Zaak C‑333/03
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Groothertogdom Luxemburg
„Niet-nakoming – Niet-uitvoering van richtlijn 98/50/EG – Overgang van onderneming – Behoud van rechten van werknemers”
Samenvatting van het arrest
Beroep wegens niet-nakoming – Onderzoek van gegrondheid door Hof – In aanmerking te nemen situatie – Situatie bij verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn
(Art. 226 EG)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
10 juni 2004(1)
„Niet-nakoming – Niet-omzetting van richtlijn 98/50/EG – Overgang van onderneming – Behoud van rechten van werknemers”
In zaak C-333/03,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M.-J. Jonczy als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Groothertogdom Luxemburg, vertegenwoordigd door S. Schreiner als gemachtigde,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/50/EG van de Raad van 29 juni 1998 tot wijziging van richtlijn 77/187/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van vestigingen (PB L 201, blz. 88), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),,
samengesteld als volgt: A. Rosas, waarnemend voor de president van de Derde kamer, R. Schintgen en N. Colneric (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: R. Grass,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 30 juli 2003, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/50/EG van de Raad van 29 juni 1998 tot wijziging van richtlijn 77/187/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van vestigingen (PB L 201, blz. 88; hierna: „richtlijn”), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Het rechtskader en de precontentieuze procedure
2 Artikel 2 van de richtlijn bepaalt:
„1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om voor 17 juli 2001 aan deze richtlijn te voldoen [...]
2. Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de ter uitvoering van deze richtlijn genomen maatregelen.”
3 Richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 (PB L 61, blz. 26) is ingetrokken bij richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (PB L 82, blz. 16). Volgens artikel 12 van richtlijn 2001/23 wordt richtlijn 77/187, zoals gewijzigd, ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten wat de in bijlage I, deel B, van richtlijn 2001/23 opgenomen omzettingstermijnen betreft. Deze bijlage I, deel B, bepaalt de uiterste datum voor de omzetting van de richtlijn op 17 juli 2001.
4 Daar de Commissie niet in kennis was gesteld van nationale maatregelen tot omzetting van de richtlijn, heeft zij krachtens artikel 226 EG de procedure wegens niet-nakoming ingeleid. Nadat zij het Groothertogdom Luxemburg had aangemaand zijn opmerkingen in te dienen, bracht zij op 3 april 2003 een met redenen omkleed advies uit, waarbij zij deze lidstaat verzocht de nodige maatregelen te nemen om aan dit advies te voldoen binnen een termijn van twee maanden na de betekening ervan.
5 Daar het Groothertogdom Luxemburg niet op dit advies heeft geantwoord, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
Het beroep
Argumenten van partijen
6 De Commissie stelt vast dat het Groothertogdom Luxemburg niet de nodige maatregelen heeft genomen om aan de richtlijn te voldoen, althans haar deze niet heeft meegedeeld, en derhalve de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
7 Het Groothertogdom Luxemburg betoogt dat wetsontwerp nr. 4896 houdende regeling van het behoud van de rechten van werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van vestigingen, tot omzetting van de richtlijn, op 27 december 2001 bij de Chambre des Députés is ingediend. Na twee in de maanden mei en juli 2003 door de Conseil d’État uitgebrachte adviezen heeft de commissie voor arbeid en werkgelegenheid van de Chambre des Députés op 7 juli 2003 besloten de tekst van het wetsontwerp te amenderen. Deze amendementen werden op 18 juli 2003 door de Conseil de Gouvernement goedgekeurd en aan de Conseil d’État en de Chambre des Députés toegezonden. Tijdens haar vergadering van 7 juli 2003 heeft dezelfde commissie besloten het wetsontwerp op de agenda van de Chambre des Députés te plaatsen, opdat de wet in oktober 2003 zou kunnen worden aangenomen.
Beoordeling door het Hof
8 Volgens vaste rechtspraak moet het bestaan van een niet-nakoming worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn (zie met name arresten van 15 maart 2001, Commissie/Frankrijk, C-147/00, Jurispr. blz. I-2387, punt 26, en 4 juli 2002, Commissie/Griekenland, C-173/01, Jurispr. blz. I-6129, punt 7).
9 Het staat vast dat het Groothertogdom Luxemburg niet de nodige maatregelen heeft genomen om de omzetting van de richtlijn binnen de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn te verzekeren.
10 Derhalve moet worden vastgesteld dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan de richtlijn, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
11 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Daar het Groothertogdom Luxemburg in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/50/EG van de Raad van 29 juni 1998 tot wijziging van richtlijn 77/187/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van vestigingen, is het Groothertogdom Luxemburg de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Groothertogdom Luxemburg wordt verwezen in de kosten.
Rosas
Schintgen
Colneric
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 10 juni 2004.
De griffier
De president van de Derde kamer
R. Grass
A. Rosas
1 – Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy