Zaak C‑373/03
Ceyhun Aydinli
tegen
Land Baden-Württemberg
(verzoek van het Verwaltungsgericht Freiburg om een prejudiciële beslissing)
„Associatie EEG-Turkije – Vrij verkeer van werknemers – Besluit nr. 1/80 van Associatieraad – Artikelen 6 en 7 – Strafrechtelijke veroordeling – Gevangenisstraf – Invloed op verblijfsrecht”
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 7 juli 2005
Samenvatting van het arrest
Internationale overeenkomsten – Associatieovereenkomst EEG-Turkije – Associatieraad ingesteld bij Associatieovereenkomst EEG-Turkije – Besluit nr. 1/80 – Gezinshereniging – Toegang van gezinsleden van Turkse werknemer die tot legale arbeidsmarkt van lidstaat behoort, tot arbeid in loondienst van hun keuze in die lidstaat – Beperking van rechten wegens lange afwezigheid van arbeidsmarkt ten gevolge van hechtenis gevolgd door ontwenningskuur of wegens ontbreken van samenwonen met Turkse werknemer – Ontoelaatbaarheid
(Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije, art. 7, eerste alinea)
Een Turks onderdaan, gezinslid van een Turkse werknemer, die, na sedert ten minste vijf jaar legaal in de staat van ontvangst te hebben gewoond, krachtens artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije over het recht van vrije toegang tot elke arbeid in loondienst te zijner keuze beschikt, verliest dit recht niet door een lange afwezigheid van de arbeidsmarkt ten gevolge van een hechtenis, ook gedurende verscheidene jaren, gevolgd door een langdurige ontwenningskuur, noch op grond van de omstandigheid dat de betrokkene op het moment van de uitwijzingsbeslissing meerderjarig was en niet meer woonde bij de Turkse werknemer van wie hij zijn verblijfsrecht heeft afgeleid, maar een van die werknemer onafhankelijk bestaan leidde.
(cf. punt 32 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
7 juli 2005 (*)
„Associatie EEG-Turkije – Vrij verkeer van werknemers – Besluit nr. 1/80 van Associatieraad – Artikelen 6 en 7 – Strafrechtelijke veroordeling – Gevangenisstraf – Invloed op verblijfsrecht”
In zaak C‑373/03,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Verwaltungsgericht Freiburg (Duitsland) bij beslissing van 12 maart 2003, ingekomen bij het Hof op 5 september 2003, in de procedure
Ceyhun Aydinli
tegen
Land Baden-Württemberg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident, R. Schintgen (rapporteur) en P. Kūris, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– het Land Baden-Württemberg, vertegenwoordigd door I. Karrais als gemachtigde,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door A. Tiemann als gemachtigde,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Rozet en H. Kreppel als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 6 en 7 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie (hierna: „besluit nr. 1/80”). De Associatieraad is ingesteld bij de Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, welke op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds, en die namens laatstgenoemde is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (PB 1964, 217, blz. 3685).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen C. Aydinli, Turks onderdaan, en het Land Baden-Württemberg, over een procedure tot verwijdering van het Duitse grondgebied.
Rechtskader
3 Artikel 6, leden 1 en 2, van besluit nr. 1/80 bepaalt:
„1. Behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort:
– na een jaar legale arbeid in die lidstaat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;
– na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die lidstaat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die lidstaat;
– na vier jaar legale arbeid, in die lidstaat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze.
2. Jaarlijkse vakanties en perioden van afwezigheid wegens zwangerschap, arbeidsongeval of kortdurende ziekte worden gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid. Tijdvakken van onvrijwillige werkloosheid die naar behoren zijn geconstateerd door de bevoegde autoriteiten, alsmede perioden van afwezigheid wegens langdurige ziekte worden niet gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid, doch doen geen afbreuk aan de rechten die zijn verkregen uit hoofde van het voorafgaande tijdvak van arbeid.”
4 Artikel 7 van dit besluit luidt:
„Gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen:
– hebben het recht om – onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang – te reageren op een arbeidsaanbod, wanneer zij sedert ten minste drie jaar aldaar legaal wonen;
– hebben er vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te hunner keuze wanneer zij sedert ten minste vijf jaar aldaar legaal wonen.
Kinderen van Turkse werknemers die in het gastland een beroepsopleiding hebben voltooid, kunnen, ongeacht hoe lang zij in de betreffende lidstaat wonen, in die lidstaat op ieder arbeidsaanbod reageren, op voorwaarde dat één van de ouders gedurende ten minste drie jaar legaal in de betrokken lidstaat heeft gewerkt.”
5 In artikel 14, lid 1, van dit besluit is bepaald:
„De bepalingen van dit deel worden toegepast onder voorbehoud van beperkingen welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid.”
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
6 Blijkens het dossier is Aydinli in 1974 in Duitsland geboren. Tussen 1980 en 1989 heeft hij bij zijn grootouders in Turkije gewoond en hij is daar naar school gegaan. In september 1989 heeft hij toestemming gekregen om zich te voegen bij zijn ouders in Duitsland, waar hij een beroepsopleiding heeft voltooid. Van januari 1995 tot en met september 2000 heeft hij voor dezelfde werkgever gewerkt en sinds juni 1995 heeft hij een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in deze lidstaat.
7 Daar hij zich schuldig had gemaakt aan verboden handel in verdovende middelen in niet geringe hoeveelheid, is de betrokkene op 27 september 2000 aangehouden, in voorlopige hechtenis genomen en op 31 mei 2001 veroordeeld tot een vrijheidsstraf van drie jaar, waarop de tijd die hij in voorlopige hechtenis had doorgebracht, in mindering is gebracht.
8 Nadat Aydinli een deel van zijn straf had uitgezeten, is de tenuitvoerlegging van deze straf vanaf 2 oktober 2001 opgeschort om de betrokkene een langdurige ontwenningskuur te laten volgen, welke hij op 16 juli 2002 met succes heeft beëindigd. Bij rechterlijke beslissing van 6 november 2002 is de duur van deze kuur op de duur van de uitgesproken straf in mindering gebracht en is de resterende straf voorwaardelijk opgelegd.
9 Sinds het einde van zijn kuur werkt Aydinli bij zijn vader in Duitsland.
10 Op 16 augustus 2001 hebben de Duitse autoriteiten zijn onmiddellijke uitwijzing gelast. Tegen deze beslissing heeft de betrokkene op 20 september daaraanvolgend beroep ingesteld.
11 De verwijzende rechter was weliswaar van oordeel dat het uitzettingsbevel in overeenstemming was met het nationale recht, op basis waarvan een vreemdeling die wegens overtreding van de wet op de verdovende middelen onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van ten minste drie jaar, moet worden uitgewezen, maar hij had twijfel over de verenigbaarheid van deze verwijderingsmaatregel met besluit nr. 1/80.
12 Volgens vaste rechtspraak verzet artikel 14, lid 1, van dit besluit zich er namelijk tegen dat uitzetting van een Turks onderdaan na een strafrechtelijke veroordeling de regel is, ter afschrikking van andere vreemdelingen, zonder dat het persoonlijke gedrag van de betrokkene concreet doet vermoeden dat hij zich schuldig zal maken aan andere ernstige strafbare feiten die de openbare orde in de lidstaat van ontvangst zullen verstoren (arrest van 10 februari 2000, Nazli, C‑340/97, Jurispr. blz. I‑957).
13 Dienaangaande is de verwijzende rechter ervan overtuigd dat van Aydinli geen enkel concreet gevaar op herhaling meer uitging op het moment dat de beslissing tot uitzetting is genomen.
14 Alvorens te concluderen dat artikel 14, lid 1, van besluit nr. 1/80 in het hoofdgeding toepasbaar is, moet zijns inziens evenwel worden bepaald in hoeverre de betrokkene zich kon beroepen op een recht dat door een bepaling van dit besluit, meer in het bijzonder de artikelen 6 of 7 ervan, is toegekend.
15 Uiteraard heeft Aydinli in zijn hoedanigheid van Turks werknemer die gedurende meer dan vier opeenvolgende jaren legaal arbeid heeft verricht, de in artikel 6, lid 1, derde streepje, van besluit nr. 1/80 neergelegde rechtspositie verkregen. Evenzo heeft Aydinli, als kind van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, bij wie hij ten minste vijf jaar legaal heeft gewoond, en nu hij in deze staat een beroepsopleiding heeft voltooid, de in artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, en tweede alinea, van dit besluit neergelegde rechten genoten.
16 De verwijzende rechter vraagt zich evenwel af of Aydinli op de datum van de uitzettingsbeslissing die rechten niet had verloren door zijn lange afwezigheid van de arbeidsmarkt, zulks ten gevolge van zijn voorlopige hechtenis van 27 september 2000 tot en met 3 juli 2001, vervolgens de tenuitvoerlegging van zijn gevangenisstraf van 4 juli 2001 tot en met 1 oktober 2001 en, ten slotte, zijn ontwenningskuur van 2 oktober 2001 tot en met 16 juli 2002.
17 Van oordeel dat de uitkomst van het geding in deze omstandigheden afhangt van de uitlegging van het gemeenschapsrecht, heeft het Verwaltungsgericht Freiburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Kan de afwezigheid van een Turkse werknemer van de legale arbeidsmarkt wegens de tenuitvoerlegging van een tijdelijke vrijheidsstraf ertoe leiden dat hij deze markt verlaat en daardoor zijn door een langdurige tewerkstelling in de lidstaat krachtens artikel 6, lid 1, derde streepje, van besluit nr. 1/80 […] verkregen rechten verliest?
2) Hoe wordt in voorkomend geval de periode van afwezigheid van de arbeidsmarkt wegens de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf bepaald die tot het verlies van de aanspraken leidt?
3) Kan bij de bepaling van deze periode ook de afwezigheid van de Turkse werknemer in aanmerking worden genomen die is veroorzaakt door de voorlopige hechtenis welke onmiddellijk aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf vooraf is gegaan?
4) Kan bij de bepaling van deze periode eveneens in aanmerking worden genomen dat verzoeker ten tijde van de beslissing tot uitwijzing vermoedelijk nog langere tijd niet op de arbeidsmarkt zal terugkeren, aangezien hij zonder de uitwijzingsbeslissing zeer waarschijnlijk, met opschorting van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, deel kan gaan nemen aan een langdurige, op zijn sociale en professionele rehabilitatie gerichte ontwenningskuur en er wat dat betreft ook voldoende kansen op succes bestaan?
5) Is het voor het vervallen van de rechtspositie van gezinslid van een Turkse werknemer ingevolge artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 vereist dat én het gezinsverband van het gezinslid met de Turkse werknemer, waaraan hij oorspronkelijk zijn verblijfsrecht heeft ontleend, uiteen is gevallen, én dit gezinslid de legale arbeidsmarkt van de lidstaat waar beiden wonen definitief heeft verlaten?
6) Is er van een in dit verband relevant uiteenvallen van het gezinsverband gewoonlijk sprake, wanneer het meerderjarige kind van een Turkse werknemer duurzaam diens woning verlaat en noch hij, noch de Turkse werknemer nog behoefte hebben aan bijzondere nabijheid of zorg?
7) Wordt een met betrekking tot de rechtspositie van een gezinslid van een Turkse werknemer ingevolge artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, relevant verlaten van de arbeidsmarkt volgens dezelfde criteria vastgesteld als in verband met het verlies van de rechten krachtens artikel 6, lid 1, derde streepje?
8) Verliest het kind van een Turkse werknemer dat in de lidstaat van ontvangst een beroepsopleiding heeft afgerond, zijn recht ingevolge artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 om in de betrokken lidstaat op ieder arbeidsaanbod te reageren, wanneer het reeds door de duurzame aanstelling in een betrekking tot de arbeidsmarkt aldaar was toegetreden?
9) Gaat dit uit artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 voortvloeiende recht verloren wanneer de gerechtigde de legale arbeidsmarkt van deze lidstaat heeft verlaten op een manier die tot het verlies van de rechtspositie van een Turkse werknemer ingevolge artikel 6, lid 1, derde streepje, zou leiden?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Voorafgaande opmerking
18 Vooraf moet worden opgemerkt dat het hoofdgeding betrekking heeft op de situatie van een Turks onderdaan die, als kind van een migrerend Turks echtpaar waarvan ten minste één der echtelieden tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort, krachtens artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 toestemming heeft gekregen om zich op het grondgebied van die staat bij hen te voegen voor gezinshereniging. De verwijzende rechter heeft in deze context vastgesteld dat de betrokkene overeenkomstig het tweede streepje van deze bepaling over het recht van vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze beschikt, aangezien hij sedert ten minste vijf jaar legaal in deze lidstaat woont.
19 Bovendien is artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 van toepassing „[b]ehoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden” van een Turkse werknemer. Die bepalingen vormen dus een lex specialis ten opzichte van de in de drie streepjes van dit artikel 6, lid 1, neergelegde rechten, die naar gelang van de duur van het verrichten van legale arbeid in loondienst geleidelijk aan omvangrijker worden.
20 In deze omstandigheden moeten eerst de vijfde, de zesde en de zevende vraag worden onderzocht, welke de uitlegging van artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 betreffen.
Beantwoording van de vijfde, de zesde en de zevende vraag
21 Met deze drie vragen wenst de verwijzende rechter te vernemen, in hoeverre een Turks onderdaan, zoals Aydinli, die krachtens artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 in de lidstaat van ontvangst over het recht van vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze beschikt, dit recht kan verliezen wanneer hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van verscheidene jaren, die aanvankelijk onvoorwaardelijk was, maar waarvan de tenuitvoerlegging van een deel is vervangen door de verplichting om een langdurige ontwenningskuur te volgen. Zij moeten dus samen worden onderzocht.
22 Voor een nuttig antwoord op deze vragen dient in de eerste plaats te worden herinnerd aan de rechtspraak volgens welke artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 betrekking heeft op de situatie van een Turks onderdaan die, in zijn hoedanigheid van gezinslid van een tot de legale arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst behorende of behoord hebbende Turkse werknemer, ofwel toestemming heeft gekregen om zich daar voor gezinshereniging bij die werknemer te voegen, of in die staat is geboren en er steeds heeft gewoond. Aan de toepasbaarheid van deze bepaling op dit soort situaties staat niet in de weg, dat de betrokkene op het litigieuze tijdstip meerderjarig is en niet meer in gezinsverband woont met zijn familie, maar in de betrokken lidstaat een van de werknemer onafhankelijk bestaan leidt (zie in die zin arresten van 16 maart 2000, Ergat, C‑329/97, Jurispr. blz. I‑1487, punten 26 en 27, en 11 november 2004, Cetinkaya, C‑467/02, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 34).
23 Die Turkse onderdaan kan een op basis van deze bepaling verkregen recht dus niet verliezen omdat zich omstandigheden voordoen zoals die welke in het vorige punt zijn vermeld. Bovendien heeft het recht van de gezinsleden van een Turkse werknemer om na een zekere tijd in de lidstaat van ontvangst te werken, juist tot doel hun positie in die staat te consolideren door hun de mogelijkheid te bieden zelfstandig te worden.
24 Voor het overige vereist artikel 7, eerste alinea, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 in beginsel weliswaar dat het gezinslid van een Turkse werknemer daadwerkelijk met deze werknemer samenwoont in de periode van drie jaar waarin de betrokkene niet zelf de voorwaarden voor toegang tot de arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst vervult (zie arrest van 17 april 1997, Kadiman, C‑351/95, Jurispr. blz. I‑2133, punten 33, 37, 40, 41 en 44, en arrest Cetinkaya, reeds aangehaald, punt 30), maar de lidstaten mogen geen voorwaarden meer verbinden aan het verblijf van een gezinslid van een Turkse werknemer na deze drie jaar, a fortiori in het geval van een Turkse migrant die aan de in dit artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, neergelegde voorwaarden voldoet (zie reeds aangehaalde arresten Ergat, punten 37‑39, en Cetinkaya, punt 30).
25 Wat de in artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 bedoelde gezinsleden betreft, die, zoals Aydinli, overeenkomstig het tweede streepje van deze bepaling na vijf jaar legaal wonen over het recht van vrije toegang tot de arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst beschikken, heeft het Hof meer in het bijzonder verklaard dat niet alleen de rechtstreekse werking van deze bepaling meebrengt dat de betrokkenen aan besluit nr. 1/80 rechtstreeks een individueel recht inzake arbeid ontlenen, maar dat bovendien het nuttig effect van dit recht noodzakelijkerwijs impliceert dat de betrokkenen een daarmee samenhangend verblijfsrecht hebben, dat onafhankelijk is van het voortbestaan van de voorwaarden voor de verkrijging van die rechten (zie reeds aangehaalde arresten Ergat, punt 40, en Cetinkaya, punt 31, en, naar analogie, arrest van heden, Dogan, C‑383/03, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 14).
26 Bijgevolg kan de omstandigheid dat de voorwaarde voor het ontstaan van het betrokken recht, in dit geval het gedurende een zekere tijd samenwonen met de Turkse werknemer, verdwijnt nadat het gezinslid van die werknemer het recht dat aan de orde is heeft verkregen, aan dit recht geen afbreuk doen.
27 In de tweede plaats volgt uit de rechtspraak dat het recht van verblijf, als uitvloeisel van het recht van toegang tot de arbeidsmarkt en het recht om daadwerkelijk te werken, waarop de gezinsleden van een Turkse werknemer die de in artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 neergelegde voorwaarden vervullen aanspraak kunnen maken, in twee gevallen beperkt is. In de eerste plaats wanneer de aanwezigheid van de Turkse migrant op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst wegens zijn persoonlijke gedrag een reële en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid, als bedoeld in artikel 14, lid 1, van besluit nr. 1/80, en in de tweede plaats wanneer de betrokkene het grondgebied van die staat gedurende langere tijd zonder gegronde redenen heeft verlaten (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Ergat, punten 45, 46, en 48 en Cetinkaya, punt 36).
28 Artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 staat daarentegen niet toe dat de rechten die deze bepaling toekent aan een Turks onderdaan die zich in de situatie van Aydinli bevindt, na een veroordeling tot een gevangenisstraf, ook van verscheidene jaren en aanvankelijk onvoorwaardelijk, gevolgd door een langdurige ontwenningskuur, worden beperkt wegens de lange afwezigheid van die onderdaan van de arbeidsmarkt (zie naar analogie arrest Cetinkaya, reeds aangehaald, punt 39).
29 De in het vorige punt gedane uitlegging is te meer geboden daar, anders dan in artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80, dat Turkse werknemers betreft, voor het ontstaan van de rechten inzake arbeid van de gezinsleden van die werknemers overeenkomstig artikel 7, eerste alinea, van dit besluit niet vereist is dat die gezinsleden tot de legale arbeidsmarkt van de betrokken lidstaat behoren en dat gedurende een zekere tijd arbeid in loondienst is verricht, maar enkel de voorwaarde geldt dat die gezinsleden gedurende een aanvangsperiode van drie jaar daadwerkelijk samenwonen met de werknemer, van wie zij hun rechten afleiden. Bovendien verlenen artikel 7, eerste alinea, eerste en tweede streepje, de gezinsleden van een Turkse werknemer een recht op arbeid, maar zij leggen hun geen verplichting om arbeid in loondienst te verrichten op zoals die voorzien in artikel 6, lid 1, van dit besluit.
30 Hieruit volgt in de eerste plaats dat de bepalingen van artikel 6, lid 2, van besluit nr. 1/80 in geen geval toepassing vinden in het kader van artikel 7 daarvan. Het is immers enkel ten behoeve van de berekening van de tijdvakken van arbeid die zijn vereist voor het ontstaan van de in artikel 6, lid 1, neergelegde rechten, dat artikel 6, lid 2, de gevolgen voor deze berekening van diverse redenen voor werkonderbreking regelt (zie arrest Dogan, reeds aangehaald, punt 15).
31 Hieruit volgt in de tweede plaats dat het gezinslid van een Turkse werknemer dat de in artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 neergelegde voorwaarden vervult en in de lidstaat van ontvangst wenst te werken, niet hoeft te voldoen aan de in artikel 6, lid 1, van dit besluit gestelde striktere voorwaarden dienaangaande (zie in die zin, naar analogie, arrest van 19 november 1998, Akman, C‑210/97, Jurispr. blz. I‑7519, punten 48‑50).
32 Gelet op het voorgaande dient op de vijfde, de zesde en de zevende vraag te worden geantwoord dat een Turks onderdaan die krachtens artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 over het recht van vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze beschikt, dit recht niet verliest door een lange afwezigheid van de arbeidsmarkt ten gevolge van een hechtenis, ook gedurende verscheidene jaren, gevolgd door een langdurige ontwenningskuur, noch op grond van de omstandigheid dat de betrokkene op het moment van de uitwijzingsbeslissing meerderjarig was en niet meer woonde bij de Turkse werknemer van wie hij zijn verblijfsrecht heeft afgeleid, maar een van die werknemer onafhankelijk bestaan leidde.
Beantwoording van de eerste tot en met de vierde vraag en van de achtste en de negende vraag
33 Gelet op het antwoord op de vijfde, de zesde en de zevende vraag, behoeven de overige vragen geen beantwoording meer.
Kosten
34 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Een Turks onderdaan die krachtens artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie, dat is vastgesteld door de bij de associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije ingestelde Associatieraad, over het recht van vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze beschikt, verliest dit recht niet door een lange afwezigheid van de arbeidsmarkt ten gevolge van een hechtenis, ook gedurende verscheidene jaren, gevolgd door een langdurige ontwenningskuur, noch op grond van de omstandigheid dat de betrokkene op het moment van de uitwijzingsbeslissing meerderjarig was en niet meer woonde bij de Turkse werknemer van wie hij zijn verblijfsrecht heeft afgeleid, maar een van die werknemer onafhankelijk bestaan leidde.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy