Zaak C‑276/03 P
Scott SA
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Onrechtmatige staatssteun – Toepassing in tijd van verordening (EG) nr. 659/1999 – Beschikking inzake onverenigbaarheid en terugvordering van steun – Verjaringstermijn – Stuiting – Noodzaak om begunstigde van steun in te lichten over stuitingsmaatregel”
Conclusie van advocaat-generaal F. G. Jacobs van 14 april 2005
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 6 oktober 2005
Samenvatting van het arrest
Steunmaatregelen van de staten – Terugvordering van onwettige steun – Verjaring van tien jaar ingevoerd bij artikel 15 van verordening nr. 659/1999 – Stuiting van verjaringstermijn – Noodzaak om begunstigde van steun in te lichten over stuitingsmaatregel – Geen
(Art. 88, lid 2, EG; verordening nr. 659/1999 van de Raad, art. 15)
Artikel 15, lid 2, van verordening nr. 659/1999, krachtens hetwelk de verjaringstermijn waaraan de bevoegdheden van de Commissie om onrechtmatige steun terug te vorderen zijn onderworpen, wordt gestuit door elke maatregel van de Commissie of een op haar verzoek optredende lidstaat ten aanzien van de onrechtmatige steun, kan, zowel gelet op de formulering als gelet op de doelstelling ervan, niet aldus worden uitgelegd dat een door de Commissie aan de betrokken lidstaat gericht informatieverzoek slechts een „maatregel van de Commissie” kan zijn, indien het aan de begunstigde van de steun is meegedeeld.
Weliswaar heeft de begunstigde van de steun een praktisch belang om te worden ingelicht over de maatregelen van de Commissie die de verjaring stuiten, maar dit belang kan er niet toe leiden dat de toepassing van de hierboven genoemde bepaling afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat hij van die maatregelen op de hoogte wordt gebracht. Gesteld al dat de status van partij een dergelijke voorwaarde kan rechtvaardigen, dan nog vindt de procedure van artikel 88, lid 2, EG immers hoofdzakelijk plaats tussen de Commissie en de betrokken lidstaat en wordt zij ingeleid jegens deze staat en niet jegens de begunstigden die, hoewel hun bepaalde procedurele rechten werden toegekend, niet over de status van procespartij beschikken.
(cf. punten 27‑35)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
6 oktober 2005 (*)
„Hogere voorziening – Onrechtmatige staatssteun – Toepassing in tijd van verordening (EG) nr. 659/1999 – Beschikking inzake onverenigbaarheid en terugvordering van steun – Verjaringstermijn – Stuiting – Noodzaak om begunstigde van steun in te lichten over stuitingsmaatregel”
In zaak C‑276/03 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op 24 juni 2003,
Scott SA, gevestigd te Saint-Cloud (Frankrijk), vertegenwoordigd door J. Lever, QC, G. Peretz, barrister, A. Nourry, R. Griffith en M. Papadakis, solicitors, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Flett als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
Franse Republiek,
interveniënte in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann (rapporteur), kamerpresident, N. Colneric, K. Schiemann, E. Juhász en E. Levits, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: M.‑F. Contet, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 februari 2005,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 april 2005,
het navolgende
Arrest
1 Scott SA (hierna: „Scott”) verzoekt om vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 10 april 2003, Scott/Commissie (T‑366/00, Jurispr. blz. II‑1763; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht haar beroep heeft verworpen strekkende tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 2002/14/EG van de Commissie van 12 juli 2000 betreffende door Frankrijk verleende staatssteun ten behoeve van Scott Paper SA/Kimberly-Clark (PB 2002, L 12, blz. 1; hierna: „litigieuze beschikking”), voorzover dit beroep was gebaseerd op schending door de Commissie van de Europese Gemeenschappen van artikel 15 van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1).
Rechtskader
2 Artikel 15 van verordening nr. 659/1999 luidt:
„1. De bevoegdheden van de Commissie om steun terug te vorderen verjaren na een termijn van tien jaar.
2. Deze termijn gaat in op de dag waarop de onrechtmatige steun als individuele steun of in het kader van een steunregeling aan de begunstigde is verleend. Door elke maatregel van de Commissie of een op haar verzoek optredende lidstaat ten aanzien van de onrechtmatige steun wordt de verjaring gestuit. Na elke stuiting begint de termijn van voren af aan te lopen. De verjaring wordt geschorst, zolang over de beschikking van de Commissie een beroep aanhangig is bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
3. Steun ten aanzien waarvan de verjaringstermijn is verstreken, wordt als bestaande steun beschouwd.”
Aan het geding ten grondslag liggende feiten
3 Uit de punten 12 en 13 van de litigieuze beschikking alsmede uit de punten 1 tot en met 10 en 13 tot en met 19 van het bestreden arrest blijkt dat in wezen de volgende feiten aan het geding ten grondslag liggen.
4 In 1969 heeft de vennootschap naar Amerikaans recht Scott Paper Company de vennootschap naar Frans recht Bouton Brochard overgenomen en een afzonderlijke vennootschap opgericht, Bouton Brochard Scott SA (hierna: „Bouton Brochard Scott”), die de activiteiten van Bouton Brochard heeft overgenomen.
5 In 1986 heeft Bouton Brochard Scott besloten een fabriek in Frankrijk te bouwen en heeft zij daartoe een terrein in het departement Loiret in het industriegebied La Saussaye gekozen.
6 Op 31 augustus 1987 hebben de stad Orléans en het genoemde departement Bouton Brochard Scott bepaalde voordelen toegekend. Enerzijds hebben deze overheden haar een terrein van 48 ha in dat industriegebied tegen preferentiële voorwaarden verkocht. Anderzijds hebben zij zich ertoe verbonden de waterzuiveringsheffing volgens een eveneens preferentieel tarief te berekenen.
7 Bouton Brochard Scott is in november 1987 Scott geworden.
8 In januari 1996 zijn de aandelen van laatstgenoemde vennootschap overgenomen door Kimberly-Clark Corporation.
9 In januari 1998 heeft deze de sluiting aangekondigd van de fabriek in kwestie, waarvan de activa, te weten de grond en de papierfabricage, in juni 1998 door Procter & Gamble zijn overgenomen.
10 Nadat een klacht was ingediend, heeft de Commissie bij brief van 17 januari 1997 de Franse Republiek verzocht om inlichtingen over bovengenoemde voordelen. Dit leidde vervolgens tot een briefwisseling met de autoriteiten van deze lidstaat.
11 Bij besluit van 20 mei 1998 heeft de Commissie de procedure van artikel 93, lid 2, EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 2, EG) ingeleid, en zij heeft de genoemde lidstaat hiervan op de hoogte gebracht bij brief van 10 juli 1998, die op 30 september 1998 is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (PB C 301, blz. 4).
12 Op dezelfde dag als deze bekendmaking hebben de Franse autoriteiten Scott telefonisch op de hoogte gebracht van dit besluit tot inleiding van de procedure.
13 Op 12 juli 2000 heeft de Commissie de litigieuze beschikking gegeven waarbij de staatssteun in de vorm van de voorkeursprijs voor een terrein en van een voorkeurtarief voor de waterzuiveringsheffing, die de Franse Republiek ten gunste van Scott tot uitvoering heeft gebracht, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard en de terugvordering ervan wordt gelast.
De procedure voor het Gerecht en het bestreden arrest
14 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 november 2000, heeft Scott beroep ingesteld tot gedeeltelijke nietigverklaring van de litigieuze beschikking.
15 De Franse Republiek is in deze procedure tussengekomen ter ondersteuning van de conclusies van Scott.
16 Op verzoek van deze vennootschap heeft het Gerecht besloten uitspraak te doen over het middel schending van artikel 15 van verordening nr. 659/1999 alvorens de andere middelen van het beroep te onderzoeken.
17 Dienaangaande viel dit middel van Scott uiteen in twee onderdelen:
– ofwel schending door de Commissie van genoemd artikel 15 doordat zij zich op het standpunt heeft gesteld dat de verjaringstermijn kon worden gestuit door een maatregel die niet aan de begunstigde van de onrechtmatige steun is meegedeeld, in casu het informatieverzoek van 17 januari 1997;
– ofwel schending door de Commissie van dit artikel 15 doordat zij zich op het standpunt heeft gesteld dat de verjaringstermijn kon worden gestuit door een maatregel die na afloop van deze termijn is vastgesteld en meegedeeld, in casu het besluit tot inleiding van de procedure van 20 mei 1998.
18 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep verworpen voorzover het was gebaseerd op schending van artikel 15 van verordening nr. 659/1999, en besloten de procedure voor het overige voort te zetten.
19 In afwachting van het onderhavige arrest heeft het Gerecht de procedure in de zaak Scott/Commissie (T‑366/00) en in de zaak Département du Loiret/Commissie (T‑369/00), die eveneens de nietigverklaring van de litigieuze beschikking betreft, geschorst.
Conclusies van partijen voor het Hof
20 Scott concludeert dat het het Hof behage:
– het bestreden arrest te vernietigen;
– artikel 2 van de litigieuze beschikking nietig te verklaren, voorzover het betrekking heeft op de steun in de vorm van de voorkeursprijs voor een terrein, en
– de Commissie te verwijzen in de kosten van beide instanties.
21 De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
– de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen;
– subsidiair, voor het geval dat het de hogere voorziening gedeeltelijk mocht toewijzen, de zaak te verwijzen naar het Gerecht ter verdere afdoening;
– meer subsidiair, het bij het Gerecht ingestelde beroep te verwerpen, voorzover het de middelen betreft die steunen op schending van artikel 15 van verordening nr. 659/1999.
De hogere voorziening
Argumenten van partijen en bestreden arrest
22 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert Scott in wezen één middel aan, te weten verkeerde uitlegging van artikel 15 van verordening nr. 659/1999 door het Gerecht, dat heeft geoordeeld dat de verjaringstermijn kon worden gestuit door een maatregel die niet is meegedeeld aan de begunstigde van de steun, in casu het informatieverzoek van 17 januari 1997.
23 In de punten 58 tot en met 60 van het bestreden arrest heeft het Gerecht namelijk vastgesteld dat het feit alleen dat de begunstigde van de steun niet op de hoogte was van een informatieverzoek dat de Commissie aan de betrokken lidstaat heeft gericht, niet tot gevolg heeft dat dit verzoek rechtsgevolg mist met betrekking tot de in artikel 15 van verordening nr. 659/1999 bepaalde verjaringstermijn. Laatstgenoemd artikel heeft een uniforme verjaringstermijn ingevoerd die gelijkelijk van toepassing is op de betrokken lidstaat en derden. Bovendien vindt de in artikel 93, lid 2, van het Verdrag vastgelegde procedure hoofdzakelijk plaats tussen de Commissie en de betrokken lidstaat, waarbij de belanghebbende derden, waaronder de begunstigde van de steun, slechts worden geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld om hun argumenten naar voren te brengen, en op dit punt vooral als „informatiebron” van de Commissie optreden. De Commissie is echter niet verplicht om de potentiële belanghebbenden, waaronder de begunstigde van de steun, vóór de inleiding van de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag op de hoogte te brengen van de maatregelen die zij neemt tegen een onrechtmatige steunmaatregel.
24 In punt 61 van het bestreden arrest heeft het Gerecht hieraan toegevoegd dat de begunstigde van een niet-aangemelde steunmaatregel als die waarom het in casu gaat, zich niet op een gewettigd vertrouwen in de regelmatigheid van de steunmaatregel kan beroepen. Bovendien heeft het in punt 62 van dit arrest vastgesteld dat de begunstigde van een dergelijke steunmaatregel zich vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 659/1999 niet kon beroepen op de rechtszekerheid wat betreft de verjaring van de bevoegdheid om de steun terug te vorderen, en dat bijgevolg de stuiting van de verjaringstermijn vóór de inwerkingtreding van deze verordening er niet toe heeft geleid dat hem een dergelijke rechtszekerheid werd ontnomen.
25 Volgens Scott volgt evenwel zowel uit de formulering van artikel 15 van verordening nr. 659/1999, met name uit de woorden „maatregel van […] een op haar [de Commissie] verzoek optredende lidstaat”, als uit de doelstelling ervan dat enkel een maatregel die aan de begunstigde van de steunmaatregel is meegedeeld, de verjaringstermijn te diens aanzien kan stuiten, zelfs indien dit betekent dat er verschillende verjaringstermijnen zouden gelden ten aanzien van de verschillende belanghebbenden. Dienaangaande betoogt Scott dat het weinig uitmaakt dat de begunstigde in het kader van de krachtens artikel 93, lid 2, van het Verdrag ingeleide procedure slechts een „informatiebron” is, dat de Commissie niet verplicht is om deze begunstigde op de hoogte te brengen van een door haar genomen stuitingsmaatregel, dat deze geen gewettigd vertrouwen kon hebben in de regelmatigheid van de onrechtmatige steunmaatregel of dat de genoemde verordening tien jaar na de toekenning van de steun in kwestie nog niet van kracht was.
Beoordeling door het Hof
26 Er dient op te worden gewezen dat artikel 15 van verordening nr. 659/1999 voorziet in een verjaringstermijn van tien jaar die ingaat op de dag waarop de onrechtmatige steun aan de begunstigde wordt verleend. Volgens artikel 15, lid 2, tweede zin, wordt de verjaring gestuit door „elke maatregel van de Commissie of een op haar verzoek optredende lidstaat ten aanzien van de onrechtmatige steun”.
27 Dat deze bepaling inderdaad een dubbele verwijzing bevat naar „maatregel[en] van de Commissie” en naar „haar verzoek[en]”, kan evenwel niet betekenen dat een door deze instelling aan de betrokken lidstaat gericht informatieverzoek slechts een „maatregel van de Commissie” kan zijn indien het aan de begunstigde van de steun is meegedeeld. Zoals de advocaat-generaal in de punten 87 tot en met 90 van zijn conclusie te kennen geeft, kan de dubbele verwijzing namelijk in de eerste plaats worden verklaard door een nalatigheid van de wetgever, die, zonder acht te slaan op de procedurele verschillen, de formulering lijkt te hebben overgenomen van artikel 2 van verordening (EEG) nr. 2988/74 van de Raad van 26 november 1974 inzake de verjaring van het recht van vervolging en van tenuitvoerlegging op het gebied van het vervoers‑ en het mededingingsrecht van de Europese Economische Gemeenschap (PB L 319, blz. 1). In de tweede plaats kan niet worden uitgesloten dat er bepaalde situaties zijn waarin een „verzoek” van de Commissie niet automatisch en gelijktijdig een „maatregel van de Commissie” is. Ten slotte staat verordening nr. 659/1999, zoals de advocaat-generaal in punt 91 van zijn conclusie opmerkt, toe dat er eventueel sprake is van meerdere (opeenvolgende) stuitingsmaatregelen, aangezien artikel 15 bepaalt dat na elke stuiting de verjaringstermijn van voren af aan begint te lopen.
28 De tekst van artikel 15 van verordening nr. 659/1999 wijst er dus niet op dat de stuiting van de verjaringstermijn is gebonden aan de eventuele voorwaarde dat de maatregel ter kennis van de begunstigde van de steun wordt gebracht.
29 Er dient evenwel te worden nagegaan of een dergelijke voorwaarde niet voortvloeit uit het door genoemd artikel 15 nagestreefde doel.
30 Dienaangaande blijkt uit overweging 14 van verordening nr. 659/1999 dat, ter wille van de rechtszekerheid, de verjaringstermijn ertoe strekt te beletten dat onrechtmatige steun wordt teruggevorderd, zodat geen terugvordering meer kan worden bevolen. De verjaringstermijn heeft aldus met name de bescherming van bepaalde belanghebbenden tot doel, waaronder de betrokken lidstaat en de begunstigde van de steun.
31 Deze belanghebbenden hebben dus werkelijk een praktisch belang om te worden ingelicht over de maatregelen van de Commissie die de verjaring stuiten.
32 Dit praktisch belang kan er evenwel niet toe leiden dat de toepassing van artikel 15, lid 2, tweede zin, van verordening nr. 659/1999 afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de begunstigde van de steun van die maatregelen op de hoogte wordt gebracht.
33 De procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag vindt immers hoofdzakelijk plaats tussen de Commissie en de betrokken lidstaat. Zij wordt ingeleid jegens deze staat en niet jegens de begunstigden (zie in die zin arrest van 24 september 2002, Falck en Acciaierie di Bolzano/Commissie, C‑74/00 P en C‑75/00 P, Jurispr. blz. I‑7869, punten 81 en 83).
34 De rechtspraak heeft de begunstigde van de steun weliswaar bepaalde procedurele rechten toegekend. Deze rechten strekken evenwel ertoe die begunstigde in staat te stellen de Commissie informatie te verschaffen en zijn argumenten naar voren te brengen, maar kennen hem niet de status van procespartij toe.
35 Gesteld al dat de status van partij de voorwaarde kan rechtvaardigen dat de partij op de hoogte wordt gebracht, dan volstaat derhalve de vaststelling dat de begunstigde van de steun die status niet bezit.
36 Gelet op het voorafgaande, heeft het Gerecht artikel 15 van verordening nr. 659/1999 niet verkeerd uitgelegd door te oordelen dat de verjaringstermijn kon worden gestuit door een maatregel die niet is meegedeeld aan de begunstigde van de steun, in casu het informatieverzoek van 17 januari 1997.
37 Weliswaar is noch de omstandigheid dat de begunstigde geen gewettigd vertrouwen kon hebben in de regelmatigheid van de steun, noch de omstandigheid dat verordening nr. 659/1999 tien jaar na de toekenning van de steunmaatregel in kwestie nog niet van kracht was, een noodzakelijke stap in de redenering om tot deze uitlegging te komen. Deze vaststellingen doen evenwel niet af aan de juistheid daarvan.
38 Bijgevolg dient het middel ongegrond te worden verklaard. De hogere voorziening moet derhalve worden afgewezen.
Kosten
39 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Volgens artikel 69, lid 5, derde alinea, van genoemd Reglement draagt elk van de partijen haar eigen kosten bij gebreke van een conclusie ten aanzien van de proceskosten. Daar de Commissie niet heeft geconcludeerd tot verwijzing van Scott in de kosten, dient te worden beslist dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Scott SA en de Commissie van de Europese Gemeenschappen dragen hun eigen kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy