Zaak C‑329/03
Trapeza tis Ellados AE
tegen
Artesia Bank
(verzoek van de Areios Pagos om een prejudiciële beslissing)
„Vrij verkeer van kapitaal – Eerste richtlijn van Raad van 11 mei 1960 – Verwerving van ter beurze verhandelbare obligaties – Repatriëring van liquidatieopbrengst ervan”
Conclusie van advocaat-generaal F. G. Jacobs van 14 april 2005
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 27 oktober 2005
Samenvatting van het arrest
Vrij verkeer van kapitaal – Liberalisering van kapitaalverkeer – Transacties waarvoor algemene vergunningen voor aangaan van overeenkomsten of verrichten van handelingen en voor overmakingen tussen ingezetenen van lidstaten gelden krachtens artikel 2 van richtlijn van 11 mei 1960 – Verwerving van ter beurze verhandelde en genoteerde obligaties – Daaronder begrepen – Wijze van financiering van verwerving – Geen invloed
(Richtlijn van de Raad van 11 mei 1960, art. 2 en bijlage I, lijst B, post IV A en lijst D, posten VI en IX)
In nationale valuta luidende en door een, in een lidstaat gevestigde en eigendom van die staat zijnde, bank uitgegeven obligaties met een looptijd van één jaar na uitgifte, die ter beurze worden verhandeld en zijn genoteerd, vallen onder „ter beurze verhandelde effecten”, bedoeld in bijlage I, lijst B, post IV A, van de richtlijn van 11 mei 1960 voor de uitvoering van artikel 67 van het Verdrag, en niet onder de „papieren die gewoonlijk op de geldmarkt worden verhandeld” in de zin van lijst D, post VI, van diezelfde bijlage. De verwerving van deze obligaties en de liquidatieopbrengst ervan worden beheerst door artikel 2 van deze richtlijn, dat verwijst naar lijst B van bijlage I, die de repatriëring van deze opbrengst noemt.
Met betrekking tot deze effecten kan de betrokken lidstaat derhalve voor het aangaan van overeenkomsten of het verrichten van handelingen en voor de overmakingen tussen ingezetenen van de lidstaten een algemene vergunning als bedoeld in voormeld artikel 2 verlenen.
Het feit dat een verwerving van dergelijke obligaties is gefinancierd met tegoeden op rekeningen-courant of depositorekeningen bij een kredietinstelling, kan, ook wanneer deze tevens onder lijst D, post IX, van voornoemde bijlage valt, niet van invloed zijn op de indeling van de betrokken kapitaalbeweging in lijst B, post IV A.
(cf. punten 27, 34, 37, dictum 1‑2)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
27 oktober 2005 (*)
„Vrij verkeer van kapitaal – Eerste richtlijn van Raad van 11 mei 1960 – Verwerving van ter beurze verhandelbare obligaties – Repatriëring van liquidatieopbrengst ervan”
In zaak C-329/03,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Areios Pagos (Griekenland) bij beslissing van 31 maart 2003, ingekomen bij het Hof op 28 juli 2003, in de procedure
Trapeza tis Ellados AE
tegen
Artesia Bank,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, K. Schiemann, N. Colneric, E. Juhász en M. Ilešič (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 februari 2005,
gelet op de opmerkingen van:
– Trapeza tis Ellados AE, vertegenwoordigd door I. Soufleros, K. Christodoulou en T. Kontovazainitis, dikigoroi,
– Artesia Bank, vertegenwoordigd door F. Herbert, advocaat, G. Stefanakis en E. Papakonstantinou, dikigoroi,
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door P. Mylonopoulos, M. Apessos, en V. Pelekou als gemachtigden,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. Støvlbæk en G. Zavvos als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 april 2005,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de lijsten B, post IV A, en D, post VI, van bijlage I bij de Eerste richtlijn van de Raad van 11 mei 1960 voor de uitvoering van artikel 67 van het Verdrag (PB 1960, 43, blz. 921; hierna: „Eerste richtlijn”).
2 Dit verzoek is ingediend door de Areios Pagos (Hoge Raad) in het kader van een geding tussen Trapeza tis Ellados AE (hierna: „Bank van Griekenland”) en Artesia Bank (hierna: „Artesia”) over het verzoek van Artesia om vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de weigering door de Bank van Griekenland om toestemming te verlenen voor het crediteren van een rekening in converteerbare Griekse drachmen met de liquidatieopbrengst van obligaties.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
3 Artesia, gevestigd te Brussel (België), had bij haar filiaal te Athene (Griekenland) een rekening in converteerbare Griekse drachmen.
4 In de periode van 28 april 1981 tot en met 30 juli 1982 heeft Artesia bij de Elliniki Trapeza Viomichanikis Anaptyxeos (ETVA) Anonimos Etairia (Griekse bank voor industriële ontwikkeling NV; hierna: „ETVA”), waarvan de aandelen in handen zijn van de Griekse Staat, in nationale valuta luidende obligaties gekocht die door deze bank waren uitgegeven. Deze obligaties hadden een looptijd van één jaar na uitgifte en werden verhandeld en waren genoteerd op de beurs. Zij werden betaald vanaf Artesia’s rekening in converteerbare Griekse drachmen. Om het bedrag van deze obligaties in ieder geval converteerbaar te houden, was speciale toestemming van de Bank van Griekenland vereist.
5 Op 24 augustus 1982 verzocht Artesia aan de Bank van Griekenland toestemming voor het crediteren van haar rekening in converteerbare Griekse drachmen met de liquidatieopbrengst van de betrokken obligaties, teneinde deze opbrengst naar België te kunnen repatriëren. De Bank van Griekenland heeft dit verzoek in de periode van 25 augustus 1982 tot en met 23 november 1986 meerdere malen afgewezen. Op 24 november 1986 wees zij het verzoek evenwel toe. Eén reden voor de afwijzing was, dat voor het gebruik van de rekening van Artesia in converteerbare Griekse drachmen voor de oorspronkelijke verwerving van de obligaties geen toestemming was verleend, met als gevolg dat deze rekening niet langer converteerbaar was.
6 Van mening dat zij in de periode van 30 september 1982 tot en met 11 december 1986 schade had geleden als gevolg van de afwijzingen door de Bank van Griekenland, stelde Artesia op 28 april 1987 een beroep tot schadevergoeding in tegen deze bank. Zij voerde aan dat de verwerving door haar van de obligaties viel onder lijst B, post IV A, van bijlage I bij de Eerste richtlijn, zodat de lidstaten ingevolge artikel 2 van deze richtlijn verplicht waren de gevraagde toestemming te verlenen. De zaak werd behandeld door het Polymeles Protodikeio Athinon (algemeen bevoegde gerecht van eerste aanleg te Athene), het Efeteio Athinon (hof van beroep te Athene) en de Areios Pagos, die de zaak terugwees naar dit Efeteio. Deze laatste instantie heeft de Bank van Griekenland op 27 juli 2001 veroordeeld tot vergoeding van Artesia’s schade. Het Efeteio oordeelde dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde handeling viel onder artikel 2 en lijst B van bijlage I bij de Eerste richtlijn.
7 Nadat de Bank van Griekenland beroep in cassatie had ingesteld, besloot de Areios Pagos de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
„1) Gevraagd wordt of, gelet op het bepaalde in artikel 4 van de Eerste richtlijn […], lijst D en nomenclatuurpost VI, betreffende ‚Uitzetting van gelden op korte termijn door verwerving van schatkistpapier en andere geldswaardige papieren die gewoonlijk op de geldmarkt worden verhandeld’, zowel naar de geest van deze bepaling als naar het daarmee beoogde doel, dan wel bij uitlegging daarvan in het licht van de in de internationale handel geldende, op algemene ervaring berustende opvatting dat waardepapieren als de in geding zijnde eenjarige obligaties van de ETVA, kortetermijninvesteringen zijn, a) obligaties die worden uitgegeven door een in de vorm van een naamloze vennootschap opgerichte bank waarvan de aandelen in handen van de staat zijn, met een duur van één jaar vanaf de uitgifte van de obligaties, die kunnen worden verhandeld aan de beurs waar zij ook zijn geïntroduceerd, of b) obligaties die worden uitgegeven door een in de vorm van een naamloze vennootschap opgerichte bank met een duur van één jaar vanaf de uitgifte van de obligaties, die kunnen worden verhandeld aan de beurs waar zij ook zijn geïntroduceerd, onder de regeling van deze bepaling vallen.
2) Gevraagd wordt tevens of, gelet op het bepaalde in artikel 4 van [de Eerste] richtlijn, lijst D en nomenclatuurpost IX, betreffende ‚Opening en creditering van rekeningen-courant en depositorekeningen bij kredietinstellingen; repatriëring of aanwending van tegoeden op deze rekeningen’, zowel naar de geest van deze bepaling als naar het daarmee beoogde doel, onder de regeling van deze bepaling valt het gebruik bij een bank als kredietinstelling van een tegoed van een termijnrekening, dat gevoed wordt op de wijze als door het in het onderhavige arrest genoemde besluit nr. 1097/1959 van het Monetair Comité wordt voorgeschreven (met de opbrengst van ingevoerde buitenlandse deviezen etc.), en dat betrekking heeft op in nationale valuta luidende, in buitenlandse valuta converteerbare rekeningen.”
Het verzoek om heropening van de mondelinge behandeling
8 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 8 juli 2005, heeft de Bank van Griekenland verzocht, de mondelinge behandeling te heropenen.
9 In dit verband zij eraan herinnerd, dat het Hof krachtens artikel 61 van het Reglement voor de procesvoering de mondelinge behandeling kan heropenen, indien het van oordeel is dat het onvoldoende is ingelicht of dat de zaak moet worden beslecht op basis van een argument waarover tussen partijen geen discussie heeft plaatsgevonden (zie arresten van 10 februari 2000, Deutsche Post, C-270/97 en C-271/97, Jurispr. blz. I-929, punt 30, en 18 juni 2002, Philips, C‑299/99, Jurispr. blz. I-5475, punt 20).
10 In casu is het Hof van oordeel dat de mondelinge behandeling niet behoeft te worden heropend. Bijgevolg wordt dit heropeningsverzoek afgewezen.
Het rechtskader
De communautaire regeling
11 Artikel 67 EEG-Verdrag (nadien artikel 67 EG-Verdrag, ingetrokken bij het Verdrag van Amsterdam) bepaalt:
„1. Gedurende de overgangsperiode en in de mate waarin zulks voor de goede werking van de gemeenschappelijke markt nodig is, heffen de lidstaten in hun onderling verkeer geleidelijk de beperkingen op met betrekking tot het verkeer van kapitaal toebehorende aan personen die woonachtig of gevestigd zijn in de lidstaten alsmede discriminerende behandeling op grond van nationaliteit of van de vestigingsplaats van partijen of op grond van het gebied waar het kapitaal wordt belegd.
2. De lopende betalingen met betrekking tot het kapitaalverkeer tussen de lidstaten worden uiterlijk aan het einde van de eerste etappe van alle beperkingen vrijgemaakt.”
12 Volgens de considerans van de Eerste richtlijn is ter verwezenlijking van de doeleinden van het EEG-Verdrag een zo groot mogelijke vrijheid van kapitaalverkeer tussen de lidstaten en dientengevolge een zo uitgebreid en snel mogelijke liberalisatie van dit kapitaalverkeer noodzakelijk.
13 Overeenkomstig de artikelen 1, lid 1, en 3, lid 1, van deze richtlijn verlenen de lidstaten alle deviezenvergunningen, vereist voor het aangaan van overeenkomsten of het verrichten van handelingen en voor de overmakingen tussen ingezetenen van de lidstaten, die op de in lijst A, en onder bepaalde voorwaarden lijst C, van bijlage I bij deze richtlijn genoemde categorieën van kapitaalverkeer betrekking hebben.
14 Artikel 2, lid 1, van de Eerste richtlijn bepaalt dat „[d]e lidstaten […] algemene vergunningen [verlenen], vereist voor het aangaan van overeenkomsten of het verrichten van handelingen en voor de overmakingen tussen ingezetenen van de lidstaten, die betrekking hebben op de in lijst B van bijlage I bij deze richtlijn genoemde categorieën van kapitaalverkeer”.
15 Een dergelijke verplichting om vergunning te verlenen is daarentegen niet opgelegd voor de in lijst D van deze bijlage genoemde categorieën van kapitaalverkeer. Het staat de lidstaten vrij om hun beperkingen op deze handelingen te handhaven.
16 Artikel 4 van de Eerste richtlijn bepaalt:
„Het Monetair Comité onderzoekt ten minste eenmaal per jaar de bestaande beperkingen ter zake van in de lijsten van bijlage I van deze richtlijn genoemde categorieën van kapitaalverkeer; het deelt de Commissie mede welke beperkingen zouden kunnen worden opgeheven.”
17 Tot de onder lijst B inzake „[c]ategorieën van kapitaalverkeer als bedoeld in artikel 2 van de richtlijn”, post IV A, van bijlage I bij de Eerste richtlijn vermelde categorieën van kapitaalverkeer behoren onder meer de „[v]erwerving door niet-ingezetenen van ter beurze verhandelde binnenlandse effecten (met uitzondering van aandelen in gemeenschappelijke beleggingsfondsen) en [de] repatriëring van de liquidatieopbrengst van deze effecten”, welke categorieën overeenkomen met nomenclatuurpost IV A. Deze noemt met name, in punt 3, sub i, de verwerving van obligaties „in nationale valuta luidend” en „Repatriëring van de liquidatieopbrengst van obligaties”.
18 Tot de onder lijst D, inzake „[c]ategorieën van kapitaalverkeer als bedoeld in artikel 4 van de richtlijn” van bijlage I bij de Eerste richtlijn vermelde categorieën van kapitaalverkeer behoren onder meer:
– „Uitzetting van gelden op korte termijn door verwerving van schatkistpapier en andere geldswaardige papieren die gewoonlijk op de geldmarkt worden verhandeld”, welke categorieën overeenkomen met nomenclatuurpost VI. Deze noemt met name de uitzetting van gelden op korte termijn door niet-ingezetenen op de binnenlandse geldmarkt en repatriëring van de liquidatieopbrengst;
– „Opening en creditering van rekeningen-courant en depositorekeningen bij kredietinstellingen; repatriëring of aanwending van tegoeden op deze rekeningen”, welke categorieën overeenkomen met nomenclatuurpost IX. Deze noemt met name de transacties door niet-ingezetenen bij binnenlandse kredietinstellingen en er vallen zowel rekeningen en tegoeden in nationale als in buitenlandse valuta onder.
De nationale regeling
19 Besluit 1097 van het Monetair Comité van 23 mei 1959 inzake toepassing in Griekenland van het stelsel van beperkte converteerbaarheid (FEK A’ 109/16.6.1959) voorzag ten tijde van de feiten in het hoofdgeding in twee categorieën depositorekeningen bij de Bank van Griekenland en andere erkende banken, die konden worden geopend op naam van personen die permanent in het buitenland verbleven, te weten rekeningen in converteerbare Griekse drachmen en rekeningen in buitenlandse valuta.
20 Ingevolge dit besluit konden rekeningen in converteerbare Griekse drachmen slechts worden aangewend voor bepaalde doeleinden en alleen worden gevoed op bepaalde, limitatief opgesomde wijzen. Genoemd besluit bepaalde dat, wanneer Griekse drachmen zonder speciale toestemming van de Bank van Griekenland werden aangewend voor een ander doel dan voorgeschreven, zij niet langer converteerbaar zouden zijn.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
De eerste vraag
21 Met zijn eerste vraag wenst de Areios Pagos in wezen te vernemen of de verwerving van in nationale valuta luidende en door een, in een lidstaat gevestigde en eigendom van die staat zijnde, bank uitgegeven obligaties met een looptijd van één jaar na uitgifte, die ter beurze worden verhandeld en zijn genoteerd, moet worden aangemerkt als een „verwerving […] van ter beurze verhandelde binnenlandse effecten” in de zin van lijst B, post IV A, van bijlage I bij de Eerste richtlijn of als „uitzetting van gelden op korte termijn door verwerving van schatkistpapier en andere geldswaardige papieren die gewoonlijk op de geldmarkt worden verhandeld” in de zin van lijst D, post VI, van diezelfde bijlage.
22 Tussen partijen in het hoofdgeding staat vast dat, voor de toepassing van de Eerste richtlijn, Artesia een „niet-ingezeten” bank is, die de betrokken obligaties in Griekenland heeft verworven en de liquidatieopbrengst ervan naar België wilde repatriëren. Eveneens staat vast dat deze obligaties in nationale valuta luidende „nationale effecten” met een looptijd van één jaar na uitgifte zijn, die ter beurze werden verhandeld en waren genoteerd.
23 Artesia en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betogen dat de betrokken obligaties vallen onder lijst B, post IV A, van bijlage I bij de Eerste richtlijn. De Bank van Griekenland en de Griekse regering stellen daarentegen dat zij vallen onder lijst D, post VI, van deze bijlage.
24 Het hoofdgeding vloeit dus voort uit een verschillende uitlegging van de voor de betrokken obligaties geldende criteria. Dit geding betreft de uitlegging van de begrippen „ter beurze verhandelde effecten” en „geldswaardige papieren die gewoonlijk op de geldmarkt worden verhandeld”. Tevens wordt beoogd, vast te stellen of de looptijd van de betrokken obligaties een beslissend criterium is bij de definitie ervan. Volgens de Bank van Griekenland en de Griekse regering zijn deze obligaties „geldswaardige papieren die gewoonlijk op de geldmarkt worden verhandeld” in de zin van lijst D, post VI, van bijlage I bij de Eerste richtlijn, ongeacht of zij werden verhandeld op de beurs.
25 Volgens artikel 67 van het Verdrag omvat het vrije verkeer van kapitaal de opheffing van de beperkingen met betrekking tot het verkeer van kapitaal toebehorende aan personen die woonachtig of gevestigd zijn in de lidstaten, alsmede van discriminerende behandeling op grond van nationaliteit of van de vestigingsplaats van partijen of op grond van het gebied waar het kapitaal wordt belegd. De Eerste richtlijn bepaalt dat voor de uitvoering van bovengenoemd artikel 67 bepaalde kapitaalbewegingen volledig moeten worden geliberaliseerd, en beoogt een einde te maken aan administratieve belemmeringen die, ook al voorzien zij niet in een vergunningplicht voor deviezentransacties en maken zij de verkrijging van buitenlandse effecten niet onmogelijk, niettemin in de weg staan aan de zo uitgebreid en zo snel mogelijke liberalisatie van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten, die volgens de considerans van de Eerste richtlijn noodzakelijk is ter verwezenlijking van de doeleinden van de Europese Gemeenschap (zie arrest van 24 juni 1986, Brugnoni en Ruffinengo, 157/85, Jurispr. blz. 2013, punten 21 en 22).
26 In dit verband geeft de Eerste richtlijn, ook al wordt in lijst D, post VI, van deze bijlage het begrip „geldswaardige papieren die gewoonlijk op de geldmarkt worden verhandeld” gehanteerd, geen definitie van dit begrip. Zij verwijst daarentegen naar het begrip „ter beurze verhandelde effecten”, genoemd in lijst B, post IV A, van deze bijlage, alsmede in de toelichtende bepalingen, die er een definitie van geven. In deze toelichtende bepalingen, die als een integrerend deel van de richtlijn moeten worden beschouwd (zie arrest van 4 februari 1988, East e.a., 143/86, Jurispr. blz. 625, punt 11), worden „ter beurze verhandelde effecten” omschreven als „in het gereglementeerde beursverkeer verhandelde effecten, […] waarvan de koersen volgens vaste regels worden bekendgemaakt, hetzij door officiële beursorganen (officieel genoteerde effecten), hetzij door andere instanties ter beurze zoals bijv. commissies van banken (niet officieel genoteerde effecten)”. Volgens de Commissie wijst deze definitie erop dat de gemeenschapswetgever belang toekent aan de regels voor het functioneren van de beurs, met name wegens de bepalingen die verzekeren dat dit functioneren transparant is en dat de prijzen van de verhandelde effecten worden bekendgemaakt.
27 Aangaande de in lijst B, post IV A, van bijlage I bij de Eerste richtlijn genoemde „ter beurze verhandelde effecten” was de gemeenschapswetgever van mening dat met betrekking tot effecten die worden verhandeld in een gereglementeerde omgeving, zoals de beurs, de betrokken lidstaat een algemene vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Eerste richtlijn kan verlenen voor het aangaan van overeenkomsten of het verrichten van handelingen en voor de overmakingen tussen ingezetenen van de lidstaten.
28 Daarentegen is de in lijst D, post VI, van bijlage I bij de Eerste richtlijn genoemde geldmarkt minder gereglementeerd dan de beurs. De transacties op de geldmarkt worden immers doorgaans afgesloten na particuliere onderhandelingen in een omgeving die minder transparant is dan de beurs. Deze stelling vindt tevens steun in het feit dat het fundamentele karakter van „geldswaardige papieren die gewoonlijk op de geldmarkt worden verhandeld” erin is gelegen dat de prijs ervan niet het voorwerp vormt van een publieke notering, zodat de nationale autoriteiten genoodzaakt kunnen zijn om de waarde ervan vast te stellen teneinde fraude door fictieve prijsstelling te voorkomen. Bij „ter beurze verhandelde effecten” is dit daarentegen, zoals de advocaat-generaal in punt 43 van zijn conclusie heeft opgemerkt, niet het geval.
29 Blijkens de stukken zijn de obligaties, ook al werden zij ter beurze verhandeld, in werkelijkheid gekocht van de ETVA. Deze omstandigheid kan evenwel, anders dan de Bank van Griekenland ter terechtzitting heeft betoogd, de aard van de betrokken obligaties niet wijzigen. Zoals de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie heeft opgemerkt, vereist de Eerste richtlijn immers niet dat de plaats waar de effecten zijn verhandeld, dezelfde is als die waar zij zijn verworven. Lijst B van bijlage I bij de Eerste richtlijn omvat de „verwerving […] van ter beurze verhandelde […] effecten” en de verwerving van obligaties hoeft niet noodzakelijkerwijs te hebben plaatsgevonden op de beurs. Het doorslaggevende criterium is het feit dat ze in dat kader worden verhandeld. Zoals de advocaat-generaal in datzelfde punt eveneens heeft opgemerkt, wordt deze uitlegging bevestigd door de analyse van alle taalversies van de Eerste richtlijn.
30 Hoewel de looptijd beslissend kan zijn voor de effecten die onder lijst D van bijlage I bij de Eerste richtlijn vallen en in de zin van artikel 4 van deze richtlijn aan beperkingen zijn onderworpen, te weten „uitzetting van gelden op korte termijn door verwerving van schatkistpapier en andere geldswaardige papieren die gewoonlijk op de geldmarkt worden verhandeld”, is dit evenwel niet het geval voor „ter beurze verhandelde effecten”. Deze worden alleen genoemd in lijst B, post IV A, van deze bijlage, alsmede in de toelichtende bepalingen van de Eerste richtlijn. Deze laatste verwijzen uitdrukkelijk naar de genoemde post IV en bepalen alleen de aard van de instellingen die de obligaties uitgeven, te weten „zowel […] privaatrechtelijke als […] publiekrechtelijke instellingen”. De richtlijnen 86/566/EEG van de Raad van 17 november 1986 tot wijziging van de Eerste richtlijn (PB L 332, blz. 22) en 88/361/EEG van de Raad van 24 juni 1988 voor de uitvoering van artikel 67 van het Verdrag (PB L 178, blz. 5) geven een definitie van kortlopende obligaties, doch deze richtlijnen kunnen niet met terugwerkende kracht worden toegepast. Ook uit de bewoordingen van lijst B, post IV A, van bijlage I bij de Eerste richtlijn blijkt dat de gemeenschapswetgever de „ter beurze verhandelde effecten” heeft willen definiëren aan de hand van andere criteria dan de looptijd ervan.
31 Gelet op een en ander moeten de betrokken obligaties worden aangemerkt als „ter beurze verhandelde effecten” in de zin van lijst B, post IV A, van bijlage I en de toelichtende bepalingen van de Eerste richtlijn.
32 In deze omstandigheden behoeft niet te worden nagegaan of de obligaties tevens voldoen aan de voorwaarden van lijst D, post VI, van deze bijlage. Ook indien dit het geval zou zijn, kan dit niet van invloed zijn op het feit dat de betrokken categorieën van kapitaalverkeer, voorzover zij voldoen aan de criteria van lijst B van bijlage I bij de Eerste richtlijn, vallen onder de geliberaliseerde regeling van artikel 2 van de Eerste richtlijn. Geen enkele bepaling van deze richtlijn beperkt de liberalisatie die de categorieën van kapitaalverkeer ingevolge artikel 2 ervan genieten, uitsluitend op grond van het feit dat deze categorieën van kapitaalverkeer tevens voldoen aan de criteria van lijst D van bijlage I bij de genoemde richtlijn. Tot dezelfde conclusie voert een uitlegging van de Eerste richtlijn tegen de achtergrond van de in de enige overweging van de considerans ervan genoemde doelstelling, dat „een zo groot mogelijke vrijheid van kapitaalverkeer tussen de lidstaten en dientengevolge een zo uitgebreid en snel mogelijke liberalisatie van dit kapitaalverkeer” noodzakelijk is.
33 Daaraan moet worden toegevoegd dat het feit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde obligaties door een bank zijn uitgegeven, geen wijziging brengt in de aard ervan. In dit verband preciseren de bij de richtlijn gevoegde toelichtende bepalingen, zoals is opgemerkt in punt 30 van dit arrest, dat deze obligaties zowel door privaatrechtelijke als door publiekrechtelijke instellingen kunnen worden uitgegeven.
34 Gelet op het voorgaande, dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat in nationale valuta luidende en door een, in een lidstaat gevestigde en eigendom van die staat zijnde, bank uitgegeven obligaties met een looptijd van één jaar na uitgifte, die ter beurze worden verhandeld en zijn genoteerd, onder lijst B, post IV A, van bijlage I bij de Eerste richtlijn vallen. De verwerving en de liquidatieopbrengst ervan worden beheerst door artikel 2 van deze richtlijn, dat verwijst naar lijst B van bijlage I bij diezelfde richtlijn, die de repatriëring van deze opbrengst noemt.
De tweede vraag
35 Met zijn tweede vraag wenst de Areios Pagos in wezen te vernemen of de aanwending, ter verwerving van obligaties zoals bedoeld in zijn eerste vraag, van tegoeden op een rekening-courant of een depositorekening bij een kredietinstelling onder bijlage I, lijst D, post IX, van de Eerste richtlijn valt.
36 Voor de toepassing van de Eerste richtlijn moeten kapitaalbewegingen als één geheel worden gezien en kan, wanneer de bestemming van een kapitaalbeweging onder één van de geliberaliseerde categorieën valt, de oorsprong van een dergelijke kapitaalbeweging, gelet op de overwegingen in punt 32 van dit arrest, in beginsel niet van invloed zijn op deze indeling. Bovendien zou de verwerving van effecten die onder één van de geliberaliseerde categorieën vallen, ernstig worden belemmerd wanneer het de lidstaten vrij zou staan, de aanwending van tegoeden op rekeningen-courant of depositorekeningen voor deze verwerving te beperken.
37 Bijgevolg dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat het feit dat een onder lijst B, post IV A, van bijlage I bij de Eerste richtlijn vallende verwerving van obligaties is gefinancierd met tegoeden op rekeningen-courant of depositorekeningen bij een kredietinstelling, ook wanneer deze tevens onder lijst D, post IX, van diezelfde bijlage valt, niet van invloed kan zijn op de indeling van de betrokken kapitaalbeweging in lijst B, post IV A, van deze bijlage.
Kosten
38 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart:
1) In nationale valuta luidende en door een, in een lidstaat gevestigde en eigendom van die staat zijnde, bank uitgegeven obligaties met een looptijd van één jaar na uitgifte, die ter beurze worden verhandeld en zijn genoteerd, vallen onder lijst B, post IV A, van bijlage I bij de Eerste richtlijn van de Raad van 11 mei 1960 voor de uitvoering van artikel 67 van het Verdrag. De verwerving en de liquidatieopbrengst ervan worden beheerst door artikel 2 van deze richtlijn, dat verwijst naar lijst B van bijlage I bij diezelfde richtlijn, die de repatriëring van deze opbrengst noemt.
2) Het feit dat een onder lijst B, post IV A, van bijlage I bij de Eerste richtlijn vallende verwerving van obligaties is gefinancierd met tegoeden op rekeningen-courant of depositorekeningen bij een kredietinstelling, kan, ook wanneer deze tevens onder lijst D, post IX, van diezelfde bijlage valt, niet van invloed zijn op de indeling van de betrokken kapitaalbeweging in lijst B, post IV A, van deze bijlage.
ondertekeningen
* Procestaal: Grieks.
Full & Egal Universal Law Academy