Zaak C-312/03
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Koninkrijk België
„Niet-nakoming – Niet-uitvoering van richtlijn 1999/44/EG”
Samenvatting van het arrest
Beroep wegens niet-nakoming – Onderzoek van gegrondheid door Hof – In aanmerking te nemen situatie – Situatie bij verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn
(Art. 226 EG)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
19 februari 2004(1)
„Niet-nakoming – Niet-omzetting van richtlijn 1999/44/EG”
In zaak C-312/03,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Martin als gemachtigde,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door E. Dominkovits als gemachtigde,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (PB L 171, blz. 12), de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),,
samengesteld als volgt: A. Rosas (rapporteur), kamerpresident, R. Schintgen en N. Colneric, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: R. Grass,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 23 juli 2003, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat het Koninkrijk België, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (PB L 171, blz. 12), de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Artikel 11, lid 1, van richtlijn 1999/44 bepaalt dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 1 januari 2002 aan deze richtlijn te voldoen en de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
3 Omdat de Commissie niet ervan in kennis was gesteld dat de nodige maatregelen waren getroffen om deze richtlijn in Belgisch recht om te zetten, heeft zij de procedure wegens niet-nakoming bedoeld in artikel 226 EG-Verdrag ingeleid. Nadat zij het Koninkrijk België had aangemaand zijn opmerkingen te maken, heeft de Commissie op 19 december 2002 een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin deze lidstaat werd verzocht, binnen een termijn van twee maanden na betekening van dit advies hieraan te voldoen. Aangezien het Koninkrijk België op dit advies niet heeft geantwoord, heeft de Commissie onderhavig beroep ingesteld.
4 De Commissie betoogt dat het Koninkrijk België, door niet de maatregelen te treffen die nodig zijn om aan richtlijn 1999/44 te voldoen, de krachtens de relevante voorschriften van deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
5 Het Koninkrijk België betwist niet dat de betrokken richtlijn niet is omgezet. Het verklaart evenwel dat een ontwerp van wet door de Ministerraad werd goedgekeurd op 7 februari 2003 en op 19 februari daaraanvolgend bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers werd ingediend. Over het ontwerp is evenwel niet kunnen worden gestemd voordat de kamers zijn ontbonden, en bijgevolg dient het opnieuw ter beraadslaging aan de Ministerraad te worden voorgelegd, vooraleer het weer bij het Parlement kan worden ingediend.
6 Vastgesteld moet worden dat het Koninkrijk België niet betwist dat aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn nog niet de nodige maatregelen waren getroffen om richtlijn 1999/44 om te zetten, en slechts uiteenzet hoe ver de procedure is gevorderd die deze omzetting dient te verzekeren.
7 Het is vaste rechtspraak dat het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en dat het Hof met sedertdien opgetreden wijzigingen geen rekening kan houden (zie met name arrest van 16 januari 2003, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C‑63/02, Jurispr. blz. I‑821, punt 11).
8 In casu staat vast dat aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn nog geen bepalingen ter omzetting van richtlijn 1999/44 in de Belgische rechtsorde waren vastgesteld.
9 Het door de Commissie ingestelde beroep moet dan ook gegrond worden geacht.
10 Derhalve moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk België, door niet binnen de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 1999/44, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
11 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, is het Koninkrijk België de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.
Rosas
Schintgen
Colneric
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 19 februari 2004.
De griffier
De president van de Derde kamer
R. Grass
A. Rosas
1 – Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy