Zaak C‑272/03
Hauptzollamt Neubrandenburg
tegen
Jens Christian Siig
(verzoek van het Bundesfinanzhof om een prejudiciële beslissing)
„Communautair douanewetboek – Ontstaan van douaneschuld – Regeling tijdelijke invoer – Wisselen van trekker voor oplegger”
Samenvatting van het arrest
Douane-unie – Regeling tijdelijke invoer met vrijstelling van rechten – Tijdelijke invoer van wegvoertuigen voor bedrijfsdoeleinden – Wisseling van trekker van oplegger in douanegebied van Gemeenschap tijdens vervoer met eindpunt buiten dat gebied – Weigering om regeling tijdelijke invoer toe te passen
(Verordening nr. 2454/93 van de Commissie, art. 670, sub p, en 718, lid 3, sub d)
De artikelen 718, lid 3, sub d, en 670, sub p, van verordening nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, waarin het begrip „intern verkeer” in het kader van de tijdelijke invoer met vrijstelling van de rechten bij invoer is omschreven (artikel 670, sub p) en een voorwaarde wordt verbonden aan gebruikmaking van de regeling tijdelijke invoer van wegvoertuigen voor bedrijfsdoeleinden (artikel 718, lid 3, sub d), moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen het gebruik van een buiten het douanegebied van de Gemeenschap geregistreerde trekker om een oplegger van een plaats binnen het douanegebied van de Gemeenschap waar hij is geladen met goederen, te vervoeren naar een andere plaats binnen het douanegebied van de Gemeenschap waar de oplegger slechts wordt geparkeerd om later door een andere trekker naar de buiten het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde ontvanger van de goederen te worden vervoerd.
De gebruikmaking van de regeling tijdelijke invoer is immers rechtstreeks gekoppeld aan het feit dat met het betrokken voertuig een duidelijk bepaalde vervoershandeling wordt uitgevoerd, waarbij dat voertuig en de vervoerde goederen of personen de buitengrens van het douanegebied van de Gemeenschap overschrijden, zodat het vervoer zelf, dat met het betrokken vervoermiddel wordt verricht, beslissend is en niet de eindbestemming van de vervoerde goederen of personen.
(cf. punten 18, 20, 26 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
15 december 2004(1)
„Communautair douanewetboek – Ontstaan van douaneschuld – Regeling tijdelijke invoer – Wisselen van trekker voor oplegger”
In zaak C-272/03,betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland), bij beslissing van 13 mei 2003, ingekomen bij het Hof op 24 juni 2003, in de procedure
Hauptzollamt Neubrandenburg
tegen
Jens Christian Siig, handelend onder de handelsnaam „Internationale Transport” Export-Import,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),,
samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident, C. Gulmann en R. Schintgen (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,gelet op de opmerkingen ingediend door:
– J. C. Siig, vertegenwoordigd door F. Bähring, Rechtsanwalt,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door G. de Bellis, avvocato dello Stato,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. C. Schieferer als gemachtigde,
gelet op de beslissing, de advocaat‑generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 670, sub p, en 718, lid 3, sub d, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253, blz. 1; hierna: „uitvoeringsverordening”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen J. C. Siig, die zijn werkzaamheden onder de handelsnaam „Internationale Transport” Export-Import (hierna: „Siig”) verricht, en het Hauptzollamt Neubrandenburg (douanehoofdkantoor van Neubrandenburg; hierna: „Hauptzollamt”) over de heffing van douanerechten en belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „BTW”) bij invoer.
Toepasselijke bepalingen
3 Artikel 137 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: „douanewetboek”) luidt:
„De regeling tijdelijke invoer maakt het mogelijk om in het douanegebied van de Gemeenschap met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer en zonder dat zij aan handelspolitieke maatregelen worden onderworpen, niet‑communautaire goederen te gebruiken die zijn bestemd om te worden wederuitgevoerd zonder wijzigingen te hebben ondergaan, met uitzondering van hun normale waardevermindering ten gevolge van het gebruik dat ervan is gemaakt.”
4 Artikel 141 van het douanewetboek bepaalt het volgende:
„De gevallen waarin en de bijzondere voorwaarden waaronder gebruik kan worden gemaakt van de regeling tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van de rechten bij invoer, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité.”
5 Artikel 204, lid 1, van het douanewetboek luidt als volgt:
„Een douaneschuld bij invoer ontstaat:
a) indien niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag van deze goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst, of
b) indien een van de voorwaarden die voor de plaatsing van de goederen onder deze regeling of voor de toekenning van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen zijn gesteld, niet in acht is genomen,
in andere gevallen dan die bedoeld in artikel 203, tenzij vaststaat dat dit verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling.”
6 In artikel 239, lid 1, van het douanewetboek heet het:
„Tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer kan ook worden overgegaan in de gevallen andere dan bedoeld in de artikelen 236, 237 en 238
– welke volgens de procedure van het Comité worden vastgesteld;
– welke het gevolg zijn van omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden. De gevallen waarin op deze bepaling een beroep kan worden gedaan en de te dien einde toe te passen procedures, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité. Aan de terugbetaling of de kwijtschelding kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden.”
7 Artikel 670 van de uitvoeringsverordening bepaalt:
„In de zin van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
[...]
e) ‚gebruik voor bedrijfsdoeleinden’:het gebruik van een vervoermiddel voor het vervoer van personen tegen vergoeding, of industrieel of commercieel goederenvervoer, al dan niet tegen vergoeding;
[...]
p) ‚intern verkeer’: het vervoer van personen of van goederen die in het douanegebied van de Gemeenschap worden opgenomen respectievelijk geladen en in dit gebied weer worden afgezet respectievelijk gelost.”
8 Artikel 718 van de uitvoeringsverordening luidt:
„1. Gebruikmaking van de regeling tijdelijke invoer wordt toegestaan voor wegvoertuigen voor bedrijfsdoeleinden.
2. In dit artikel wordt onder ‚voertuigen’ verstaan alle wegvoertuigen met inbegrip van aanhangwagens die eraan kunnen worden gekoppeld.
3. Onverminderd lid 4 wordt het in lid 1 bedoelde gebruik van de regeling tijdelijke invoer slechts toegestaan indien de voertuigen:
[...]
d) uitsluitend worden gebruikt voor vervoer dat buiten het douanegebied van de Gemeenschap begint of eindigt.
[…]
5. De in lid 1 bedoelde voertuigen mogen op de in lid 3 bedoelde voorwaarden in het douanegebied van de Gemeenschap verblijven gedurende de tijd die nodig is om het doel te bereiken waarvoor de tijdelijke invoer werd aangevraagd, zoals het aanvoeren, het opnemen of afzetten van passagiers, het laden en lossen van goederen, vervoer en onderhoud.
[…]
7. In afwijking van lid 3:
[...]
c) mogen voertuigen voor bedrijfsdoeleinden in het interne verkeer worden gebruikt wanneer dit volgens de vervoerswetgeving, met name inzake de toegang tot de vervoersmarkt en het uitoefenen van vervoersactiviteiten, mogelijk is.”
Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
9 Siig exploiteert in Polen een eenmansexpeditiebedrijf, en beschikt daarvoor over drie trekkers. Op 25 mei 2000 verleende het Bundesministerium für Verkehr, Bau- und Wohnungswesen (bondsministerie van Verkeer, Bouw- en Woonbeleid) hem een vergunning voor internationaal goederenvervoer tussen Duitsland en Polen, en voor transitovervoer over Duits grondgebied met de trekker met het Poolse kenteken GWN 3247. Deze vergunning vermeldde als heenreisdatum 4 juni 2000, als losplaats Viborg in Denemarken, als terugreisdatum 6 juni 2000 en als land van lossing Polen.
10 Die trekker en de oplegger met het Poolse kenteken VB 4064 kwamen op 4 juni 2000 het douanegebied van de Gemeenschap binnen. De vervoerde goederen waren bestemd voor een afnemer in Denemarken. Nadat de goederen waren gelost, werd de oplegger op 6 juni 2000 in Flensburg (Duitsland) geladen met goederen voor een onderneming in Warschau (Polen). Op 7 juni 2000 werd de oplegger op het terrein van de vennootschap Agroservice te Penkun (Duitsland) geparkeerd en verliet de trekker met het Poolse kenteken GWN 3247, zonder deze oplegger, het douanegebied van de Gemeenschap richting Polen. Op 8 juni 2000 kwam een andere trekker, met het Poolse kenteken SML 3525, het grondgebied van de Gemeenschap binnen. Deze trekker heeft de betrokken oplegger opgehaald en op 9 juni 2000 via het douanekantoor Eberswalde (Duitsland) naar Warschau vervoerd, waar de oplegger op 12 juni 2000 bij de ontvanger is aangekomen.
11 Bij belastingaanslag van 18 augustus 2000 vorderde het Hauptzollamt op basis van een evaluatie van de waarde van de trekker met het Poolse kenteken GWN 3247 van Siig 2 240 DEM aan douanerechten en 2 598,40 DEM aan omzetbelasting bij invoer omdat hij daarmee op 7 juni 2000 goederen over Duits grondgebied had vervoerd. Nadat zijn bezwaar tegen deze belastingaanslag was afgewezen, stelde Siig beroep in bij het Finanzgericht (Duitsland). Dit achtte het beroep gegrond omdat Siig geen enkele verplichting had geschonden die voortvloeide uit de douaneregeling tijdelijke invoer waaronder de trekker en de oplegger elk afzonderlijk waren geplaatst door het overschrijden van de grens van het douanegebied van de Gemeenschap.
12 Volgens het Finanzgericht heeft Siig artikel 718, lid 3, sub d, van de uitvoeringsverordening nageleefd, omdat voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de bedoelde activiteit moet worden uitgegaan van het vervoer van de goederen waarvoor het vervoermiddel wordt gebruikt. Volgens artikel 670, sub p, van de uitvoeringsverordening moet onder „intern verkeer” immers worden verstaan het vervoer van goederen die in het douanegebied van de Gemeenschap worden geladen en in dit gebied weer worden gelost. De trekker is met de oplegger echter gebruikt om een vervoer te verrichten met een beginpunt buiten het douanegebied van de Gemeenschap en een eindpunt daarbinnen, en verder een vervoer met een beginpunt in dit gebied en een eindpunt daarbuiten. Dat de oplegger gedurende twee dagen op een terrein te Penkun was geparkeerd, vormde enkel een korte onderbreking in de toepassing van de regeling tijdelijke invoer.
13 Het Hauptzollamt heeft beroep tot „Revision” ingesteld tegen deze uitspraak en betoogt dat, anders dan het Finanzgericht stelt, het doorslaggevende criterium niet de eindbestemming van de vervoerde goederen is, maar het daadwerkelijk gebruikte vervoermiddel. Het lossen van een trekker wordt bepaald door zijn constructie: ofwel wordt de oplegger gelost, ofwel wordt de oplegger met zijn lading losgekoppeld. Weliswaar is in het onderhavige geval enkel het vervoer van de oplegger onderbroken. De trekker was echter in Penkun gelost en is dus in strijd met artikel 718, lid 3, sub d, van de uitvoeringsverordening gebruikt.
14 Van oordeel dat voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding de uitlegging van de uitvoeringsverordening noodzakelijk was, heeft het Bundesfinanzhof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moet artikel 718, lid 3, sub d, juncto artikel 670, sub p, van verordening (EEG) nr. 2454/93 aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen het gebruik van een buiten het douanegebied van de Gemeenschap geregistreerde trekker om een oplegger van een plaats binnen het douanegebied van de Gemeenschap, waar hij wordt geladen, te vervoeren naar een andere plaats binnen het douanegebied van de Gemeenschap, waar de oplegger enkel wordt geparkeerd om later door een andere trekker naar de buiten het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde ontvanger van de goederen te worden vervoerd?”
De prejudiciële vraag
15 Voor de beantwoording van de gestelde vraag dient om te beginnen te worden opgemerkt dat artikel 718, lid 3, sub d, van de uitvoeringsverordening is opgenomen onder punt a, met het opschrift „Vervoermiddelen voor vervoer over de weg”, van onderafdeling 1 „Gevallen waarin en voorwaarden waaronder tijdelijke invoer met volledige vrijstelling kan worden toegestaan” in afdeling 3 „Tijdelijke invoer van vervoermiddelen” van hoofdstuk 5, getiteld „Tijdelijke invoer”, terwijl artikel 670, sub p, van deze verordening in afdeling 1 met het opschrift „Algemene bepalingen”, van dat hoofdstuk 5 is opgenomen.
16 Daaruit volgt dat artikel 718 van de uitvoeringsverordening moet worden aangemerkt als een bijzondere bepaling (lex specialis) ten opzichte van artikel 670 van deze verordening, zodat de eerste bepaling voorrang krijgt boven de tweede in de situaties die zij specifiek beoogt te regelen, te weten de toepassing van de regeling tijdelijke invoer op een vervoermiddel zoals dat wat in het hoofdgeding aan de orde is.
17 Vervolgens zij eraan herinnerd dat artikel 718, lid 3, sub d, van de uitvoeringsverordening bepaalt dat een wegvoertuig alleen van de regeling tijdelijke invoer gebruik kan maken indien het uitsluitend wordt gebruikt voor vervoer dat buiten het douanegebied van de Gemeenschap begint of eindigt.
18 De gebruikmaking van de regeling tijdelijke invoer is dus rechtstreeks gekoppeld aan het feit dat met het betrokken voertuig een duidelijk bepaalde vervoershandeling wordt uitgevoerd, waarbij dat voertuig en de vervoerde goederen of personen de buitengrens van het douanegebied van de Gemeenschap overschrijden.
19 Deze uitlegging vindt bevestiging in de artikelen 718, lid 5, 722, lid 2 (luchtvervoer), en 723, lid 2 (zeevervoer), van de uitvoeringsverordening waaruit blijkt dat de tijdelijke invoer van een vervoermiddel slechts wordt toegestaan gedurende de tijd die nodig is om het doel te bereiken waarvoor de tijdelijke invoer werd aangevraagd.
20 Daaruit volgt dat het vervoer zelf, dat met het betrokken vervoermiddel wordt verricht, beslissend is en niet de eindbestemming van de vervoerde goederen of personen.
21 Hoewel, zoals de Commissie opmerkt, uit de definitie van het begrip „intern verkeer” in artikel 670, sub p, van de uitvoeringsverordening volgt dat de eindbestemming van de met een vervoermiddel vervoerde goederen of personen beslissend is voor de vraag of er sprake is van intern verkeer, blijft toch het relevante criterium voor de toepassing van de regeling tijdelijke invoer op een dergelijk vervoermiddel, zoals uit artikel 718, lid 3, sub d, van de uitvoeringsverordening volgt, dat met het betrokken voertuig een grensoverschrijdende vervoershandeling wordt verricht.
22 Aangezien de tijdelijke invoer is toegestaan voor een bepaald vervoer dat moet worden verricht met het voertuig dat van deze maatregel gebruik maakt, volstaat het niet dat dit voertuig slechts het gedeelte van het af te leggen traject verricht dat binnen het douanegebied van de Gemeenschap ligt. Dit voertuig moet met de vervoerde goederen of personen de grens van het douanegebied van de Gemeenschap overschrijden, en het mag zich niet beperken tot het vervoer van die goederen of personen tot aan deze grens.
23 Ten slotte dient te worden vastgesteld dat de tegenovergestelde uitlegging, namelijk dat het beslissende criterium voor de vraag of het vervoer dat wordt uitgevoerd met een voertuig dat van de tijdelijke invoer gebruik maakt, een vervoer is dat buiten het douanegebied van de Gemeenschap begint of eindigt, uitsluitend afhangt van de omstandigheid dat de goederen die op een gegeven tijdstip door het betrokken voertuig worden vervoerd, ongeacht het gebruikte voertuig daadwerkelijk de grens van dit grondgebied hebben overschreden, en niet is gekoppeld aan het feit dat dit voertuig en de vervoerde goederen gelijktijdig deze grens overschrijden, artikel 718, lid 3, sub d, van de uitvoeringsverordening zijn nuttige werking ontneemt.
24 Niets zou immers een vervoerder beletten om op basis van de regeling tijdelijke invoer een trekker binnen te brengen, en deze uitsluitend voor vervoer binnen het douanegebied van de Gemeenschap te gebruiken, zolang is verzekerd dat de plaats van herkomst of van bestemming van de getrokken opleggers en hun lading buiten de Gemeenschap ligt.
25 Daaraan dient echter enerzijds te worden toegevoegd dat er ingevolge artikel 204 van het douanewetboek geen douaneschuld ontstaat indien vaststaat dat de aan de aangever verweten handelwijze zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van de betrokken douaneregeling. Anderzijds, zelfs indien er ingevolge deze bepaling wél een douaneschuld ontstaat, voorziet artikel 239 van het douanewetboek in een procedure waarmee een aangever zoals die in het hoofdgeding, onder bepaalde voorwaarden kwijtschelding of terugbetaling van de betrokken douanerechten kan verkrijgen.
26 Gelet op een en ander, moeten de artikelen 718, lid 3, sub d, en 670, sub p, van de uitvoeringsverordening aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen het gebruik van een buiten het douanegebied van de Gemeenschap geregistreerde trekker om een oplegger van een plaats binnen het douanegebied van de Gemeenschap waar hij is geladen met goederen, te vervoeren naar een andere plaats binnen het douanegebied van de Gemeenschap waar de oplegger enkel wordt geparkeerd om later door een andere trekker naar de buiten het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde ontvanger van de goederen te worden vervoerd.
Kosten
27 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
De artikelen 718, lid 3, sub d, en 670, sub p, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen het gebruik van een buiten het douanegebied van de Gemeenschap geregistreerde trekker om een oplegger van een plaats binnen het douanegebied van de Gemeenschap waar hij is geladen met goederen, te vervoeren naar een andere plaats binnen het douanegebied van de Gemeenschap waar de oplegger enkel wordt geparkeerd om later door een andere trekker naar de buiten het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde ontvanger van de goederen te worden vervoerd.
ondertekeningen
1 – Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy