Zaak C‑385/03
Hauptzollamt Hamburg-Jonas
tegen
Käserei Champignon Hofmeister GmbH & Co. KG
(verzoek van het Bundesfinanzhof om een prejudiciële beslissing)
„Restituties bij uitvoer – Onjuiste aangifte – Begrip ‚aanvraag’ – Sanctie – Voorwaarden”
Conclusie van advocaat-generaal C. Stix-Hackl van 20 januari 2005
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 14 april 2005
Samenvatting van het arrest
Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Restituties bij uitvoer – Aangifte die op onjuiste gegevens berust – Sanctie – Verzoek tot betaling van restitutie waarin deze gegevens zijn gewijzigd – Geen invloed
(Verordening nr. 3665/87 van de Commissie, art. 3, lid 5, 11, lid 1, eerste en tweede alinea, en 47)
Artikel 11, lid 1, eerste en tweede alinea, van verordening nr. 3665/87 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2945/94, moet aldus worden uitgelegd dat onjuiste gegevens in een in artikel 3, lid 5, van deze verordening bedoeld document, te weten in de aangifte ten uitvoer of enig ander bij de uitvoer gebruikt document, die tot een hogere dan de geldende restitutie kunnen leiden, tot gevolg hebben dat de in dat artikel bedoelde sanctie wordt opgelegd. Deze regel is ook van toepassing indien in het kader van het in artikel 47 van deze verordening genoemde betalingsverzoek uitdrukkelijk is verklaard dat de betaling van de uitvoerrestitutie niet wordt gevraagd voor bepaalde in dit document genoemde producten.
(cf. punt 36 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
14 april 2005 (*)
„Restituties bij uitvoer – Onjuiste aangifte – Begrip ‚aanvraag’– Sanctie – Voorwaarden”
In zaak C-385/03,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland), bij beslissing van 30 juli 2003, ingekomen bij het Hof op 12 september 2003, in de procedure
Hauptzollamt Hamburg-Jonas
tegen
Käserei Champignon Hofmeister GmbH & Co. KG,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, N. Colneric, J. N. Cunha Rodrigues, E. Juhász (rapporteur) en E. Levits, rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: K. Sztranc, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 25 november 2004,
gelet op de opmerkingen van:
– het Hauptzollamt Hamburg-Jonas, vertegenwoordigd door M. Blaesing als gemachtigde,
– de Käserei Champignon Hofmeister GmbH & Co. KG, vertegenwoordigd door U. Schrömbges en O. Wenzlaff, Rechtsanwälte,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Braun als gemachtigde,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 januari 2005,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 11, lid 1, eerste en tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 351, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2945/94 van de Commissie van 2 december 1994 (PB L 310, blz. 57; hierna: „verordening nr. 3665/87”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Käserei Champignon Hofmeister GmbH & Co. KG (hierna: „Käserei”) en het Hauptzollamt Hamburg-Jonas (hierna: „Hauptzollamt”) over de toepassing op deze vennootschap van de sanctie van artikel 11, lid 1, eerste alinea, sub a, van verordening nr. 3665/87.
Het rechtskader
3 De eerste en de derde overweging van de considerans van verordening nr. 2945/94, waarbij artikel 11 van verordening nr. 3665/87 is gewijzigd, luiden als volgt:
„Overwegende dat in de geldende communautaire regelgeving is bepaald dat de uitvoerrestituties op basis van louter objectieve criteria, met name inzake hoeveelheid, aard en kenmerken van het uitgevoerde product en de geografische bestemming ervan worden verleend; dat het, gezien de ervaring die tot dusver is opgedaan, noodzakelijk is de strijd tegen onregelmatigheden, en met name tegen fraude ten nadele van de begroting van de Gemeenschap, te intensiveren; dat daartoe voorschriften inzake de terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen en inzake sancties moeten worden vastgesteld om de exporteurs ertoe aan te zetten de communautaire regelgeving beter in acht te nemen;
[…]
Overwegende dat, wanneer een exporteur onjuiste gegevens verstrekt, deze gegevens, indien de fout niet wordt opgemerkt, ertoe kunnen leiden dat ten onrechte een restitutie wordt betaald; dat het volstrekt verantwoord is om, wanneer de fout wordt opgemerkt, de exporteur een sanctie op te leggen die evenredig is aan het bedrag dat hij ten onrechte zou hebben ontvangen indien de fout niet was ontdekt […]”
4 Artikel 3 van verordening nr. 3665/87 bepaalt:
„1. Onder de dag van uitvoer wordt verstaan de dag waarop de douaneautoriteit de aangifte ten uitvoer aanvaardt, waarin is vermeld dat een restitutie zal worden gevraagd.
2. De dag waarop de aangifte ten uitvoer wordt aanvaard, is bepalend voor:
a) de restitutievoet, ingeval de restitutie niet vooraf werd vastgesteld,
b) de in voorkomend geval uit te voeren aanpassingen van de restitutievoet, ingeval de restitutie vooraf werd vastgesteld.
3. Elke handeling die dezelfde rechtsgevolgen heeft als de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer, wordt met die aanvaarding gelijkgesteld.
4. De dag van uitvoer is bepalend voor de vaststelling van hoeveelheid, aard en kenmerken van het uitgevoerde product.
5. Op het document dat bij de uitvoer wordt gebruikt om een restitutie te verkrijgen moeten alle nodige gegevens voor de berekening van de restitutie worden vermeld, met name:
a) de omschrijving van de producten volgens de voor de restituties gebruikte nomenclatuur;
b) de netto hoeveelheid van deze producten of, in voorkomend geval, de hoeveelheid in de meeteenheid die voor de berekening van de restitutie in aanmerking moet worden genomen;
c) voorzover nodig de berekening van de restitutie, de samenstelling van de betrokken producten of een verwijzing naar deze samenstelling.
Ingeval het in dit lid bedoelde document de aangifte ten uitvoer is, moet deze eveneens de genoemde gegevens bevatten evenals de vermelding ‚restitutiecode’.
6. Op het tijdstip van deze aanvaarding of van deze handeling worden de producten onder douanecontrole geplaatst tot zij het douanegebied van de Gemeenschap verlaten.”
5 Artikel 11, lid 1, van verordening nr. 3665/87 luidt als volgt:
„1. Wanneer wordt geconstateerd dat een exporteur een hogere uitvoerrestitutie heeft gevraagd dan de geldende, is de verschuldigde restitutie voor de betreffende uitvoer gelijk aan de geldende restitutie voor de werkelijke uitvoer, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan:
a) de helft van het verschil tussen de gevraagde restitutie en de geldende restitutie voor het daadwerkelijk uitgevoerde product;
b) het dubbele van het verschil tussen de gevraagde restitutie en de geldende restitutie, indien de exporteur opzettelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt.
Als gevraagde restitutie wordt beschouwd het bedrag dat is berekend aan de hand van de gegevens die zijn verstrekt op grond van artikel 3 of van artikel 25, lid 2. Wanneer de restitutie verschilt naargelang van de bestemming, wordt het gedifferentieerde gedeelte van de gevraagde restitutie berekend aan de hand van de op grond van artikel 47 verstrekte gegevens.
De onder a bedoelde sanctie wordt niet toegepast:
– in geval van overmacht;
– in uitzonderlijke gevallen die zijn toe te schrijven aan niet aan de exporteur toe te rekenen omstandigheden en die zich voordoen na de aanvaarding door de bevoegde autoriteiten van de aangifte ten uitvoer of de betalingsaangifte, op voorwaarde dat de exporteur, onmiddellijk nadat hij van deze omstandigheden kennis heeft gekregen, en binnen de in artikel 47, lid 2, bedoelde termijn, deze omstandigheden aan de bevoegde autoriteiten meldt, tenzij de bevoegde autoriteiten reeds hebben vastgesteld dat de gevraagde restitutie onjuist was […]”
6 Artikel 25, lid 1, van verordening nr. 3665/87 bepaalt:
„Indien de exporteur zijn voornemen te kennen geeft de producten of goederen na verwerking of opslag uit te voeren met toekenning van een restitutie op grond van de in de artikelen 4 of 5 van verordening (EEG) nr. 565/80 vastgestelde regelingen, worden die regelingen toegepast op voorwaarde dat bij de douaneautoriteiten een verklaring, hierna ‚betalingsaangifte’ te noemen, wordt ingediend.
De lidstaten kunnen deze aangifte anders noemen.”
7 De gegevens die deze betalingsaangifte moet bevatten, zijn gepreciseerd in artikel 25, lid 2, van deze verordening.
8 Artikel 47, leden 1 en 2, van verordening nr. 3665/87 bepaalt:
„1. De restitutie wordt slechts op uitdrukkelijk verzoek van de exporteur betaald door de lidstaat op het grondgebied waarvan de aangifte ten uitvoer is aanvaard.
De restitutieaanvraag moet worden ingediend:
a) hetzij schriftelijk; de lidstaten kunnen daartoe een specifiek formulier voorschrijven;
b) hetzij met behulp van informaticaprocédés […]
2. Het dossier voor de betaling van de restitutie of het vrijgeven van de zekerheid moet, behalve in geval van overmacht, worden ingediend binnen twaalf maanden na de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard.”
Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
9 Op 29 juli 1996 diende Käserei overeenkomstig artikel 3 van verordening nr. 3665/87 een aangifte ten uitvoer in voor een partij kaas – waarin zich onder meer smeltkaas bevond – vallende onder verschillende codes van de voor restituties in verband met de gemeenschappelijke marktordening gebruikte nomenclatuur.
10 Op 12 augustus 1996 diende Käserei bij het Hauptzollamt een verzoek in tot vooruitbetaling van de uitvoerrestituties betreffende deze partij. In haar betalingsverzoek sloot deze vennootschap de smeltkaas echter uitdrukkelijk uit. De rubrieken 4 en 5 van het formulier, betreffende de smeltkaas, waren doorgehaald en voorzien van een handgeschreven vermelding. In een bij de betalingsaangifte gevoegde brief deelde Käserei het Hauptzollamt mee dat zij voor dit product geen restitutie vroeg.
11 Het Hauptzollamt betaalde de uitvoerrestitutie voor de niet doorgehaalde rubrieken, maar legde Käserei bij besluit van 26 maart 1997 een boete op, op grond dat de in de aangifte ten uitvoer vermelde smeltkaas wegens de toevoeging van plantaardig vet niet voor uitvoerrestitutie in aanmerking kwam. Het Hauptzollamt was derhalve van oordeel dat verzoekster een hogere dan de geldende restitutie had gevraagd.
12 Het door Käserei tegen dit besluit gemaakte bezwaar werd afgewezen. Het Finanzgericht Hamburg wees het door Käserei ingestelde beroep daarentegen toe en oordeelde dat deze vennootschap, wat de rubrieken 4 en 5 van het formulier betreft, geen restitutieaanvraag had ingediend, aangezien het indienen van de aangifte ten uitvoer niet als een dergelijke aanvraag kon worden aangemerkt, en dat bijgevolg de sanctieregeling niet van toepassing was.
13 Het Hauptzollamt stelde bij het Bundesfinanzhof „Revision” in. Het Bundesfinanzhof merkt op dat voor de beslechting van het hoofdgeding beslissend is of met restitutieaanvraag in de zin van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 3665/87 wordt bedoeld het indienen van de in artikel 3 van deze verordening bedoelde aangifte ten uitvoer, of daarentegen het indienen van het in artikel 47, lid 1, van deze verordening bedoelde betalingsverzoek.
14 Aangezien het Bundesfinanzhof van oordeel is dat het antwoord op deze vraag niet duidelijk uit de bewoordingen van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 3665/87 volgt, heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moet artikel 11, lid 1, eerste en tweede alinea, van verordening nr. 3665/87 [...] – mede gelet op het evenredigheidsbeginsel – aldus worden uitgelegd dat onjuiste gegevens met betrekking tot individuele artikelen in de aangifte ten uitvoer die tot een hogere uitvoerrestitutie dan de geldende kunnen leiden, op zichzelf een vermindering van de uitvoerrestitutie ten belope van het bedrag van de in dat artikel omschreven boete meebrengen, hoewel in het specifieke betalingsverzoek dat naar nationaal recht moet worden ingediend, uitdrukkelijk is verklaard dat voor de betrokken artikelen die in de aangifte zijn vermeld, niet om betaling van uitvoerrestitutie wordt gevraagd?”
De prejudiciële vraag
De bij het Hof ingediende opmerkingen
15 Volgens Käserei vormt niet de aangifte ten uitvoer, maar het in artikel 47, lid 1, van verordening nr. 3665/87 bedoelde betalingsverzoek de in artikel 11, lid 1, van deze verordening bedoelde restitutieaanvraag. Hieruit volgt volgens haar dat de sanctieregeling van artikel 11, lid 1, niet van toepassing is wanneer alleen de aangifte ten uitvoer onjuiste gegevens betreffende de uitvoerrestituties bevat.
16 Käserei merkt op dat volgens artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 3665/87 een sanctie is voorzien wanneer een exporteur een hogere dan de geldende uitvoerrestitutie vraagt. Deze bepaling preciseert echter niet waarin een dergelijke aanvraag bestaat. Volgens Käserei is, bij ontstentenis van een dergelijke precisering, alleen de in artikel 47 van de verordening bedoelde restitutieaanvraag bepalend.
17 Käserei zet uiteen dat volgens artikel 47, lid 1, een schriftelijk verzoek van de exporteur een voorwaarde is voor de betaling van de uitvoerrestitutie, en dat de lidstaten daartoe een specifiek formulier kunnen voorschrijven. Naar Duits recht wordt een dergelijk formulier voorgeschreven door § 15 van de Ausfuhrerstattungsverordnung (verordening betreffende uitvoerrestituties) van 24 mei 1996 (BGBl. I 1996, blz. 766). In het door deze Verordnung voorgeschreven modelformulier wordt de aanvrager er uitdrukkelijk op gewezen dat hij verzoekt om betaling van uitvoerrestituties voor alle producten die in die aanvraag worden genoemd. De aangifte ten uitvoer verschilt duidelijk van de aanvraag tot betaling van restitutie en het is slechts bij het indienen van deze aanvraag dat, naar Duits recht, de exporteur uitdrukkelijk een uitvoerrestitutie aanvraagt. Ter terechtzitting heeft Käserei betoogd dat de aangifte ten uitvoer naar Duits recht alleen een intentieverklaring is en bij het bevoegde Duitse douanekantoor geen restitutieprocedure in gang zet.
18 Volgens de Commissie wordt de in artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 3665/87 bedoelde restitutieaanvraag gedaan bij het indienen van de aangifte ten uitvoer overeenkomstig artikel 3 van deze verordening. Dienaangaande benadrukt zij dat in het kader van artikel 11, lid 1, „als gevraagde restitutie wordt beschouwd het bedrag dat is berekend aan de hand van de gegevens die zijn verstrekt op grond van artikel 3 of van artikel 25, lid 2” van deze verordening.
19 De Commissie wijst tevens op het doel van verordening nr. 3665/87. Zij betoogt dat aan de preventieve werking van deze verordening in sterke mate afbreuk wordt gedaan indien de uitlegging van het Finanzgericht Hamburg wordt gevolgd. Volgens haar betekent het aanvaarden van de aangifte ten uitvoer dat de producten onder douanecontrole worden geplaatst en dat zij worden onderzocht. Een dergelijk onderzoek zou slechts van geringe waarde zijn en geen preventieve werking hebben, als de sanctie niet op de in de aangifte ten uitvoer vermelde gegevens zou zijn gebaseerd, maar op het betalingsverzoek, dat heel wat later kan worden ingediend. De uitlegging van het Finanzgericht Hamburg kan ertoe leiden dat de exporteur eerst een aangifte ten uitvoer indient waarin onjuiste gegevens zijn vermeld, en pas later de specifieke restitutieaanvraag, wanneer hij er zeker van is dat de onjuiste vermeldingen niet zullen worden ontdekt.
Antwoord van het Hof
20 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het document op basis waarvan de in artikel 11, lid 1, van verordening nr. 3665/87 genoemde sanctie wordt toegepast, de in artikel 3 van deze verordening bedoelde aangifte ten uitvoer dan wel het in artikel 47, lid 1, hiervan bedoelde specifieke betalingsverzoek is.
21 Er zij aan herinnerd dat artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 3665/87 voorziet in de toepassing van een sanctie op een marktdeelnemer die een hogere uitvoerrestitutie vraagt dan waar hij recht op heeft. Artikel 11, lid 1, tweede alinea, van deze verordening bepaalt dat als gevraagde restitutie wordt beschouwd het bedrag dat is berekend aan de hand van de gegevens die zijn verstrekt op grond van artikel 3 of van artikel 25, lid 2, van deze verordening. De tweede volzin van deze tweede alinea bepaalt voorts dat de op grond van artikel 47 van deze verordening verstrekte gegevens bij de berekening van de gevraagde restitutie worden betrokken „wanneer de restitutie verschilt naar gelang de bestemming”.
22 Hieruit volgt dat, wanneer de restitutie niet verschilt, men zich uitsluitend moet baseren op artikel 3 of, in voorkomend geval, op artikel 25, lid 2, van verordening nr. 3665/87 voor de berekening van het bedrag van de gevraagde restitutie in de zin van artikel 11, lid 1, van deze verordening. Tevens volgt hieruit dat het of de document(en) die de in deze artikelen 3 of 25, lid 2, bedoelde gegevens bevatten op basis waarvan het restitutiebedrag wordt berekend, de aanvraag vorm(t)(en) die wegens het bevatten van onjuiste gegevens tot toepassing van de in artikel 11, lid 1, genoemde sanctie leidt.
23 Aangaande de uitlegging van artikel 3 van deze verordening zij opgemerkt, zoals de advocaat-generaal heeft verklaard in punt 38 van haar conclusie, dat uit dit artikel niet per se blijkt dat het bedrag van de gevraagde restitutie alleen wordt berekend aan de hand van de in de aangifte ten uitvoer verstrekte gegevens. Meer in het bijzonder preciseert lid 5 van artikel 3 niet welk document moet worden ingediend om een uitvoerrestitutie te verkrijgen. Het verwijst uitsluitend naar het „document dat bij de uitvoer wordt gebruikt”. Daarnaast bevat de tweede alinea van artikel 3, lid 5, een regeling voor het geval dat „het in dit lid bedoelde document de aangifte ten uitvoer is”. Hieruit volgt dat het document dat moet worden ingediend om een restitutie te verkrijgen, niet noodzakelijkerwijs de aangifte ten uitvoer is.
24 Het staat immers aan elke lidstaat om in zijn nationaal recht vast te leggen welke formulieren worden gebruikt om te voldoen aan artikel 3 van verordening nr. 3665/87. Het document dat bij de uitvoer wordt gebruikt om een restitutie te verkrijgen, kan zijn opgenomen in een enkele aangifte ten uitvoer of er kan sprake zijn van verschillende formulieren.
25 Ongeacht de benaming van het document dat naar nationaal recht wordt gebruikt om een restitutie te verkrijgen, vereist artikel 3, lid 5, van verordening nr. 3665/87 dat dit document uiterlijk „bij de uitvoer” wordt ingediend. Hieruit volgt dat dit document niet het in artikel 47, lid 1, van deze verordening bedoelde betalingsverzoek kan zijn, aangezien dit kan worden ingediend binnen twaalf maanden na de dag waarop de aangifte is aanvaard, dus een hele tijd na de uitvoer.
26 Voorgaande analyse is in overeenstemming met de opzet en het doel van verordening nr. 3665/87. Qua opzet bevat deze verordening materiële en procedurele regels voor het verkrijgen van uitvoerrestituties. Zoals de advocaat-generaal in de punten 48 et 50 van haar conclusie heeft opgemerkt, bevatten de artikelen 3 en 11 van deze verordening materiële regels en bevinden zij zich in titel 2, hoofdstuk 1, dat het opschrift: „Recht op restitutie” draagt. Artikel 47, lid 1, van deze verordening, dat zich in titel 4, met het opschrift „Procedure voor de restitutiebetaling” bevindt, schrijft uitsluitend de administratieve formaliteiten voor die de exporteur moet vervullen om betaling van de restitutie te verkrijgen. Het restitutiebedrag hangt af van de gegevens in het document dat het recht op restitutie doet ontstaan, en niet van de gegevens in het document van technische aard, dat weliswaar een voorwaarde vormt voor restitutiebetaling, maar niet de juridische basis voor een recht op een dergelijke betaling. Hieruit volgt dat, overeenkomstig de opzet van verordening nr. 3665/87 en de daarin vervatte regeling, de in artikel 11, lid 1, van de verordening bedoelde restitutieaanvraag wordt ingediend met toepassing van artikel 3, of in voorkomend geval van artikel 25, lid 2, van de verordening, maar niet door indiening van het in artikel 47, lid 1, bedoelde verzoek om betaling.
27 Aangaande het doel van verordening nr. 3665/87 blijkt uit de eerste overweging van de considerans van verordening nr. 2945/94 dat het doel is, onregelmatigheden en fraude bij uitvoerrestituties te bestrijden (zie arrest van 11 juli 2002, Käserei Champignon Hofmeister, C-210/00, blz. I‑6453, punt 60). De uitlegging volgens welke voor reeds uitgevoerde producten rechtsgeldig een restitutieaanvraag kan worden ingediend, zou echter afbreuk doen aan dit doel, aangezien de bevoegde autoriteiten niet meer in staat zouden zijn fysieke controles op deze producten uit te voeren, welke controles echter juist noodzakelijk zijn voor het bereiken van het doel van verordening nr. 3665/87. Derhalve kan de in artikel 47, lid 1, van deze verordening bedoelde restitutieaanvraag, die binnen twaalf maanden na de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer kan worden ingediend, niet de restitutieaanvraag in de zin van artikel 11, lid 1, van deze verordening vormen.
28 De fysieke controle van de producten waarvoor restituties zijn gevraagd, vormt een belangrijk hulpmiddel om onregelmatigheden en fraude bij uitvoerrestituties te bestrijden. Dienaangaande zij opgemerkt dat, teneinde zeker te stellen dat het doel van het onderzoek volledig wordt bereikt, vereist is dat de controle plaatsvindt nadat de exporteur een bindende restitutieaanvraag heeft ingediend. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft betoogd, wordt de preventieve werking van de in artikel 11, lid 1, van verordening nr. 3665/87 goeddeels teniet gedaan wanneer de restitutieaanvraag na de controle van de producten kan worden ingediend. De exporteur zou dan in staat zijn om zijn restitutieaanvraag aan te passen aan het resultaat van een eventuele controle.
29 Hieruit volgt dat het onderzoek van de restitutieaanvragen moet worden geacht integraal deel uit te maken van het stelsel van uitvoerrestituties waarin verordening nr. 3665/87 voorziet. Teneinde te bepalen welk document de restitutieaanvraag vormt, moet derhalve niet het document in aanmerking worden genomen dat voor de betaling van het restitutiebedrag is bedoeld, maar het document dat het onderzoek van de restitutieaanvraag op gang brengt.
30 De verwijzende rechter vraagt, onder verwijzing naar het evenredigheidsbeginsel, of het met dit beginsel in strijd is om de in artikel 11, lid 1, van verordening nr. 3665/87 bedoelde boete op te leggen wanneer de exporteur niet om restitutie heeft gevraagd en de bevoegde autoriteiten hem ook geen restitutie hebben verleend.
31 Dienaangaande zij er om te beginnen aan herinnerd dat het Hof in de punten 59 tot en met 68 van het reeds aangehaalde arrest Käserei Champignon Hofmeister reeds heeft geoordeeld dat de sanctie niet onevenredig is. In punt 68 van dat arrest heeft het Hof overwogen dat de in artikel 11, lid 1, eerste alinea, sub a, van verordening nr. 3665/87 genoemde sanctie geen schending inhoudt van het evenredigheidsbeginsel, daar deze sanctie niet kan worden aangemerkt als niet geschikt voor het bereiken van het door de gemeenschapsregeling beoogde doel, te weten de strijd tegen onregelmatigheden en fraude, en evenmin verder gaat dan ter bereiking van dit doel noodzakelijk is.
32 Vervolgens zij opgemerkt dat verordening nr. 3665/87 duidelijk aangeeft in welke omstandigheden een exporteur die een hogere restitutie vraagt dan de geldende, desalniettemin kan vermijden dat hem de in artikel 11, lid 1, van deze verordening bedoelde sanctie wordt opgelegd. Volgens de derde alinea, tweede gedachtestreepje, van dit artikel wordt de betrokken sanctie niet toegepast „in uitzonderlijke gevallen die zijn toe te schrijven aan niet aan de exporteur toe te rekenen omstandigheden en die zich voordoen na de aanvaarding door de bevoegde autoriteiten van de aangifte ten uitvoer of de betalingsaangifte, op voorwaarde dat de exporteur, onmiddellijk nadat hij van deze omstandigheden kennis heeft gekregen, en binnen de in artikel 47, lid 2, bedoelde termijn, deze omstandigheden aan de bevoegde autoriteiten meldt, tenzij de bevoegde autoriteiten reeds hebben vastgesteld dat de gevraagde restitutie onjuist was”.
33 Er dient evenwel te worden gepreciseerd dat de wijziging van een restitutieaanvraag een materiële en niet een formele wijziging vormt. De bevoegde autoriteiten moeten van een dergelijke wijziging in kennis worden gesteld door indiening van een specifiek document, dat een motivering moet bevatten, en niet door een eenvoudig formulier zoals het in artikel 47, lid 1, van verordening nr. 3665/87 bedoelde betalingsverzoek.
34 Ten slotte moet worden benadrukt dat uit de bewoordingen en uit het doel van verordening nr. 3665/87 volgt dat de communautaire wetgever de in artikel 11, lid 1, van deze verordening bedoelde sanctie niet heeft willen opleggen nadat de gemeenschapsbegroting financieel nadeel heeft geleden doordat ten onrechte een uitvoerrestitutie is betaald, maar in een eerder stadium, wanneer de exporteur – zij het onopzettelijk – in de restitutieaanvraag onjuiste gegevens vermeldt.
35 In de derde overweging van de considerans van verordening nr. 2945/94 staat te lezen dat „wanneer een exporteur onjuiste gegevens verstrekt, deze gegevens, indien de fout niet wordt opgemerkt, ertoe kunnen leiden dat ten onrechte een restitutie wordt betaald; dat het volstrekt verantwoord is om, wanneer de fout wordt opgemerkt, de exporteur een sanctie op te leggen […]”. Bijgevolg is in dit opzicht niet relevant dat de exporteur, nadat is ontdekt dat de aangifte ten uitvoer onjuiste gegevens bevat, noch om betaling van de betrokken restitutie heeft gevraagd noch deze betaling heeft verkregen. In de systematiek van verordening nr. 3665/87 volstaat de mogelijkheid dat onjuiste gegevens tot betaling van onverschuldigde restituties leiden, voor de toepassing van de in artikel 11, lid 1, van deze verordening genoemde sanctie.
36 Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 11, lid 1, eerste en tweede alinea, van verordening nr. 3665/87 aldus moet worden uitgelegd dat onjuiste gegevens in een in artikel 3, lid 5, van deze verordening bedoeld document, te weten in de aangifte ten uitvoer of enig ander bij de uitvoer gebruikt document, die tot een hogere dan de geldende restitutie kunnen leiden, tot gevolg hebben dat de in dat artikel bedoelde sanctie wordt opgelegd. Deze regel is ook van toepassing indien in het kader van het in artikel 47 van deze verordening genoemde betalingsverzoek uitdrukkelijk is verklaard dat de betaling van de uitvoerrestitutie niet wordt gevraagd voor bepaalde in dit document genoemde producten.
Kosten
37 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 11, lid 1, eerste en tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2945/94 van de Commissie van 2 december 1994, moet aldus worden uitgelegd dat onjuiste gegevens in een in artikel 3, lid 5, van deze verordening bedoeld document, te weten in de aangifte ten uitvoer of enig ander bij de uitvoer gebruikt document, die tot een hogere dan de geldende restitutie kunnen leiden, tot gevolg hebben dat de in dat artikel bedoelde sanctie wordt opgelegd. Deze regel is ook van toepassing indien in het kader van het in artikel 47 van deze verordening genoemde betalingsverzoek uitdrukkelijk is verklaard dat de betaling van de uitvoerrestitutie niet wordt gevraagd voor bepaalde in dit document genoemde producten.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy