Zaak C‑213/03
Syndicat professionnel coordination des pêcheurs de l’étang de Berre et de la région
tegen
Électricité de France (EDF)
[verzoek van de Cour de cassation (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Verdrag voor bescherming van Middellandse Zee tegen verontreiniging (verdrag van Barcelona) – Protocol inzake bescherming van Middellandse Zee tegen verontreiniging vanaf land – Artikel 6, lid 3 – Lozingsvergunning – Rechtstreekse werking”
Samenvatting van het arrest
1. Internationale overeenkomsten – Overeenkomsten van Gemeenschap – Rechtstreekse werking – Voorwaarden – Artikel 6, lid 3, van Protocol inzake bescherming van Middellandse Zee tegen verontreiniging vanaf land en artikel 6, lid 1, van herzien protocol – Verplichting van lidstaten om voor lozing van bepaalde stoffen vergunningstelsel toe te passen
(Protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging vanaf het land, art. 6, lid 3, en herzien protocol, art. 6, lid 1)
2. Internationale overeenkomsten – Overeenkomsten van Gemeenschap – Artikel 6, lid 3, van Protocol inzake bescherming van Middellandse Zee tegen verontreiniging vanaf land en artikel 6, lid 1, van herzien protocol – Lozing van niet‑toxische stoffen – Verbod wanneer geen voorafgaande vergunning is verkregen
(Protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging vanaf het land, art. 6, lid 3, en herzien protocol, art. 6, lid 1)
1. Een bepaling van een door de Gemeenschap met derde landen gesloten overeenkomst moet worden geacht rechtstreeks toepasselijk te zijn, wanneer zij, gelet op haar bewoordingen en op het doel en de aard van de overeenkomst, een duidelijke en nauwkeurig omschreven verplichting behelst voor welker uitvoering en werking geen verdere handeling vereist is.
Dit is het geval met artikel 6, lid 3, van het Protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging vanaf het land, alsmede met artikel 6, lid 1, van het herziene protocol, die in duidelijke, nauwkeurig omschreven en onvoorwaardelijke bewoordingen de verplichting van de lidstaten vastleggen om voor lozingen van de in bijlage II bij het protocol vermelde stoffen een door de bevoegde nationale autoriteiten afgegeven vergunning te vereisen, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de bepalingen van bijlage III bij dit protocol. Bijgevolg hebben deze bepalingen rechtstreekse werking zodat iedere belanghebbende het recht heeft zich voor de nationale rechter daarop te beroepen.
(cf. punten 39, 41, 47, dictum 1)
2. Artikel 6, lid 3, van het Protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging vanaf het land, alsmede artikel 6, lid 1, van het herziene protocol, moeten aldus worden uitgelegd dat het verboden is zonder vergunning van de bevoegde nationale autoriteiten stoffen te lozen die, hoewel niet-toxisch, een ongunstig effect hebben op het zuurstofgehalte van het mariene milieu, aangezien deze bepalingen het vereiste van een voorafgaande vergunning niet uitdrukkelijk afhankelijk stellen van de toxiciteit daarvan.
(cf. punten 49, 52, dictum 2)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
15 juli 2004(1)
„Verdrag voor de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging (verdrag van Barcelona) – Protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging vanaf het land – Artikel 6, lid 3 – Lozingsvergunning – Rechtstreekse werking”
In zaak C-213/03,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van de Cour de cassation (Frankrijk) in het aldaar aanhangige geding tussen
Syndicat professionnel coordination des pêcheurs de l'étang de Berre et de la région
en
Électricité de France (EDF),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 6, lid 3, van het Protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging vanaf het land, ondertekend te Athene op 17 mei 1980, goedgekeurd bij besluit 83/101/EEG van de Raad van 28 februari 1983 (PB L 67, blz. 1), en van artikel 6, lid 1, van dit protocol, zoals gewijzigd tijdens de conferentie van gevolmachtigden te Syracuse op 7 en 8 maart 1996, welke wijzigingen zijn goedgekeurd bij besluit 1999/801/EG van de Raad van 22 oktober 1999 (PB L 322, blz. 18),wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),,
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, C. Gulmann, J.‑P. Puissochet, J. N. Cunha Rodrigues en R. Schintgen (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: M. Múgica Arzamendi, hoofdadministrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
– het Syndicat professionnel coordination des pêcheurs de l'étang de Berre et de la région, vertegenwoordigd door W. Viscardini, avocat,
– Électricité de France (EFD), vertegenwoordigd door O. Coutard en M. Mayer, avocats,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en E. Puisais als gemachtigden,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Valero Jordana en B. Stromsky als gemachtigden,
gehoord de mondelinge opmerkingen van het Syndicat professionnel coordination des pêcheurs de l'étang de Berre et de la région, Électricité de France, de Franse regering en de Commissie ter terechtzitting van 10 maart 2004,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Bij arrest van 6 mei 2003, ingekomen bij het Hof op 19 mei daaraanvolgend, heeft de Cour de cassation (Frankrijk) krachtens artikel 234 EG twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 6, lid 3, van het op 17 mei 1980 te Athene ondertekende protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging vanaf het land, dat bij besluit 83/101/EEG van de Raad van 28 februari 1983 (PB L 67, blz. 1; hierna: „protocol”) is goedgekeurd, alsmede van artikel 6, lid 1, van dat protocol, zoals gewijzigd tijdens de conferentie van gevolmachtigden te Syracuse op 7 en 8 maart 1996, welke wijzigingen zijn goedgekeurd bij besluit 1999/801/EG van de Raad van 22 oktober 1999 (PB L 322, blz. 18; hierna: „herziene protocol”).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen het Syndicat professionnel coordination des pêcheurs de l’étang de Berre et de la région (hierna: „coordination des pêcheurs”) en Électricité de France (hierna: „EDF”) over lozingen in de Étang de Berre door de waterkrachtcentrale van Saint-Chamas (Frankrijk).
Rechtskader
3 Het op 16 februari 1976 te Barcelona gesloten verdrag inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging (PB 1977, L 240, blz. 3; hierna: „verdrag”) is door de Europese Economische Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 77/585/EEG van de Raad van 25 juli 1977 (PB L 240, blz. 1).
4 Artikel 2, sub a, van het verdrag omschrijft het begrip „verontreiniging” als volgt:
„[…] het direct of indirect door de mens aan het mariene milieu toevoegen van stoffen of energie waardoor schade wordt toegebracht aan biologische hulpbronnen, gevaar ontstaat voor de gezondheid van de mens, maritieme activiteiten met inbegrip van visserij worden belemmerd, de kwaliteit van het zeewater voor wat het gebruik daarvan betreft wordt aangetast en de recreatieve waarde wordt verminderd”.
5 Artikel 4, lid 1, van het verdrag luidt als volgt:
„De verdragsluitende partijen nemen overeenkomstig de bepalingen van dit verdrag en de van kracht zijnde protocollen waarbij zij partij zijn, individueel of gezamenlijk alle passende maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van de verontreiniging in het Middellandse-Zeegebied alsmede maatregelen ter bescherming en verbetering van het mariene milieu in dit gebied.”
6 Artikel 8 van het verdrag bepaalt:
„De verdragsluitende partijen nemen passende maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van de verontreiniging door lozingen vanuit rivieren, industriële vestigingen aan de kust of afvoerkanalen, of afkomstig van een andere bron op hun grondgebied.”
7 In diezelfde zin bepaalt artikel 1 van het protocol:
„De partijen bij dit protocol […] nemen alle dienstige maatregelen om de verontreiniging van het Middellandse-Zeegebied door lozingen van rivieren, langs de kust gelegen installaties of rioleringen, of afkomstig van andere bronnen van verontreiniging op hun grondgebied, te voorkomen, te verminderen, te bestrijden en onder controle te houden.”
8 In artikel 3, sub c, van het protocol is bepaald:
„Het gebied waarop dit protocol van toepassing is (hierna te noemen: ‚protocolgebied’) is:
[...]
c) zoutwatermoerassen die in verbinding staan met de zee.”
9 Artikel 4, lid 1, sub a, bepaalt dat het protocol van toepassing is op „alle verontreinigende lozingen die het protocolgebied bereiken vanuit op het grondgebied van de partijen gelegen bronnen van verontreiniging, in het bijzonder:
– rechtstreeks, uit rioolbuizen die in zee uitkomen, of door dumping op of vanaf de kust;
– indirect, via rivieren, kanalen en andere stromen, ondergrondse waterlopen en afvloeiing”.
10 Artikel 6, leden 1 en 3, van het protocol luidt:
„1. De partijen dienen de verontreiniging vanaf het land in het protocolgebied door stoffen of bronnen opgenoemd in bijlage II van dit protocol streng te beperken.
[…]
3. Voor alle lozingen is een door de bevoegde nationale overheden afgegeven vergunning vereist, waarbij rekening wordt gehouden met de bepalingen van bijlage III [...]”
11 In artikel 7, lid 1, sub e, van het protocol is bepaald:
„De partijen dienen geleidelijk, in samenwerking met de bevoegde internationale organisaties, gemeenschappelijke richtsnoeren en, zo nodig, normen of criteria te formuleren en goed te keuren, die in het bijzonder betrekking hebben op:
[...]
e) speciale voorschriften met betrekking tot de geloosde hoeveelheden van de in de bijlagen I en II vermelde stoffen, de concentraties daarvan in effluenten en de methodes om deze effluenten te lozen.”
12 Blijkens de punten 11 en 13 van bijlage II, A, bij het protocol vallen onder de regeling van artikel 6 daarvan de „stoffen die, direct of indirect, een schadelijk effect hebben op het zuurstofgehalte van het mariene milieu, vooral die welke eutrofiëring kunnen veroorzaken” en de „stoffen die, hoewel niet van nature toxisch, schadelijk kunnen worden voor het mariene milieu of die een storende factor kunnen zijn bij het legitieme gebruik van de zee in verband met de geloosde hoeveelheden”.
13 Bijlage II, B, preciseert:
„De controle en strikte beperking van de lozing van de in deel A genoemde stoffen dient overeenkomstig bijlage III te worden verricht.”
14 Bijlage III bij het protocol bepaalt welke factoren in aanmerking moeten worden genomen „met het oog op de afgifte van een vergunning voor de lozing van afvalstoffen die de in bijlage II […] vermelde stoffen bevatten”. Zo moeten de lidstaten rekening houden met de „kenmerken en samenstelling van de afvalstoffen”, de „kenmerken van afvalbestanddelen met betrekking tot hun schadelijkheid”, „kenmerken van de lozingsplaats en van het ontvangende mariene milieu”, „beschikbaarheid van afvaltechnologieën” en, ten slotte met „eventuele aantasting van mariene ecosystemen en gebruiksmogelijkheden van zeewater”.
15 Ingevolge artikel 3, sub d, van het herziene protocol, dat overeenkomt met artikel 3, sub c, van het protocol, behoren tot het toepassingsgebied daarvan:
„[...]
d) brakwatergebieden, zoutwatergebieden aan de kust, met inbegrip van zoutwatermoerassen en lagunes, en ondergrondse waterlopen die in verbinding staan met de Middellandse zee”.
16 Artikel 6, lid 1, van het herziene protocol luidt als volgt:
„Voor puntbronlozingen in het protocolgebied en lozingen in het water of emissies in de atmosfeer die het Middellandse-Zeegebied, zoals begrensd in artikel 3 punten a, c en d, van dit protocol, bereiken of kunnen aantasten, is een door de bevoegde overheden afgegeven vergunning of vastgestelde regeling vereist, waarbij rekening wordt gehouden met de bepalingen van dit protocol en van bijlage II daarbij, alsmede met de relevante besluiten en aanbevelingen van de bijeenkomsten van de verdragsluitende partijen.”
17 Bijlage I C bij het herziene protocol vermeldt de categorieën van stoffen en bronnen van verontreiniging die als richtsnoer zullen fungeren bij het opstellen van actieplannen, programma’s en maatregelen. In het bijzonder noemt punt 17 de niet-toxische stoffen die een ongunstig effect hebben op het zuurstofgehalte van het mariene milieu.
18 Het herziene protocol trekt de oude bijlage II in en hernummert de oude bijlage III, met wijzigingen, tot „bijlage II”.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
19 De in Frankrijk gelegen Étang de Berre met een oppervlakte van 15 000 hectare is een zoutwatermoeras dat in rechtstreekse verbinding staat met de Middellandse Zee.
20 De coordination des pêcheurs heeft bij EDF verschillende klachten ingediend over de aantasting van het aquatische milieu van het Berre-moeras vanwege, hoofdzakelijk, de toevoer van zoet water uit de Durance dat telkens wanneer de turbines van de waterkrachtcentrale van Saint-Chamas in werking worden gesteld, kunstmatig in dat moeras wordt geloosd.
21 Op 1 september 1999 heeft de coordination des pêcheurs bij het Tribunal de grande instance de Marseille (Frankrijk) in een kort geding tegen EDF wegens evident onrechtmatig handelen op straffe van een dwangsom stopzetting van de exploitatie van de waterkrachtcentrale van Saint‑Chamas gevorderd. De coordination des pêcheurs betoogde met name dat EDF afvalwater van deze centrale loosde zonder daarvoor vooraf de in artikel 6, lid 3, van het protocol bedoelde vergunning te hebben verkregen.
22 De kortgedingrechter in eerste aanleg heeft het verzoek in kort geding bij beschikking van 25 oktober 1999 afgewezen. Hij erkende weliswaar dat er sprake was van een stoornis die door de inwerkingstelling van de turbines van de waterkrachtcentrale werd veroorzaakt, doch overwoog:
„Wat de toepassing van het gemeenschapsrecht betreft, en in het bijzonder de verdragen van Barcelona en het protocol van Athene […], doet het vraagstuk van de rechtstreekse werking daarvan voor de justitiabelen ook hier geschilpunten rijzen ten aanzien waarvan de feitenrechter niet bevoegd is.
De vraag of de exploitatie van de waterkrachtcentrale van Saint‑Chamas door EDF een kennelijk onrechtmatige stoornis vormt, dat wil zeggen een evident onrechtmatig handelen in de zin waarin dit in het algemeen in de rechtspraak wordt opgevat, doet dus dermate ernstige geschilpunten rijzen dat de kortgedingrechter hierover niet kan beslissen en een einde zou kunnen maken aan drie decennia exploitatie. Dit is overigens een te belangrijke beslissing die uiterst ernstige gevolgen meebrengt voor met name de productie en de veiligheid van het elektriciteitssysteem van de regio […]”
23 De coordination des pêcheurs heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij de Cour d’appel d’Aix-en-Provence (Frankrijk), die dit hoger beroep bij arrest van 21 september 2000 heeft verworpen. De Cour d’appel overwoog met name „dat de verschillende artikelen [van het protocol] onderling afhankelijk zijn” en dat artikel 6, lid 3, „niet daaruit kan worden losgemaakt, zodat EDF op grond van dit protocol niet rechtsgeldig en zinvol een lozingsvergunning kan aanvragen zolang de Franse Staat niet de toepasselijke technische criteria heeft bepaald, omdat geen enkel antwoord zou kunnen worden gegeven”.
24 De coordination des pêcheurs heeft cassatieberoep ingesteld tegen dit arrest. Zij voerde met name aan dat EDF artikel 6, lid 3, van het protocol, dat de Cour d’appel haars inziens ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, heeft geschonden.
25 In die omstandigheden heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Heeft artikel 6, lid 3, van het protocol […], thans in de gewijzigde versie artikel 6, lid 1, rechtstreekse werking zodat elke belanghebbende zich voor de nationale rechter daarop kan beroepen tot staving van een beroep tot staking van het lozen van afvalwater waarvoor geen vergunning is afgegeven volgens de in het protocol voorziene procedure en criteria?
2) Dient deze bepaling, gelet op de bepalingen van voornoemd protocol en bijlage III C (thans bijlage II) daarbij, aldus te worden uitgelegd dat zij eenieder verbiedt om zonder vergunning van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten in een zoutwatermoeras dat met de Middellandse Zee in verbinding staat, stoffen te lozen die, hoewel niet-toxisch, een ongunstig effect hebben op het zuurstofgehalte van het mariene milieu?”
Relevantie van het herziene protocol voor de beslechting van het hoofdgeding
26 EDF en de Franse regering staan op het standpunt dat alleen het protocol moet worden uitgelegd, omdat het herziene protocol nog niet in werking is getreden.
27 Blijkens vaste rechtspraak is de procedure van artikel 234 EG een instrument van de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties (zie met name arresten van 16 juli 1992, Lourenço Dias, C-343/90, Jurispr. blz. I-4673, punt 14, en 18 maart 2004, Siemens en ARGE Telekom, C-314/01, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 33, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28 In het kader van deze samenwerking is de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd, die als enige de feiten van het hoofdgeding rechtstreeks kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, de meest aangewezen instantie om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing om uitspraak te kunnen doen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen (zie met name arrest Lourenço Dias, reeds aangehaald, punt 15; arrest van 22 januari 2002, Canal Satélite Digital, C-390/99, Jurispr. blz. I-607, punt 18, en arrest Siemens en ARGE Telekom, reeds aangehaald, punt 34).
29 In casu is het verre van vanzelfsprekend dat de uitlegging van artikel 6, lid 1, van het herziene protocol niet van nut is voor de beslechting van het hoofdgeding. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, kan immers niet worden uitgesloten dat in het geval dat het arrest van de Cour d’appel d’Aix-en-Provence door de Cour de cassation zou worden vernietigd, het herziene protocol in werking zal zijn getreden op het tijdstip waarop in het hoofdgeding opnieuw ten gronde zal moeten worden beslist.
30 Ook het herziene protocol moet bij de beantwoording van de prejudiciële vragen dus in aanmerking worden genomen.
De rechtstreekse werking van artikel 6, lid 3, van het protocol en artikel 6, lid 1, van het herziene protocol
Opmerkingen van partijen
31 EDF betoogt dat de verschillende bepalingen van het protocol onderling afhankelijk zijn, waardoor niet kan worden aanvaard dat artikel 6, lid 3, daarvan rechtstreekse werking heeft, ook al bevat dit artikel een duidelijk en nauwkeurig omschreven voorschrift.
32 Zo stelt artikel 6, lid 1, van het protocol de doestelling vast om de verontreiniging door de in bijlage II genoemde stoffen of bronnen (daaronder begrepen de stoffen die een schadelijk effect hebben op het zuurstofgehalte), „streng te beperken”. Hiertoe verplicht lid 2 de partijen om „gezamenlijk of individueel”, zo nodig, „passende programma’s en maatregelen” ten uitvoer te leggen. Ten slotte vereist lid 3 dat voor alle lozingen een vergunning moet worden verkregen „waarin rekening wordt gehouden met de verschillende in bijlage III genoemde factoren”. De verplichting om „rekening te houden” is zeer vaag en zou – omdat preciseringen ontbreken – ertoe kunnen leiden dat voor iedere lozing een vergunning wordt vereist louter omdat deze een van de in bijlage II bij het protocol vermelde stoffen betreft. Dit vereiste is echter, gelet op het doel van het protocol, volstrekt onevenredig.
33 EDF beroept zich eveneens op artikel 7, lid 1, van het protocol, betreffende de „gemeenschappelijke normen of criteria”, die vóór de instelling van een stelsel van voorafgaande vergunningen moeten worden geformuleerd. Deze normen en criteria zijn echter voor de betrokken lozingen tot op heden nog niet bepaald.
34 Aangezien voorts de Gemeenschap partij is bij het verdrag en het protocol, is het mogelijk dat de voor de toepassing daarvan vast te stellen normen hoofdzakelijk communautaire normen zullen zijn. Tot dusverre is er echter geen richtlijn inzake lozingen van zoet water en slib in een zoutwatermoeras vastgesteld.
35 De coordination des pêcheurs, de Franse regering en de Commissie verdedigen hunnerzijds met een beroep op de rechtspraak van het Hof de stelling dat artikel 6, lid 3, van het protocol rechtstreekse werking heeft (zie met name arrest van 30 september 1987, Demirel, 12/86, Jurispr. blz. 3719, punt 14).
36 Artikel 6, lid 3, van het protocol behelst volgens hen, gelet op de bewoordingen, het doel en de aard ervan, de duidelijke, nauwkeurig omschreven en onvoorwaardelijke verplichting om voor lozingen van in bijlage II bij het protocol bedoelde stoffen een voorafgaande vergunning van de bevoegde nationale autoriteiten te vereisen. Het strikte verbod op het verrichten van lozingen zonder een dergelijke vergunning, is voor de uitvoering en werking ervan niet afhankelijk van enig voorbehoud en vereist geen verdere handeling. Bovendien detailleert bijlage III bij het protocol, waarnaar artikel 6, lid 3, verwijst, alle voor de afgifte van de vergunning in aanmerking te nemen factoren.
37 Volgens de Commissie heeft het ontbreken van gezamenlijk vastgestelde maatregelen, programma’s en richtsnoeren niet tot gevolg dat de uitvoering van het protocol wordt geparalyseerd, en verhindert het evenmin de afgifte van lozingsvergunningen, maar verruimt het de beoordelingsbevoegdheid van de lidstaten bij de afgifte van deze vergunningen. De uitoefening van deze bevoegdheid kan door de rechter worden getoetst.
38 De coordination des pêcheurs en de Commissie voegen daaraan toe dat de uit het herziene protocol voortvloeiende versie van artikel 6 en de andere in de bijlagen aangebrachte wijzigingen niet afdoen aan het hiervoor uiteengezette oordeel.
Beoordeling door het Hof
39 Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet een bepaling van een door de Gemeenschap met derde landen gesloten overeenkomst worden geacht rechtstreeks toepasselijk te zijn, wanneer zij, gelet op haar bewoordingen en op het doel en de aard van de overeenkomst, een duidelijke en nauwkeurig omschreven verplichting behelst voor welker uitvoering en werking geen verdere handeling vereist is (zie met name arrest Demirel, reeds aangehaald, punt 14, en arrest van 8 mei 2003, Wählergruppe Gemeinsam, C-171/01, Jurispr. blz. I-4301, punt 54).
40 Om uit te maken of artikel 6, lid 3, van het protocol aan deze criteria voldoet, dienen om te beginnen de bewoordingen ervan te worden onderzocht.
41 Deze bepaling legt in duidelijke, nauwkeurig omschreven en onvoorwaardelijke bewoordingen de verplichting van de lidstaten vast om voor lozingen van de in bijlage II bij het protocol vermelde stoffen een door de bevoegde nationale autoriteiten afgegeven vergunning te vereisen, waarbij rekening wordt gehouden met de bepalingen van bijlage III bij dit protocol.
42 Zoals de Commissie terecht heeft beklemtoond, doet de omstandigheid dat de nationale autoriteiten ten aanzien van de in bijlage III genoemde criteria over een beoordelingsmarge beschikken bij de afgifte van de vergunningen, niets af aan de duidelijkheid, de nauwkeurigheid en de onvoorwaardelijkheid van het uit artikel 6, lid 3, van het protocol voortvloeiende verbod om zonder voorafgaande vergunning lozingen te verrichten.
43 Deze vaststelling wordt bevestigd door het doel en de aard van het protocol.
44 Blijkens de artikelen 1 en 4 van het protocol heeft dit immers tot doel verontreiniging van het Middellandse-Zeegebied door lozingen van rivieren, langs de kust gelegen installaties of rioleringen, of afkomstig van andere bronnen van verontreiniging op hun grondgebied, te voorkomen, te verminderen, te bestrijden en onder controle te houden. Hiertoe verplicht artikel 1 van het protocol, onder herhaling van de ingevolge de artikelen 4 en 8 van het verdrag aangegane verplichtingen, de verdragspartijen „alle dienstige maatregelen” te nemen.
45 Met de instelling van een stelsel van voorafgaande vergunningen van de bevoegde nationale autoriteiten voor de lozing van de in bijlage II vermelde stoffen draagt artikel 6, lid 3, van het protocol ertoe bij dat de lidstaten de verontreiniging vanaf het land in het toepassingsgebied van het protocol onder controle houden. Wordt erkend dat de betrokken bepaling rechtstreekse werking heeft, dan kan dit slechts het doel van het protocol, zoals hierboven in herinnering gebracht, dienen en beantwoorden aan de aard van het instrument, dat vooral bestemd is om een verontreiniging als gevolg van het tekortschieten van de overheidsinstanties te voorkomen.
46 De voorgaande overwegingen gelden eveneens voor de uitlegging van artikel 6, lid 1, van het herziene protocol. De verwijzing daarin naar relevante besluiten en aanbevelingen van de bijeenkomsten van verdragspartijen, waarmee de bevoegde nationale autoriteiten rekening moeten houden, tast niet de duidelijkheid, nauwkeurigheid en onvoorwaardelijkheid van het verbod op lozingen zonder vergunning aan. Bovendien hebben de bij besluit 1999/801 goedgekeurde wijzigingen het doel of de aard van het protocol geenszins gewijzigd.
47 Gelet op een en ander, moet op de eerste vraag worden geantwoord dat zowel artikel 6, lid 3, van het protocol als artikel 6, lid 1, van het herziene protocol, na inwerkingtreding ervan, rechtstreekse werking heeft, zodat iedere belanghebbende het recht heeft zich voor de nationale rechter op die bepalingen te beroepen.
Werkingssfeer van artikel 6, lid 3, van het protocol en artikel 6, lid 1, van het herziene protocol
48 Zoals de coordination des pêcheurs, de Franse regering en de Commissie terecht hebben opgemerkt, verwijst de in artikel 6, lid 3, van het protocol bedoelde bijlage III, waarin de bij de afgifte van vergunningen voor de lozing van afvalstoffen in aanmerking te nemen factoren zijn vermeld, zelf naar bijlage II, waarin de stoffen zijn vermeld die de betrokken afvalstoffen bevatten. Hiertoe behoren, onder punt 11, de „stoffen die, direct of indirect, een schadelijk effect hebben op het zuurstofgehalte van het mariene milieu, vooral die welke eutrofiëring kunnen veroorzaken”, en, onder punt 13, de „stoffen die, hoewel niet van nature toxisch, schadelijk kunnen worden voor het mariene milieu of die een storende factor kunnen zijn bij het legitieme gebruik van de zee in verband met de geloosde hoeveelheden”.
49 De punten 11 en 13 stellen het vereiste van een voorafgaande vergunning voor de lozing van de daarin bedoelde stoffen niet afhankelijk van de toxiciteit daarvan.
50 Hetzelfde geldt voor de werkingssfeer van artikel 6, lid 1, van het herziene protocol.
51 Krachtens deze bepaling is voortaan immers voor alle „puntbronlozingen in het protocolgebied [waaronder, krachtens artikel 3, sub d, van het herziene protocol, de zoutwatermoerassen die in verbinding staan met de Middellandse Zee], en lozingen in het water of emissies in de atmosfeer die het Middellandse-Zeegebied bereiken of kunnen aantasten”, en niet langer enkel voor de lozingen van de in bijlage II bij het protocol vermelde stoffen „een door de bevoegde overheden afgegeven vergunning of vastgestelde regeling vereist”, waarbij rekening wordt gehouden met de bepalingen van het herziene protocol en van bijlage II daarbij.
52 Gelet op het voorgaande, moet op de tweede vraag worden geantwoord dat zowel artikel 6, lid 3, van het protocol als artikel 6, lid 1, van het herziene protocol aldus moet worden uitgelegd dat het verboden is zonder vergunning van de bevoegde nationale autoriteiten in een zoutwatermoeras dat in verbinding staat met de Middellandse Zee, stoffen te lozen die, hoewel niet-toxisch, een ongunstig effect hebben op het zuurstofgehalte van het mariene milieu.
Kosten
53 De kosten door de Franse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door de Cour de cassation bij arrest van 6 mei 2003 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 6, lid 3, van het op 17 mei 1980 te Athene ondertekende protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging vanaf het land, dat is goedgekeurd bij besluit 83/101/EEG van de Raad van 28 februari 1983, alsmede, na inwerkingtreding ervan, artikel 6, lid 1, van dit protocol, zoals gewijzigd tijdens de conferentie van gevolmachtigden op 7 en 8 maart 1996 te Syracuse, welke wijzigingen zijn goedgekeurd bij besluit 1999/801/EG van de Raad van 22 oktober 1999, hebben rechtstreekse werking, zodat iedere belanghebbende het recht heeft zich voor de nationale rechter op deze bepalingen te beroepen.
2) Deze bepalingen moeten aldus worden uitgelegd dat het verboden is zonder vergunning van de bevoegde nationale autoriteiten in een zoutwatermoeras dat in verbinding staat met de Middellandse Zee, stoffen te lozen die, hoewel niet-toxisch, een ongunstig effect hebben op het zuurstofgehalte van het mariene milieu.
Timmermans
Gulmann
Puissochet
Cunha Rodrigues
Schintgen
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 15 juli 2004.
De griffier
De president van de Tweede kamer
R. Grass
C. W. A. Timmermans
1 – Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy