Zaak C‑295/03 P
Alessandrini Srl e.a.
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Bananen – Invoer uit derde landen – Verordening (EG) nr. 2362/98 – Certificaten voor invoer van bananen uit ACS-staten – Maatregelen op grond van artikel 20, sub d, van verordening (EEG) nr. 404/93 – Niet-contractuele aansprakelijkheid van Gemeenschap”
Conclusie van advocaat-generaal D. Ruiz-Jarabo Colomer van 12 april 2005
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 30 juni 2005
Samenvatting van het arrest
1. Hogere voorziening – Middelen – Ontoereikende motivering – Beroep strekkende tot vaststelling van niet-contractuele aansprakelijkheid van Gemeenschap – Onwettigheid van verordening nr. 2362/98 die beweerdelijk oorzaak is van gestelde schade – Arrest dat gestelde onwettigheid niet onderzoekt – Hogere voorziening gegrond
2. Niet-contractuele aansprakelijkheid – Voorwaarden – Onrechtmatigheid – Schade – Causaal verband
(Art. 288, tweede alinea, EG)
3. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Bananen – Invoerregeling – Tariefcontingent – Opening en verdeling – Delegatie aan Commissie van uitvoeringsbevoegdheid die ruime beoordelingsvrijheid impliceert – Ontbreken van kennelijke beoordelingsfout
(Art. 211 EG; verordening nr. 404/93 van de Raad, art. 19, lid 1, en 20; verordening nr. 2362/98 van de Commissie)
4. Gemeenschapsrecht – Beginselen – Grondrechten – Beperkingen – Toelaatbaarheid – Voorwaarden – Gemeenschappelijke ordening van markten – Tariefcontingenten voor invoer van bananen – Eigendomsrecht – Verkregen recht – Vrije uitoefening van beroepsactiviteit – Schending – Geen
(Art. 33 EG; verordening nr. 404/93 van de Raad; verordening nr. 2362/98 van de Commissie)
5. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Invoercertificaten – Toekenning van referentiehoeveelheden – Waarborg van beschikbaarheid van genoemde referentiehoeveelheden en van recht op uitvoer van die hoeveelheden – Geen
1. Om elke aansprakelijkheid van de Commissie uit te sluiten, dient het Gerecht bij een beroep dat ertoe strekt, de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap vast te stellen, te onderzoeken of, afgezien van de moeilijkheden die rekwirantes ondervonden om hun referentiehoeveelheden en hun invoercertificaten ten volle te benutten, de gestelde schade niet juist zijn oorzaak vindt in de gestelde onwettigheid van verordening nr. 2362/98 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 404/93 betreffende de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap, en in het bijzonder in de methode voor eenvormig beheer van de door de Commissie ingevoerde tariefcontingenten, die dan de rechtstreekse oorzaak zou zijn geweest van de commerciële moeilijkheden van de traditionele importeurs van bananen uit derde landen, die uiteindelijk ACS-bananen zouden hebben moeten invoeren.
Een dergelijk onderzoek door het Gerecht is te meer geboden omdat de vermeende onwettigheid van die verordening een wezenlijk onderdeel vormt van het door rekwirantes in hun beroepen gevoerde betoog. Zij hebben getracht aan te tonen dat deze regeling ongunstige gevolgen had voor de economische activiteit van de ondernemingen die traditioneel bananen uit derde landen invoeren, gezien de door hen ondervonden moeilijkheden om ACS-bananen in te kopen.
Door niet te onderzoeken of de gestelde onwettigheid van verordening nr. 2362/98 de oorzaak kan zijn van de gestelde schade, motiveert het Gerecht zijn arrest in dit verband onvoldoende.
(cf. punten 57‑59)
2. Voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap in de zin van artikel 288, tweede alinea, EG is vereist, dat een aantal voorwaarden zijn vervuld betreffende de onrechtmatigheid van de aan de gemeenschapsinstellingen verweten gedraging, het daadwerkelijk bestaan van schade en een causaal verband tussen de gedraging van de instelling en de gestelde schade.
(cf. punt 61)
3. Uit het stelsel van het Verdrag, in het kader waarvan artikel 211 EG moet worden gezien, en uit de eisen van de praktijk volgt, dat het begrip uitvoering ruim moet worden uitgelegd. Aangezien de Commissie als enige in staat is de ontwikkeling van de landbouwmarkten voortdurend en nauwlettend te volgen en de spoedmaatregelen te treffen die de situatie vereist, kan dit voor de Raad aanleiding zijn haar op dit gebied een ruime bevoegdheid te laten. De grenzen van die bevoegdheid moeten dan ook met name worden bepaald aan de hand van de algemene hoofddoelen van de betrokken marktordening.
De Commissie mag op landbouwgebied alle maatregelen treffen die nodig of doelmatig zijn voor de uitvoering van de basisregeling, voorzover zij niet in strijd zijn met deze regeling of met de uitvoeringsregeling van de Raad.
Daar de Commissie verordening nr. 2362/98 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 404/93 betreffende de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap heeft vastgesteld op basis van artikel 19, lid 1, en artikel 20 van verordening nr. 404/93 welke haar belast met de taak, maatregelen voor het beheer van de tariefcontingenten vast te stellen waarbij rekening wordt gehouden met de traditionele handelsstromen, de nodige specifieke maatregelen te treffen om de overgang van de per 1 juli 1993 geldende invoerregeling naar de bij titel IV van verordening nr. 404/93 ingevoerde regeling te vergemakkelijken en de nodige maatregelen te nemen om toe te zien op de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de door de Gemeenschap overeenkomstig artikel 300 EG gesloten akkoorden, hebben rekwirantes niet aangetoond dat de Commissie de ter zake van toepassing zijnde basisregeling heeft miskend of de grenzen van de haar door de Raad gelaten beoordelingsvrijheid bij de keuze van de uitvoeringsbepalingen kennelijk heeft overschreden.
(cf. punten 74‑77, 81)
4. Zowel het eigendomsrecht als de vrije uitoefening van beroepsactiviteiten maken deel uit van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht. Deze beginselen hebben echter geen absolute gelding, maar moeten in relatie tot hun functie in de maatschappij worden beschouwd. De uitoefening van het eigendomsrecht en de vrije uitoefening van beroepsactiviteiten kunnen dus, met name in het kader van een gemeenschappelijke marktordening, aan beperkingen worden onderworpen, mits die beperkingen daadwerkelijk beantwoorden aan doeleinden van algemeen belang die de Gemeenschap voor ogen heeft en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast.
Wat in de eerste plaats het eigendomsrecht van de importeurs van bananen uit derde landen betreft, doet de invoering van het communautaire contingent en de regeling voor de verdeling hiervan geen afbreuk aan dit recht. Geen enkele marktdeelnemer kan immers een eigendomsrecht doen gelden op een marktaandeel dat hij op een tijdstip vóór de invoering van een gemeenschappelijke marktordening in handen had, aangezien dit marktaandeel slechts een voorbijgaande economische positie is, die is blootgesteld aan de risico’s van een wijziging van omstandigheden. Een marktdeelnemer kan zich evenmin beroepen op een verkregen recht of op een gewettigd vertrouwen in het voortbestaan van een situatie die door besluiten van de gemeenschapsinstellingen in het kader van hun beoordelingsbevoegdheid kan worden gewijzigd.
Wat in de tweede plaats de gestelde aantasting van de vrije uitoefening van beroepsactiviteiten betreft, wijzigt de invoering van een methode voor eenvormig beheer van de tariefcontingenten, zoals die waarin verordening nr. 2362/98 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 404/93 betreffende de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap, voorziet, daadwerkelijk de mededingingspositie van de importeurs van bananen uit derde landen, in zoverre overeenkomstig deze methode alle marktdeelnemers zonder onderscheid bananen kunnen invoeren, ongeacht de oorsprong ervan. Weliswaar concurreren de importeurs van bananen uit derde landen daardoor met de importeurs van ACS-bananen, maar zij zien hun invoer niet langer met 30 % verminderd ten gunste van de importeurs van ACS-bananen van categorie B, zoals in de vroegere regeling was bepaald. Bovendien kunnen zij in het kader van de nieuwe regeling eveneens ACS-bananen inkopen, daar de ingeroepen moeilijkheden om leveranciers te vinden die hun ACS-bananen kunnen verschaffen, geen afbreuk doen aan de rechtmatigheid van een regeling die hun juist het recht verleent om deze bananen in het kader van het communautaire contingent in te voeren. Hoe dan ook zijn de uit de opening van een tariefcontingent en de verdeelsleutel daarvan voortvloeiende beperkingen van de mogelijkheid om bananen uit derde landen in te voeren, inherent aan de invoering van een gemeenschappelijke marktordening die de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 33 EG alsook de naleving van de internationale verplichtingen van de Gemeenschap beoogt veilig te stellen. Deze beperkingen zijn dus geen onrechtmatige aantastingen van de vrije uitoefening van de beroepsactiviteiten van de traditionele importeurs van bananen uit derde landen.
(cf. punten 86, 88-91)
5. Een referentiehoeveelheid die in het kader van een gemeenschappelijke marktordening aan een marktdeelnemer is toegekend, vormt de maximumhoeveelheid ten belope waarvan deze marktdeelnemer in een bepaald jaar invoercertificaataanvragen kan indienen om de aan een tariefcontingent verbonden rechten te genieten. De toekenning van referentiehoeveelheden is dus geen waarborg voor de beschikbaarheid van deze hoeveelheden en verzekert de marktdeelnemers evenmin dat zij alle hoeveelheden die in het kader van het tariefcontingent zijn toegekend, daadwerkelijk naar de Gemeenschap mogen uitvoeren.
(cf. punt 87)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
30 juni 2005(*)
„Hogere voorziening – Bananen – Invoer uit derde landen – Verordening (EG) nr. 2362/98 – Certificaten voor invoer van bananen uit ACS-staten – Maatregelen op grond van artikel 20, sub d, van verordening (EEG) nr. 404/93 – Niet-contractuele aansprakelijkheid van Gemeenschap”
In zaak C-295/03 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op 2 juli 2003,
Alessandrini Srl, gevestigd te Treviso (Italië),
Anello Gino di Anello Luigi & C. Snc, gevestigd te Brescia (Italië),
Arpigi SpA, gevestigd te Padua (Italië),
Bestfruit Srl, gevestigd te Milaan (Italië),
Co-Frutta SpA, gevestigd te Padua,
Co-Frutta Soc. coop. arl, gevestigd te Padua,
Dal Bello Sife Srl, gevestigd te Padua,
Frigofrutta Srl, gevestigd te Palermo (Italië),
Garletti Snc, gevestigd te Bergamo (Italië),
London Fruit Ltd, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),
vertegenwoordigd door W. Viscardini Donà en G. Donà, avvocati, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirantes,
andere partij in de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Cattabriga en L. Visaggio als gemachtigden, bijgestaan door A. Dal Ferro, avvocato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, C. Gulmann, R. Schintgen (rapporteur), G. Arestis en J. Klučka, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 24 februari 2005,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 april 2005,
het navolgende
Arrest
1 Alessandrini Srl, Anello Gino di Anello Luigi & C. Snc, Arpigi SpA, Bestfruit Srl, Co-Frutta SpA, Co-Frutta Soc. coop. arl, Dal Bello Sife Srl, Frigofrutta Srl, Garletti Snc en London Fruit Ltd verzoeken om vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 10 april 2003, Alessandrini e.a./Commissie (T‑93/00 en T‑46/01, Jurispr. blz. II‑1635; hierna: „bestreden arrest”), waarbij zijn verworpen hun beroep tot nietigverklaring van brief nr. 02418 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 26 januari 2000 en tot vergoeding van de wegens deze brief geleden schade (zaak T‑93/00) en hun beroep tot nietigverklaring van brief AGR 030905 van de Commissie van 8 december 2000 en tot vergoeding van de schade die deze brief hun heeft berokkend (zaak T‑46/01).
Rechtskader
Verordening (EEG) nr. 404/93
2 Titel IV van verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen (PB L 47, blz. 1), heeft met ingang van 1 juli 1993 een gemeenschappelijke regeling voor het handelsverkeer met derde landen in de plaats gesteld van de verschillende nationale regelingen. Er is een onderscheid aangebracht tussen „bananen uit de Gemeenschap”, die in de Gemeenschap zijn geoogst, en „bananen uit derde landen”, afkomstig uit derde landen met uitzondering van de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (hierna: „ACS-staten”), „traditionele ACS-bananen” en „niet-traditionele ACS-bananen”. De traditionele ACS-bananen en de niet-traditionele ACS-bananen (hierna: „ACS-bananen”) kwamen overeen met de door de ACS-staten geëxporteerde hoeveelheden bananen die de traditionele hoeveelheden uit elk van die staten, zoals vastgesteld in de bijlage bij deze verordening, niet respectievelijk wél overschreden.
3 Volgens artikel 17, eerste alinea, van verordening nr. 404/93 moet voor de invoer van bananen in de Gemeenschap een invoercertificaat worden overgelegd. Dit certificaat wordt door de lidstaten afgegeven aan iedere belanghebbende die daarom verzoekt, ongeacht zijn plaats van vestiging in de Gemeenschap, onverminderd de voor de toepassing van de artikelen 18 en 19 vastgestelde bijzondere bepalingen.
4 Artikel 18, lid 1, van deze verordening bepaalde dat jaarlijks een tariefcontingent van 2 miljoen ton (nettogewicht) werd geopend voor de invoer van bananen uit derde landen en niet-traditionele ACS-bananen. In het kader van dit tariefcontingent werd op de invoer van bananen uit derde landen een recht van 100 ECU per ton geheven en op de invoer van niet-traditionele ACS-bananen een nulrecht toegepast. Artikel 18, lid 2, bepaalde dat op de invoer buiten genoemd contingent van niet-traditionele ACS-bananen en van bananen uit derde landen respectievelijk 750 ECU en 850 ECU per ton werd geheven.
5 Artikel 19, lid 1, van deze verordening verdeelde het tariefcontingent door het ten belope van 66,5 % te openen voor de categorie marktdeelnemers die bananen uit derde landen en/of niet-traditionele ACS-bananen hadden afgezet (categorie A), ten belope van 30 % voor de categorie marktdeelnemers die bananen uit de Gemeenschap en/of traditionele ACS-bananen hadden afgezet (categorie B) en ten belope van 3,5 % voor de categorie in de Gemeenschap gevestigde marktdeelnemers die vanaf 1992 waren begonnen andere bananen dan bananen uit de Gemeenschap en/of traditionele ACS-bananen af te zetten (categorie C).
6 Artikel 19, lid 2, eerste volzin, van verordening nr. 404/93 luidt:
„Op basis van berekeningen die afzonderlijk zijn uitgevoerd voor elk van de categorieën marktdeelnemers [A en B], ontvangt elke marktdeelnemer invoercertificaten op basis van de gemiddelde hoeveelheden bananen die hij in de laatste drie jaren waarover gegevens beschikbaar zijn, heeft verkocht.”
Verordening (EEG) nr. 1442/93
7 Op 10 juni 1993 heeft de Commissie verordening (EEG) nr. 1442/93 houdende bepalingen ter toepassing van de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap (PB L 142, blz. 6; hierna: „regeling van 1993”), vastgesteld. Deze regeling is tot en met 31 december 1998 van kracht geweest.
8 Volgens artikel 5, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1442/93 dienden de bevoegde autoriteiten van de lidstaten elk jaar voor elke bij hen geregistreerde marktdeelnemer van de categorieën A en B, het gemiddelde vast te stellen van de hoeveelheden die waren afgezet in de drie jaren die voorafgingen aan het jaar vóór dat waarvoor het contingent werd geopend, welke hoeveelheden daartoe overeenkomstig artikel 3, lid 1, van deze verordening werden gesplitst volgens de aard van de door de marktdeelnemer uitgeoefende functies. Dit gemiddelde werd „referentiehoeveelheid” genoemd.
9 Artikel 14, lid 2, van verordening nr. 1442/93, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2444/94 van de Commissie van 10 oktober 1994 (PB L 261, blz. 3), bepaalde:
„De invoercertificaataanvragen worden in de eerste zeven dagen van de laatste maand van het kwartaal dat voorafgaat aan het kwartaal waarvoor de certificaten worden afgegeven, ingediend bij de bevoegde autoriteiten van om het even welke lidstaat.”
Verordening (EG) nr. 1637/98
10 Verordening (EG) nr. 1637/98 van de Raad van 20 juli 1998 tot wijziging van verordening nr. 404/93 (PB L 210, blz. 28), heeft met ingang van 1 januari 1999 belangrijke wijzigingen in de gemeenschappelijke ordening van de markten in de sector bananen aangebracht. Deze wijzigingen betreffen in het bijzonder de artikelen 16 tot en met 20 van verordening nr. 404/93, die zijn opgenomen in titel IV, getiteld „Regeling voor het handelsverkeer met derde landen”.
11 Artikel 18, lid 1, van verordening nr. 404/93, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1637/98 (hierna: „verordening nr. 404/93”), bepaalde dat jaarlijks een tariefcontingent van 2,2 miljoen ton (nettogewicht) zou worden geopend voor de invoer van bananen uit derde landen en niet-traditionele ACS-bananen. In het kader van dit tariefcontingent werd op de invoer van bananen uit derde landen een recht van 75 ECU per ton geheven en op de invoer van niet-traditionele ACS-bananen een nulrecht toegepast.
12 Artikel 18, lid 2, van verordening nr. 404/93 bepaalde dat jaarlijks voor de invoer van bananen uit derde landen en niet-traditionele ACS-bananen een aanvullend tariefcontingent van 353 000 ton (nettogewicht) zou worden geopend. In het kader van dit tariefcontingent werd ook op de invoer van bananen uit derde landen een recht van 75 ECU per ton geheven en op de invoer van niet-traditionele ACS-bananen een nulrecht toegepast.
13 Artikel 19, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 404/93 luidt:
„Voor het beheer van de in artikel 18, leden 1 en 2, bedoelde tariefcontingenten en de invoer van traditionele ACS-bananen wordt de methode toegepast waarbij rekening wordt gehouden met de traditionele handelsstromen (de methode ‚traditioneel/nieuw’).”
14 Op grond van artikel 20, sub d en e, van verordening nr. 404/93, heeft de Commissie de bevoegdheid om overeenkomstig het in artikel 27 van deze verordening voorziene systeem van het Comité van beheer voor bananen, de in artikel 18 bedoelde bepalingen voor het beheer van de tariefcontingenten vast te stellen, welke bepalingen onder meer inhouden „specifieke maatregelen om de overgang van de per 1 juli 1993 geldende invoerregeling naar de bij […] titel IV [van verordening nr. 404/93] ingevoerde regeling te vergemakkelijken” en „maatregelen die nodig kunnen zijn om toe te zien op de naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit de door de Gemeenschap overeenkomstig artikel [300 EG] gesloten akkoorden”.
Verordening (EG) nr. 2362/98
15 Op 28 oktober 1998 heeft de Commissie verordening (EG) nr. 2362/98 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 404/93 betreffende de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap (PB L 293, blz. 32), vastgesteld. Krachtens artikel 31 van verordening nr. 2362/98 is verordening nr. 1442/93 per 1 januari 1999 ingetrokken. De nieuwe bepalingen met betrekking tot het beheer van de invoercertificaten in het kader van de tariefcontingenten zijn in de titels I, II en IV van verordening nr. 2362/98 opgenomen (hierna: „regeling van 1999”).
16 De volgende verschillen tussen de regeling van 1993 en die van 1999 verdienen de aandacht:
– de regeling van 1999 maakt geen onderscheid meer naar gelang van de functie van de marktdeelnemers;
– zij houdt rekening met de hoeveelheden ingevoerde bananen;
– zij verhoogt de tariefcontingenten en het aan de nieuwe marktdeelnemers toegekende aandeel;
– het beheer van de invoercertificaten vindt onder de regeling van 1999 plaats zonder verwijzing naar de oorsprong (ACS-staten of derde landen) van de bananen.
17 Artikel 2 van verordening nr. 2362/98 bepaalt onder meer dat de in artikel 18, leden 1 en 2, van verordening nr. 404/93 genoemde tariefcontingenten en de in artikel 16 van deze verordening genoemde traditionele ACS-bananen worden geopend ten belope van:
– 92 % voor de traditionele marktdeelnemers als omschreven in artikel 3 van verordening nr. 2362/98;
– 8 % voor de marktdeelnemers-nieuwkomers als omschreven in artikel 7 van laatstgenoemde verordening.
18 Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2362/98 bepaalt dat elke traditionele marktdeelnemer die in een lidstaat is geregistreerd, voor elk jaar voor alle in bijlage I bij deze verordening vermelde oorsprongsgebieden samen één enkele referentiehoeveelheid krijgt die wordt vastgesteld op basis van de hoeveelheden bananen die hij in de referentieperiode daadwerkelijk heeft ingevoerd. Volgens artikel 4, lid 2, omvatte de referentieperiode voor de in 1999 verrichte invoer de jaren 1994 tot en met 1996.
19 Artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2362/98 bepaalt dat „de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de artikelen 3, 4 en 5 [jaarlijks] uiterlijk op 30 september na de nodige controles en verificaties te hebben verricht, voor elke traditionele marktdeelnemer één enkele voorlopige referentiehoeveelheid vast[stellen] op basis van het gemiddelde van de hoeveelheden bananen die in de referentieperiode daadwerkelijk uit de in bijlage I vermelde oorsprongsgebieden zijn ingevoerd”. De referentiehoeveelheid wordt vastgesteld op basis van een driejaarsgemiddelde, zelfs indien de marktdeelnemer gedurende een deel van de referentieperiode geen bananen heeft ingevoerd. Op grond van artikel 6, lid 2, eerste volzin, delen de bevoegde autoriteiten jaarlijks aan de Commissie de lijst van de bij hen geregistreerde traditionele marktdeelnemers mee, onder vermelding van het totaal van de voorlopige referentiehoeveelheden van deze laatsten.
20 De wijze waarop de invoercertificaten worden afgegeven, is geregeld in de artikelen 14 tot en met 22 van verordening nr. 2362/98.
21 Artikel 14, lid 1, van deze verordening bepaalt dat „[v]oor de eerste drie kwartalen [...] voor de afgifte van de invoercertificaten een indicatieve hoeveelheid [kan] worden vastgesteld welke in een uniform percentage van de voor elk van de in bijlage I vermelde oorsprongsgebieden beschikbare hoeveelheden is uitgedrukt”.
22 Volgens artikel 15, lid 1, van genoemde verordening worden „[v]oor elk kwartaal [...] de aanvragen om een invoercertificaat in de eerste zeven dagen van de aan het kwartaal waarvoor de certificaten worden afgegeven, voorafgaande maand ingediend bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de marktdeelnemers worden geregistreerd”.
23 Artikel 17 van vermelde verordening bepaalt dat „[i]ndien voor een kwartaal voor een of meer van de in bijlage I vermelde oorsprongsgebieden de hoeveelheden waarvoor certificaataanvragen zijn ingediend, aanzienlijk groter zijn dan de overeenkomstig artikel 14 in voorkomend geval vastgestelde indicatieve hoeveelheid of groter zijn dan de beschikbare hoeveelheden, [...] een op de aanvragen toe te passen verminderingspercentage [wordt] vastgesteld”.
24 Artikel 18 van verordening nr. 2362/98 luidt als volgt:
„1. Wanneer overeenkomstig artikel 17 voor een of meer oorsprongsgebieden een verminderingspercentage wordt vastgesteld, kan de marktdeelnemer die een invoercertificaataanvraag voor dat oorsprongsgebied, respectievelijk die oorsprongsgebieden, heeft ingediend, met name:
a) van het gebruik van het certificaat afzien door dit binnen tien werkdagen te rekenen vanaf de bekendmaking van de verordening tot vaststelling van het verminderingspercentage aan de voor de afgifte van de certificaten bevoegde autoriteit mee te delen; in dat geval wordt de zekerheid voor het certificaat onverwijld vrijgegeven; of
b) tot maximaal een hoeveelheid die niet groter is dan de in het kader van de aanvraag niet toegekende hoeveelheid, voor de oorsprongsgebieden waarvoor beschikbare hoeveelheden door de Commissie worden bekendgemaakt, één of meer andere, nieuwe certificaataanvragen indienen. Een dergelijke aanvraag moet worden ingediend binnen de onder a aangegeven termijn, en hierbij moeten alle voorwaarden die voor de indiening van een certificaataanvraag gelden, in acht worden genomen.
2. De Commissie bepaalt onverwijld de hoeveelheden waarvoor certificaten voor het betrokken oorsprongsgebied, respectievelijk de betrokken oorsprongsgebieden, kunnen worden afgegeven.”
25 Artikel 19, lid 1, eerste alinea, van deze verordening bepaalt onder meer dat de bevoegde autoriteiten „[u]iterlijk op de 23e van de laatste maand van elk kwartaal […] de invoercertificaten af[geven] voor het daaropvolgende kwartaal”.
26 Artikel 20, lid 1, van deze verordening luidt:
„De niet-gebruikte hoeveelheden van een certificaat worden op diens verzoek voor een volgend, doch tot het jaar van afgifte van het eerste certificaat behorend kwartaal, weer aan dezelfde marktdeelnemer, titularis of cessionaris, naar gelang van het geval, toegewezen. De zekerheid wordt verbeurd in verhouding tot de niet-gebruikte hoeveelheden.”
27 In titel V van verordening nr. 2362/98 zijn een aantal overgangsbepalingen voor het jaar 1999 opgenomen. Op grond van artikel 28, lid 1, van deze verordening dienden de marktdeelnemers de verzoeken om registratie voor het jaar 1999 uiterlijk op 13 november 1998 in te dienen. Deze verzoeken dienden onder meer, voor de traditionele marktdeelnemers, vergezeld te gaan van een opgave van het totaal van de in elk van de jaren van de referentieperiode 1994-1996 daadwerkelijk ingevoerde hoeveelheden bananen en van de nummers van alle voor deze invoer gebruikte certificaten en van de uittreksels daarvan alsmede van de referenties van alle bewijsstukken van de betaling van de rechten.
28 Bijlage I bij verordening nr. 2362/98 stelt de verdeling vast van de in artikel 18, leden 1 en 2, van verordening nr. 404/93 genoemde tariefcontingenten alsmede van de traditionele ACS-hoeveelheid (857 000 ton).
Verordening (EG) nr. 250/2000
29 Verordening (EG) nr. 250/2000 van de Commissie van 1 februari 2000 betreffende de invoer van bananen in het kader van de tariefcontingenten en de invoer van traditionele ACS-bananen, en tot vaststelling van indicatieve hoeveelheden voor het tweede kwartaal van 2000 (PB L 26, blz. 6), heeft blijkens punt 1 van de considerans en artikel 1 tot doel, te zorgen voor „een continue voorziening van de communautaire markt en de voortzetting van de handel” in afwachting van de hervorming van de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap, door toepassing van het bepaalde in verordening nr. 2362/98, in het bijzonder met betrekking tot de voor 1999 overeenkomstig artikel 5 van laatstgenoemde verordening geregistreerde traditionele marktdeelnemers.
Verordening (EG) nr. 216/2001
30 De Raad van de Europese Unie heeft op 29 januari 2001 verordening (EG) nr. 216/2001 tot wijziging van verordening nr. 404/93 (PB L 31, blz. 2), vastgesteld. Artikel 1, punt 1, van verordening nr. 216/2001 heeft de artikelen 16 tot en met 20 van verordening nr. 404/93 gewijzigd.
31 De aldus gewijzigde toepassingsbepalingen van titel IV van verordening nr. 404/93 zijn vastgesteld bij verordening (EG) nr. 896/2001 van de Commissie van 7 mei 2001 houdende toepassingsbepalingen van verordening nr. 404/93 ten aanzien van de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap (PB L 126, blz. 6). Overeenkomstig artikel 32, tweede alinea, van verordening nr. 896/2001 zijn zij met ingang van 1 juli 2001 van toepassing.
De aan de gedingen ten grondslag liggende feiten
32 Het bestreden arrest heeft de aan de gedingen ten grondslag liggende feiten samengevat als volgt:
„29 Verzoeksters zijn importeurs van bananen uit Latijns-Amerika. Zij zijn als traditionele marktdeelnemers bij de bevoegde nationale autoriteiten (in Italië, en, in geval van London Fruit Ltd, in het Verenigd Koninkrijk) geregistreerd, en hebben van deze autoriteiten voor 1999 voorlopige individuele referentiehoeveelheden verkregen. Zij hebben zodoende voor de eerste drie kwartalen van 1999 certificaten voor de invoer van bananen uit derde landen verkregen.
30 De feiten die aan zaak T-93/00 ten grondslag liggen, hebben betrekking op het vierde kwartaal van 1999. Verzoeksters hebben voor dit kwartaal bij de bevoegde nationale autoriteiten invoercertificaataanvragen ingediend voor het saldo van hun voorlopige individuele referentiehoeveelheid. Hun aanvragen zijn geaccepteerd binnen de grenzen van de voor invoer van bananen uit derde landen beschikbare hoeveelheden, welke zijn gepubliceerd in de bijlage bij verordening (EG) nr. 1824/1999 van de Commissie van 20 augustus 1999 houdende wijziging van verordening (EG) nr. 1623/1999 tot vaststelling van de in het vierde kwartaal van 1999 in het kader van de tariefcontingenten en de hoeveelheid traditionele ACS-bananen in te voeren bananen (PB L 221, blz. 6).
31 Voor het deel van deze aanvragen waaraan niet kon worden voldaan, beschikten verzoeksters nog over de mogelijkheid invoercertificaten aan te vragen voor een hoeveelheid van 308 978,252 ton traditionele ACS-bananen, welke hoeveelheid was vastgesteld bij verordening (EG) nr. 1998/1999 van de Commissie van 17 september 1999 betreffende de afgifte van certificaten voor de invoer van bananen in het kader van het tariefcontingent voor het vierde kwartaal van 1999, en de indiening van nieuwe aanvragen (PB L 247, blz. 10). Zodoende hebben zij overeenkomstig artikel 18, lid 1, van verordening nr. 2362/98 invoercertificaten voor ACS-bananen aangevraagd binnen de grenzen van de overgebleven hoeveelheden waarover zij konden beschikken. De invoercertificaten voor de respectieve overgebleven hoeveelheden van hun referentiehoeveelheid waren als volgt verdeeld:
Alessandrini Srl KG 2 050
Anello Gino di Anello Luigi & C. Snc KG 1 859
Arpigi Spa KG 757
Bestfruit Srl KG 2 637
Co-Frutta SpA KG 209 392
Co-Frutta Soc. coop. arl KG 30 207
Dal Bello SIFE Srl KG 1 533
Frigofrutta Srl KG 2 990
Garletti Snc KG 4 419
London Fruit Ltd KG 286 004.
32 Op 13 oktober 1999 hebben de bevoegde nationale autoriteiten verzoeksters invoercertificaten voor ACS-bananen afgegeven voor de totale hoeveelheid waarom aldus was verzocht.
33 Ondanks herhaalde pogingen zijn verzoeksters er niet in geslaagd ACS-bananen in te kopen.
34 Verzoeksters hebben daarom met een beroep op artikel 232 EG de Commissie op 18 november 1999 verzocht:
– de nodige maatregelen te nemen teneinde hun in staat te stellen de voor de invoer uit ACS-landen afgegeven certificaten van het vierde kwartaal te gebruiken voor de invoer van bananen uit landen in Latijns-Amerika of andere derde landen;
– in ieder geval te bepalen dat de zekerheden met betrekking tot de betrokken certificaten worden vrijgegeven, aangezien deze certificaten niet zijn gebruikt en het niet-gebruiken ervan niet te wijten is aan de houder van deze certificaten.
35 Omdat antwoord op dit verzoek uitbleef, hebben verzoeksters bij fax van 22 december 1999 de Commissie gewezen op het feit dat de betrokken certificaten op 7 januari 2000 verliepen en haar verzocht een standpunt te bepalen ten aanzien van hun aanvragen.
36 Bij tot de raadsman van verzoeksters gerichte brief nr. 02418 van 26 januari 2000 […] heeft de Commissie het volgende geantwoord:
‚In uw brief van 22 december 1999 heeft u verwezen naar de moeilijkheden die bepaalde marktdeelnemers hebben ondervonden bij het gebruik van de voor het vierde kwartaal van 1999 afgegeven invoercertificaten voor bananen, met name voor de invoer van bananen uit ACS-landen.
Allereerst moet worden vastgesteld dat de problemen in wezen van commerciële aard zijn en uit dien hoofde deel uitmaken van de economische activiteiten van de marktdeelnemers. Het betrokken probleem betreft immers het zoeken van handelspartners voor het inkopen en vervoeren van bepaalde producten, en, met name, in casu, bananen uit ACS-landen. Het feit dat uw cliënten niet in staat zijn geweest contracten voor de levering van ACS-bananen te sluiten is weliswaar betreurenswaardig, maar maakt deel uit van het bedrijfsrisico dat de marktdeelnemers gewoonlijk op zich nemen.
Tot slot moeten wij opmerken dat deze problemen slechts bepaalde, niet nader omschreven marktdeelnemers betreffen, en dat tussenkomst van de Commissie het gevaar in zich zou dragen dat deze marktdeelnemers worden bevoordeeld ten koste van andere die de risico’s op zich hebben genomen welke aan de door hun aangegane verplichtingen zijn verbonden.’
37 De bevoegde nationale autoriteiten hebben overigens de door verzoeksters gestelde zekerheden onder zich gehouden, omdat zij van mening waren dat de argumenten die [laatstgenoemden] voor de teruggaaf van deze garanties aanvoerden, geen geval van overmacht opleverden, het enige geval waarin een dergelijke teruggaaf kan worden overwogen.
38 De feiten in zaak T-46/01 hebben betrekking op het vierde kwartaal van 2000. Ten aanzien van dit kwartaal was het saldo van de voor elk van verzoeksters beschikbare individuele referentiehoeveelheid als volgt:
Alessandrini Srl KG 5 667
Anello Gino di Anello Luigi & C. Snc KG 5 140
Arpigi Spa KG 15 792
Bestfruit Srl KG 7 290
Co-Frutta SpA KG 236 746
Co-Frutta Soc. coop. arl KG 80 301
Dal Bello SIFE Srl KG 4 110
Frigofrutta Srl KG 8 266
Garletti Snc KG 7 329
London Fruit Ltd KG 324 124.
39 Omdat de certificaataanvragen voor bananen uit derde landen de beschikbare hoeveelheden te boven gingen, is bij verordening (EG) nr. 1971/2000 van de Commissie van 18 september 2000 betreffende de afgifte van certificaten voor de invoer van bananen in het kader van de tariefcontingenten en de invoer van traditionele ACS-bananen, voor het vierde kwartaal van 2000, en de indiening van nieuwe aanvragen (PB L 235, blz. 10), de voor het vierde kwartaal van 2000 voor invoer nog beschikbare hoeveelheid bananen vastgesteld. Krachtens de bijlage bij deze verordening konden voor traditionele ACS-bananen nog invoercertificaten ten belope van 329 787,675 ton worden afgegeven.
40 Verzoeksters hebben geen invoercertificaten aangevraagd voor deze bananen uit ACS-landen.
41 Op 10 oktober 2000 hebben verzoeksters met een beroep op artikel 232 EG de Commissie primair verzocht, op grond van artikel 20, sub d, van verordening nr. 404/93 maatregelen te nemen opdat zij voor het vierde kwartaal van 2000 invoercertificaten voor bananen uit derde landen konden verkrijgen voor het restant van de individuele referentiehoeveelheden die hun waren toegekend. Subsidiair hebben zij de Commissie verzocht de inkomstenderving te vergoeden die was ontstaan doordat deze bananen niet konden worden ingevoerd en verhandeld.
42 Bij tot de raadsman van verzoeksters gerichte brief AGR 030905 van 8 december 2000 […] heeft de Commissie deze verzoeken in de volgende bewoordingen afgewezen:
‚In uw brief van 10 oktober 2000 informeert u de Commissie over de moeilijkheden die bepaalde marktdeelnemers hebben ondervonden om bananen te vinden die het mogelijk maakten in het vierde kwartaal de referentiehoeveelheden, welke hun voor het jaar 2000 in het kader van de regeling voor tariefcontingenten bij invoer zijn meegedeeld, volledig te benutten.
De moeilijkheden waarnaar u verwijst zijn in wezen van commerciële aard. Wij moeten helaas beklemtonen dat de communautaire regelgeving de Commissie terzake geen enkele bevoegdheid toekent. U erkent dit overigens wanneer u stelt dat marktdeelnemers die niet gewoon zijn contact met de producenten van ACS-bananen te onderhouden, moeilijkheden hebben met het inkopen van de betrokken handelswaar.
U verklaart overigens dat het voor de marktdeelnemers die u vertegenwoordigt onmogelijk is alle referentiehoeveelheden die hun zijn toegekend, te benutten.
Wij moeten u erop wijzen dat de referentiehoeveelheden, juridisch gezien, slechts mogelijkheden zijn die de marktdeelnemers worden geboden en die zijn vastgesteld op basis van hun eerdere activiteiten, ter uitvoering van de gemeenschapsverordeningen, en die de betrokkenen uitsluitend het recht geven aanvragen in te dienen voor invoercertificaten teneinde de commerciële handelingen te kunnen verrichten die zij met de leveranciers uit de productielanden overeen zijn kunnen komen.
Wij moeten tot slot toevoegen dat blijkens de gegevens die u aan de Commissie heeft overgelegd, de moeilijkheden waarnaar u verwijst niet van „voorbijgaande aard” zijn, in die zin dat zij veroorzaakt zijn door de overgang van de aan 1999 voorafgaande regeling naar die welke vanaf dat tijdstip is toegepast. Artikel 20, sub d, van verordening […] nr. 404/93 laat bijgevolg niet toe dat de Commissie de specifieke maatregelen treft waarom u verzoekt.’”
De procedure voor het Gerecht en het bestreden arrest
33 Bij op 19 april 2000 en 1 maart 2001 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschriften hebben rekwirantes hun beroepen ingesteld tot nietigverklaring van respectievelijk de brief van 26 januari 2000 en die van 8 december 2000 (hierna samen: „litigieuze brieven”), en tot vergoeding van de schade die zij zouden hebben geleden.
34 Bij beschikking van de president van de Vijfde kamer van het Gerecht van 15 oktober 2002 zijn de zaken T-93/00 en T-46/01 wegens verknochtheid voor de mondelinge behandeling en het arrest gevoegd.
35 Tot staving van hun beroepen hebben rekwirantes bij wege van exceptie drie middelen ter zake van de onwettigheid van verordening nr. 2362/98 opgeworpen. Deze middelen betroffen schending van in de eerste plaats verordening nr. 404/93, in de tweede plaats het recht van eigendom en het beginsel van economische vrijheid, en in de derde plaats het non-discriminatiebeginsel. Voorts hebben zij een vierde middel, inzake schending van artikel 20, sub d, van verordening nr. 404/93, aangevoerd.
36 In de punten 76 tot en met 81 van het bestreden arrest heeft het Gerecht de middelen ter zake van de onwettigheid van verordening nr. 2362/98 afgewezen. Naar het oordeel van het Gerecht hadden rekwirantes niet aangetoond dat er rechtens een rechtstreeks verband bestond tussen de litigieuze brieven en de bepalingen van deze verordening waarvan de onwettigheid bij wege van exceptie was opgeworpen.
37 Wat het middel inzake schending van artikel 20, sub d, van verordening nr. 404/93 betreft, heeft het Gerecht in de punten 85 tot en met 96 van het bestreden arrest verklaard dat de Commissie de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid niet had miskend door te weigeren in te gaan op de verzoeken van rekwirantes om op grond van deze bepaling maatregelen te nemen om de moeilijkheden te verhelpen die zij door de overgang van de regeling van 1993 naar die van 1999 zouden hebben ondervonden.
38 Bijgevolg zijn de door rekwirantes in de zaken T-93/00 en T-46/01 ingestelde vorderingen tot nietigverklaring afgewezen.
39 Aangaande de vorderingen tot vergoeding van de schade die rekwirantes zouden hebben geleden, heeft het Gerecht het volgende verklaard:
„106 Volgens vaste rechtspraak is voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap vereist, dat een aantal voorwaarden zijn vervuld betreffende de onrechtmatigheid van de aan de gemeenschapsinstellingen verweten gedraging, het daadwerkelijk bestaan van schade en een causaal verband tussen die gedraging en de gestelde schade (arrest Hof van 17 mei 1990, Sonito e.a./Commissie, C-87/89, Jurispr. blz. I-1981, punt 16, en arrest Gerecht van 29 oktober 1998, TEAM/Commissie, T-13/96, Jurispr. blz. II-4073, punt 68).
107 Wanneer aan een van de drie voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap niet is voldaan, moet het beroep in zijn geheel worden verworpen zonder dat hoeft te worden ingegaan op de andere voorwaarden voor die aansprakelijkheid (arrest Hof van 15 september 1994, KYDEP/Raad en Commissie, C-146/91, Jurispr. blz. I 4199, punt 81).
108 In casu moet worden vastgesteld dat de voorwaarde betreffende het causaal verband niet is vervuld. In zaak T-93/00 is de oorzaak van de beweerde schade immers, dat verzoeksters niet in staat zijn geweest leveranciers te vinden die hun in de loop van het vierde kwartaal van 1999 ACS-bananen konden verschaffen. In zaak T-46/01 is de inkomstenderving waarover verzoeksters zich beklagen, rechtstreeks toe te schrijven aan hun gebrek aan voortvarendheid. Toen de hoeveelheid bananen uit derde landen eenmaal op was, hebben zij […] niet geprobeerd invoercertificaten voor ACS-bananen voor het vierde kwartaal van 2000 te verkrijgen, volgens de voorwaarden van verordening nr. 1971/2000. Voorts hebben zij, ondanks de problemen waarmee zij in de loop van het vierde kwartaal van 1999 […] te maken hadden gehad, niet geprobeerd om in de loop van het jaar 2000 handelscontacten aan te knopen met leveranciers van ACS-bananen om zo in het vierde kwartaal van dat jaar te kunnen inkopen.
109 Aangezien aan een van de voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap niet is voldaan, moeten de vorderingen tot schadevergoeding in de zaken T-93/00 en T-46/01 worden verworpen.”
De hogere voorziening
40 Met hun hogere voorziening verzoeken rekwirantes het Hof:
– het bestreden arrest gedeeltelijk te vernietigen, voorzover het hun vorderingen tot vergoeding van de schade die zij zouden hebben geleden, heeft afgewezen;
– de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij hebben geleden doordat hun geen certificaten voor de invoer van bananen uit derde landen zijn toegekend;
– de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure voor het Gerecht en in het kader van de onderhavige hogere voorziening.
41 De Commissie verzoekt het Hof:
− de hogere voorziening af te wijzen;
– subsidiair, voor het geval dat het bestreden arrest gedeeltelijk wordt vernietigd, de zaak naar het Gerecht te verwijzen voor een uitspraak ten gronde over de schadevordering;
– meer subsidiair, deze vordering ten gronde af te wijzen, en
– rekwirantes hoe dan ook te verwijzen in de kosten van de twee instanties.
42 Tot staving van hun hogere voorziening beroepen rekwirantes zich op twee middelen. Met hun eerste middel betogen zij dat het Gerecht de argumenten rechtens voor hun vorderingen tot schadevergoeding niet heeft onderzocht. Met hun tweede middel verwijten zij het Gerecht dat het vorderingen in aanmerking heeft genomen die gedeeltelijk verschillen van die welke in hun beroepen zijn vervat.
De hogere voorziening
Argumenten van partijen
43 Rekwirantes betogen in de eerste plaats dat het Gerecht in punt 108 van het bestreden arrest ten onrechte heeft verklaard dat de gestelde schade het gevolg is van het feit dat zij er niet in zijn geslaagd ACS-bananen in te voeren.
44 In hun beroepen hadden zij in werkelijkheid kritiek op het feit dat zij de invoercertificaten niet ten volle hadden kunnen benutten zoals hun was toegestaan op grond van hun referentiehoeveelheden, die uitsluitend op de invoer van bananen uit derde landen waren gebaseerd. Deze omstandigheid is te wijten aan verordening nr. 2362/98, die de traditionele importeurs van bananen uit derde landen op willekeurige wijze heeft benadeeld.
45 Rekwirantes zijn het eens met het oordeel van het Gerecht dat er rechtens geen rechtstreeks verband bestaat tussen verordening nr. 2362/98 en de litigieuze brieven, wat de reden is waarom het Gerecht de excepties van onwettigheid die in het kader van de beroepen tot nietigverklaring van deze brieven zijn opgeworpen, in punt 81 van het bestreden arrest niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij zijn evenwel van mening dat het Gerecht de vermeende onwettigheid van deze verordening ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten bij zijn onderzoek naar het causale verband tussen de aan de Commissie verweten gedraging en de gestelde schade.
46 In de tweede plaats verwijten rekwirantes het Gerecht dat het de in de inleidende verzoekschriften geformuleerde vorderingen in de punten 47 en 48 van het bestreden arrest gedeeltelijk onjuist heeft opgevat door te oordelen dat zij vergoeding van de door de litigieuze brieven veroorzaakte schade vorderden, terwijl uit deze vorderingen duidelijk blijkt dat de gestelde schade in de eerste plaats zijn oorzaak vond in onwettigheid van verordening nr. 2362/98.
47 De Commissie is van mening dat de hogere voorziening in haar geheel niet-ontvankelijk is. Volgens haar willen rekwirantes het voorwerp van het geding voor het Gerecht wijzigen en het Hof aldus rechtstreeks uitspraak laten doen over de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Commissie enkel op grond van de vaststelling van verordening nr. 2362/98.
48 Uit de verzoekschriften in eerste aanleg blijkt duidelijk dat de oorzaak van de gestelde schade niet in de eerste plaats noch uitsluitend het gevolg was van verordening nr. 2362/98, maar te vinden was in het feit dat de Commissie niet de nodige maatregelen had vastgesteld om de gevolgen te verhelpen die de toepassing van deze verordening zou hebben gehad voor rekwirantes, aan wie het voordeel van krachtens artikel 20, sub d, van verordening nr. 404/93 genomen maatregelen was geweigerd. Met andere woorden, rekwirantes hebben de wettigheid van verordening nr. 2362/98 enkel aan de orde gesteld voorzover deze volgens hen ten grondslag lag aan de litigieuze brieven, waarbij hun het voordeel van overgangsmaatregelen is geweigerd.
49 De Commissie betoogt voorts dat rekwirantes zowel in zaak T-93/00 als in zaak T-46/01 het Gerecht enkel hebben verzocht „de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de schade overeenkomstig de artikelen 235 en 288, tweede alinea, van het EG-Verdrag”, zoals blijkt uit punt 2 van de conclusies van de inleidende verzoekschriften in de twee vermelde zaken. Zij hebben de in het rapport ter terechtzitting in die zaken vervatte samenvatting van hun conclusies niet bestreden, welke samenvatting in dezelfde bewoordingen in het bestreden arrest is overgenomen.
50 Subsidiair is de Commissie van mening dat de hogere voorziening ongegrond moet worden verklaard.
51 Wat het eerste middel betreft, betoogt de Commissie dat noch de toekenning van een referentiehoeveelheid noch het houden van de overeenkomstige invoercertificaten betekenen dat de bananen daadwerkelijk ten belope van die hoeveelheid beschikbaar zijn. De individuele referentiehoeveelheid van een marktdeelnemer vormt immers de maximumhoeveelheid ten belope waarvan laatstgenoemde in een bepaald jaar invoercertificaataanvragen kan indienen om de in het kader van de tariefcontingenten erkende rechten te genieten, zonder evenwel de zekerheid te hebben dat deze hoeveelheid daadwerkelijk beschikbaar zal zijn.
52 Het Gerecht, dat enkel de voorwaarde betreffende het causale verband tussen de aan de Commissie verweten gedraging en de gestelde schade heeft onderzocht, heeft in punt 108 van het bestreden arrest geoordeeld dat de reden waarom rekwirantes geen bananen hebben ingevoerd, te vinden is in commerciële moeilijkheden om leveranciers te vinden, en zelfs in hun nalatigheid, aangezien zij geen moeite hebben gedaan om de gewenste hoeveelheden bananen op de markt te vinden, maar niet in het gedrag van de Commissie, en zeker niet in haar weigering om overgangsmaatregelen vast te stellen na de overgang van de invoerregeling van 1993 naar die van 1999. Deze overwegingen, die eveneens in de punten 88 tot en met 90, 95 en 96 van het bestreden arrest voorkomen, zijn in de hogere voorziening niet bestreden en zijn thans definitief. In deze omstandigheden is de vermeende onwettigheid van verordening nr. 2362/98 niet relevant voor de beoordeling van de schadevorderingen.
53 Wat het tweede middel betreft, voert de Commissie aan dat het Gerecht slechts de conclusies van rekwirantes heeft samengevat in het licht van hun schriftelijke en mondelinge argumenten. Zij betoogt dat uit deze argumenten blijkt dat de gestelde schade zijn oorzaak vindt in het feit dat zij geen maatregelen heeft genomen om de gevolgen te verhelpen die volgens rekwirantes uit de toepassing van verordening nr. 2362/98 voortvloeien. Tegen deze achtergrond was het volkomen normaal geweest om een verband tussen de gestelde schade en de litigieuze brieven vast te stellen. De Commissie verwijst ook naar de in het rapport ter terechtzitting vervatte synthese van de conclusies, die rekwirantes nooit hebben bestreden.
54 De Commissie betoogt voorts dat het Gerecht het causale verband niet zou hebben onderzocht indien het had geoordeeld dat de schadevordering uitsluitend was gebaseerd op de litigieuze brieven, waarvan het daarvóór de rechtmatigheid had erkend, aangezien haar aansprakelijkheid bij gebreke van een onrechtmatige gedraging hoe dan ook was uitgesloten.
Beoordeling door het Hof
55 Zowel het eerste als het tweede middel dat rekwirantes tot staving van hun hogere voorziening aanvoeren, berusten op de grief dat het Gerecht de wettigheid van verordening nr. 2362/98 niet heeft getoetst, in het bijzonder niet aan verordening nr. 404/93, het fundamele recht van eigendom, het recht van vrije uitoefening van een economische activiteit en het non-discriminatiebeginsel.
56 In deze omstandigheden kon het Gerecht er voor de afwijzing in punt 108 van het bestreden arrest van het bestaan van een causaal verband tussen de aan de Commissie verweten gedraging en de gestelde schade, niet mee volstaan vast te stellen, betreffende zaak T-93/00, dat de oorzaak van de schade was dat „verzoeksters niet in staat zijn geweest leveranciers te vinden die hun in de loop van het vierde kwartaal van 1999 ACS-bananen konden verschaffen”, en, betreffende zaak T-46/01, dat de schade „rechtstreeks toe te schrijven [was] aan [het] gebrek aan voortvarendheid” van rekwirantes.
57 Om elke aansprakelijkheid van de Commissie uit te sluiten, diende het Gerecht namelijk te onderzoeken of, afgezien van de moeilijkheden die rekwirantes ondervonden om hun referentiehoeveelheden en hun invoercertificaten ten volle te benutten, de gestelde schade niet juist zijn oorzaak vond in de vermeende onwettigheid van verordening nr. 2362/98 en in het bijzonder in de methode voor eenvormig beheer van de door de Commissie ingevoerde tariefcontingenten, die dus de rechtstreekse oorzaak zou zijn geweest van de commerciële moeilijkheden van de traditionele importeurs van bananen uit derde landen, die uiteindelijk ACS-bananen zouden hebben moeten invoeren.
58 Een dergelijk onderzoek door het Gerecht was te meer geboden omdat de vermeende onwettigheid van verordening nr. 2362/98 een wezenlijk onderdeel vormde van het door rekwirantes in hun beroepen gehouden betoog. Zij hebben getracht aan te tonen dat deze regeling ongunstige gevolgen had voor de economische activiteit van de ondernemingen die traditioneel bananen uit derde landen invoeren, gezien de door hen ondervonden moeilijkheden om ACS-bananen in te kopen.
59 Door niet te onderzoeken of de vermeende onwettigheid van verordening nr. 2362/98 de oorzaak kon zijn geweest van de door rekwirantes gestelde schade, heeft het Gerecht het bestreden arrest bijgevolg onvoldoende gemotiveerd, zodat het moet worden vernietigd.
60 Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, tweede volzin, van het Statuut van het Hof van Justitie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is. Dit is hier het geval.
Ten gronde
61 Volgens vaste rechtspraak is voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap in de zin van artikel 288, tweede alinea, EG vereist, dat een aantal voorwaarden zijn vervuld betreffende de onrechtmatigheid van de aan de gemeenschapsinstellingen verweten gedraging, het daadwerkelijk bestaan van schade en een causaal verband tussen de gedraging van de instelling en de gestelde schade (zie onder meer arrest van 7 mei 1992, Pesquerias De Bermeo en Naviera Laida/Commissie, C-258/90 en C-259/90, Jurispr. blz. I-2901, punt 42, en arrest KYDEP/Raad en Commissie, reeds aangehaald, punt 19).
62 Dienaangaande dient eerst de grief betreffende de onrechtmatigheid van de aan de Commissie verweten gedraging te worden onderzocht.
63 Zoals reeds is vastgesteld in punt 55 van het onderhavige arrest, betwisten rekwirantes de wettigheid van verordening nr. 2362/98 door zich te beroepen op de drie middelen die zij bij wege van exceptie hebben opgeworpen tot staving van hun vordering tot nietigverklaring van de litigieuze brieven.
64 Met hun eerste middel zijn rekwirantes van mening dat de Commissie door de vaststelling van verordening nr. 2362/98 de haar door verordening nr. 404/93 toegekende bevoegdheid heeft overschreden.
65 Met hun tweede middel betogen zij dat de onmogelijkheid om hun referentiehoeveelheden ten volle te benutten voor de invoer van bananen uit derde landen, uitsluitend voortvloeit uit de beweerdelijk onrechtmatige en willekeurige beslissing van de Commissie om het beheer van de tariefcontingenten voor bananen uit derde landen en het tariefcontingent voor ACS-bananen eenvormig te maken. Daardoor heeft de Commissie hun fundamentele recht op eigendom en op vrij economisch initiatief aangetast.
66 Met hun derde middel stellen rekwirantes dat de Commissie, door de importeurs van traditionele ACS-bananen de mogelijkheid te bieden om hun gehele invoer van deze bananen en bananen uit derde landen in aanmerking te doen nemen om certificaten voor de invoer van bananen uit derde landen te verkrijgen, voor deze marktdeelnemers gunstiger bevoorradingsvoorwaarden heeft geschapen dan die welke voor de traditionele importeurs van bananen uit derde landen gelden.
Het eerste middel
67 Het eerste middel bestaat uit twee onderdelen.
68 In de eerste plaats verwijten rekwirantes de Commissie dat zij in artikel 4, lid 2, van verordening nr. 2362/98 de drie jaren waarin verordening nr. 404/93 van kracht was, van 1994 tot en met 1996, als referentieperiode heeft genomen voor de toekenning van referentiehoeveelheden aan de traditionele marktdeelnemers. Dit heeft geleid tot het behoud en de versterking van de gunstige positie die de marktdeelnemers van categorie B ten aanzien van de bepalingen van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel genoten voordat in 1997 door de Wereldhandelsorganisatie bepaalde elementen van de door verordening nr. 404/93 ingevoerde regeling voor het handelsverkeer met derde landen aan de orde werden gesteld.
69 Voorzover rekwirantes zich beroepen op het feit dat zij de invoercertificaten niet ten volle hebben kunnen benutten voor de hun toegekende referentiehoeveelheden omdat zij geen contracten voor de levering van ACS-bananen hebben kunnen sluiten, en zij dit slechte functioneren toeschrijven aan de wijze van eenvormig beheer van de tariefcontingenten en aan de samenvoeging van de door verordening nr. 2362/98 ingevoerde referentiehoeveelheden, moet, zoals de advocaat-generaal in punt 80 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de kritiek op de modaliteiten van de voorafgaande verdeling van de referentiehoeveelheden, die met het gebruik van de invoercertificaten niets te maken hebben, wegens klaarblijkelijk gebrek aan relevantie worden afgewezen.
70 In de tweede plaats betwisten rekwirantes de vaststelling door de Commissie van een methode voor eenvormig beheer van de tariefcontingenten, die, gekoppeld aan de samenvoeging van de referentiehoeveelheden, een versterking van de bevoorrechte positie van de importeurs van ACS-bananen mogelijk heeft gemaakt.
71 Volgens hen vermindert eenvormig beheer van de tariefcontingenten de mogelijkheden voor invoer van bananen uit derde landen, terwijl die mogelijkheden voor importeurs van ACS-bananen daarentegen groter zijn geworden.
72 De Commissie is evenwel van mening dat een gemeenschappelijk beheer van de tariefcontingenten het handelsverkeer vlotter laat verlopen en de marktdeelnemers waarschijnlijk meer vrijheid geeft dan die welke onder de vroegere regeling werd gewaarborgd, in het bijzonder doordat de importeurs van ACS-bananen en die van bananen uit derde landen zonder onderscheid bananen van de ene of de andere oorsprong kunnen invoeren.
73 De Commissie betoogt voorts dat het niet-gebruiken van een bepaalde hoeveelheid ACS-bananen in 1999 en 2000, niet aantoont dat de nieuwe regeling voor de verdeling van de contingenten importeurs van ACS-bananen bevoordeelt. Deze omstandigheid kan het gevolg zijn van economische factoren die verband houden met marktkeuzes.
74 Dienaangaande zij er om te beginnen aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak uit het stelsel van het Verdrag, in het kader waarvan artikel 211 EG moet worden gezien, en uit de eisen van de praktijk volgt, dat het begrip uitvoering ruim moet worden uitgelegd. Aangezien de Commissie als enige in staat is de ontwikkeling van de landbouwmarkten voortdurend en nauwlettend te volgen en de spoedmaatregelen te treffen die de situatie vereist, kan dit voor de Raad aanleiding zijn haar op dit gebied een ruime bevoegdheid te laten. De grenzen van die bevoegdheid moeten dan ook met name worden bepaald aan de hand van de algemene hoofddoelen van de betrokken marktordening (zie arrest van 30 september 2003, Duitsland/Commissie, C‑239/01, Jurispr. blz. I‑10333, punt 54, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
75 Zo heeft het Hof geoordeeld dat de Commissie op landbouwgebied alle maatregelen mag treffen die nodig of doelmatig zijn voor de uitvoering van de basisregeling, voorzover zij niet in strijd zijn met deze regeling of met de uitvoeringsregeling van de Raad (zie onder meer arresten van 15 mei 1984, Zuckerfabrik Franken, 121/83, Jurispr. blz. 2039, punt 13; 17 oktober 1995, Nederland/Commissie, C‑478/93, Jurispr. blz. I‑3081, punt 31, en 6 juli 2000, Molkereigenossenschaft Wiedergeltingen, C‑356/97, Jurispr. blz. I‑5461, punt 24; arrest Duitsland/Commissie, reeds aangehaald, punt 55).
76 In casu heeft de Commissie verordening nr. 2362/98 op basis van artikel 20 van verordening nr. 404/93 vastgesteld. Volgens dit artikel mag de Commissie bepalingen ter uitvoering van titel IV van deze verordening vaststellen, waaronder, volgens dit artikel, sub d en e, „specifieke maatregelen om de overgang van de per 1 juli 1993 geldende invoerregeling naar de bij […] titel IV [van verordening nr. 404/93] ingevoerde regeling te vergemakkelijken” en „maatregelen die nodig kunnen zijn om toe te zien op de naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit de door de Gemeenschap overeenkomstig artikel [300] van het Verdrag gesloten akkoorden”.
77 Wat meer in het bijzonder het beheer van de in artikel 18, leden 1 en 2, van verordening nr. 404/93 genoemde tariefcontingenten en de invoer van traditionele ACS-bananen betreft, heeft verordening nr. 2362/98 eveneens artikel 19, lid 1, van verordening nr. 404/93 als rechtsgrondslag. Deze bepaling belast de Commissie met de taak, de uitvoeringsbepalingen vast te stellen die nodig zijn voor het beheer van de tariefcontingenten, met de precisering dat de gekozen methode „rekening [zal houden] met de traditionele handelsstromen”.
78 Gelet op de in punt 75 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak hebben rekwirantes niet aangetoond dat de in verordening nr. 2362/98 vastgestelde methode voor het beheer van de tariefcontingenten in strijd is met de basisregelgeving die zij uitvoert. Vaststaat immers dat deze methode rekening houdt met de traditionele handelsstromen en het beheer van de in artikel 18, leden 1 en 2, van verordening nr. 404/93 genoemde contingenten en de invoer van de in artikel 16 van deze verordening genoemde traditionele ACS-bananen mogelijk maakt.
79 Bovendien verbiedt de basisregeling niet dat het beheer van de invoercertificaten plaatsvindt zonder verwijzing naar de oorsprong (ACS-staten of derde landen) van de bananen.
80 Aangaande meer in het bijzonder het argument dat de aan de orde zijnde beheersmethode de bevoorrechte positie van de importeurs van ACS-bananen heeft versterkt, dit dient hierna te worden onderzocht in het kader van de analyse van het derde middel van rekwirantes, dat aan schending van het non-discriminatiebeginsel is ontleend.
81 Derhalve dient, nu niet is aangetoond dat de Commissie de ter zake van toepassing zijnde basisregeling heeft miskend of de grenzen van de haar door de Raad bij de keuze van de uitvoeringsbepalingen gelaten beoordelingsbevoegdheid kennelijk heeft overschreden, het tweede onderdeel van het eerste middel, onder voorbehoud van het onderzoek hierna van het in het voorgaande punt bedoelde argument, te worden verworpen.
82 Bijgevolg moet het eerste middel dat rekwirantes tot staving van hun beroepen hebben opgeworpen, worden afgewezen.
Het tweede middel
83 Rekwirantes zijn van mening dat het feit dat zij hun referentiehoeveelheden niet ten volle hebben kunnen benutten door het verkrijgen van daadwerkelijk bruikbare invoercertificaten voor al deze hoeveelheden, voortvloeit uit de beslissing van de Commissie om het beheer van de tariefcontingenten voor bananen uit derde landen en voor ACS-bananen eenvormig te maken. Deze beslissing heeft de mogelijkheden voor de importeurs van bananen uit derde landen om de jaarlijks toegekende hoeveelheden bananen af te zetten, in feite volledig weggenomen.
84 Eind 1999 was het tariefcontingent voor ACS-bananen het enige niet-uitgeputte tariefcontingent, zonder dat het evenwel daadwerkelijk beschikbaar was. In de loop van het jaar 2000 hebben rekwirantes, die met dezelfde moeilijkheden voor het inkopen van ACS-bananen te maken hadden, ervan afgezien certificaten voor de invoer van deze bananen aan te vragen.
85 Door de vaststelling van de methode voor eenvormig beheer van de tariefcontingenten, heeft de Commissie het fundamentele recht op eigendom en op vrij economisch initiatief aangetast.
86 Dienaangaande is het vaste rechtspraak dat zowel het eigendomsrecht als de vrije uitoefening van beroepsactiviteiten deel uitmaken van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht. Deze beginselen hebben echter geen absolute gelding, maar moeten in relatie tot hun functie in de maatschappij worden beschouwd. Het genot van het eigendomsrecht en de vrije uitoefening van beroepsactiviteiten kunnen dus, met name in het kader van een gemeenschappelijke marktordening, aan beperkingen worden onderworpen, mits die beperkingen daadwerkelijk beantwoorden aan doeleinden van algemeen belang die de Gemeenschap voor ogen heeft en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast (zie arresten van 13 december 1979, Hauer, 44/79, Jurispr. blz. 3727, punt 32; 11 juli 1989, Schräder, 265/87, Jurispr. blz. 2237, punt 15, en 13 juli 1989, Wachauf, 5/88, Jurispr. blz. 2609, punten 17 en 18). Aan de hand van deze criteria moet de methode van eenvormig beheer van de tariefcontingenten worden getoetst aan de door rekwirantes ingeroepen vereisten van bescherming van de fundamentele rechten.
87 Gelet op de beweringen van laatstgenoemden moet om te beginnen worden gepreciseerd dat een referentiehoeveelheid die in het kader van een gemeenschappelijke marktordening aan een marktdeelnemer is toegekend, de maximumhoeveelheid vormt ten belope waarvan deze marktdeelnemer in een bepaald jaar invoercertificaataanvragen kan indienen om de aan een tariefcontingent verbonden rechten te genieten. De toekenning van referentiehoeveelheden is dus geen waarborg voor de beschikbaarheid van deze hoeveelheden en verzekert de marktdeelnemers evenmin dat zij alle hoeveelheden die in het kader van het tariefcontingent zijn toegekend, daadwerkelijk naar de Gemeenschap mogen uitvoeren.
88 Wat in de eerste plaats het eigendomsrecht van de importeurs van bananen uit derde landen betreft, heeft het Hof reeds geoordeeld dat de invoering van het communautaire contingent en de regeling voor de verdeling hiervan aan dit recht geen afbreuk doen. Geen enkele marktdeelnemer kan immers een eigendomsrecht doen gelden op een marktaandeel dat hij op een tijdstip vóór de invoering van een gemeenschappelijke marktordening in handen had, aangezien dit marktaandeel slechts een voorbijgaande economische positie is, die is blootgesteld aan de risico’s van een wijziging van omstandigheden (zie arresten van 5 oktober 1994, Duitsland/Raad, C‑280/93, Jurispr. blz. I‑4973, punt 79, en 10 maart 1998, Duitsland/Raad, C‑122/95, Jurispr. blz. I‑973, punt 77).
89 Een marktdeelnemer kan zich evenmin beroepen op een verkregen recht of op een gewettigd vertrouwen in het voortbestaan van een situatie die door besluiten van de gemeenschapsinstellingen in het kader van hun beoordelingsbevoegdheid kan worden gewijzigd (arresten van 28 oktober 1982, Faust/Commissie, 52/81, Jurispr. blz. 3745, punt 27, en 14 februari 1990, Delacre e.a./Commissie, C‑350/88, Jurispr. blz. I‑395, punten 33 en 34; arrest van 5 oktober 1994, Duitsland/Raad, reeds aangehaald, punt 89). Dit is te meer het geval indien de bestaande situatie moet worden gewijzigd ter eerbiediging van de verplichtingen die voortvloeien uit de door de Gemeenschap gesloten internationale overeenkomsten.
90 Wat in de tweede plaats de gestelde aantasting van de vrije uitoefening van beroepsactiviteiten betreft, zij opgemerkt dat de invoering van een methode voor eenvormig beheer van de tariefcontingenten, zoals die waarin verordening nr. 2362/98 voorziet, daadwerkelijk de mededingingspositie van de importeurs van bananen uit derde landen wijzigt, in zoverre overeenkomstig deze methode alle marktdeelnemers zonder onderscheid bananen kunnen invoeren, ongeacht de oorsprong ervan. Evenwel zij vastgesteld dat de importeurs van bananen uit derde landen daardoor concurreren met de importeurs van ACS-bananen, maar dat zij, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, hun invoer niet langer met 30 % verminderd zien ten gunste van de importeurs van ACS-bananen van categorie B, zoals in de vroegere regeling was bepaald. Bovendien kunnen zij in het kader van de nieuwe regeling eveneens ACS-bananen inkopen. De door rekwirantes ingeroepen moeilijkheden om leveranciers te vinden die hun ACS-bananen kunnen verschaffen, doen geen afbreuk aan de rechtmatigheid van een regeling die hun juist het recht verleent om deze bananen in het kader van het communautaire contingent in te voeren.
91 Hoe dan ook blijkt uit de rechtspraak van het Hof, dat de uit de opening van een tariefcontingent en de verdeelsleutel daarvan voortvloeiende beperkingen van de mogelijkheid om bananen uit derde landen in te voeren, inherent zijn aan de invoering van een gemeenschappelijke marktordening die de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 33 EG alsook de naleving van de internationale verplichtingen van de Gemeenschap beoogt veilig te stellen. Deze beperkingen zijn dus geen onrechtmatige aantastingen van de vrije uitoefening van de beroepsactiviteiten van de traditionele importeurs van bananen uit derde landen (zie reeds aangehaalde arresten van 5 oktober 1994, Duitsland/Raad, punten 82 en 87, en 10 maart 1998, Duitsland/Raad, punt 77).
92 Gelet op het voorgaande moet het tweede middel dat rekwirantes tot staving van hun beroepen hebben opgeworpen, worden afgewezen.
Het derde middel
93 Volgens rekwirantes heeft verordening nr. 2362/98, door de importeurs van ACS-bananen de mogelijkheid te bieden om zowel hun invoer van deze bananen als die van bananen uit derde landen in aanmerking te doen nemen voor de bepaling van hun referentiehoeveelheden en de afgifte van certificaten die de invoer van bananen uit derde landen mogelijk maken, voor die marktdeelnemers gunstiger bevoorradingsvoorwaarden geschapen dan die welke de traditionele importeurs van bananen uit derde landen genieten.
94 Door te voorzien in een methode van eenvormig beheer van de tariefcontingenten voor derde landen en voor ACS-staten en in samenvoeging van de referentiehoeveelheden, heeft de Commissie dus het non-discriminatiebeginsel geschonden.
95 Dienaangaande kan ermee worden volstaan vast te stellen dat, voorzover alle marktdeelnemers binnen de grenzen van hun referentiehoeveelheden producten van eender welke oorsprong mogen invoeren en zich dus in dezelfde situatie bevinden, het non-discriminatiebeginsel juist verbiedt om hun bij de toekenning van de invoercertificaten verschillend te behandelen.
96 Bijgevolg moet ook het derde middel dat rekwirantes tot staving van hun beroepen hebben opgeworpen, worden afgewezen.
97 Gelet op het voorgaande kan geen van de bij wege van exceptie opgeworpen middelen ter zake van de onwettigheid van verordening nr. 2362/98, worden aanvaard.
98 Aangezien de eerste voorwaarde voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap in de zin van artikel 288, tweede alinea, EG dus niet is vervuld, moeten de beroepen in hun geheel worden verworpen, zonder dat hoeft te worden ingegaan op de andere voorwaarden voor die aansprakelijkheid, te weten het daadwerkelijk bestaan van schade en een causaal verband tussen die schade en de aan de betrokken instelling verweten gedraging.
Kosten
99 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien rekwirantes in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart:
1) Het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 10 april 2003, Alessandrini e.a./Commissie (T‑93/00 en T-46/01), wordt vernietigd.
2) De onder de nummers T-93/00 en T-46/01 bij het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen ingestelde beroepen worden verworpen.
3) Alessandrini Srl, Anello Gino di Anello Luigi & C. Snc, Arpigi SpA, Bestfruit Srl, Co-Frutta SpA, Co-Frutta Soc. coop. arl, Dal Bello Sife Srl, Frigofrutta Srl, Garletti Snc en London Fruit Ltd worden verwezen in de kosten die in eerste aanleg en in het kader van de hogere voorziening zijn gemaakt.
ondertekeningen
* Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy