Zaak C‑356/03
Elisabeth Mayer
tegen
Versorgungsanstalt des Bundes und der Länder
(verzoek van het Bundesgerichtshof om een prejudiciële beslissing)
„Gelijke behandeling van mannen en vrouwen – Zwangerschapsverlof – Verwerving van pensioenrechten”
Conclusie van advocaat-generaal D. Ruiz-Jarabo Colomer van 9 september 2004
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 13 januari 2005
Samenvatting van het arrest
Sociale politiek – Mannelijke en vrouwelijke werknemers – Gelijke behandeling in ondernemings‑ en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid – Richtlijn 86/378 – Aanvullende pensioenregeling – Bepalingen waardoor verwerving van pensioenrechten gedurende zwangerschapsverlof wordt onderbroken – Ontoelaatbaarheid
(Richtlijn 86/378 van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/97, art. 6, lid 1, sub g)
Artikel 6, lid 1, sub g, van richtlijn 86/378 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings‑ en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/97, moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan nationale voorschriften krachtens welke een vrouwelijke werknemer gedurende haar wettelijke zwangerschapsverlof dat gedeeltelijk door de werkgever wordt betaald, geen rechten op een rente uit hoofde van verzekering verwerft die deel uitmaakt van een aanvullende pensioenregeling, omdat voor de verwerving van deze rechten als voorwaarde geldt dat de vrouwelijke werknemer gedurende het zwangerschapsverlof belastbaar loon ontvangt.
(cf. punt 35 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
13 januari 2005(1)
„Gelijke behandeling van mannen en vrouwen – Zwangerschapsverlof – Verwerving van pensioenrechten”
In zaak C-356/03,betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland), bij beslissing van 9 juli 2003, ingekomen bij het Hof op 18 augustus 2003, in de procedure
Elisabeth Mayer
tegen
Versorgungsanstalt des Bundes und der Länder ,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),,
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, N. Colneric, J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), K. Schiemann en E. Juhász, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,gelet op de opmerkingen van:
– E. Mayer, ingediend door Mayer zelf,
– Versorgungsanstalt des Bundes und der Länder, vertegenwoordigd door J. Kummer, Rechtsanwalt,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door N. Yerrell en H. Kreppel als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 september 2004,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117‑120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136‑143 EG), artikel 6, lid 1, sub g, van richtlijn 86/378/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings‑ en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid (PB L 225, blz. 40), zoals gewijzigd bij richtlijn 96/97/EG van de Raad van 20 december 1996 (PB 1997, L 46, blz. 20), en artikel 11, punt 2, sub a, van richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) (PB L 348, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen E. Mayer en Versorgungsanstalt des Bundes und der Länder (pensioenfonds van de Bondsrepubliek Duitsland en haar deelstaten; hierna: „VBL”) met betrekking tot de meetelling, ter berekening van Mayers rechten op een rente uit hoofde van verzekering, van de tijdvakken van haar zwangerschapsverlof.
Toepasselijke bepalingen
Bepalingen van gemeenschapsrecht
3 Artikel 2, leden 1 en 2, van richtlijn 86/378, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/97, luidt als volgt:
„1. Als ondernemings‑ of sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid worden aangemerkt regelingen die niet vallen onder richtlijn 79/7/EEG en tot doel hebben aan de werknemers of zelfstandigen uit een onderneming, een groep ondernemingen, een tak van de economie of één of meer bedrijfstakken omvattende sector, prestaties te verstrekken in aanvulling op de prestaties uit hoofde van de wettelijke regelingen op het gebied van de sociale zekerheid of in de plaats daarvan, ongeacht of aansluiting bij deze regelingen verplicht is of niet.
2. Deze richtlijn is niet van toepassing op:
a) individuele overeenkomsten van zelfstandigen,
b) regelingen voor zelfstandigen die slechts één lid tellen,
c) in het geval van werknemers, verzekeringsovereenkomsten waarbij de werkgever geen partij is,
d) de facultatieve bepalingen van de ondernemings‑ of sectoriële regelingen die de deelnemers individueel worden aangeboden teneinde hun
– hetzij aanvullende prestaties,
– hetzij de keuze van het tijdstip waarop de normale prestaties voor zelfstandigen zullen ingaan of de keuze tussen verscheidene prestaties te waarborgen;
e) ondernemings‑ of sectoriële regelingen waarin de prestaties worden gefinancierd door middel van premies of bijdragen die door de werknemers op vrijwillige basis zijn betaald.”
4 Artikel 4 van deze richtlijn bepaalt:
„Deze richtlijn is van toepassing op:
a) ondernemings‑ en sectoriële regelingen die bescherming bieden tegen de volgende eventualiteiten:
– ziekte,
– invaliditeit,
– ouderdom, met inbegrip van vervroegde uittreding,
– arbeidsongevallen en beroepsziekten,
– werkloosheid;
b) ondernemings‑ en sectoriële regelingen die voorzien in andere sociale prestaties in natura of in geld, en met name prestaties aan nagelaten betrekkingen en gezinsbijslagen, indien deze prestaties voor werknemers zijn bestemd en derhalve voordelen vormen welke de werkgever aan de werknemer uit hoofde van diens dienstbetrekking betaalt.”
5 Artikel 6 van richtlijn 86/378, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/97, bepaalt:
„1. Tot de bepalingen die in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling, moeten die worden gerekend welke van het geslacht, hetzij direct, hetzij indirect, met name door verwijzing naar de echtelijke staat of de gezinssituatie, uitgaan om:
[…]
g) het behoud of de verwerving van rechten te onderbreken gedurende de wettelijke of krachtens collectieve arbeidsovereenkomsten voorgeschreven en door de werkgever uitbetaalde perioden van moederschapsverlof of van verlof om gezinsredenen;
[…]”
6 Artikel 2, lid 1, van richtlijn 96/97 luidt:
„Iedere maatregel ter omzetting van deze richtlijn moet met betrekking tot werknemers alle prestaties omvatten, die voor tijdvakken van arbeid na 17 mei 1990 zijn toegekend en heeft terugwerkende kracht tot die datum […]”
7 Artikel 11 van richtlijn 92/85 bepaalt:
„Ten einde de werkneemsters in de zin van artikel 2 te waarborgen dat zij de in dit artikel erkende rechten inzake de bescherming van hun veiligheid en gezondheid kunnen doen gelden, wordt het volgende bepaald:
[…]
2) in het in artikel 8 bedoelde geval moeten worden gewaarborgd:
a) de andere dan de in onderstaand punt b bedoelde rechten verbonden aan de arbeidsovereenkomst van de werkneemsters in de zin van artikel 2;
b) het behoud van een bezoldiging en/of het genot van een adequate uitkering van de werkneemsters in de zin van artikel 2;
[…]”
8 Volgens artikel 14, lid 1, van richtlijn 92/85 moest deze richtlijn uiterlijk twee jaar na de aanneming ervan, meer bepaald vóór 19 oktober 1994, door de lidstaten in hun nationaal recht zijn omgezet.
Bepalingen van nationaal recht
9 § 29, leden 1 en 7, van het VBL-reglement bepaalde in de tot en met 31 december 2000 geldende versie:
„1. De werkgever betaalt maandelijks een bijdrage overeenkomend met een krachtens § 76 vastgesteld percentage van het loon van de verzekerde dat als berekeningsgrondslag voor de premieheffing in de aanvullende pensioenregeling dient (lid 7), daaronder begrepen een overeenkomstig § 76, lid 1, sub a, van de verplicht verzekerde geheven bijdrage.
[…]
7. Het loon dat als berekeningsgrondslag dient voor de premieheffing in de aanvullende pensioenregeling is, tenzij hierna anders bepaald, het overeenkomstig de bepalingen betreffende de premiebetaling in de wettelijke pensioenverzekering vastgestelde belastbare loon dat de verzekerde in de referentieperiode heeft ontvangen. […]”
10 § 44, lid 1, sub a, van dit reglement luidde:
„De maandelijks uit te betalen rente uit hoofde van verzekering bedraagt […] 0,03125 % van het loonbedrag dat als berekeningsgrondslag voor de premieheffing in de aanvullende pensioenregeling dient en waarover vanaf 31 december 1977 tot en met de aanvang van de rente uit hoofde van verzekering daadwerkelijk bijdragen zijn betaald (§ 62).”
11 § 13, lid 2, van het Gesetz zum Schutz der erwerbstätigen Mutter (wet ter bescherming van werkende moeders; hierna: „Mutterschutzgesetz”) bepaalt:
„§ 13 – Moederschapsuitkering
[…]
2. Niet bij een wettelijk ziekenfonds aangesloten vrouwen die bij de aanvang van het zwangerschapsverlof in de zin van § 3, lid 2, in loondienst werken of thuiswerk verrichten, ontvangen met overeenkomstige toepassing van de bepalingen inzake de moederschapsuitkeringen in de Reichsversicherungsordnung (Duitse socialeverzekeringsregeling) voor het tijdvak van het in § 3, lid 2, en § 6, lid 1, bedoelde zwangerschapsverlof alsmede voor de dag van de bevalling ten laste van de Staat een moederschapsuitkering van maximum 210 EUR. Deze uitkering wordt aan deze vrouwen, op hun verzoek, door het Bundesversicherungsamt (federale socialeverzekeringsinstelling) betaald. […]”
12 § 14 Mutterschutzgesetz bepaalt:
„§ 14 – Toeslag op de moederschapsuitkeringen
1. Vrouwen die overeenkomstig […] recht hebben op een moederschapsuitkering ontvangen gedurende hun arbeidsverhouding voor het in § 3, lid 2, en § 6, lid 1, bedoelde tijdvak van het zwangerschapsverlof alsmede voor de dag van de bevalling van hun werkgever een toeslag die gelijk is aan het verschil tussen 13 EUR en het gemiddelde dagloon, na aftrek van de wettelijke inhoudingen. […]”
13 § 3, punt 1, sub d, Einkommensteuergesetz (Duitse inkomstenbelastingwet) luidt:
„§ 3. Zijn vrijgesteld van belasting […]
1. d) de krachtens het Mutterschutzgesetz ontvangen moederschapsuitkering, […], de krachtens het Mutterschutzgesetz ontvangen toeslag op de moederschapsuitkering, […]”
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
14 Mayer, die thans als advocate een zelfstandige beroepswerkzaamheid uitoefent, werkte van 1 januari 1990 tot en met 30 september 1999 in de deelstaat Rheinland-Pfalz (Duitsland) in overheidsdienst en was bij VBL verplicht verzekerd. Van 16 december 1992 tot en met 5 april 1993 en van 17 januari tot en met 22 april 1994 was zij met wettelijk zwangerschapsverlof.
15 De aan een verzekerde in de situatie zoals die van Mayer uit te keren rente uit hoofde van verzekering komt volgens § 44, lid 1, eerste zin, sub a, van het VBL-reglement overeen met een bepaald percentage van het loonbedrag dat als berekeningsgrondslag voor de premieheffing in de aanvullende pensioenregeling dient en waarover bijdragen zijn betaald. Krachtens § 29, lid 1, van dit reglement betaalt de werkgever maandelijks een bijdrage overeenkomend met een bepaald percentage van het loon dat als berekeningsgrondslag dient voor de premieheffing in de aanvullende pensioenregeling. In § 29, lid 7, is bepaald dat dit loon het belastbare loon is.
16 Tijdens haar zwangerschapsverlof heeft Mayer, die een particuliere ziektekostenverzekering had, krachtens § 13, lid 2, Mutterschutzgesetz van de Staat een moederschapsuitkering ontvangen en krachtens § 14, lid 1, van deze wet van de werkgever de toeslag daarop ten belope van het verschil tussen de uitkering van de Staat en haar laatste nettoloon. Deze uitkering van de werkgever is overeenkomstig § 3, punt 1, sub d, Einkommensteuergesetz vrijgesteld van belasting. Mayer heeft tijdens haar zwangerschapsverlof dus geen loon dat voor de premieheffing in de aanvullende pensioenregeling wordt meegeteld in de zin van § 29, lid 7, van het VBL-reglement ontvangen waarvoor haar werkgever uit hoofde van § 29, lid 1, van dit reglement aan VBL een maandelijkse bijdrage moest betalen. Dientengevolge heeft VBL bij de berekening van Mayers rente uit hoofde van verzekering geen rekening gehouden met de uitkeringen die zij tijdens haar zwangerschapsverlof van haar werkgever heeft ontvangen.
17 Mayer heeft verzocht om de tijdvakken van haar zwangerschapsverlof voor de berekening van de rechten op een rente uit hoofde van verzekering die zij binnen de aanvullende pensioenregeling van VBL heeft opgebouwd, mee te tellen.
18 De rechterlijke instanties die van het geschil kennis hebben genomen, hebben Mayers beroep tegen VBL verworpen. Mayer heeft daarop bij het Bundesgerichtshof beroep tot „Revision” ingesteld en heeft voorgesteld de zaak voor een prejudiciële beslissing naar het Hof te verwijzen.
19 Het Bundesgerichtshof heeft geoordeeld dat artikel 11, punt 2, sub a, van richtlijn 92/85 in casu niet van toepassing is omdat de aan de lidstaten toegekende termijn voor omzetting van deze richtlijn op het ogenblik dat Mayers laatste zwangerschapsverlof is geëindigd, nog niet was verstreken. Deze rechterlijke instantie is evenwel geneigd te stellen dat het niet meetellen van de tijdvakken van Mayers zwangerschapsverlof in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling zoals omschreven in richtlijn 86/378, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/97, in het bijzonder artikel 6, lid 1, sub g, ervan. Ten slotte kan volgens de verwijzende rechter sprake zijn van schending van het in artikel 119 EG-Verdrag neergelegde beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid.
20 Van oordeel dat de relevante nationale regeling mogelijk onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht, heeft het Bundesgerichtshof beslist de behandeling van de zaak te schorsen en aan het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
„1) Staan artikel 119 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 141 EG) en/of artikel 11, punt 2, sub a, van richtlijn 92/85 en artikel 6, lid 1, sub g, van richtlijn 86/378, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/97, in de weg aan de toepassing van bepalingen in het reglement van een aanvullende pensioenregeling als die welke in casu in geding zijn, krachtens welke een werkneemster gedurende haar wettelijke zwangerschapsverlof (in casu van 16 december 1992 tot en met 5 april 1993 en van 17 januari tot en met 22 april 1994) geen rechten op een rente uit hoofde van verzekering verwerft die, bij voortijdige uittreding uit de verplichte regeling, vanaf het intreden van de verzekerde gebeurtenis (pensioengerechtigde leeftijd, arbeidsongeschiktheid of invaliditeit) maandelijks wordt uitgekeerd, omdat voor het ontstaan van zulke rechten als voorwaarde geldt dat de werknemer in de referentieperiode belastbaar loon ontvangt, terwijl de uitkeringen die de werkneemster gedurende haar zwangerschapsverlof ontvangt, volgens de nationale bepalingen geen belastbaar loon vormen?
2) Geldt dit met name wanneer in aanmerking wordt genomen dat de rente uit hoofde van verzekering niet dient – zoals het bij het intreden van het risico uit te keren aanvullende ouderdomspensioen indien de verplichte verzekering is blijven doorlopen – om de verzekerde bij ouderdom of invaliditeit bestaansmiddelen te verschaffen, maar bedoeld is als vergoeding van de tijdens de duur van de verplichte verzekering voor haar betaalde premies?”
De prejudiciële vragen
Opmerkingen van partijen
21 Mayer beperkt zich ertoe te verwijzen naar de verwijzingsbeschikking waarvan de inhoud in punt 19 van het onderhavige arrest is samengevat.
22 VBL voert aan dat de bepalingen van een aanvullende pensioenregeling krachtens welke een werkneemster tijdens haar wettelijke zwangerschapsverlof geen rechten op een rente uit hoofde van verzekering verwerft, niet in strijd zijn met het gemeenschapsrecht. Deze rente heeft immers niet tot doel de verzekerde bij ouderdom of invaliditeit bestaansmiddelen te verschaffen. Haar doel bestaat er veeleer in de werknemer wiens arbeidsovereenkomst is geëindigd, voor de betaalde premies een actuariële tegenwaarde te verstrekken. De aanspraak op een rente uit hoofde van verzekering valt niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 86/378, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/97, die ziet op de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling in ondernemings‑ en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid. Verder is richtlijn 92/85 niet van toepassing omdat de aan de lidstaten toegekende termijn voor omzetting ervan op het ogenblik van de feiten in het hoofdgeding nog niet was verstreken. VBL mocht er bijgevolg op goede gronden van uitgaan dat zij voor de zwangerschapsverloven van de werkneemsters geen aanvullende uitkeringen diende te verstrekken. Ten slotte is de betrokken regeling ook verenigbaar met artikel 119 EG-Verdrag, aangezien de financieringswijze van een bedrijfspensioenregeling met vaste uitkeringen buiten de werkingssfeer van dit artikel valt.
23 Anders dan VBL, stelt de Commissie van de Europese Gemeenschappen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde aanvullende pensioenregeling niet met het gemeenschapsrecht verenigbaar is. Artikel 11, punt 2, sub a, van richtlijn 92/85 staat in de weg aan een nationale regeling zoals die van § 29, lid 7, van het VBL-reglement, waarbij als voorwaarde voor de verwerving van rechten op een bedrijfspensioen, zoals de rente uit hoofde van verzekering in het hoofdgeding, gedurende het wettelijke zwangerschapsverlof wordt gesteld dat tijdens die periode een bepaald loonbedrag is ontvangen dat voor de premieheffing in de aanvullende pensioenregeling wordt meegerekend. Dat de omzettingstermijn van deze richtlijn ten tijde van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde zwangerschapsverlof nog niet was verstreken, is volgens de Commissie niet ter zake dienend, omdat ook met zwangerschapsverlof dat vóór het verstrijken van die termijn valt, zonder beperking in de tijd rekening moet worden gehouden. Zou het Hof zich niet bij deze uitlegging van artikel 11, punt 2, sub a, van richtlijn 92/85 aansluiten, dan staat volgens de Commissie artikel 6, lid 1, sub g, van richtlijn 86/378, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/97, in de weg aan de betrokken nationale regeling voorzover het gaat om vóór het verstrijken van de omzettingstermijn van richtlijn 92/85 genomen zwangerschapsverlof. De Commissie vindt het niet nodig het probleem tegen de achtergrond van de bepalingen van artikel 119 EG-Verdrag te onderzoeken.
Beoordeling door het Hof
24 De twee prejudiciële vragen dienen samen te worden onderzocht.
25 Artikel 2, lid 1, van richtlijn 96/97 bepaalt dat elke maatregel ter omzetting van deze richtlijn met betrekking tot werknemers alle prestaties moet omvatten die voor tijdvakken van arbeid na 17 mei 1990 zijn toegekend.
26 Het in het hoofdgeding aan de orde zijnde zwangerschapsverlof is na die datum genomen, namelijk in 1992, 1993 en 1994. Richtlijn 86/378, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/97, is bijgevolg van toepassing op dergelijk zwangerschapsverlof, wat de inaanmerkingneming ervan voor de berekening van de desbetreffende prestaties betreft.
27 Volgens artikel 6, lid 1, sub g, van richtlijn 86/378, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/97, zijn in strijd met het beginsel van gelijke behandeling de bepalingen die direct of indirect van het geslacht uitgaan om het behoud of de verwerving van rechten te onderbreken gedurende de wettelijke of krachtens collectieve arbeidsovereenkomsten voorgeschreven en door de werkgever uitbetaalde perioden van moederschapsverlof of van verlof om gezinsredenen.
28 De in artikel 6, lid 1, sub g, van deze richtlijn bedoelde rechten omvatten de rechten op toekomstige pensioenen waarvan de verwerving door de toepassing van nationale bepalingen betreffende het zwangerschapsverlof kan worden onderbroken.
29 Het argument van VBL, dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde rente uit hoofde van verzekering niet onder richtlijn 86/378, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/97, valt omdat zij tot doel heeft een actuariële tegenwaarde van de betaalde bijdragen te verstrekken doch niet bestaansmiddelen bij ouderdom of invaliditeit te verschaffen, kan niet slagen. Uit al de in de verwijzingsbeschikking uiteengezette elementen met betrekking tot de betrokken rente uit hoofde van verzekering blijkt dat deze deel uitmaakt van een aanvullende pensioenregeling en dat zij bedoeld is om de betrokken werknemers bij het intreden van het risico van ouderdom of invaliditeit een uitkering te verstrekken. Een dergelijke rente uit hoofde van verzekering is dus een aanvullende prestatie die valt binnen de werkingssfeer van richtlijn 86/378 als omschreven in de artikelen 2 en 4 ervan, en in geen van de uitzonderingen van deze richtlijn is genoemd.
30 Bij het zwangerschapsverlof bedoeld in artikel 6, lid 1, sub g, van richtlijn 86/378, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/97, gaat het om een zwangerschapsverlof waarin bij wet of collectieve arbeidsovereenkomsten is voorzien en dat door de werkgever wordt betaald.
31 Blijkens de verwijzingsbeschikking heeft Mayer gedurende haar zwangerschapsverlof, naast de moederschapsuitkering van de Staat krachtens § 13, lid 2, Mutterschutzgesetz, van haar werkgever de toeslag van § 14, lid 1, van die wet ontvangen ter hoogte van het verschil tussen die uitkering en haar laatste nettoloon. Het zwangerschapsverlof van Mayer is dus gedeeltelijk door haar werkgever betaald. Dat volstaat om vast te stellen dat het verlof overeenkomstig artikel 6, lid 1, sub g, van deze richtlijn door de werkgever is betaald.
32 Uit het voorgaande volgt dat artikel 6, lid 1, sub g, van richtlijn 86/378, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/97, zich verzet tegen een nationale regeling zoals die van § 29, lid 7, van het VBL-reglement, waarvan de toepassing de verwerving van rechten op een rente uit hoofde van verzekering gedurende het wettelijke zwangerschapsverlof onderbreekt, door als voorwaarde te stellen dat de werkneemster gedurende een dergelijk verlof belastbaar loon ontvangt.
33 Richtlijn 92/85 hoeft niet te worden onderzocht, aangezien het zwangerschapsverlof waarop het hoofdgeding betrekking heeft, vóór het verstrijken van de voor de omzetting van deze richtlijn gestelde termijn, namelijk vóór 19 oktober 1994, is genomen.
34 Daar het antwoord op de prejudiciële vragen is gebaseerd op richtlijn 86/378, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/97, hoeft artikel 119 EG-Verdrag niet te worden uitgelegd.
35 Op de gestelde vragen moet dus worden geantwoord:
Artikel 6, lid 1, sub g, van richtlijn 86/378, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/97, moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan nationale voorschriften krachtens welke een werkneemster gedurende haar wettelijke zwangerschapsverlof dat gedeeltelijk door de werkgever wordt betaald, geen rechten verwerft op een rente uit hoofde van verzekering die deel uitmaakt van een aanvullende pensioenregeling, omdat voor de verwerving van deze rechten als voorwaarde geldt dat de werkneemster gedurende het zwangerschapsverlof belastbaar loon ontvangt.
Kosten
36 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 6, lid 1, sub g, van richtlijn 86/378/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings‑ en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/97/EG van de Raad van 20 december 1996, moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan nationale voorschriften krachtens welke een werkneemster gedurende haar wettelijke zwangerschapsverlof dat gedeeltelijk door de werkgever wordt betaald, geen rechten verwerft op een rente uit hoofde van verzekering die deel uitmaakt van een aanvullende pensioenregeling, omdat voor de verwerving van deze rechten de voorwaarde geldt dat de werkneemster gedurende het zwangerschapsverlof belastbaar loon ontvangt.
ondertekeningen
1 – Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy