Zaak C-201/03
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Koninkrijk Zweden
„Niet-nakoming – Verwijdering van afgewerkte olie – Niet-uitvoering van richtlijn 75/439/EEG”
Samenvatting van het arrest
Lidstaten – Verplichtingen – Uitvoering van richtlijnen – Niet-nakoming – Rechtvaardiging op basis van interne orde – Ontoelaatbaarheid
(Art. 226 EG)
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
30 maart 2004(1)
„Niet-nakoming – Verwijdering van afgewerkte olie – Niet-uitvoering van richtlijn 75/439/EEG”
In zaak C-201/03,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door L. Ström en M. Konstantinidis als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk Zweden, vertegenwoordigd door A. Kruse als gemachtigde,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Koninkrijk Zweden, door niet ter uitvoering van artikel 3, lid 1, van richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie (PB L 194, blz. 23), zoals gewijzigd bij richtlijn 87/101/EEG van de Raad van 22 december 1986 (PB 1987, L 42, blz. 43), de nodige maatregelen te nemen om voorrang te geven aan de behandeling van afgewerkte olie door regeneratie wanneer beperkingen van technische, economische en organisatorische aard zich daar niet tegen verzetten, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),,
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, S. von Bahr en R. Silva de Lapuerta (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: R. Grass,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 13 mei 2003, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat het Koninkrijk Zweden, door niet ter uitvoering van artikel 3, lid 1, van richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie (PB L 194, blz. 23), zoals gewijzigd bij richtlijn 87/101/EEG van de Raad van 22 december 1986 (PB 1987, L 42, blz. 43; hierna: „richtlijn 75/439”), de nodige maatregelen te nemen om voorrang te geven aan de behandeling van afgewerkte olie door regeneratie wanneer beperkingen van technische, economische en organisatorische aard zich daar niet tegen verzetten, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Volgens artikel 2 van richtlijn 87/101 dienden de lidstaten de nodige maatregelen te treffen om vanaf 1 januari 1990 aan deze richtlijn te voldoen.
3 Omdat zij van oordeel was dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 75/439 niet binnen de gestelde termijn in Zweeds recht was omgezet, heeft de Commissie een niet-nakomingsprocedure tegen het Koninkrijk Zweden ingeleid. Na deze lidstaat te hebben aangemaand zijn opmerkingen in te dienen, heeft zij op 21 maart 2002 een met redenen omkleed advies uitgebracht, waarin zij het Koninkrijk Zweden verzocht binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving ervan de nodige maatregelen te nemen om aan dat advies te voldoen. Omdat uit de door de Zweedse autoriteiten verstrekte informatie bleek dat de betrokken bepaling nog steeds niet was uitgevoerd, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
4 De Zweedse regering, die de niet-uitvoering niet betwist, stelt dat dit te wijten is aan het feit dat de bevoegde autoriteiten zich beraden op mogelijke regelingen om voorrang te kunnen geven aan de behandeling van afgewerkte olie door regeneratie.
5 In dit verband volstaat het erop te wijzen dat, volgens vaste rechtspraak, een lidstaat zich niet op nationale bepalingen, praktijken of situaties kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-uitvoering van een richtlijn binnen de gestelde termijn (zie met name arresten van 8 maart 2001, Commissie/Portugal, C‑276/98, Jurispr. blz. I‑1699, punt 20, en 7 november 2002, Commissie/Spanje, C‑352/01, Jurispr. blz. I‑10263, punt 8).
6 In deze omstandigheden is het door de Commissie ingestelde beroep gegrond.
7 Bijgevolg staat vast dat het Koninkrijk Zweden, door niet ter uitvoering van artikel 3, lid 1, van richtlijn 75/439 de nodige maatregelen te nemen om voorrang te geven aan de behandeling van afgewerkte olie door regeneratie wanneer beperkingen van technische, economische en organisatorische aard zich daar niet tegen verzetten, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
8 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk Zweden in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet ter uitvoering van artikel 3, lid 1, van richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie, zoals gewijzigd bij richtlijn 87/101/EEG van de Raad van 22 december 1986, de nodige maatregelen te nemen om voorrang te geven aan de behandeling van afgewerkte olie door regeneratie wanneer beperkingen van technische, economische en organisatorische aard zich daar niet tegen verzetten, is het Koninkrijk Zweden de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk Zweden wordt verwezen in de kosten.
Gulmann
von Bahr
Silva de Lapuerta
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 30 maart 2004.
De griffier
De president van de Vijfde kamer
R. Grass
C. Gulmann
1 – Procestaal: Zweeds.
Full & Egal Universal Law Academy