Zaak C‑254/03 P
Eduardo Vieira SA
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Visserij – Visserijovereenkomst met Argentinië – Communautaire financiële bijstand – Vermindering”
Conclusie van advocaat-generaal A. Tizzano van 16 september 2004
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 13 januari 2005.
Samenvatting van het arrest
1. Hogere voorziening – Middelen – Loutere herhaling van voor Gerecht aangevoerde middelen en argumenten – Niet-ontvankelijkheid – Betwisting van wijze waarop Gerecht gemeenschapsrecht heeft uitgelegd of toegepast – Ontvankelijkheid
(Art. 225 EG; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, eerste alinea, sub c)
2. Visserij – Gemeenschappelijk structuurbeleid – Visserijovereenkomst tussen EEG en Argentinië – Communautaire financiële bijstand – Vermindering, opschorting of intrekking van bijstand – Toepassing van verordening nr. 4253/88
(Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Argentijnse Republiek inzake de betrekkingen op het gebied van de zeevisserij; verordening nr. 4253/88 van de Raad, art. 24)
3. Visserij – Gemeenschappelijk structuurbeleid – Visserijovereenkomst tussen EEG en Argentinië – Communautaire financiële bijstand – Vermindering van bijstand – Verplichting van communautaire autoriteiten om gemengde commissie of Argentijnse autoriteiten te raadplegen – Geen
(Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Argentijnse Republiek inzake de betrekkingen op het gebied van de zeevisserij)
4. Visserij – Gemeenschappelijk structuurbeleid – Communautaire financiële bijstand – Beschikking tot vermindering van bijstand – Raadpleging van comité die in verordening nr. 4028/86 niet dwingend is voorgeschreven – Ontoereikend om aan te nemen dat deze verordening deel uitmaakt van rechtsgrondslag van die beschikking
(Verordening nr. 4253/88 van de Raad)
1. Wanneer een rekwirant de uitlegging of de toepassing van het gemeenschapsrecht door het Gerecht betwist, kunnen de in eerste aanleg onderzochte rechtspunten in hogere voorziening opnieuw worden behandeld. De procedure van hogere voorziening zou immers ten dele aan betekenis verliezen, indien de rekwirant op die manier zijn hogere voorziening niet kon baseren op middelen en argumenten die reeds zijn aangevoerd voor het Gerecht. Uit artikel 225 EG, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 112, lid 1, eerste alinea, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt evenwel dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek ondersteunen.
(cf. punten 32‑33)
2. Gelijk uit artikel 3, lid 1, van verordening nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds, alsook uit het opschrift van artikel 24 van deze verordening, dat betrekking heeft op de vermindering, de opschorting of de intrekking van een financiële bijstand, volgt, is dit laatste artikel niet alleen van toepassing op de door de structuurfondsen gefinancierde bijstand, maar ook op de bijstand uit middelen uit de communautaire begroting die zijn toegewezen aan andere acties met een structureel karakter, zoals de bijstand waarin de overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Argentijnse Republiek inzake de betrekkingen op het gebied van de zeevisserij voorziet.
(cf. punt 39)
3. De verlening van financiële bijstand aan reders uit de Gemeenschap met het oog op de oprichting van gemengde vennootschappen in het kader van de overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Argentijnse Republiek inzake de betrekkingen op het gebied van de zeevisserij is een taak die deze overeenkomst alleen aan de gemeenschapsinstanties opdraagt. Welnu, aangezien deze instanties niet verplicht zijn om de gemengde commissie of de Argentijnse autoriteiten te raadplegen voor de toekenning van deze financiële bijstand, bestaat een dergelijke verplichting evenmin voor tegenovergestelde handelingen.
(cf. punten 48‑49)
4. Het niet-verplichte raadplegen door de Commissie van een comité, zoals voorgeschreven in verordening nr. 4028/86 inzake communautaire acties voor verbetering en aanpassing van de structuur van de visserij en de aquicultuur, volstaat op zichzelf niet om aan te nemen dat deze verordening deel uitmaakt van de rechtsgrondslag van een beschikking tot vermindering van een financiële bijstand, die na deze raadpleging is vastgesteld.
(cf. punt 55)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
13 januari 2005(1)
„Hogere voorziening – Visserij – Visserijovereenkomst met Argentinië – Communautaire financiële bijstand – Vermindering”
In zaak C-254/03 P,betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof, ingesteld op 13 juni 2003,
Eduardo Vieira SA , vertegenwoordigd door J.-R. García-Gallardo Gil-Fournier en D. Domínguez Pérez, abogados,
rekwirante,
andere partij in de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen , vertegenwoordigd door S. Pardo Quintillán als gemachtigde, bijgestaan door J. Rivas-Andres en J. Gutiérrez Gisbert, avocats, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg, wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),,
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, N. Colneric (rapporteur), J. N. Cunha Rodrigues, M. Ilešič en E. Levits, rechters,
advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 september 2004,
het navolgende
Arrest
1 In haar hogere voorziening verzoekt Eduardo Vieira SA (hierna: „SAEV”) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 3 april 2003, Vieira e.a./Commissie (T-44/01, T-119/01 en T-126/01, Jurispr. blz. II-1209; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van haar beroep tot nietigverklaring van de beschikking van 19 maart 2001 waarbij de Commissie de bijstand heeft verminderd die was verleend aan het project ARG/ESP/SM/26-94 voor de oprichting van een gemengde vennootschap in het kader van de overeenkomst inzake de betrekkingen tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Argentijnse Republiek op het gebied van de zeevisserij (hierna: „bestreden beschikking”).
Het rechtskader
De overeenkomst inzake de betrekkingen tussen de Gemeenschap en de Argentijnse Republiek op het gebied van de zeevisserij
2 De overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Argentijnse Republiek inzake de betrekkingen op het gebied van de zeevisserij (hierna: „visserijovereenkomst”) is namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 3447/93 van de Raad van 28 september 1993 (PB L 318, blz. 1).
3 Artikel 5, leden 1 en 2, van de visserijovereenkomst bepaalt:
„1. De overeenkomstsluitende partijen scheppen gunstige voorwaarden voor de vestiging in Argentinië van ondernemingen die zijn opgericht met kapitaal uit een of meer lidstaten van de Gemeenschap en voor de totstandbrenging van gemengde vennootschappen en tijdelijke samenwerkingsverbanden in de visserijsector tussen reders uit Argentinië en uit de Gemeenschap, met het oog op de gezamenlijke exploitatie, en eventueel verwerking, van de Argentijnse visbestanden, overeenkomstig het bepaalde in Protocol I en in de bijlagen I en II.
2. Argentinië kent aan de in lid 1 bedoelde eenheden de in Protocol I vastgestelde vangstmogelijkheden toe, met inachtneming van het bepaalde in de bijlagen I tot en met IV.”
4 Artikel 2, sub e, van deze overeenkomst definieert de „gemengde vennootschap” als „een vennootschap naar privaatrecht die is opgericht door een of meer reders uit de Gemeenschap en een of meer Argentijnse natuurlijke personen of rechtspersonen, die een overeenkomst hebben gesloten inzake een gemengde vennootschap met het doel de Argentijnse visbestanden te exploiteren en eventueel te verwerken, bij voorrang met het oog op de voorziening van de markt van de Gemeenschap”.
5 Volgens artikel 5, lid 3, van diezelfde overeenkomst brengt de oprichting van een gemengde vennootschap in beginsel mee dat een vaartuig uit de Gemeenschap naar Argentinië wordt overgebracht. Dit laatste wordt dan uit het register van de Gemeenschap geschrapt.
6 Artikel 6 van de visserijovereenkomst luidt:
„De overeenkomstsluitende partijen selecteren de projecten voor tijdelijke samenwerkingsverbanden, bedrijfsvestigingen en gemengde vennootschappen, als bedoeld in artikel 5, waaraan de in Protocol I vastgestelde vangstmogelijkheden worden toegewezen. De projecten worden op basis van de in bijlage III vastgestelde voorschriften en criteria geselecteerd.”
7 Artikel 7, lid 1, van deze overeenkomst bepaalt:
„Teneinde de oprichting van ondernemingen als bedoeld in artikel 5 te stimuleren, wordt voor door de overeenkomstsluitende partijen op grond van artikel 6 geselecteerde projecten financiële bijstand verleend overeenkomstig het bepaalde in Protocol I.”
8 In punt 2 van bijlage III bij diezelfde overeenkomst is bepaald dat de projecten tot oprichting van gemengde vennootschappen door de lidstaten bij de Commissie worden ingediend „overeenkomstig de in de communautaire wetgeving vastgestelde voorschriften ter zake”.
9 Overeenkomstig punt 3 van deze bijlage legt de Gemeenschap de gemengde commissie de lijst voor van de projecten die voor financiële bijstand in aanmerking komen. Voorts luidt deze bepaling:
„De gemengde commissie evalueert de projecten in hoofdzaak op basis van de onderstaande criteria:
a) de overeenstemming tussen de beschikbare technieken en de voorgenomen visserijactiviteiten,
b) de soorten waarop wordt gevist en de visserijzones,
c) het moderniseringsniveau van de vaartuigen,
d) de totale investeringen in het kader van het project,
e) de investeringen in installaties aan land,
f) de ervaring op visserijgebied van de reder uit de Gemeenschap en eventueel de Argentijnse reder.”
10 Overeenkomstig de punten 4 en 5 van bijlage III bij de visserijovereenkomst worden de projecten op aanbeveling van de gemengde commissie goedgekeurd door de „Argentijnse uitvoerende autoriteit en door de Gemeenschap”.
11 Protocol I van deze overeenkomst heeft als titel „Vangstmogelijkheden en financiële bijstand […]” In artikel 1 daarvan worden de jaarlijkse maximale vangstmogelijkheden vastgesteld voor de in diezelfde overeenkomst bedoelde overschotsoorten (macruronus magellanicus, illex argentinus, salilota australis en/of macrourus whitsoni) en niet-overschotsoorten (merluccius hubbsi).
12 De gemengde vennootschappen mogen de genoemde overschotsoorten en niet-overschotsoorten vangen binnen de in protocol I vastgestelde grenzen (artikel 6 van de visserijovereenkomst) en ontvangen financiële bijstand overeenkomstig het bepaalde in hetzelfde protocol (artikel 7 van deze overeenkomst).
13 Daartoe bepaalt artikel 3 van protocol I:
„1. [...] de Gemeenschap [verleent] financiële bijstand voor de oprichting van gemengde vennootschappen [...]
Deze financiële bijstand [...] wordt verleend aan reders uit de Gemeenschap als gedeeltelijke vergoeding voor hun aandeel in de kosten voor de oprichting van een gemengde vennootschap [...] en/of voor het schrappen van de desbetreffende vaartuigen uit het register van de Gemeenschap.
2. Teneinde de oprichting en de ontwikkeling van gemengde vennootschappen te stimuleren, verleent de Gemeenschap aan in Argentinië gevestigde gemengde vennootschappen een financiële bijstand die overeenkomt met vijftien procent (15 %) van het aan de reder uit de Gemeenschap toegekende bedrag. [...]
[...]
4. De voorschriften inzake het aanvragen van de bijstand en de wijze waarop de communautaire bijstand aan de in punt 1 bedoelde reder uit de Gemeenschap wordt uitbetaald, dienen met de in de communautaire wetgeving vastgestelde voorschriften ter zake in overeenstemming te zijn.
[...]”
De gemeenschapswetgeving inzake gemengde vennootschappen in de visserijsector
14 Op 18 december 1986 heeft de Raad verordening (EEG) nr. 4028/86 inzake communautaire acties voor verbetering en aanpassing van de structuur van de visserij en de aquacultuur (PB L 376, blz. 7) vastgesteld. Deze verordening, zoals achtereenvolgens gewijzigd bij verordeningen (EEG) van de Raad nr. 3944/90 van 20 december 1990 (PB L 380, blz. 1), nr. 2794/92 van 21 september 1992 (PB L 282, blz. 3) en nr. 3946/92 van 19 december 1992 (PB L 401, blz. 1; hierna: „verordening nr. 4028/86”), bepaalt in de artikelen 21 bis tot en met 21 quinquies dat de Commissie aan projecten van gemengde visserijvennootschappen diverse soorten financiële bijstand kan verlenen, waarvan het bedrag varieert naar gelang van de tonnage en de ouderdom van de betrokken vaartuigen, voorzover die projecten voldoen aan de gestelde voorwaarden.
15 De „gemengde vennootschap” wordt in artikel 21 bis van verordening nr. 4028/86 omschreven als een vennootschap naar privaatrecht „die is opgericht door een of meer reders uit de Gemeenschap enerzijds en een of meer partners uit een derde land [...] om visbestanden in de wateren onder de soevereiniteit en/of jurisdictie van dit derde land te exploiteren en eventueel te valoriseren door bij voorrang de markt van de Gemeenschap van vis te voorzien”. De Commissie verleent aan de projecten van gemengde vennootschappen financiële bijstand „ter dekking van de financiële inbreng van de partner of partners uit de Gemeenschap in het in de gemengde vennootschap geïnvesteerde kapitaal” (artikel 21 quater, lid 1).
16 Artikel 44 van verordening nr. 4028/86, die tot en met 31 december 1993 van toepassing is geweest, bepaalt:
„Tijdens de volledige duur van de communautaire bijstand verstrekt de daartoe door de betrokken lidstaat aangewezen autoriteit of instantie de Commissie op haar verzoek alle bewijsstukken of bescheiden waarmee kan worden aangetoond dat met betrekking tot elk project aan de financiële of andere voorwaarden is voldaan. De Commissie kan volgens de procedure van artikel 47 besluiten de bijstand te schorsen, te verminderen of in te trekken, indien:
– het project niet zoals voorzien wordt uitgevoerd, of
– aan bepaalde voorwaarden niet wordt voldaan, of
[...]”
17 Met de vaststelling van verordening (EEG) nr. 2080/93 van de Raad van 20 juli 1993 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot het financieringsinstrument voor de oriëntatie van de visserij (PB L 193, blz. 1), en verordening (EG) nr. 3699/93 van de Raad van 21 december 1993 tot vaststelling van de criteria en voorwaarden voor de structurele bijstand van de Gemeenschap in de sector visserij/aquacultuur en verwerking/afzet van de producten daarvan (PB L 346, blz. 1), zijn het beheer en de financiering van de gemengde vennootschappen geïntegreerd in het financieel instrument voor de oriëntatie van de visserij (FIOV). De lidstaten zijn thans verantwoordelijk voor de selectie van de te financieren projecten van gemengde vennootschappen. Zij zijn ook belast met de administratie en de controle van de projecten.
18 Krachtens artikel 9, lid 1, van verordening nr. 2080/93 is verordening nr. 4028/86 met ingang van 1 januari 1994 ingetrokken. Deze laatste verordening en de uitvoeringsbepalingen ervan zijn evenwel van toepassing gebleven op de aanvragen voor financiële bijstand die vóór deze datum zijn ingediend.
19 Artikel 3, lid 1, derde streepje, van verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds (PB L 374, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2082/93 van de Raad van 20 juli 1993 (PB L 193, blz. 20; hierna: „verordening nr. 4253/88), bepaalt dat de Commissie bij de verwezenlijking van de doelstellingen als bedoeld in artikel 1 van verordening nr. 2052/88 zorg draagt, in het kader van het partnerschap, voor de samenhang tussen de bijstand uit de Fondsen en die uit middelen uit de communautaire begroting die aan de andere acties met een structureel karakter zijn toegewezen. Volgens artikel 24 van verordening nr. 4253/88 kan de Commissie, na een passend onderzoek van het geval „waarin het bedrag van de toegekende financiële bijstand door de stand van de uitvoering van een actie of maatregel noch gedeeltelijk, noch geheel lijkt te worden gerechtvaardigd” (lid 1), „de bijstand voor de betrokken actie of maatregel verminderen of schorsen indien het onderzoek een onregelmatigheid bevestigt of een belangrijke wijziging die strijdig is met de aard of de uitvoeringsvoorwaarden van de actie of maatregel en waarvoor niet om haar goedkeuring is verzocht” (lid 2).
20 Krachtens artikel 54 van verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de structuurfondsen (PB L 161, blz. 1) is verordening nr. 4253/88 ingetrokken met ingang van 1 januari 2000. Genoemde verordening is evenwel ingetrokken „onverminderd artikel 52, lid 1”. Volgens laatstgenoemde bepaling doet verordening nr. 1260/1999 „geen afbreuk aan de voortzetting noch aan de wijziging, met inbegrip van de gedeeltelijke of volledige intrekking, van bijstandspakketten die [...] de Commissie [heeft] goedgekeurd op grond van [...] verordening [...] nr. 4253/88”.
De feiten van het geding
21 De feiten die aan de oorsprong liggen van het beroep bij het Gerecht, worden in het bestreden arrest uiteengezet als volgt:
„18 In het kader van de visserijovereenkomst heeft de Spaanse vennootschap [SAEV] een project ingediend om samen met een Argentijnse reder een gemengde vennootschap op te richten onder de benaming Vieira Argentina, SA (hierna: VASA). Het project voorzag in de vangst van zwarte Patagonische ijsheek. Het communautaire vaartuig Ibsa Cuarto , later omgedoopt tot Vieirasa XII , moest voor het project worden bestemd.
19 Bij brief van 13 oktober 1994 heeft de Commissie SAEV meegedeeld dat het project niet in aanmerking kon komen aangezien de bedoelde vissoort niet tot de in de visserijovereenkomst bedoelde soorten behoorde.
20 De Spaanse autoriteiten hebben de Commissie dan bij brief van 20 oktober 1994 de documenten gezonden waaruit blijkt dat het vangstplan dat verzoekster hun had meegedeeld, was gewijzigd. Volgens dit plan zou in de Argentijnse Exclusieve Economische Zone (EEZ) worden gevist op de in protocol I van de visserijovereenkomst bedoelde overschotsoorten Patagonische grenadier, grenadiervis (macrourus whitsoni) en Argentijnse kabeljauw.
21 Bij brief van 8 december 1994 heeft de Commissie SAEV meegedeeld dat haar project door de gemengde commissie van 5 en 6 december 1994 niet was aanbevolen aangezien de Argentijnse partner de zwarte Patagonische ijsheek (niet in de visserijovereenkomst vermelde vissoort) absoluut in het aan de Argentijnse autoriteiten voorgestelde vangstplan wenste te behouden.
22 Bij faxbericht van 12 december 1994 heeft SAEV de Commissie laten weten dat de Argentijnse partner had ‚afgezien van de vangst van zwarte Patagonische ijsheek, in een brief van 24 november 1994 aan het Argentijnse directoraat-generaal visvangst en landbouw’.
23 De Argentijnse autoriteiten hebben het project goedgekeurd bij besluit nr. 14/95 van 14 juli 1995 en hebben de Vieirasa XII een visvergunning voor overschotsoorten verleend krachtens welke het vaartuig 1 204 ton grenadiervis, 1 204 ton Argentijnse kabeljauw, 301 ton Patagonische grenadier en 301 ton van andere soorten mocht vangen.
24 Bij brief van 18 juli 1995 heeft de gemengde vennootschap VASA de Argentijnse autoriteiten verzocht aan de op basis van de visserijovereenkomst verleende visvergunning een bijkomende vergunning toe te voegen voor de vangst van zwarte Patagonische ijsheek.
25 Bij beschikking van 25 juli 1995 (hierna: ‚bijstandsbeschikking […]’) heeft de Commissie de toekenning van financiële bijstand aan het door SAEV ingediende project (project ARG/ESP/SM/26-94) goedgekeurd ‚onder de in de bepalingen van de [visserij]overeenkomst [...], in de toepasselijke gemeenschapswetgeving en in de voorschriften van de bijlagen gestelde voorwaarden’ (artikel 1).
26 In bijlage I bij de bijstandsbeschikking van 25 juli 1995 wordt de bijstand aan SAEV vastgesteld op 1 881 936 ECU. In deze bijlage wordt eveneens de bijstand aan de gemengde vennootschap VASA vastgesteld, ten belope van 15 % van het aan SAEV toegekende bedrag, namelijk 282 290,4 ECU. De totale bijstand voor het project beloopt dus 2 164 226,4 ECU.
27 Bijlage I van de bijstandsbeschikking van 25 juli 1995 bepaalt verder:
‘In de gegevens van de onderhavige bijlage mag geen wijziging worden aangebracht zonder voorafgaande toestemming van de Argentijnse autoriteiten en van de Commissie.’
28 Bij besluit van 14 november 1995 hebben de Argentijnse autoriteiten de Vieirasa XII een definitieve visvergunning verleend waarbij de tonnage van de overschotsoorten wordt verminderd tot 750 ton grenadiervis, 230 ton Argentijnse kabeljauw, 230 ton Patagonische grenadier en een nieuwe visvergunning wordt ingevoegd voor 1 800 ton zwarte Patagonische ijsheek.
29 Op 27 juni 1996 heeft de Commissie de eerste tranche (80 %) van de bijstand uitbetaald.
30 De Vieirasa XII heeft op 5 juli 1996 de Argentijnse wateren definitief verlaten om in internationale wateren te gaan vissen.
31 SAEV heeft op 25 februari 1997 verzocht om uitbetaling van het saldo van de bijstand.
32 Bij brief van 21 april 1998 heeft de Commissie SAEV meegedeeld dat de procedure tot vermindering van de communautaire bijstand kon worden ingeleid indien SAEV geen bevredigend antwoord zou geven. Volgens de Commissie vormde het vertrek van het vaartuig uit de Argentijnse wateren op 5 juli 1996 een schending van artikel 5, lid 1, van de visserijovereenkomst en van artikel 3, lid 1, van protocol I van deze overeenkomst, aangezien de gemengde vennootschappen worden opgericht voor de exploitatie en eventueel de verwerking van de Argentijnse visbestanden.
33 Op 19 mei 1998 heeft SAEV opmerkingen ingediend. In deze brief heeft zij uiteengezet waarom volgens haar de voorwaarden voor bijstandsverlening niet waren geschonden.
34 Bij brief van 9 juni 1999 heeft de Commissie SAEV meegedeeld dat volgens haar ‚uit de toelichting in de brief van 19 mei 1998 niet k[o]n worden geconcludeerd dat de gemeenschapswetgeving was nagekomen, maar dat daaruit wel bl[ee]k dat het vaartuig op 5 juli 1996 de Argentijnse wateren had verlaten’. Om deze redenen heeft de Commissie verklaard dat zij ‚[had] besloten de bijstand voor dit project te verminderen’. In de brief gaf zij aan hoe de vermindering wordt berekend en concludeer[de] zij dat haar een bedrag van 355 477 EUR moet worden terugbetaald. Indien SAEV niet met de voorgestelde oplossing instemt, zou de Commissie zich genoodzaakt zien ‚de lopende procedure tot vermindering en terugvordering voort te zetten’.
35 Op deze mededeling is een briefwisseling gevolgd tussen SAEV (brieven van 16 juli 1999, 21 december 1999 en 5 april 2000) en de diensten van de Commissie (brieven van 23 september 1999 en 28 februari 2000). Voorts hebben vergaderingen plaatsgevonden met de vertegenwoordigers van SAEV en de diensten van de Commissie.
36 Bij brief van 14 september 2000 heeft de Commissie SAEV meegedeeld dat op basis van een nieuwe berekening volgens haar een bedrag van 419 446 EUR moest worden terugbetaald.
37 Ervan uitgaande dat de Commissie onwettig had verzuimd haar het saldo van de communautaire bijstand uit te betalen, heeft SAEV bij brief van 21 september 2000 de Commissie formeel aangemaand tot betaling.
38 Bij brief van 16 oktober 2000 heeft de Commissie SAEV meegedeeld dat er een procedure tot vermindering van de bijstand aan de reder uit de Gemeenschap lopende was en dat na raadpleging van het permanent comité voor de visserijstructuur een besluit ter zake zou worden vastgesteld.
39 Bij [de bestreden beschikking], gericht aan het Koninkrijk Spanje en aan SAEV, heeft de Commissie de financiële bijstand verminderd die aan deze vennootschap was toegekend. In artikel 2 van de beschikking wordt SAEV gelast het bedrag van 419 446 EUR terug te betalen. Deze beschikking spreekt zich niet uit over een eventuele vermindering van de bijstand aan de gemengde vennootschap VASA.
40 [De bestreden beschikking] is gemotiveerd als volgt:
‚2. Krachtens artikel 1 van de [...] beschikking [tot toekenning van bijstand van 25 juli 1995] was de bijstand toegekend onder de in de bepalingen van de [visserij]overeenkomst [...], in de toepasselijke gemeenschapswetgeving en in de voorschriften van de bijlagen gestelde voorwaarden.
3. De visserijovereenkomst, en in het bijzonder artikel 5, lid 1, daarvan bepaalt dat de oprichting van gemengde vennootschappen in Argentinië de exploitatie van de Argentijnse visbestanden onder de in protocol I en de bijlagen I en II gestelde voorwaarden tot doel heeft; krachtens artikel 6 mogen de gemengde vennootschappen de in protocol I vermelde hoeveelheden vangen.
4. In punt 3.2.1 van deel B van het door [SAEV] ingevulde en ondertekende aanvraagformulier voor communautaire bijstand is uitdrukkelijk vermeld dat de Commissie enkel financiële bijstand verleent aan projecten die tot doel hebben de visbestanden in de wateren onder de soevereiniteit en/of jurisdictie van het betrokken derde land te exploiteren.
5. [...]
6. Bijgevolg werd de communautaire bijstand voor de oprichting van de betrokken gemengde vennootschap enkel toegekend voor de vangst door het vissersvaartuig Ibsa Cuarto van de in de bijlagen bij de [bijstandsbeschikking van 25 juli 1995] genoemde soorten, namelijk de grenadiervis, de Patagonische grenadier en de Argentijnse kabeljauw, en dit in de Argentijnse wateren.
7. Vanaf 5 juli 1996 heeft het vaartuig Ibsa Cuarto zijn activiteit in de Argentijnse EEZ stopgezet en in de internationale wateren de visserij voortgezet voor de vangst van zwarte Patagonische ijsheek, zonder de Commissie daarover vooraf te hebben aangesproken en zonder haar toestemming te hebben verkregen.’
41 Na te hebben vermeld dat zij op 2 juli 1997 kennis heeft genomen van deze situatie, concludeert de Commissie in punt 9 van [de bestreden] beschikking dat SAEV de voorwaarden voor toekenning van de financiële bijstand niet is nagekomen. Vervolgens berekent zij de vermindering van de betrokken bijstand in de punten 10 tot en met 13 van deze beschikking. Zij merkt om te beginnen op dat SAEV overeenkomstig het in verordening nr. 3699/93 vastgestelde steuntarief recht heeft op bijstand ten belope van 688 187 EUR wegens de definitieve overdracht van het vaartuig Vieirasa XII aan de gemengde vennootschap. Het saldo van de haar bij de bijstandsbeschikking van 25 juli 1995 verleende bijstand bedraagt dus 1 193 749 EUR (1 881 936 - 688 187). Aangezien de Vieirasa XII slechts twaalf maanden (op de voorziene 36 maanden) in de Argentijnse wateren actief is geweest, concludeert de Commissie dat SAEV recht heeft op slechts een derde van de voorziene 1 193 749 EUR, dit is 397 916 EUR. De aldus verminderde bijstand bedraagt volgens de Commissie in het totaal dus 1 086 103 EUR (397 916 + 688 187). SAEV, die reeds 80 % van de bijstand (1 505 549 EUR) had ontvangen, moet de Commissie dus 419 446 EUR terugbetalen.”
De procedure voor het Gerecht en het bestreden arrest
22 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 8 juni 2001, heeft SAEV een beroep tot nietigverklaring van de bestreden beschikking ingesteld.
23 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep verworpen en SAEV verwezen in de kosten.
De vorderingen in hogere voorziening
24 SAEV concludeert dat het het Hof behage:
– de onderhavige hogere voorziening ontvankelijk te verklaren,
– het bestreden arrest te vernietigen,
– de Commissie te verwijzen in de kosten, zowel die welke in de procedure voor het Hof als die welke in de procedure voor het Gerecht zijn opgekomen.
25 De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
– het eerste middel, het tweede middel wat het tweede onderdeel ervan betreft, het derde en het vijfde middel wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid af te wijzen,
– de gehele hogere voorziening of, in voorkomend geval, het ontvankelijk verklaarde gedeelte ervan, af te wijzen,
– rekwirante te verwijzen in de kosten van deze aanleg.
De hogere voorziening
26 Ter onderbouwing van haar hogere voorziening voert SAEV zes middelen inzake schending van het gemeenschapsrecht aan:
– schending van de visserijovereenkomst met betrekking tot de rechtsgrondslag van de bestreden beschikking;
– schending van de visserijovereenkomst met betrekking tot de rol van de gemengde commissie en van de Argentijnse autoriteiten;
– schending van de visserijovereenkomst wegens de toepassing van de procedure van artikel 44 van verordening nr. 4028/86 tijdens de procedure tot vermindering van de financiële bijstand;
– schending van de visserijovereenkomst wegens de toepassing van verordening nr. 3699/93 bij de berekening van het bedrag van de vermindering van de financiële bijstand;
– schending van de visserijovereenkomst met betrekking tot overmacht;
– schending van de visserijovereenkomst met betrekking tot het vereiste dat de Argentijnse visserijzone alleen met de toestemming van Commissie mocht worden verlaten.
Het eerste middel
Argumenten van partijen
27 SAEV betwist het oordeel van het Gerecht in punt 94 van het bestreden arrest dat „[de Commissie], [a]angezien de bijstand terecht onder meer op basis van verordening nr. 4253/88 is verleend, materieel bevoegd [was] om de bestreden beschikkingen eveneens op deze verordening, en met name op artikel 24 daarvan, te baseren”.
28 Zij voert ter zake aan dat het Gerecht van een onjuiste rechtsopvatting blijk heeft gegeven door te concluderen dat de bijstandsbeschikking op verordening nr. 4253/88 is gebaseerd, aangezien artikel 1 van deze beschikking naar „de toepasselijke gemeenschapswetgeving” verwijst.
29 Volgens SAEV bevat de visserijovereenkomst geen enkele specifieke bepaling betreffende een mogelijke vermindering of intrekking van financiële bijstand. In de considerans van de bijstandsbeschikking zelf wordt alleen verordening nr. 3447/93 genoemd en wordt geen enkele andere gemeenschapsbepaling aangehaald. De visserijovereenkomst lijkt dus in beginsel de enige rechtsgrondslag van deze beschikking te zijn.
30 De Commissie is van mening dat dit betoog niet ontvankelijk is omdat het fundamenteel identiek is aan het betoog dat in eerste aanleg is gevoerd.
31 Ten gronde stelt zij zich met name op het standpunt dat, gelijk het Gerecht heeft geoordeeld, de verwijzing naar de toepasselijke gemeenschapsregeling dient te worden uitgelegd als een verwijzing naar verordening nr. 4253/88. Deze verordening is overeenkomstig artikel 3, lid 1, derde streepje, ervan van toepassing op de diverse bijstandsmaatregelen uit middelen uit de communautaire begroting die aan de andere acties met een structureel karakter zijn toegewezen. Welnu, de verlening van financiële bijstand voor de oprichting van gemengde vennootschappen in het kader van de visserijovereenkomst heeft een structureel karakter.
Beoordeling door het Hof
– De ontvankelijkheid van het middel
32 Opgemerkt zij dat wanneer een rekwirant de uitlegging of de toepassing van het gemeenschapsrecht door het Gerecht betwist, de in eerste aanleg onderzochte rechtspunten in hogere voorziening opnieuw kunnen worden behandeld. De procedure van hogere voorziening zou immers ten dele aan betekenis verliezen, indien de rekwirant op die manier zijn hogere voorziening niet kon baseren op middelen en argumenten die reeds zijn aangevoerd voor het Gerecht (zie beschikking van 11 november 2003, Martinez/Parlement, C-488/01 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 39, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 Uit artikel 225 EG, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 112, lid 1, eerste alinea, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek ondersteunen (zie beschikking Martinez/Parlement, reeds aangehaald, punt 40 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
34 In casu wordt met het eerste middel opgekomen tegen het standpunt waarop het Gerecht zich heeft gesteld met betrekking tot een aan hem voorgelegde rechtsvraag, namelijk de uitlegging die moet worden gegeven aan de bepalingen van de visserijovereenkomst enerzijds en van de bijstandsbeschikking anderzijds. SAEV heeft de aan het Gerecht verweten onjuiste rechtsopvatting duidelijk aangegeven en heeft kritiek uitgeoefend op de door het Gerecht gevolgde uitlegging van het gemeenschapsrecht.
35 Bijgevolg is het eerste middel ontvankelijk.
– De gegrondheid van het middel
36 Artikel 3, lid 4, van protocol I bij de visserijovereenkomst bepaalt dat de voorschriften inzake de wijze waarop de communautaire bijstand aan de in lid 1 bedoelde reder uit de Gemeenschap wordt uitbetaald, met de in de communautaire regeling vastgestelde voorschriften ter zake in overeenstemming dienen te zijn.
37 Aldus bepaalt artikel 1, lid 1, van de bijstandsbeschikking dat de bijstand wordt toegekend onder de met name in de toepasselijke gemeenschapsregeling gestelde voorwaarden.
38 In de tweede overweging van de considerans verwijst diezelfde beschikking naar de doelstellingen van het communautaire structuurbeleid op het gebied van de visserij. De verwijzing naar de toepasselijke gemeenschapsregeling in artikel 1 van deze beschikking moet dan ook worden opgevat als een verwijzing naar de regeling betreffende de acties met een structureel karakter.
39 Artikel 24 van verordening nr. 4253/88, dat het opschrift „Vermindering, opschorting en intrekking van de bijstand” draagt, ziet met name op de financiële bijstand met een structureel karakter. Gelijk uit het opschrift en uit artikel 3, lid 1, van deze verordening volgt, is dit artikel 24 niet alleen van toepassing op de door de structuurfondsen gefinancierde bijstand, maar ook op de bijstand uit middelen uit de communautaire begroting die zijn toegewezen aan andere acties met een structureel karakter zoals die welke in casu aan de orde zijn.
40 Derhalve heeft het Gerecht in punt 92 van het bestreden arrest op goede gronden geoordeeld dat de verwijzing naar de „toepasselijke gemeenschapswetgeving” met name moet worden opgevat als een verwijzing naar verordening nr. 4253/88.
41 Uit wat voorafgaat volgt dat het eerste middel moet worden afgewezen.
Het tweede middel
Argumenten van partijen
42 Het tweede middel bestaat uit twee onderdelen.
43 In het eerste onderdeel voert SAEV aan dat het Gerecht het gemeenschapsrecht en de visserijovereenkomst heeft geschonden door te oordelen dat de Commissie niet verplicht was de gemengde commissie te raadplegen. Zij bekritiseert het oordeel van het Gerecht in de punten 104 tot en met 106 van het bestreden arrest, dat „de visserijovereenkomst uit twee gedeelten bestaat: het internationale gedeelte, namelijk de samenwerking tussen de Gemeenschap en de Republiek Argentinië, en het communautaire gedeelte, met onder meer de bijstandsverlening door de Commissie aan reders uit de Gemeenschap met het oog op de oprichting van gemengde vennootschappen in het kader van de visserijovereenkomst” en dat „[d]e toekenning van financiële bijstand aan reders uit de Gemeenschap voor de geselecteerde projecten [...] een eenzijdige handeling van de Gemeenschap [is] en derhalve tot het communautaire gedeelte van de visserijovereenkomst [behoort]”. SAEV verwijst dienaangaande naar een andere door de Gemeenschap gesloten visserijovereenkomst die, anders dan de onderhavige overeenkomst, de gemengde commissie veel beperkter bevoegdheden verleent. Zij concludeert hieruit dat de – op zijn minst consultatieve – deelneming van laatstgenoemde commissie niet kan worden uitgesloten.
44 De Commissie repliceert met name dat de visserijovereenkomst noch verordening nr. 3447/93 noch de toepasselijke gemeenschapsregeling enige bepaling bevat op grond waarvan de verplichte raadpleging van de gemengde commissie is vereist voor de vermindering of de intrekking van de door de Gemeenschap verleende financiële bijstand.
45 In het tweede onderdeel van het tweede middel betoogt rekwirante dat het Gerecht het gemeenschapsrecht en de visserijovereenkomst heeft geschonden door te oordelen dat de Commissie niet verplicht was de Argentijnse autoriteiten te raadplegen alvorens de financiële bijstand te verminderen. Zij merkt op dat de noot onderaan bladzijde 1 van bijlage I bij de bijstandsbeschikking een waarschuwing bevat volgens welke „in de gegevens van de onderhavige bijlage geen wijziging [mag] worden aangebracht zonder voorafgaande toestemming van de Argentijnse autoriteiten en van de Commissie”. Deze waarschuwing heeft ook betrekking op het bedrag van de toegekende bijstand.
46 Volgens de Commissie is dit onderdeel niet-ontvankelijk omdat rekwirante zich ertoe beperkt de voor het Gerecht voorgedragen argumenten te herhalen, en is het onderdeel hoe dan ook niet gegrond.
Beoordeling door het Gerecht
47 Zonder dat over de ontvankelijkheid van dit middel behoeft te worden beslist, moet worden vastgesteld dat het in elk geval ongegrond is.
48 Gelijk de advocaat-generaal in de punten 52 tot en met 56 en 62 van zijn conclusie terecht heeft opgemerkt, is de toekenning van financiële bijstand een taak die de visserijovereenkomst alleen aan de gemeenschapsinstanties opdraagt.
49 Aangezien er geen enkele verplichting tot raadpleging van de gemengde commissie of de Argentijnse autoriteiten voor een dergelijke toekenning bestaat, kan niet worden volgehouden dat een dergelijke verplichting voor tegenovergestelde handelingen bestaat.
50 Bijgevolg dient het tweede middel te worden afgewezen.
Het derde middel
Argumenten van partijen
51 Als derde middel voert SAEV aan dat het Gerecht van een onjuiste rechtsopvatting blijk heeft gegeven door het middel tot nietigverklaring af te wijzen dat aan de toepassing van de regeling inzake de vermindering van de financiële bijstand was ontleend. Zij stelt dat de Commissie artikel 44 van verordening nr. 4028/86 heeft toegepast, die (met ingang van 1 januari 1994) is ingetrokken bij verordening nr. 2080/93. De Commissie zou namelijk op 20 november 2000 het permanent comité voor de visserijstructuur hebben geraadpleegd krachtens de artikelen 44 en 47 van verordening nr. 4028/86. Op de agenda van dit comité stond vermeld „Bespreking en advies met stemming – procedure van artikel 44 van verordening (EG) nr. 4028/86 (beheerscomité)”. Deze vermelding is volledig in tegenspraak met de conclusies van het Gerecht, dat in punt 158 van het bestreden arrest heeft verklaard dat de omstandigheid dat „de Commissie conform verordening nr. 4028/86 een comité heeft geraadpleegd, niet [bewijst] dat de bestreden beschikking […] op deze verordening was gebaseerd”.
52 Volgens de Commissie is dit middel niet-ontvankelijk omdat rekwirante enerzijds de voor het Gerecht aangevoerde argumenten herhaalt, en anderzijds opnieuw een vermeend bewijselement heeft overgelegd, te weten de agendanota die reeds door het Gerecht is onderzocht.
53 Ten gronde stelt de Commissie vast dat de procedure van artikel 44 van verordening nr. 4028/86 vrijwillig is toegepast en dat dit rekwirante niet heeft benadeeld en een bijkomende waarborg van onpartijdigheid inhield.
Beoordeling door het Gerecht
54 Met haar derde middel tracht SAEV het oordeel van het Gerecht in punt 158 van het bestreden arrest op losse schroeven te zetten, dat, voorzover het rechtsgevolgen verbindt aan een feit, moet worden aangemerkt als een juridische kwalificatie die aan toetsing door het Hof is onderworpen.
55 Het Gerecht heeft evenwel niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het eenvoudig raadplegen van een comité, zoals voorgeschreven in verordening nr. 4028/86, op zichzelf niet volstaat om aan te nemen dat deze verordening deel uitmaakt van de rechtsgrondslag van de bestreden beschikking, die na deze raadpleging is vastgesteld.
56 Derhalve moet het derde middel ongegrond worden verklaard.
Het vierde middel
Argumenten van partijen
57 In haar vierde middel betoogt SAEV dat het Gerecht in punt 159 van het bestreden arrest heeft erkend dat de Commissie de bij verordening nr. 3699/93 vastgestelde steunschaal heeft toegepast. De Commissie heeft zich volgens SAEV evenwel niet laten leiden door de analogie met de bepalingen van deze verordening, gelijk het Gerecht in punt 163 van zijn arrest verklaart, doch heeft deze verordening rechtstreeks toegepast. Bijgevolg heeft de Commissie twee verschillende verordeningen toegepast: verordening nr. 4028/86, in casu artikel 44 ervan, met betrekking tot de procedure, en verordening nr. 3699/93 voor de berekening van het bedrag van de vermindering. Welnu, bij de berekening van de vermindering had zij zich moeten laten leiden door de schaal van verordening nr. 3699/93, maar zonder het kader van de visserijovereenkomst te verlaten en rekening houdend met de hierin vastgestelde schalen.
58 De toepassing van de bij verordening nr. 3699/93 vastgestelde schaal op vennootschappen die aan het door de visserijovereenkomst ingevoerde stelsel zijn onderworpen, roept een discriminatie in het leven voorzover voor de gemengde vennootschappen van een veel lagere schaal wordt uitgegaan dan die welke in de visserijovereenkomst is vastgesteld.
59 Het Gerecht heeft volgens SAEV derhalve blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zijn weigering te erkennen dat de Commissie, in plaats van verordening nr. 3699/93 rechtstreeks toe te passen, de vermindering had moeten berekenen op basis van de steun die overeenkomstig de visserijovereenkomst aan de gemengde vennootschap was toegekend, en deze steun vervolgens met 50 % had moeten verminderen, gelijk in verordening nr. 3699/93 is bepaald.
60 De toepassing van de bij verordening nr. 3699/93 vastgestelde schaal houdt voor de begunstigde een bijkomende sanctie in.
61 De Commissie was niet gerechtigd deze schaal toe te passen, aangezien de visserijovereenkomst op dit specifieke punt op geen enkele wijze naar de algemene regeling verwees.
62 De Commissie herinnert eraan dat het Gerecht in punt 157 van het bestreden arrest heeft geconcludeerd dat „[n]och verordening nr. 4028/86 noch verordening nr. 3699/93 dus de rechtsgrondslag van de bestreden beschikking [vormt]”. De Commissie heeft deze verordeningen niet toegepast, maar heeft zich alleen laten leiden door de overeenkomstige bepalingen ervan.
Beoordeling door het Hof
63 Als vierde middel stelt SAEV, zakelijk weergegeven, dat het Gerecht van een onjuiste rechtsopvatting blijk heeft gegeven door zijn weigering te erkennen dat de Commissie verordening nr. 3699/93 niet rechtstreeks had mogen toepassen.
64 SAEV betwist evenwel niet het oordeel van het Gerecht in punt 163 van het bestreden arrest, dat de Commissie voor de berekening van het definitieve bedrag van de aan rekwirante verschuldigde bijstand enkel gebonden was door het evenredigheidsbeginsel.
65 Bijgevolg heeft het Gerecht alleen op basis van het evenredigheidsbeginsel vastgesteld dat de Commissie zich op goede gronden heeft laten leiden door de overeenkomstige bepalingen van verordening nr. 3699/93 om het uit hoofde van de overdracht van het vaartuig aan rekwirante verschuldigde bedrag te bepalen.
66 Ofschoon SAEV betoogt dat het Gerecht van een onjuiste rechtsopvatting blijk heeft gegeven door te erkennen dat de Commissie gerechtigd was om de door verordening nr. 3699/93 vastgestelde schaal toe te passen, heeft zij niet uiteengezet in welke mate een dergelijke toepassing een schending van het evenredigheidsbeginsel oplevert.
67 Bijgevolg dient het vierde middel te worden afgewezen.
Het zesde middel
Argumenten van partijen
68 In haar zesde middel, dat vóór het vijfde moet worden onderzocht, verwijt SAEV het Gerecht, de visserijovereenkomst te hebben geschonden door in de punten 124 en 125 van het bestreden arrest te verklaren dat rekwirante verplicht was om de Commissie over de problemen bij de uitvoering van de projecten in te lichten en de voorafgaande toestemming van de Commissie nodig had alvorens de Argentijnse visserijzone te mogen verlaten, zelfs indien zij de uitdrukkelijke toestemming had ontvangen van de Argentijnse bevoegde autoriteit, op wie de verplichting rustte om de Commissie van deze toestand op de hoogte te brengen tijdens de bijeenkomsten van de gemengde commissie.
69 De overweging van het Gerecht in punt 124 van het bestreden arrest dat de Commissie eventueel maatregelen had kunnen nemen om de visserijovereenkomst overeenkomstig artikel 9, lid 1, daarvan aan te passen aan de nieuwe omstandigheden, indien zij correct was geïnformeerd, kan niet worden aanvaard. De Commissie was immers volledig op de hoogte van de omstandigheden en van de door de Argentijnse autoriteit genomen bewarende maatregelen, aangezien het samenwerkingsverband van de betrokken gemengde vennootschappen een verzoek om dergelijke maatregelen had ingediend bij de Raad en de Commissie.
70 De Commissie herinnert dienaangaande aan het bepaalde in artikel 24 van verordening nr. 4253/88, volgens hetwelk zij de financiële bijstand kan verminderen of opschorten indien het onderzoek een onregelmatigheid en met name een belangrijke wijziging bevestigt waarvoor niet om haar goedkeuring is verzocht. Zelfs indien uit de visserijovereenkomst wordt afgeleid dat de Commissie uiteindelijk tijdens de bijeenkomsten van de gemengde commissie door de Argentijnse autoriteiten in kennis zou zijn gesteld van het vertrek van een vaartuig uit de Argentijnse wateren, heeft rekwirante niet voldaan aan de verplichting tot informatie en loyale samenwerking, die op de begunstigden van communautaire bijstand rust.
Beoordeling door het Hof
71 Volgens bijlage I bij de bijstandsbeschikking mag geen wijziging in de gegevens ervan worden aangebracht zonder voorafgaande toestemming van de Argentijnse autoriteiten en van de Commissie.
72 Van diezelfde bijlage maakt eveneens deel uit de verwijzing naar het door SAEV ingediende gewijzigde project (ARG/ES/SM/26-94) tot oprichting van een gemengde vennootschap, dat expliciet het exploiteren en het verwerken van de Argentijnse visbestanden tot doel heeft.
73 Derhalve heeft het Gerecht in punt 125 van het bestreden arrest op goede gronden geoordeeld dat de door de gemengde vennootschappen geëxploiteerde vaartuigen de Argentijnse EEZ niet zonder voorafgaande toestemming van de Commissie mochten verlaten.
74 Bijgevolg dient het zesde middel te worden afgewezen.
Het vijfde middel
Argumenten van partijen
75 Rekwirante betoogt dat het Gerecht de verplichtingen van de Commissie met betrekking tot de juridische kwalificatie van sommige feiten als overmacht onjuist heeft beoordeeld.
76 Het Gerecht heeft in punt 145 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie in de bestreden beschikkingen geen rekening hoefde te houden met de uitputting van de visbestanden, doch dat rekwirante de Commissie vooraf om toestemming had moeten verzoeken alvorens de Argentijnse wateren te verlaten.
77 Dit staat op gespannen voet met het arrest van het Gerecht van 6 maart 2003, APOL en AIPO/Commissie (T-61/00 en T-62/00, Jurispr. blz. II-635, punt 72), volgens hetwelk een – zelfs niet op een tekst gebaseerde – administratieve praktijk in het kader waarvan de Commissie onderzoekt of er sprake is van een geval van overmacht op grond waarvan zij van intrekking van de bijstand zou moeten afzien, deze instelling kan binden telkens wanneer voor haar een beroep op overmacht wordt gedaan.
78 Rekwirante stelt dat de Commissie in haar brief van 28 februari 2000 lijkt te erkennen dat er sprake is van overmacht. De Commissie heeft zelf aangegeven dat zij de periode dat het vaartuig Vieirasa XII inactief was in de Argentijnse wateren, de periode tussen 5 juli 1996 (vertrek uit de Argentijnse wateren) en 31 december 1996 (einde van de biologische rust van de zwarte Patagonische ijsheek), met een periode van activiteit kon gelijkstellen. Het vertrek van het vaartuig uit de Argentijnse EEZ was enkel en alleen ingegeven door overmacht.
79 Volgens de Commissie is dit middel niet-ontvankelijk omdat in eerste aanleg op geen enkel ogenblik het bestaan van overmacht is ingeroepen.
80 Ten gronde stelt de Commissie dat zij nooit het mogelijkerwijs voorhanden zijn van overmacht heeft laten doorschemeren. Zij is van oordeel dat met betrekking tot het vertrek van het vaartuig uit de Argentijnse wateren niet is voldaan aan de voorwaarden om dit vertrek als gerechtvaardigd door overmacht te kunnen aanmerken, aangezien het bestaan van „abnormale en onvoorzienbare” omstandigheden niet is aangetoond. De uitputting van de betrokken visbestanden kan hoe dan ook niet als een onvoorzienbare omstandigheid worden beschouwd.
Beoordeling door het Hof
81 Het middel is ontvankelijk. In punt 105 van het inleidend verzoekschrift heeft SAEV immers, in het kader van het middel „Problemen voortvloeiend uit de subsidiaire toepassing van de algemene regeling betreffende de gemengde vennootschappen”, gewezen op een contradictie tussen de methode die voor de berekening van de vermindering van de bijstand is gebruikt, en de omstandigheid dat de Commissie in de loop van de procedure heeft erkend dat het vertrek uit de Argentijnse wateren op het tijdstip waarop de Argentijnse autoriteiten eenzijdig een vangstverbod hadden uitgevaardigd, een geval van overmacht vormt.
82 Ten gronde heeft het Gerecht op goede gronden geoordeeld dat de Commissie geen rekening hoefde te houden met de uitputting van de visbestanden in de betrokken zone. Dienaangaande heeft het eraan herinnerd dat rekwirante in elk geval de voorafgaande toestemming van de Commissie had moeten vragen alvorens de Argentijnse wateren te verlaten. Zoals uit het onderzoek van het zesde middel volgt, is deze vaststelling juist. De zaak zou niet anders liggen indien de door SAEV aangevoerde omstandigheden een geval van overmacht vormden.
83 Derhalve moet het vijfde middel worden afgewezen.
Kosten
84 Artikel 122, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat, wanneer de hogere voorziening ongegrond is, het Hof ten aanzien van de proceskosten beslist. Volgens artikel 69, lid 2, van dit reglement, dat ingevolge artikel 118 ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien SAEV in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten van de onderhavige aanleg.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Eduardo Vieira SA wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
1 – Procestaal: Spaans.
Full & Egal Universal Law Academy