Zaak C-400/03
Waterman SAS, voorheen Waterman SA
tegen
Directeur général des douanes et droits indirects
(verzoek van het Tribunal d’instance du VIIe arrondissement de Paris om een prejudiciële beslissing)
„Gemeenschappelijk douanetarief – Gecombineerde nomenclatuur – Tariefpost – Doosjes voor pennen”
Samenvatting van het arrest
Gemeenschappelijk douanetarief – Tariefposten – Toelichtingen op gecombineerde nomenclatuur – Postonderverdelingen 4202 12 11 en 4202 12 19 – Geen ongeldigheid
De toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur zijn waardevolle hulpmiddelen bij de uitlegging daarvan, mits de inhoud ervan in overeenstemming is met de bepalingen zelf van het gemeenschappelijk douanetarief en de draagwijdte ervan niet wijzigt. Dat is het geval met de toelichtingen op de postonderverdelingen 4202 12 11 en 4202 12 19. Zij zijn immers noch in strijd met de bewoordingen van de betrokken posten en postonderverdelingen noch met de daarop toepasselijke toelichtingen noch met de in punt 6 van de Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vermelde regel dat de indeling van goederen moet plaatsvinden aan de hand van de bewoordingen van de onderverdelingen. Met name moeten genoemde toelichtingen worden gezien als een toevoeging aan aanvullende aantekening 1 bij hoofdstuk 42 van de gecombineerde nomenclatuur, doordat zij aangeven dat wanneer de met het blote oog zichtbare buitenzijde een kunststoffen vel is, het procédé waarmee dit vel is verkregen voor de tariefindeling niet van belang is. Door twee technische procédés voor het verkrijgen van een identiek product, te weten een kunststoffen buitenkant, als equivalent te beschouwen, nemen zij bovendien het doorslaggevende criterium voor de tariefindeling van goederen in acht, dat moet worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen van de betrokken koopwaar, zoals omschreven in de tekst van de tariefpost van het gemeenschappelijk douanetarief en in de aantekeningen bij de betrokken afdelingen of hoofdstukken. Daaruit volgt dat er geen feiten of omstandigheden zijn die de geldigheid van de betrokken toelichtingen kunnen aantasten.
(cf. punten 16, 19, 21, 27, 29, 32 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
8 juli 2004(1)
„Gemeenschappelijk douanetarief – Gecombineerde nomenclatuur – Tariefpost – Doosjes voor pennen”
In zaak C-400/03,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Tribunal d'instance du VIIe arrondissement de Paris (Frankrijk), in het aldaar aanhangig geding tussen
Waterman SAS, voorheen Waterman SA,
en
Directeur général des douanes et droits indirects,
om een prejudiciële beslissing over de overeenstemming van de in de mededeling van de Commissie „Toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Gemeenschappen” (PB 2000, C 199, blz. 1) vervatte toelichtingen op de onderverdelingen 4202 12 11 en 4202 12 19 van de gecombineerde nomenclatuur, met de gecombineerde nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2263/2000 van de Commissie van 13 oktober 2000 (PB L 264, blz. 1),wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),,
samengesteld als volgt: J. N. Cunha Rodrigues, kamerpresident, J.-P. Puissochet en K. Lenaerts (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
– Waterman SAS, vertegenwoordigd door F. Goguel, avocat,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door A. Colomb en G. de Bergues als gemachtigden,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Schieferer en X. Lewis als gemachtigden,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Waterman SAS, de Franse regering en de Commissie ter terechtzitting van 1 april 2004,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Bij vonnis van 21 augustus 2003, ingekomen ter griffie van het Hof op 26 september 2003, heeft het Tribunal d’instance du VIIe arrondissement de Paris krachtens artikel 234 EG een prejudiciële vraag gesteld over de overeenstemming van de in de mededeling van de Commissie „Toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Gemeenschappen” (PB 2000, C 199, blz. 1) vervatte toelichtingen op de onderverdelingen 4202 12 11 en 4202 12 19 van de gecombineerde nomenclatuur, met de gecombineerde nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2263/2000 van de Commissie van 13 oktober 2000 (PB L 264, blz. 1).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen de vennootschap Waterman SA, in wier rechten na een fusie de vennootschap Waterman SAS (hierna: „Waterman”) is getreden, en de Directeur général des douanes et droits indirects, inzake de tariefindeling van door deze vennootschap in de Europese Unie ingevoerde doosjes voor pennen.
Rechtskader
3 De ten tijde van de feiten van het hoofdgeding geldende versie van de gecombineerde nomenclatuur (hierna „GN”) is opgenomen in bijlage I bij verordening nr. 2263/2000. Het tweede deel van deze bijlage bevat een hoofdstuk 42, „Lederwaren; zadel- en tuigmakerswerk; reisartikelen, handtassen en dergelijke bergingsmiddelen; werken van darmen”.
4 Onder dit hoofdstuk valt onder meer de post 4202, die onder meer betrekking heeft op „etuis, foedralen en kokers voor messenmakerswerk, alsmede dergelijke bergingsmiddelen, van leder, van kunstleder, van kunststof in vellen, van textiel, van vulkanfiber of van karton, of geheel of voor het grootste deel bekleed met deze stoffen of met papier”.
5 Onderverdeling 4202 92 19 heeft betrekking op de in het voorgaande punt genoemde goederen „met een buitenkant van kunststof in vellen of van textiel”. Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding bedroeg het conventioneel douanerecht voor deze goederen 9,7 %.
6 Onderverdeling 4202 99 00 betreft de in punt 4 genoemde goederen wanneer zij geen buitenkant van leder, van kunstleder of van lakleder hebben noch een buitenkant van kunststof in vellen of van textiel. Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding bedroeg het conventioneel douanerecht voor deze goederen 3,7 %.
7 Aanvullende aantekening 1 bij hoofdstuk 42 van de GN luidt: „Voor de toepassing van de onderverdelingen van post 4202 wordt onder ‚buitenkant’ verstaan het materiaal dat aan de buitenzijde van het bergingsmiddel zichtbaar is met het blote oog, ook indien dit materiaal de buitenste laag vormt van een samengestelde stof die het buitenmateriaal van het bergingsmiddel vormt.”
8 De toelichting op de onderverdelingen 4202 92 11 tot en met 4202 92 19 in de in punt 1 genoemde mededeling van de Commissie verwijst naar de toelichtingen op de onderverdelingen 4202 12 11 en 4202 12 19 (hierna: „betrokken toelichtingen”), die de volgende gegevens bevatten met betrekking tot de uitdrukking „van kunststof in vellen”:
„Bestaat het buitenmateriaal van een product uit een samengestelde stof, waarvan de met het blote oog zichtbare buitenzijde uit een vel kunststof bestaat (bijvoorbeeld van een vel kunststof verbonden met weefsel), dan is het voor de indeling onder deze onderverdelingen niet van belang of het vel kunststof reeds voor de productie van de samengestelde stof werd vervaardigd of dat de kunststoflaag is verkregen door de stof (bijvoorbeeld van vezels vervaardigd weefsel) met kunststof te bestrijken of te overtrekken. Dit op voorwaarde dat de met het blote oog zichtbare buitenzijde er uit ziet als een vooraf vervaardigd vel van kunststof.”
Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
9 Op 11 april 2001 heeft Waterman de Franse douaneadministratie om een bindende tariefinlichting (hierna: „BTI”) verzocht ten behoeve van de indeling van een doosje voor pennen, het „Man Bille Coverlux”-doosje, dat in de aanvraag als volgt wordt omschreven:
„Geraamte (onderste deel en deksel) van kunststof
Uit een stalen veer bestaande scharnier
Binnenbekleding van satijn
Met mousse opgevuld deksel
Aan de buitenkant met Coverlux overtrokken
[…]
Omhulsel van neutraal karton.”
10 In haar aanvraag heeft Waterman verzocht om een indeling onder onderverdeling 4202 99 00.
11 Op 28 juni 2001 heeft de Franse douaneadministratie een BTI met het nummer FR-E4-2001-001470 afgegeven, waarbij de betrokken goederen werden ingedeeld onder onderverdeling 4202 92 19. Deze administratie heeft op grond van twee analyses van het Laboratoire interrégional des douanes de Paris opgemerkt dat het betrokken doosje een buitenkant heeft van kunststof in vellen met een gemiddelde dikte van 0,12 millimeter. Tot staving van de BTI heeft zij zich onder meer beroepen op de betrokken toelichtingen.
12 Op 11 september 2001 heeft Waterman de Directeur général des douanes et droits indirects gedagvaard voor het Tribunal d’instance du VIIe arrondissement de Paris, teneinde de BTI nietig te doen verklaren en te doen oordelen dat de betrokken goederen moeten worden ingedeeld onder onderverdeling 4202 99 00.
13 Bij vonnis van 5 februari 2002 heeft dit Tribunal de commissie voor douanebemiddeling en -onderzoek verzocht de samenstelling en het productieprocédé van de buitenkant van genoemde goederen te bepalen en te beschrijven. In een advies van 22 mei 2002 heeft deze commissie geconcludeerd dat „de buitenkant van de onderzochte doosjes uit met kleurstoffen gemengd acrylpolymeer bestaat en dat dit mengsel in half-vloeibare toestand met een rol is aangebracht voordat de doosjes in vorm zijn gebracht”.
14 Geconfronteerd met de vraag of een aldus samengesteld en door een dergelijk procédé verkregen materiaal onder de door de Franse douaneadministratie op grond van de betrokken toelichtingen gekozen onderverdeling 4202 92 19 valt, heeft het Tribunal d’instance du VIIe arrondissement de Paris besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
„Is de toelichting op de gecombineerde nomenclatuur bij de posten 4202 12 11 en 4202 12 19, welke de bewoordingen ‚van kunststof in vellen’ als volgt preciseert: ‚Bestaat het buitenmateriaal van een product uit een samengestelde stof, waarvan de met het blote oog zichtbare buitenzijde uit een vel kunststof bestaat (bijvoorbeeld van een vel kunststof verbonden met weefsel), dan is het voor de indeling onder deze onderverdelingen niet van belang of het vel kunststof reeds voor de productie van de samengestelde stof werd vervaardigd of dat de kunststoflaag is verkregen door de stof [...] met kunststof te bestrijken of te overtrekken. Dit op voorwaarde dat de met het blote oog zichtbare buitenzijde er uit ziet als een vooraf vervaardigd vel van kunststof’, in strijd met het tarief?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
15 Allereerst moet worden opgemerkt dat de gestelde vraag geen betrekking heeft op de uitlegging van de onderverdelingen 4202 92 19 en 4202 99 00 van de GN waarop respectievelijk de Franse douaneadministratie en Waterman zich beroepen ten behoeve van de tariefindeling van de door deze laatste in de Europese Unie geïmporteerde doosjes voor pennen, maar op de geldigheid van de betrokken toelichtingen bij de onderverdelingen 4202 92 11 tot en met 4202 92 19 van de GN.
16 In dit verband zij eraan herinnerd dat de toelichtingen op de GN waardevolle hulpmiddelen vormen bij de uitlegging daarvan, mits de inhoud ervan met de bepalingen zelf van het gemeenschappelijk douanetarief in overeenstemming is en de draagwijdte ervan niet wijzigt (zie arrest van 11 juli 1980, Chem-Tec, 798/79, Jurispr. blz. 2639, punten 11 en 12).
17 In casu vermelden de betrokken toelichtingen dat in het geval waarin het buitenmateriaal van een product uit een samengestelde stof bestaat, waarvan de met het blote oog zichtbare zijde uit een vel kunststof bestaat, het voor de tariefindeling zonder belang is of het vel kunststof reeds voor de productie van de samengestelde stof waarvan het de zichtbare buitenzijde vormt, werd vervaardigd of dat de kunststoflaag is verkregen door de stof (bijvoorbeeld van vezels vervaardigd weefsel) met kunststof te bestrijken of te overtrekken. Dit op voorwaarde dat dit tweede productieprocédé een resultaat oplevert dat analoog is aan dat van het eerste procédé.
18 Bijgevolg stellen deze toelichtingen met het oog op de uitlegging van de uitdrukking „van kunststof in vellen” in de zin van de GN, de kunststoflaag die is verkregen door een stof met kunststof te bestrijken of te overtrekken, gelijk aan een kunststof vel dat is vervaardigd voordat het op het bergingsmiddel werd aangebracht, op voorwaarde dat het er hetzelfde uitziet. Met dit voorbehoud beschouwen de toelichtingen als equivalent, twee procédés die het mogelijk maken een kunststof buitenkant te vervaardigen voor bergingsmiddelen die onder post 4202 van de GN vallen, te weten het procédé dat bestaat uit het aanbrengen van een van tevoren vervaardigd kunststof vel en dat wat bestaat uit het met kunststof bestrijken of overtrekken van een stof (bijvoorbeeld van vezels vervaardigd weefsel).
19 Gelet op de in punt 16 aangehaalde rechtspraak moet worden onderzocht of de betrokken toelichtingen overeenstemmen met de bewoordingen van de betrokken posten en onderverdelingen, de daarop van toepassing zijnde aantekeningen en de in punt 6 van de in titel I van deel I van de GN opgenomen Algemene regels voor de interpretatie van de GN vermelde regel, waarmee zij volgens Waterman in strijd zijn.
20 Wat de bewoordingen van genoemde posten en onderverdelingen, namelijk post 4202 en de onderverdelingen 4202 92 11 tot en met 4202 92 19 van de GN, betreft, moet worden opgemerkt dat deze niet aangeven wat onder „kunststof in vellen” moet worden verstaan.
21 Het door Waterman in haar schriftelijke opmerkingen gestelde feit dat de betrokken toelichtingen de termen „vel” en „laag” door elkaar gebruiken, terwijl de laatste niet in de betrokken posten en onderverdelingen voorkomt en in het normale spraakgebruik niet synoniem is met de eerste, maakt het niet mogelijk genoemde toelichtingen in strijd te achten met de bewoordingen van deze posten en onderverdelingen of met de in punt 6 van de Algemene regels voor de interpretatie van de GN vermelde regel dat de indeling van goederen moet plaatsvinden aan de hand van de bewoordingen van de onderverdelingen.
22 De term „laag” in de betrokken toelichtingen dient er immers toe het product van een technisch procédé aan te duiden, dat in de eerste plaats van „kunststof” moet zijn en waarvan op grond van genoemde toelichtingen in de tweede plaats de gelijkstelling met een kunststof vel in de zin van de onderverdelingen 4202 92 11 tot en met 4202 92 19 van de GN slechts is toegestaan als het er als een dergelijk vel uitziet.
23 Zoals de Franse regering opmerkt, is het bovendien van belang dat de aanvullende aantekening 1 bij hoofdstuk 42 van de GN (zie punt 7), welke onder andere betrekking heeft op de in de onderverdelingen 4202 92 11 tot en met 4202 92 19 van de GN genoemde bergingsmiddelen met een buitenkant van kunststof in vellen, eveneens de term „laag” gebruikt om het begrip „buitenkant” in de zin van met name deze onderverdelingen te preciseren.
24 Met betrekking tot de op de betrokken post en onderverdelingen toepasselijke aantekeningen moet worden opgemerkt dat afdeling VIII van de GN, waarvan hoofdstuk 42 deel uitmaakt, geen aantekening bevat. Dit hoofdstuk zelf bevat drie aantekeningen en een aanvullende aantekening.
25 De aantekeningen 1 en 2 sluiten een aantal artikelen uit van respectievelijk hoofdstuk 42 en post 4202 van de GN, terwijl aantekening 3 betrekking heeft op post 4203. Bijgevolg is geen van deze aantekeningen relevant voor de beoordeling van de geldigheid van de betrokken toelichtingen.
26 De in punt 7 weergegeven aanvullende aantekening 1 geeft aan dat wat de onderverdelingen van post 4202 van de GN betreft, op grond van het met het blote oog zichtbare materiaal moet worden bepaald of de buitenkant van het bergingsmiddel tot een van de in deze onderverdelingen genoemde typen buitenkant is te rekenen, ook al vormt dit materiaal slechts de buitenste laag van een samengestelde stof die het buitenmateriaal van het bergingsmiddel vormt.
27 De betrokken toelichtingen moeten worden gezien als een toevoeging aan deze aanvullende aantekening, doordat zij aangeven dat in een van de door deze laatste gedekte gevallen, te weten het geval waarin de met het blote oog zichtbare buitenzijde een kunststof vel is, het procédé waarmee dit vel is verkregen voor de tariefindeling niet van belang is.
28 Aantekening 10 bij hoofdstuk 39 van de GN, waarop Waterman zich beroept, is voor de beoordeling van de geldigheid van de betrokken toelichtingen niet van belang, aangezien deze onderverdelingen betreffen die onder hoofdstuk 42 vallen. Bovendien bevat deze aantekening geen enkele definitie van kunststof in vellen, waarmee de toelichtingen in strijd zouden kunnen zijn.
29 Ook moet worden beklemtoond dat door twee technische procédés voor het verkrijgen van een identiek product, te weten een kunststof buitenkant, als equivalent te beschouwen, de betrokken toelichtingen in overeenstemming zijn met de rechtspraak volgens welke het doorslaggevende criterium voor de tariefindeling van goederen moet worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen van de betrokken koopwaar, zoals omschreven in de tekst van de tariefpost van het gemeenschappelijk douanetarief en in de aantekeningen bij de betrokken afdelingen of hoofdstukken (arresten van 10 oktober 1985, Daiber, 200/84, Jurispr. blz. 3363, punt 13; 19 mei 1994, Siemens Nixdorf, C-11/93, Jurispr. blz. I-1945, punt 11, en 19 oktober 2000, Peacock, C-339/98, Jurispr. blz. I-8947, punt 9).
30 Anders dan Waterman in haar schriftelijke opmerkingen heeft verdedigd en zoals deze vennootschap ter terechtzitting ook heeft toegegeven, kan geen enkel element van de betrokken toelichtingen tot de conclusie leiden dat de Commissie in deze toelichtingen een laag verf gelijkstelt aan een kunststof vel.
31 Bovendien kan de in de betrokken toelichtingen gestelde voorwaarde dat het uiterlijk hetzelfde moet zijn, anders dan Waterman beweert, niet worden uitgelegd als een blijk van voorkeur van de Commissie voor het criterium van de schijn boven het in punt 29 aangehaalde criterium uit de rechtspraak. De toepassing van deze voorwaarde veronderstelt immers dat het product van het procédé van bestrijken of overtrekken een „kunststof” laag is.
32 Gelet op het voorgaande dient aan de verwijzende rechter te worden geantwoord dat bij onderzoek van de prejudiciële vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de betrokken toelichtingen kunnen aantasten.
Kosten
33 De kosten door de Franse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechter over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunal d’instance du VIIe arrondissement de Paris bij vonnis van 21 augustus 2003 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Bij onderzoek van de prejudiciële vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van de in de mededeling „Toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Gemeenschappen” van de Commissie vervatte toelichtingen op de onderverdelingen 4202 12 11 en 4202 12 19 van de gecombineerde nomenclatuur.
Cunha Rodrigues
Puissochet
Lenaerts
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 8 juli 2004.
De griffier
De president van de Vierde kamer
R. Grass
J. N. Cunha Rodrigues
1 – Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy