Zaak C‑293/03
Gregorio My
tegen
Rijksdienst voor pensioenen (RVP)
(verzoek van de Arbeidsrechtbank te Brussel om een prejudiciële beslissing)
„Ambtenaren – Overdracht van pensioenrechten – Artikel 11 van bijlage VIII bij Ambtenarenstatuut – Vervroegd rustpensioen – Inaanmerkingneming van tijdvakken van werkzaamheden bij Europese Gemeenschappen – Artikel 10 EG”
Samenvatting van het arrest
1. Vrij verkeer van personen – Werknemers – Begrip – Onderdaan van lidstaat, in dienst van internationale organisatie – Daaronder begrepen – Beperking – Werknemer die onderdaan is van lidstaat en zijn hele beroepsloopbaan op grondgebied van deze lidstaat heeft vervuld
(Art. 39 EG)
2. Lidstaten – Verplichtingen – Verplichting tot loyale samenwerking met instellingen van Gemeenschap – Niet-inaanmerkingneming van tijdvakken van werkzaamheden bij Europese Gemeenschappen voor toekenning van vervroegd rustpensioen krachtens nationale regeling – Ontoelaatbaarheid
(Art. 10 EG; Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, bijlage VIII, art. 11, lid 2)
1. Een ambtenaar van de Europese Gemeenschappen die in een andere lidstaat dan zijn land van herkomst werkt, heeft de hoedanigheid van migrerend werknemer. Hij verliest zijn hoedanigheid van werknemer in de zin van artikel 39, lid 1, EG immers niet doordat hij een functie bij een internationale organisatie vervult, ook al zijn de voorwaarden voor zijn toelating en verblijf in het land van tewerkstelling speciaal geregeld in een internationale overeenkomst.
De verdragsbepalingen inzake het vrij verkeer van werknemers, in het bijzonder artikel 39 EG, kunnen evenwel niet worden toegepast op louter interne situaties van een lidstaat. Een werknemer die zijn gehele beroepsloopbaan heeft vervuld op het grondgebied van de lidstaat waarvan hij onderdaan is, eerst als werknemer, en later, tot de pensioenleeftijd, als ambtenaar van de Europese Gemeenschappen, valt derhalve niet onder deze bepalingen.
(cf. punten 37, 39‑40, 43)
2. Artikel 10 EG, in samenhang met het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, dient aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan het niet is toegestaan, voor het ontstaan van een recht op een vervroegd rustpensioen krachtens het nationale stelsel rekening te houden met de door een gemeenschapsonderdaan in dienst van een gemeenschapsinstelling gewerkte jaren.
Een dergelijke nationale regeling kan immers de uitoefening van een beroepsactiviteit bij een instelling van de Europese Unie belemmeren en bijgevolg ontmoedigen, aangezien een werknemer die tevoren bij een nationale pensioenregeling was aangesloten, door zijn indiensttreding bij een dergelijke instelling het risico loopt dat hij geen aanspraak meer kan maken op een ouderdomsuitkering uit hoofde van die regeling, waarop hij recht zou hebben gehad indien hij deze betrekking niet had aanvaard.
Dergelijke gevolgen zijn onaanvaardbaar gelet op de plicht tot loyale samenwerking en bijstand die de lidstaten jegens de Gemeenschap hebben en die tot uitdrukking komt in de verplichting van artikel 10 EG om de vervulling van haar taak te vergemakkelijken.
(cf. punten 47‑49 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
16 december 2004(1)
„Ambtenaren – Overdracht van pensioenrechten – Artikel 11 van bijlage VIII bij Ambtenarenstatuut – Vervroegd rustpensioen – Inaanmerkingneming van tijdvakken van werkzaamheden bij Europese Gemeenschappen – Artikel 10 EG”
In zaak C-293/03,betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Arbeidsrechtbank te Brussel (België) bij beslissing van 20 mei 2003, ingekomen bij het Hof op 4 juli 2003, in de procedure
Gregorio My
Rijksdienst voor pensioenen (RVP),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),,
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, C. Gulmann, R. Schintgen (rapporteur), G. Arestis en J. Klučka, rechters,
advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: M. Múgica Arzamendi, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 juni 2004,gelet op de opmerkingen van:
– G. My, vertegenwoordigd door C. Rosenfeld, advocaat,
– de Rijksdienst voor pensioenen, vertegenwoordigd door G. Perl en J.‑P. Lheureux als gemachtigden,
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door A. Samoni-Rantou en M. Tassopoulou als gemachtigden,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door H. G. Sevenster als gemachtigde,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Martin als gemachtigde,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 september 2004,
het navolgende
ARREST
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 2 EG, 3 EG, 17 EG, 18 EG, 39 EG, 40 EG, 42 EG en 283 EG, alsmede van artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen G. My en de Rijksdienst voor pensioenen (hierna: „RVP”) over de weigering van de RVP om de door My in dienst van een instelling van de Europese Gemeenschappen vervulde beroepsloopbaan in aanmerking te nemen voor het ontstaan van een recht op een vervroegd rustpensioen krachtens de Belgische regeling.
Rechtskader
Gemeenschapsregeling
3 Artikel 11, leden 1 en 2, van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: „Statuut”), in de versie die van toepassing was op de datum van de feiten in het hoofdgeding, bepaalt:
„1. De ambtenaar die de dienst beëindigt om:
– in dienst te treden van een overheidsorgaan of een nationale of internationale organisatie die met de Gemeenschappen een overeenkomst ter zake heeft gesloten,
– in loondienst of als zelfstandige te gaan werken op grond waarvan hij pensioenrechten verwerft volgens een stelsel waarvan de beheersorganen met de Gemeenschappen een overeenkomst ter zake hebben gesloten,
heeft het recht de actuariële tegenwaarde van zijn rechten op ouderdomspensioen bij de Gemeenschappen te doen overschrijven naar het pensioenfonds van dat overheidsorgaan of die organisatie of naar het fonds waarbij de ambtenaar uit hoofde van zijn werkzaamheden in loondienst of als zelfstandige rechten op ouderdomspensioen verwerft.
2. De ambtenaar die in dienst van de Gemeenschappen treedt na:
– de dienst bij een overheidsorgaan, of bij een nationale of internationale organisatie te hebben beëindigd, of,
– in loondienst of als zelfstandige te hebben gewerkt,
kan bij zijn aanstelling in vaste dienst hetzij de actuariële tegenwaarde van, hetzij de afkoopsom voor de rechten op ouderdomspensioen die hij uit hoofde van bovengenoemde activiteiten heeft verworven, aan de Gemeenschappen doen betalen.
In dat geval bepaalt de instelling waarbij de ambtenaar werkzaam is, met inachtneming van de rang waarin deze in vaste dienst is aangesteld, het aantal pensioenjaren dat zij volgens haar eigen regeling aanrekent uit hoofde van de vroegere diensttijd op basis van het bedrag van de actuariële tegenwaarde of van de afkoopsom.”
Nationale regeling
4 Artikel 3 van de wet van 21 mei 1991 tot vaststelling van een zeker verband tussen Belgische pensioenregelingen en die van instellingen van internationaal publiekrecht (Belgisch staatsblad van 20 juni 1991; hierna: „wet van 1991”), luidt:
„Iedere ambtenaar mag, met instemming van de instelling, vragen [dat] het rustpensioenbedrag betreffende de aan zijn indiensttreding bij de instelling voorafgaande diensten en perioden aan de instelling wordt gestort.”
5 Krachtens artikel 9 van deze wet mag de betrokkene zijn aanvraag voor de overdracht van pensioenrechten krachtens de Belgische regeling evenwel intrekken. Deze intrekking is definitief en onherroepelijk.
6 Artikel 2, § 1, punt 5, van de wet van 1991 definieert het begrip „ambtenaar” als „ieder personeelslid dat aan de pensioenregeling van de instelling onderworpen is en voor wie de overdracht van pensioenrechten niet bij een bijzonder reglement of akkoord is geregeld”. Het begrip „instelling” is in artikel 2, § 1, punt 1, gedefinieerd als „de gemeenschapsinstellingen, de voor de toepassing van het Statuut van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Unie daaraan gelijkgestelde organen, alsook de instellingen met gemeenschapskarakter waarvan het pensioenstelsel aan de vastbenoemde ambtenaar de mogelijkheid verleent de overdracht naar de pensioenkas van de instelling te vragen van de pensioenrechten die hij heeft opgebouwd voor zijn indiensttreding bij de instelling”.
7 De wet van 10 februari 2003 tot regeling van de overdracht van pensioenrechten tussen Belgische pensioenregelingen en die van instellingen van internationaal publiekrecht (Belgisch staatsblad van 27 maart 2003; hierna: „wet van 2003”) voorziet voortaan in artikel 14 in de mogelijkheid voor een ambtenaar die zijn dienst bij de Europese Gemeenschappen beëindigt om in België een beroepsactiviteit uit te oefenen, om de overdracht naar de Belgische regeling te vragen van hetzij de actuariële tegenwaarde van de pensioenrechten opgebouwd uit hoofde van de communautaire regeling, hetzij de afkoopwaarde die overeenstemt met de uit hoofde van die regeling gestorte bijdragen.
8 Overeenkomstig artikel 29 ervan treedt de wet van 2003 in werking met ingang van 1 januari 2002 en is zij van toepassing op de aanvragen die vanaf die datum worden ingediend.
9 Bovendien bepaalt artikel 4, § 2, eerste alinea, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenen (Belgisch Staatsblad van 17 januari 1997; hierna: „koninklijk besluit”):
„De mogelijkheid om overeenkomstig § 1 een vervroegd rustpensioen te bekomen is ondergeschikt aan de voorwaarde dat belanghebbende een loopbaan bewijst van tenminste 35 kalenderjaren waarvoor pensioenrechten kunnen worden geopend krachtens dit besluit, krachtens de wet van 20 juli 1990, krachtens het koninklijk besluit nr. 50, krachtens een Belgische regeling voor arbeiders, bedienden, mijnwerkers, zeevarenden of zelfstandigen, krachtens een Belgische regeling toepasselijk op het personeel van de overheidsdiensten of van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen of krachtens iedere andere Belgische wettelijke regeling.”
Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
10 My, die de Italiaanse nationaliteit bezit en werd geboren op 20 februari 1941, had 19 jaar lang bijdragen betaald aan het Belgische stelsel van sociale zekerheid voor werknemers, alvorens hij van 1 juni 1974 tot en met 31 mei 2001 werkzaam was als ambtenaar van de Raad van de Europese Gemeenschappen.
11 In maart 1992 heeft hij de RVP op grond van de wet van 1991 verzocht om de pensioenrechten van de Belgische regeling over te dragen naar die van de Europese Gemeenschappen. De RVP heeft hem in oktober 1992 zijn voor overdracht vatbare pensioenrechten medegedeeld.
12 In oktober 2000 heeft de Raad de RVP echter laten weten dat My had besloten om af te zien van de overdracht van zijn onder de Belgische wettelijke regeling verworven pensioenrechten, zoals was toegestaan op grond van artikel 9 van de wet van 1991. Bij aan My gericht schrijven van 17 oktober 2000 heeft de RVP hiervan akte genomen.
13 Op 20 oktober 2000 heeft My een vervroegd rustpensioen aangevraagd op grond van artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit.
14 Bij besluit van 2 mei 2001 heeft de RVP deze aanvraag afgewezen op grond dat de belanghebbende niet het totaal van 35 kalenderjaren in de zin van artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit heeft bereikt voor het ontstaan van het recht op een vervroegd rustpensioen. In dit verband heeft de RVP geweigerd om de 27 jaren die My had vervuld als ambtenaar van de Europese Gemeenschappen in aanmerking te nemen, daar het in het Statuut voorziene stelsel niet in de Belgische regeling werd genoemd.
15 Aangezien zij betwijfelt of de wet van 1991 en het Statuut, voorzover deze het recht op overdracht van de pensioenrechten van de communautaire regeling naar de nationale regeling niet waarborgen, alsmede artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit, voorzover dit het niet mogelijk maakt om de binnen een gemeenschapsinstelling vervulde tijdvakken van werkzaamheden in aanmerking te nemen, verenigbaar zijn met het beginsel van het vrij verkeer van werknemers en het non-discriminatiebeginsel, alsmede met de door het EG-Verdrag aan de burgers van de Unie gewaarborgde rechten, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel besloten om de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
„Zijn nationale bepalingen als de [wet van 1991] en artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit, dan wel artikel 11 van bijlage VIII bij het Statuut […], niet in strijd met de nieuwe artikelen 2, 3, 17, 18, 39, 40, 42 en 283 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1612/68 […]:
a) voorzover deze nationale bepalingen en dit Statuut een burger van de Europese Unie, zoals verzoeker, wiens beroepsloopbaan zich achtereenvolgens binnen een onderneming of een nationale overheidsdienst en als ambtenaar van de Europese Unie of omgekeerd heeft afgespeeld, niet in staat stellen de pensioenvoordelen te vergelijken die hij onder de nationale respectievelijk de Europese regeling zou verkrijgen door overdracht van de onder de andere regeling verkregen rechten, en op grond van deze vergelijking hetzij de overdracht van deze rechten van de nationale naar de Europese regeling, hetzij de omgekeerde overdracht van de Europese naar de nationale regeling te vragen,
b) voorzover deze bepalingen de betrokken werknemer misleiden of kunnen misleiden, doordat zij voorschrijven dat de betrokkene uitdrukkelijk afziet van de overdracht van de Belgische regeling naar de Europese regeling, of tot een bestuurspraktijk van die strekking leiden, zonder dat voornoemde vergelijking heeft plaatsgevonden, en
c) voorzover het op grond van deze nationale bepalingen niet is toegestaan dat voor de toekenning van een nationaal vervroegd pensioen rekening wordt gehouden met de als ambtenaar van de Europese Unie gewerkte jaren?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
16 In de eerste plaats is de Nederlandse regering van mening dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is, omdat de verwijzingsbeslissing zowel met betrekking tot de feitelijke omstandigheden als met betrekking tot het rechtskader van het hoofdgeding onvoldoende informatie verschaft.
17 Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de nationale rechter wegens het vereiste om tot een voor hem nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te komen, een omschrijving moet geven van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten moet uiteenzetten waarop die vragen zijn gebaseerd, teneinde het Hof in staat te stellen een bruikbaar antwoord te geven en de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid te bieden, overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie opmerkingen te maken (zie met name arrest van 11 april 2000, Deliège, C-51/96 en C-191/97, Jurispr. blz. I-2549, punten 30 en 31).
18 In casu blijkt uit de opmerkingen van partijen in het hoofdgeding, de Griekse regering, de Nederlandse regering zelf en de Commissie van de Europese Gemeenschappen dat de in de verwijzingsbeslissing vervatte gegevens hen in staat hebben gesteld om op nuttige wijze een standpunt in te nemen over de aan het Hof voorgelegde vraag. Bovendien zijn de in de verwijzingsbeslissing vervatte gegevens aangevuld met de door de nationale rechter toegezonden stukken en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen. Al deze gegevens, die in het rapport ter terechtzitting zijn opgenomen, zijn ter kennis van de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbende partijen gebracht met het oog op de terechtzitting, waarin deze in voorkomend geval hun opmerkingen konden aanvullen.
19 Het door de Nederlandse regering opgeworpen bezwaar moet dus worden afgewezen.
20 In de tweede plaats is de RVP van mening dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is op grond dat het sedert de inwerkingtreding van de wet van 2003 zonder voorwerp is geraakt, voorzover deze wet volgens hem voor ambtenaren van de Europese Gemeenschappen voorziet in de mogelijkheid om de overdracht van de uit hoofde van de communautaire regeling verworven pensioenrechten naar de Belgische regeling te vragen, zodat de tijdvakken van werkzaamheden als ambtenaar van een gemeenschapsinstelling in aanmerking kunnen worden genomen voor het ontstaan van een recht op een nationaal vervroegd rustpensioen.
21 Zelfs indien de wet van 2003, zoals de RVP ter terechtzitting heeft aangevoerd, het mogelijk zou maken om de tijdvakken van bijdrage aan de communautaire regeling in aanmerking te nemen, ook al heeft de betrokkene, zoals in het hoofdgeding, geen overdracht van zijn pensioenrechten van de communautaire regeling naar de Belgische regeling aangevraagd, uit de stukken volgt dat My zijn aanvraag voor een vervroegd rustpensioen op 20 oktober 2000 heeft ingediend, dat wil zeggen meer dan één jaar vóór de inwerkingtreding van de wet van 2003. Deze wet is overeenkomstig artikel 29 ervan echter pas op 1 januari 2002 in werking getreden en is dus uitsluitend van toepassing op vanaf deze datum ingediende aanvragen voor overdracht.
22 Het door de RVP opgeworpen bezwaar dient dus eveneens te worden afgewezen.
23 Ten slotte houden volgens de Commissie de eerste twee onderdelen van de vraag, betreffende de eigenlijke overdracht van pensioenrechten, geen verband met het hoofdgeding, dat uitsluitend gaat over de kwestie of de 27 jaren die door de belanghebbende zijn vervuld in dienst van de Raad, in aanmerking moeten worden genomen voor het ontstaan van een recht op vervroegd rustpensioen krachtens de Belgische wettelijke regeling. Enkel dit laatste onderdeel dient haars inziens dus door het Hof te worden beantwoord.
24 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de in artikel 234 EG neergelegde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van het gemeenschapsrecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (zie met name arresten van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, Jurispr. blz. I‑4921, punt 59, en 19 februari 2002, Arduino, C‑35/99, Jurispr. blz. I‑1529, punt 24).
25 Het Hof heeft echter ook geoordeeld dat het in uitzonderlijke gevallen aan hem staat om, ter toetsing van zijn eigen bevoegdheid, een onderzoek in te stellen naar de omstandigheden waaronder de nationale rechter hem om een prejudiciële beslissing heeft verzocht (zie in die zin arrest van 16 december 1981, Foglia, 244/80, Jurispr. blz. 3045, punt 21). Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen over een prejudiciële vraag van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die voor hem noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (zie met name reeds aangehaalde arresten Bosman, punt 61, en Arduino, punt 25).
26 Zoals reeds is vastgesteld, heeft My in het hoofdgeding nooit verzocht om de overdracht van de krachtens de communautaire regeling verworven pensioenrechten naar de Belgische pensioenregeling, doch enkel om de toekenning van een nationaal vervroegd rustpensioen. My heeft dienaangaande de weigering van de RVP aangevochten om de 27 jaren die hij heeft gewerkt als ambtenaar van de Raad, in aanmerking te nemen voor de berekening van de loopbaan van 35 kalenderjaren als bedoeld in artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit, waarvan het ontstaan van het recht op voornoemd pensioen afhangt.
27 Hieruit volgt dat het hoofdgeding enkel gaat over de vraag of het gemeenschapsrecht aan de Belgische autoriteiten de verplichting oplegt om de door My zowel onder de Belgische pensioenregeling als onder de communautaire regeling vervulde tijdvakken van werkzaamheden in aanmerking te nemen.
28 In deze omstandigheden behoeven de eerste twee onderdelen van de gestelde vraag niet te worden beantwoord.
De inaanmerkingneming van de tijdvakken van werkzaamheden bij de Europese Gemeenschappen
De artikelen 2 EG, 3 EG, 40 EG en 283 EG
29 Zoals het Hof reeds heeft opgemerkt (arresten van 29 september 1987, Giménez Zaera, 126/86, Jurispr. blz. 3697, punt 11, en 11 maart 1992, Compagnie commerciale de l’Ouest e.a., C‑78/90–C-83/90, Jurispr. blz. I‑1847, punten 17 en 18), formuleren de artikelen 2 EG en 3 EG algemene doelstellingen die in andere bepalingen van het Verdrag worden geconcretiseerd. Ze kunnen niet worden toegepast los van de in de prejudiciële vraag vermelde meer specifieke bepalingen van het Verdrag.
30 Ook dienen de artikelen 40 EG en 283 EG slechts als rechtsgrondslag voor de vaststelling door de Raad van de maatregelen die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van het door artikel 39 EG gewaarborgde vrij verkeer van werknemers, respectievelijk het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen alsmede de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen.
31 Derhalve zijn de artikelen 2 EG, 3 EG, 40 EG en 283 EG in het kader van deze zaak niet relevant.
De artikelen 17 EG en 18 EG
32 Artikel 17 EG, dat het burgerschap van de Unie instelt, bepaalt enkel dat de burgers van de Unie de rechten genieten en zijn onderworpen aan de plichten die bij het Verdrag zijn vastgesteld. Het kan dus in dit opzicht niet worden toegepast los van de specifieke bepalingen van het Verdrag die de rechten en plichten van de burgers van de Unie regelen.
33 Artikel 18 EG, dat op algemene wijze het recht formuleert van iedere burger van de Unie om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, vindt een bijzondere uitdrukking in artikel 39 EG met betrekking tot het vrij verkeer van werknemers. Aangezien de verwijzende rechter het Hof ook vraagt naar de uitlegging van deze laatste bepaling, dient eerst op dit punt uitspraak te worden gedaan (zie in die zin arrest van 26 november 2002, Oteiza Olazabal, C‑100/01, Jurispr. blz. I-10981, punt 26).
Artikel 42 EG
34 Artikel 42 EG draagt de Raad op, een stelsel in te voeren dat de werknemers in staat stelt om de hindernissen uit de weg te ruimen die voor hen kunnen voortvloeien uit de nationale voorschriften inzake de sociale zekerheid. De Raad is deze verplichting in principe nagekomen door de vaststelling van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gewijzigde en bijgewerkte versie van verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1).
35 Zoals het Hof evenwel heeft geoordeeld in het arrest van 3 oktober 2000, Ferlini (C-411/98, Jurispr. blz. I-8081, punt 41), kunnen de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen niet worden aangemerkt als werknemers in de zin van verordening nr. 1408/71, aangezien er op hen niet een nationale wettelijke regeling op het gebied van de sociale zekerheid van toepassing is, zoals wordt verlangd door artikel 2, lid 1, van voormelde verordening, dat de personele werkingssfeer ervan definieert.
36 De situatie van My valt daarom noch onder artikel 42 EG noch onder verordening nr. 1408/71.
Artikel 39 EG en artikel 7 van verordening nr. 1612/68
37 Volgens vaste rechtspraak bezit de ambtenaar van de Europese Gemeenschappen de hoedanigheid van migrerend werknemer. Een gemeenschapsonderdaan die in een andere lidstaat dan zijn land van herkomst werkt, verliest immers niet zijn hoedanigheid van werknemer in de zin van artikel 39, lid 1, EG doordat hij een functie bij een internationale organisatie vervult, ook al zijn de voorwaarden voor zijn toelating en verblijf in het land van tewerkstelling speciaal geregeld in een internationale overeenkomst (arresten van 15 maart 1989, Echternach en Moritz, 389/87 en 390/87, Jurispr. blz. 723, punt 11 en 27 mei 1993, Schmid, C-310/91, Jurispr. blz. I-3011, punt 20, en arrest Ferlini, reeds aangehaald, punt 42).
38 Bijgevolg kunnen aan een werknemer die onderdaan is van een lidstaat, zoals My, niet de rechten en sociale voordelen worden onthouden die voor hem voortvloeien uit artikel 39 EG en verordening nr. 1612/68 (zie arrest van 13 juli 1983, Forcheri, 152/82, Jurispr. blz. 2323, punt 9; arresten Echternach en Moritz, reeds aangehaald, punt 12; Schmid, reeds aangehaald, punt 22, en Ferlini, reeds aangehaald, punt 43).
39 Uit de stukken blijkt evenwel dat My, die op de leeftijd van negen jaar naar België is gekomen, zijn gehele beroepsloopbaan op Belgisch grondgebied heeft vervuld, eerst als werknemer bij verscheidene Belgische ondernemingen, en later, tot de pensioenleeftijd, als ambtenaar bij het secretariaat-generaal van de Raad.
40 De verdragsbepalingen inzake het vrij verkeer van werknemers, in het bijzonder artikel 39 EG, kunnen echter niet worden toegepast op louter interne situaties van een lidstaat (arrest van 5 juni 1997, Uecker en Jacquet, C-64/96 en C‑65/96, Jurispr. blz. I-3171, punt 16, en aangehaalde rechtspraak).
41 Om toch een verband te leggen met één van de in artikel 39 EG bedoelde situaties, heeft de Commissie aangevoerd dat het tijdvak van werkzaamheden in een internationale openbare dienst, zoals die van de Europese Unie, moet worden gelijkgesteld met een tijdvak dat werd vervuld in de openbare dienst van een andere lidstaat.
42 Zoals blijkt uit de punten 85 tot en met 89 van de conclusie van de advocaat-generaal, kan een dergelijke juridische fictie geen steun vinden in de bepalingen van het Verdrag inzake het vrij verkeer van werknemers.
43 Derhalve valt de situatie van My ook niet onder artikel 39 EG en artikel 7 van verordening nr. 1612/68.
Artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut en artikel 10 EG
44 Het stelsel van overdracht van pensioenrechten, zoals voorzien in artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, wil, door een coördinatie van de nationale pensioenregelingen en de communautaire regeling mogelijk te maken, de overgang van nationale betrekkingen, bij de overheid of in de particuliere sector, naar de communautaire administratie vergemakkelijken en aldus de Gemeenschappen de beste keuzemogelijkheden verzekeren van gekwalificeerd personeel dat reeds over passende beroepservaring beschikt (arrest van 20 oktober 1981, Commissie/België, 137/80, Jurispr. blz. 2393, punten 11 en 12).
45 In het bijzonder heeft het Hof geoordeeld dat een lidstaat, door te weigeren de nodige maatregelen te nemen voor de in artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut voorziene overdracht van de actuariële tegenwaarde van of de afkoopsom voor de onder de nationale pensioenregeling verworven pensioenrechten naar de communautaire pensioenregeling, de aanwerving door de Gemeenschappen van nationale ambtenaren die al een bepaalde dienstanciënniteit bezitten, zou kunnen bemoeilijken, aangezien deze bij hun overgang van de nationale naar de communautaire dienst de pensioenrechten zouden verliezen waarop zij aanspraak zouden hebben indien zij niet in dienst van de Gemeenschappen waren getreden (arrest Commissie/België, reeds aangehaald, punt 19).
46 Dit is echter eveneens het geval wanneer een lidstaat weigert om de onder de communautaire pensioenregeling vervulde tijdvakken van werkzaamheden in aanmerking te nemen voor het ontstaan van een recht op vervroegd rustpensioen uit hoofde van zijn regeling.
47 Er moet namelijk worden vastgesteld dat een nationale regeling als die waarom het gaat in het hoofdgeding, de uitoefening van een beroepsactiviteit bij een instelling van de Europese Unie kan belemmeren en bijgevolg ontmoedigen, aangezien een werknemer die tevoren bij een nationale pensioenregeling was aangesloten, door zijn indiensttreding bij een dergelijke instelling het risico loopt dat hij geen aanspraak meer kan maken op een ouderdomsuitkering uit hoofde van die regeling waarop hij recht zou hebben gehad indien hij deze betrekking niet had aanvaard.
48 Dergelijke gevolgen zijn onaanvaardbaar in het licht van de plicht tot loyale samenwerking en bijstand die op de lidstaten tegenover de Gemeenschap rust en die tot uitdrukking komt in de verplichting van artikel 10 EG om de vervulling van haar taak te vergemakkelijken.
49 Bijgevolg dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 10 EG, in samenhang met het Statuut, aldus dient te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan het niet is toegestaan dat voor het ontstaan van een recht op een vervroegd rustpensioen krachtens het nationale stelsel rekening wordt gehouden met de door een gemeenschapsonderdaan in dienst van een gemeenschapsinstelling gewerkte jaren.
50 Gelet op het voorgaande, behoeft de gestelde vraag niet te worden beantwoord wat de uitlegging van artikel 18 EG betreft.
Kosten
51 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht:
Artikel 10 EG, in samenhang met het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, dient aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan het niet is toegestaan dat voor het ontstaan van een recht op een vervroegd rustpensioen krachtens het nationale stelsel rekening wordt gehouden met de door een gemeenschapsonderdaan in dienst van een gemeenschapsinstelling gewerkte jaren.
ondertekeningen
1 – Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy