Zaak C‑404/03
Strafzaak
tegen
Olivier Dupuy en Hervé Rouvre
(verzoek van het Tribunal de grande instance du Mans om prejudiciële beslissing)
„Gevaarlijke stoffen of preparaten – Siccatieven die lood bevatten – Verbod om op markt te brengen – Richtlijnen 76/769/EEG en 94/60/EG”
Samenvatting van het arrest
Harmonisatie van wetgevingen – Beperking van op markt brengen en van gebruik van gevaarlijke stoffen – Richtlijn 76/769, zoals gewijzigd bij richtlijn 94/60 – Uitzondering voor „kleurstoffen voor kunstenaars” – Toepassing op siccatieven – Daarvan uitgesloten
(Richtlijnen van de Raad 76/769, bijlage I, punt 31, sub e, zoals gewijzigd bij richtlijn 94/60, en 88/379)
Volgens de bepalingen van gemeenschapsrecht inzake de beperking van het op de markt brengen van gevaarlijke stoffen of preparaten, met name de bepalingen van richtlijn 76/769 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten, zoals gewijzigd bij richtlijn 94/60, is het verboden siccatieven met loodverbindingen, die als voor de voortplanting giftige stoffen zijn ingedeeld, op de markt te brengen met het oog op verkoop aan het grote publiek.
In het bijzonder kan op deze producten niet worden toegepast de in punt 31, sub e, van bijlage I bij richtlijn 76/769 voorziene uitzondering op de beperkingen van het op de markt brengen, welke uitzondering ziet op „kleurstoffen voor kunstenaars” als bedoeld in richtlijn 88/379 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten, aangezien deze uitzondering niet tevens kan worden toegepast op siccatieven die geen kleurende eigenschap hebben.
(cf. punten 31, 34 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
16 september 2004(1)
„Gevaarlijke stoffen of preparaten – Siccatieven die lood bevatten – Verbod om op de markt te brengen – Richtlijnen 76/769/EEG en 94/60/EG”
In zaak C-404/03,betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Tribunal de grande instance te Le Mans (Frankrijk) bij beslissing van 8 september 2003, ingekomen op 29 september 2003, in de strafzaak tegen
Olivier Dupuy enHervé Rouvre,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),,
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, S. von Bahr en R. Silva de Lapuerta (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: R. Grass,
gelet op de opmerkingen ingediend door:
– de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en D. Petrausch als gemachtigden,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. Simonetti en U. Wölker als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van punt 31, sub e, van bijlage I bij richtlijn 76/769/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (PB L 262, blz. 201), zoals gewijzigd bij richtlijn 94/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 (PB L 365, blz. 1; hierna: „richtlijn 76/769”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafzaak tegen O. Dupuy en H. Rouvre, inzake het op de markt brengen van bepaalde producten met een hoog loodgehalte.
Het rechtskader
De communautaire regelgeving
3 De eerste overweging van de considerans van richtlijn 76/769 luidt, dat „voorschriften voor het op de markt brengen van gevaarlijke stoffen en preparaten de bescherming van de bevolking en in het bijzonder van de personen die deze stoffen gebruiken, moeten beogen”.
4 Artikel 1, leden 1 en 3, van dezelfde richtlijn bepaalt:
„Onverminderd de toepassing van andere desbetreffende communautaire voorschriften heeft deze richtlijn betrekking op de beperking van het op de markt brengen en het gebruik van de in de bijlage genoemde gevaarlijke stoffen en preparaten in de lidstaten van de Gemeenschap.
[…]
In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:
a) stoffen: chemische elementen en hun verbindingen, zoals deze in natuurlijke toestand voorkomen of door de industrie worden vervaardigd;
b) preparaten: mengsels of oplossingen die bestaan uit twee of meer stoffen.”
5 Punt 31 van bijlage I bij richtlijn 76/769/EEG (ingevoerd bij richtlijn 94/60) regelt de beperkte verhandeling van deze stoffen als volgt:
„Benaming van de stof, de groep van stoffen of het preparaat
31. Stoffen van bijlage I bij richtlijn 67/548/EEG die zijn ingedeeld als ‚voor de voortplanting giftige stoffen van categorie 1 of voor de voortplanting giftige stoffen van categorie 2’ en die gekenmerkt zijn met de waarschuwingszin R 60: ‚Kan de vruchtbaarheid schaden’ en/of R 61: ‚Kan het ongeboren kind schaden’, met de volgende vermeldingen:
Voor de voortplanting giftige stoffen van categorie 1: zie lijst 5 in het aanhangsel.
Voor de voortplanting giftige stoffen van categorie 2: zie lijst 6 in het aanhangsel.
Beperkingsvoorwaarden [voor deze stoffen]
Mogen niet worden toegestaan in stoffen en preparaten die met het oog op verkoop aan het grote publiek in de handel worden gebracht, in afzonderlijke concentraties gelijk aan of groter dan:
– hetzij de in bijlage I bij richtlijn 67/548/EEG vastgestelde concentratiegrens,
– hetzij de in punt 6, tabel VI, van bijlage I bij richtlijn 88/379/EEG vastgestelde concentratiegrens, indien in bijlage I bij richtlijn 67/548/EEG geen concentratiegrens staat.
[…]
In afwijking hiervan geldt deze bepaling niet voor:
[…]
e) kleurstoffen voor kunstenaars die onder richtlijn 88/379/EEG vallen.” Na de vaststelling van richtlijn 97/10/EG van de Commissie van 26 februari 1997 houdende derde aanpassing aan de technische vooruitgang van bijlage I bij richtlijn 76/769 (PB L 68, blz. 24), is punt 31, sub e, van bijlage I bij richtlijn 76/769 punt 31, sub d, geworden en zijn de bewoordingen ervan dezelfde gebleven.
6 Richtlijn 88/379/EEG van de Raad van 7 juni 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PB L 187, blz. 14), is ingetrokken en vervangen door richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 1999 (PB L 200, blz. 1).
7 Artikel 2 van laatstgenoemde richtlijn geeft een definitie van verschillende begrippen, onder meer van „stoffen” en „preparaten” in lid 1, en van „gevaarlijk” in lid 2. Het begrip „kleurstoffen voor kunstenaars” is echter niet gedefinieerd.
De nationale regelgeving
8 De bepalingen met betrekking tot het gebruik van gevaarlijke stoffen staan in het arrêté interministériel relatif aux limitations de mise sur le marché et d’emploi de certains produits contenant des substances dangereuses, van 7 augustus 1997 (interministerieel besluit inzake de beperking van het op de markt brengen en het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen) (JORF van 17 augustus 1997, blz. 12218). Artikel 1 van dit besluit, zoals gewijzigd bij het arrêté interministériel relatif aux limitations de mise sur le marché et d’emploi de substances et préparations dangereuses, van 13 oktober 1998 (interministerieel besluit inzake de beperking van het op de markt brengen en het gebruik van gevaarlijke stoffen en preparaten) (JORF van 6 november 1998, blz. 16772), bepaalt:
„Bijzondere bepalingen met betrekking tot stoffen en preparaten die als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn ingedeeld.
a) Werkingssfeer:
Het is verboden om met het oog op verkoop aan het publiek de hieronder aangegeven stoffen en preparaten op de markt te brengen en in te voeren:
– stoffen die zijn ingedeeld als kankerverwekkend van categorie 1 of 2 en die vermeld staan in bijlage I bij dit besluit;
– stoffen die zijn ingedeeld als mutageen van categorie 1 of 2 en die vermeld staan in bijlage II bij dit besluit;
– stoffen die zijn ingedeeld als giftig voor de voortplanting van categorie 1 of 2 en die vermeld staan in bijlage III bij dit besluit;
– preparaten die een of meerdere, bovenvermelde, kankerverwekkende en/of mutagene en/of voor de voortplanting giftige stoffen bevatten, met individuele concentraties gelijk aan of hoger dan hetzij de in bijlage I van het besluit van 20 april 1994 vastgestelde grens[…], hetzij de in tabel VI van het besluit van 21 februari 1990 […] vastgestelde grens, bij gebreke van een in het besluit van 20 april 1994 vastgestelde concentratiegrens […]
Dit verbod om met het oog op verkoop aan het publiek op de markt te brengen en in te voeren ziet niet op producten die zijn bedoeld voor professioneel gebruik.
[…]
Onverminderd de [toepassing van de] andere voorschriften inzake het kenmerken van gevaarlijke stoffen en preparaten, dient op de verpakking van bovenvermelde stoffen en preparaten op leesbare en onuitwisbare wijze de volgende vermelding te worden aangebracht:
‚uitsluitend bestemd voor professionele gebruikers […]’
b) Uitzondering:
Dit verbod om met het oog op verkoop aan het publiek op de markt te brengen en in te voeren is niet van toepassing op de volgende producten, in het eindstadium, die bestemd zijn voor de eindgebruiker:
[…]
5º kleurstoffen voor kunstenaars.”
Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
9 Dupuy en Rouvre, verdachten in de hoofdzaak, zijn respectievelijk algemeen directeur en administratief en financieel directeur van de vennootschap Colart International (hierna: „COLART”), gevestigd te Le Mans (Frankrijk).
10 Naar aanleiding van op 23 november 1999, op 3, 29 en 30 maart 2000 alsmede op 19 april 2000 uitgevoerde inspecties hebben ambtenaren van de Directions départementales de la concurrence, de la consommation et de la répression des fraudes du Nord, de l’Oise et de la Sarthe (departementale directies voor mededinging, consumentenzaken en fraudebestrijding van de departementen Nord, Oise en Sarthe; hierna: „DDCCRF”) vastgesteld dat drie door COLART gefabriceerde producten, „Siccatif de Courtrai blanc”, „Siccatif de Courtrai brun” en „Huile Noire” genaamd, werden vervaardigd en op de markt gebracht met het oog op verkoop aan het publiek, terwijl zij op grond van hun loodgehalte in aanmerking kwamen voor indeling in de categorie van voor de voortplanting giftige preparaten.
11 Volgens de DDCCRF is verkoop van die drie producten aan het publiek uitgesloten en mogen zij uitsluitend aan professionele gebruikers worden verkocht.
12 Verdachten in de hoofdzaak wordt niet alleen verweten dat zij deze producten voor het publiek op de markt hebben gebracht, maar ook dat zij een aantal van hun klanten hebben misleid door de producten aan te bieden alsof zij alleen niet in zelfbedieningszaken aan het grote publiek mochten worden verkocht, terwijl het verboden was om ze op de markt te brengen.
13 Uit de verwijzingsbeslissing volgt dat verdachten in de hoofdzaak noch het loodgehalte van de betrokken preparaten, noch hun indeling in de categorie van voor de voortplanting giftige preparaten betwisten. Evenwel is volgens hen geen sprake van de verweten strafbare feiten, want hoewel de verkoop van deze producten aan het publiek in zelfbedieningszaken verboden is, voorziet artikel 1 van het interministerieel besluit van 7 augustus 1997 in een uitzondering voor „kleurstoffen voor kunstenaars”, die, behoudens een aantal in de Code de la santé publique opgenomen verkoopbeperkingen, kunnen worden verkocht aan het publiek.
14 Bovendien vormt volgens hen deze in voormeld besluit opgenomen uitzondering de omzetting in nationaal recht van de bepalingen van de ten deze toepasselijke Europese richtlijnen, met name van bijlage I bij richtlijn 76/769.
15 Volgens hen moeten de betrokken siccatieven worden geacht te vallen onder de uitzondering waarin richtlijn 76/769 voorziet voor „kleurstoffen voor kunstenaars”. Zij geven aan dat de betrokken producten bij gebruik door schilders noodzakelijkerwijs met genoemde kleurstoffen moeten worden gemengd, en dat zij derhalve daarvan een vast bestanddeel vormen en niet een op zich staand „additief” zijn.
16 Hoewel het openbaar ministerie niet betwist dat de betrokken producten om te kunnen worden gebruikt met de kleurstoffen moeten worden gemengd, is het toch van mening dat de toepasselijke bepalingen strikt moeten worden uitgelegd en dat de siccatieven niet onder de categorie kleurstoffen vallen, maar onder additieven.
17 Onder deze omstandigheden heeft het Tribunal de grande instance te Le Mans besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
„Is het volgens de bepalingen van gemeenschapsrecht inzake de beperking van het op de markt brengen van gevaarlijke stoffen en preparaten, met name de bepalingen van de richtlijnen 76/769 en 94/60 […] verboden om siccatieven met loodverbindingen, die als voor de voortplanting giftige stoffen zijn ingedeeld, op de markt te brengen met het oog op verkoop aan het publiek, of kan volgens die bepalingen op voormelde producten de uitzondering voor ‚kleurstoffen voor kunstenaars’ worden toegepast?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
18 De verwijzende rechterlijke instantie wenst met zijn vraag in wezen te vernemen of siccatieven die loodverbindingen bevatten en zijn ingedeeld als giftig voor de voortplanting, kunnen worden aangemerkt als „kleurstoffen voor kunstenaars” in de zin van richtlijn 76/769 en derhalve zijn uitgezonderd van het verbod van het op de markt brengen met het oog op verkoop aan het grote publiek van voor de voortplanting giftige producten.
Bij het Hof ingediende opmerkingen
19 De Commissie brengt om te beginnen naar voren dat het begrip „kleurstoffen voor kunstenaars” waarop de uitzondering ziet, door kunstenaars gebruikte preparaten dekt die reeds de essentiële kenmerken van verf bezitten, met name het kleurende vermogen ervan. Het is denkbaar dat aan deze preparaten door de kunstenaar zelf nog iets wordt toegevoegd, zolang deze toevoeging geen betrekking heeft op de voornaamste eigenschappen van de verf. De Commissie stelt derhalve dat het begrip „kleurstoffen voor kunstenaars” in de zin van artikel 31 van bijlage I bij richtlijn 76/769, ziet op preparaten die reeds het pigmentbestanddeel, een wezenlijk kenmerk van verf, bevatten.
20 Volgens de Commissie zijn siccatieven preparaten die metaalbestanddelen bevatten, welke zijn toegevoegd om de oxidatieve droging van verf te doen beginnen, te versnellen of te forceren of om het hard worden van de verf tegen te gaan. Siccatieven worden met name gebruikt in olieverf, waarvan zij de droogtijd verkorten doordat zij het oxidatieproces versnellen. De keuze voor een siccatief en de gebruikte concentratie vormen belangrijke elementen voor een goede conservering van de schilderlaag.
21 Volgens de Commissie zijn siccatieven niet van invloed op de kleur van de door de kunstenaar gebruikte verf en worden zij voor het kunstschilderen niet systematisch gebruikt. Zij kunnen evenwel onmisbaar blijken voor het gebruik van bepaalde kleuren, in het bijzonder kleuren die zeer moeilijk drogen.
22 Gelet op deze overwegingen en overeenkomstig het beginsel van strikte uitlegging van uitzonderingen, meent de Commissie dat siccatieven additieven zijn die niet kunnen worden gelijkgesteld met een „kleurstof voor kunstenaars”, zodat zij evenmin onder de betreffende uitzondering kunnen vallen, en dat zij zijn voorbehouden aan professionele gebruikers.
23 Volgens de Franse regering is de uitzondering voor „kleurstoffen voor kunstenaars” ingevolge richtlijn 76/769 een uitzondering, die overeenkomstig de rechtspraak van het Hof strikt dient te worden uitgelegd. Een dergelijke uitlegging is tevens geboden gezien het doel van bescherming van de volksgezondheid dat richtlijn 76/769 in het bijzonder nastreeft. Bij gebreke van aanvullende aanwijzingen in deze richtlijn kan de uitzondering derhalve enkel voor „kleurstoffen voor kunstenaars” worden toegepast en kan zij zich niet tevens uitstrekken tot producten die het gebruik van dergelijke kleurstoffen mogelijk maken.
Antwoord van het Hof
24 Uit punt 31 van bijlage I bij richtlijn 76/769 volgt dat „stoffen van bijlage I bij richtlijn 67/548/EEG die zijn ingedeeld als ‚voor de voortplanting giftige stoffen van categorie 1 of voor de voortplanting giftige stoffen van categorie 2’” niet mogen worden toegestaan in stoffen en preparaten die met het oog op verkoop aan het grote publiek in de handel worden gebracht, indien zij bepaalde concentratiegrenzen te boven gaan.
25 Uit genoemd punt blijkt tevens dat in afwijking hiervan dit verbod niet geldt voor „kleurstoffen voor kunstenaars” als bedoeld in richtlijn 88/379.
26 Evenwel preciseren noch laatstgenoemde richtlijn noch richtlijn 1999/45, die de eerste heeft vervangen, de betekenis van het begrip „kleurstoffen voor kunstenaars”.
27 Onder deze omstandigheden dient allereerst de voornaamste eigenschap te worden bepaald op grond waarvan een stof of preparaat als kleurstof kan worden aangemerkt. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, dient het begrip „kleurstoffen voor kunstenaars” in die zin te worden uitgelegd dat het betrekking heeft op door kunstenaars gebruikte preparaten die reeds de voornaamste eigenschappen van verf bezitten, in het bijzonder het kleurende vermogen ervan.
28 Siccatieven, die geen pigment bevatten noch enige kleurende eigenschap bezitten en die louter dienen om de oxidatie van de olie te versnellen, kunnen niet worden aangemerkt als „kleurstoffen voor schilders” in de zin van punt 31 van bijlage I bij richtlijn 76/769. De in deze bijlage voorziene uitzondering ziet uitsluitend op preparaten die reeds pigment, een essentiële eigenschap van verf, bevatten.
29 Vervolgens zij benadrukt dat deze afwijking een uitzondering is op het algemene verbod van verkoop aan het grote publiek van producten die zijn ingedeeld als „voor de voortplanting giftige stoffen van categorie 1 of voor de voortplanting giftige stoffen van categorie 2”.
30 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat, gelet op het door richtlijn 76/769 beoogde doel van bescherming van de volksgezondheid, het verbod dat deze richtlijn instelt ten aanzien van producten die zijn ingedeeld als „voor de voortplanting giftige stoffen van categorie 1 of voor de voortplanting giftige stoffen van categorie 2” ruim moet worden uitgelegd en de daarin voorziene uitzondering voor „kleurstoffen voor kunstenaars” restrictief (zie in die zin arrest van 1 april 2004, Bellio F.lli, C‑286/02, Jurispr. blz. I-0000, punt 46).
31 Nu siccatieven niet uitdrukkelijk worden vermeld in het kader van de in punt 31 van bijlage I bij richtlijn 76/769 voorziene uitzonderingen, en bij gebreke van aanvullende preciseringen in deze richtlijn, kan de uitzondering slechts worden toegepast ten aanzien van producten die onder het begrip „kleurstoffen voor kunstenaars” vallen en niet tevens op producten die geen kleurende eigenschap hebben of die enkel tot doel hebben om het gebruik van een kleur mogelijk te maken.
32 Deze restrictieve uitlegging van het bereik van de uitzondering wordt bevestigd door de voornaamste doelstelling van richtlijn 76/769, zoals uiteengezet in de eerste overweging van de considerans. Aangezien dit doel bestaat in de bescherming van de bevolking, in het bijzonder van de personen die deze stoffen gebruiken, moeten de lidstaten zich bij de uitvoering van richtlijn 76/769 laten leiden door het algemene beginsel van een verbod op elk product dat schadelijk is voor de gezondheid, van welk beginsel slechts in bepaalde, in de richtlijn uitdrukkelijk genoemde gevallen mag worden afgeweken.
33 Derhalve dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat het volgens de bepalingen van gemeenschapsrecht inzake de beperking van het op de markt brengen van gevaarlijke stoffen en preparaten, met name de bepalingen van richtlijn 76/769, verboden is om siccatieven met loodverbindingen, die als voor de voortplanting giftige stoffen zijn ingedeeld, op de markt te brengen met het oog op verkoop aan het grote publiek.
Kosten
34 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Volgens de bepalingen van gemeenschapsrecht inzake de beperking van het op de markt brengen van gevaarlijke stoffen of preparaten, met name de bepalingen van richtlijn 76/769/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten, zoals gewijzigd bij richtlijn 94/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994, is het verboden siccatieven met loodverbindingen, die als voor de voortplanting giftige stoffen zijn ingedeeld, op de markt te brengen met het oog op verkoop aan het grote publiek.
ondertekeningen
1 – Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy