Zaak C‑314/03
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Groothertogdom Luxemburg
„Niet-nakoming – Niet-uitvoering van richtlijn 2000/52/EG – Doorzichtigheid in financiële betrekkingen tussen lidstaten en openbare bedrijven”
Samenvatting van het arrest
Lidstaten – Verplichtingen – Uitvoering van richtlijnen – Niet-nakoming – Rechtvaardiging – Ontoelaatbaarheid
(Art. 226 EG)
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
9 maart 2004(1)
„Niet-nakoming – Niet-uitvoering van richtlijn 2000/52/EG – Doorzichtigheid in financiële betrekkingen tussen lidstaten en openbare bedrijven”
In zaak C-314/03,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Rozet als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Groothertogdom Luxemburg, vertegenwoordigd door S. Schreiner als gemachtigde,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2000/52/EG van de Commissie van 26 juli 2000 tot wijziging van richtlijn 80/723/EEG betreffende de doorzichtigheid in de financiële betrekkingen tussen lidstaten en openbare bedrijven (PB L 193, blz. 75), of in elk geval door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),,
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, S. von Bahr (rapporteur) en R. Silva de Lapuerta, rechters,
advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: R. Grass,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 23 juli 2003, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2000/52/EG van de Commissie van 26 juli 2000 tot wijziging van richtlijn 80/723/EEG betreffende de doorzichtigheid in de financiële betrekkingen tussen lidstaten en openbare bedrijven (PB L 193, blz. 75), of in elk geval door deze bepalingen niet aan haar mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Volgens artikel 2, eerste alinea, van richtlijn 2000/52 doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 juli 2001 aan deze richtlijn te voldoen en stellen zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
3 Overeenkomstig de procedure van artikel 226, eerste alinea, EG heeft de Commissie, na het Groothertogdom Luxemburg in de gelegenheid te hebben gesteld om zijn opmerkingen te maken, bij brief van 19 december 2002 een met redenen omkleed advies uitgebracht, waarin zij deze lidstaat verzocht, binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van dat advies de nodige maatregelen te nemen om te voldoen aan zijn uit richtlijn 2000/52 voortvloeiende verplichtingen. Omdat zij op basis van de informatie die de Luxemburgse autoriteiten na dat advies hebben verschaft, niet kon concluderen dat deze maatregelen definitief waren vastgesteld, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
4 Het Groothertogdom Luxemburg erkent dat het niet de maatregelen heeft genomen die nodig zijn om binnen de in artikel 2, eerste alinea, gestelde termijn aan richtlijn 2000/52 te voldoen. Het is evenwel van mening dat deze vertraging gerechtvaardigd is. De uitvoering van deze richtlijn werd immers erg bemoeilijkt en vertraagd door de omstandigheid dat de Commissie pas in 2002 een gecoördineerde versie van richtlijn 2000/52 en van drie andere, op de uitvoering daarvan betrekking hebbende richtlijnen heeft bekendgemaakt. De Luxemburgse regering stelt bovendien moeilijkheden te hebben ondervonden om in contact te treden met de diensten van de Commissie om de wijze van uitvoering van deze richtlijn te bespreken.
5 Met betrekking tot de argumenten van de Luxemburgse regering inzake de moeilijkheden die zij bij de uitvoering van de bepalingen van richtlijn 2000/52 heeft ondervonden, moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de bij de uitvoering van een communautaire handeling aan de dag gekomen moeilijkheden een lidstaat niet het recht geven, zich eenzijdig van de nakoming van zijn verplichtingen ontslagen te achten (zie met name arresten van 7 februari 1979, Commissie/Verenigd Koninkrijk, 128/78, Jurispr. blz. 419, punt 10; 19 februari 1991, Commissie/België, C-374/89, Jurispr. blz. I-367, punt 10, en 23 maart 2000, Commissie/Frankrijk, C-327/98, Jurispr. blz. I-1851, punt 21).
6 Bijgevolg kunnen de redenen die de Luxemburgse regering aanvoert ter rechtvaardiging van de niet-uitvoering van richtlijn 2000/52 niet worden aanvaard.
7 In deze omstandigheden moet het door de Commissie ingestelde beroep gegrond worden verklaard.
8 Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2000/52, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
9 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dat is gevorderd. Aangezien het Groothertogdom Luxemburg in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2000/52/EG van de Commissie van 26 juli 2000 tot wijziging van richtlijn 80/723/EEG betreffende de doorzichtigheid in de financiële betrekkingen tussen lidstaten en openbare bedrijven, is het Groothertogdom Luxemburg de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Groothertogdom Luxemburg wordt verwezen in de kosten.
Gulmann
von Bahr
Silva de Lapuerta
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 9 maart 2004.
De griffier
De president van de Vijfde kamer
R. Grass
C. Gulmann
1 – Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy