden hoe dan ook de relevante communautaire wetgeving moeten naleven, is evenwel irrelevant voor de keuze van de passende rechtsgrondslag van een gemeenschapshandeling.
55 De door verweerders vermelde omstandigheid, ten slotte, dat andere gemeenschapshandelingen, zoals de verordeningen nrs. 259/93 en 338/97 of verordening nr. 2455/92, de voorgangster van de bestreden verordening, gebaseerd zijn op een rechtsgrondslag die tot het terrein van het milieubeleid behoort, is in het kader van de onderhavige zaak volstrekt irrelevant. Volgens vaste rechtspraak moet de rechtsgrondslag van een handeling immers op basis van het doel en de inhoud van de handeling zelf worden gekozen en niet op basis van de rechtsgrondslag die is gebruikt om andere gemeenschapshandelingen met, in voorkomend geval, soortgelijke kenmerken vast te stellen (zie met name arrest van 28 juni 1994, Parlement/Raad, C‑187/93, Jurispr. blz. I‑2857, punt 28, dat specifiek de keuze van de rechtsgrondslag voor verordening nr. 259/93 betrof).
56 Gelet op het voorgaande moet de conclusie dus luiden dat de bestreden verordening, zowel wat de door de auteurs nagestreefde doelstellingen als de inhoud ervan betreft, twee onverbrekelijk met elkaar verbonden componenten bevat, zonder dat de ene als secundair of indirect ten opzichte van de andere kan worden beschouwd, waarvan de ene onder de gemeenschappelijke handelspolitiek en de andere onder de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu valt. Op grond van de in punt 43 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak diende deze verordening dus te worden gebaseerd op de twee desbetreffende rechtsgrondslagen: de artikelen 133 EG en 175, lid 1, EG.
57 Weliswaar is het gebruik van een dubbele rechtsgrondslag, zoals het Hof in wezen in de punten 17 tot en met 21 van het reeds aangehaalde Titaandioxide-arrest heeft geoordeeld, uitgesloten wanneer de procedures welke voor de twee rechtsgrondslagen zijn voorgeschreven, onverenigbaar zijn en/of wanneer de cumulatie van rechtsgrondslagen de rechten van het Parlement aantast (zie ook in die zin arresten van 25 februari 1999, Parlement/Raad, C‑164/97 en C‑165/97, Jurispr. blz. I‑1139, punt 14, en 29 april 2004, Commissie/Raad, reeds aangehaald, punt 57). In casu doet zich echter geen van deze consequenties voor indien zowel artikel 133 EG als artikel 175, lid 1, EG als grondslag wordt genomen.
58 Ten eerste kon het feit dat daarnaast voor artikel 133 EG werd gekozen, in casu geen invloed hebben op de binnen de Raad geldende regels voor de stemming, daar artikel 133, lid 4, EG evenals artikel 175, lid 1, EG bepaalt dat de Raad bij de uitoefening van de hem bij dat artikel verleende bevoegdheden besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.
59 Ten tweede doet een beroep op zowel artikel 133 EG als artikel 175, lid 1, EG evenmin afbreuk aan de rechten van het Parlement, omdat het eerste van deze twee artikelen weliswaar niet formeel de medewerking van deze instelling bij de vaststelling van een handeling als de onderhavige voorschrijft, doch het tweede artikel uitdrukkelijk naar de procedure van artikel 251 EG verwijst. Anders dan de situatie in de zaak waarin het reeds aangehaalde Titaandioxide-arrest is gewezen, worden de rechten van het Parlement door de cumulatie van de rechtsgrondslagen in casu dus niet aangetast, daar deze instelling bij een beroep op artikel 175, lid 1, EG de handeling volgens de medebeslissingsprocedure kan vaststellen.
60 Gelet op een en ander moet de bestreden verordening dus nietig worden verklaard, voorzover zij uitsluitend op artikel 175, lid 1, EG is gebaseerd.
De beperking van de gevolgen van de nietigverklaring
61 In haar conclusies heeft de Commissie het Hof verzocht om, ingeval het beroep wordt toegewezen, de gevolgen van de bestreden verordening te handhaven tot een nieuwe verordening is vastgesteld.
62 Volgens artikel 231, tweede alinea, EG kan het Hof, zo het dit nodig oordeelt, die gevolgen van de nietig verklaarde verordening aanwijzen, welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd.
63 In casu is de bestreden verordening overeenkomstig artikel 26 ervan in werking getreden op de dag na die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie op 6 maart 2003.
64 Sinds 7 maart 2003 worden de uitvoer en de invoer van gevaarlijke chemische stoffen dus door deze verordening geregeld en heeft de Commissie op grond hiervan verschillende communautaire invoerbesluiten met betrekking tot bepaalde chemische stoffen genomen.
65 Gelet op een en ander en in het bijzonder om te vermijden dat na de nietigverklaring van de bestreden verordening rechtsonzekerheid ontstaat over de regeling die op het handelsverkeer van deze stoffen van toepassing is, moeten de gevolgen van deze verordening dus worden gehandhaafd totdat binnen een redelijke termijn een nieuwe verordening is vastgesteld die is gebaseerd op de passende rechtsgrondslagen.
Kosten
66 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Overeenkomstig artikel 69, lid 3, eerste alinea, van dit Reglement kan het Hof de proceskosten evenwel verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld, en voorts wegens bijzondere redenen. Aangezien de Commissie, de Raad en het Parlement in casu elk ten dele in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij in hun eigen kosten te worden verwezen. Volgens artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering dragen de lidstaten die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart:
1) Verordening (EG) nr. 304/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende de in‑ en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen, wordt nietig verklaard.
2) De gevolgen van deze verordening worden gehandhaafd totdat binnen een redelijke termijn een nieuwe verordening is vastgesteld die is gebaseerd op de passende rechtsgrondslagen.
3) De Commissie van de Europese Gemeenschappen, het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie dragen elk hun eigen kosten.
4) De Franse Republiek, de Republiek Finland alsmede het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland dragen hun eigen kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy