Zaak C‑410/03
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Italiaanse Republiek
„Niet-nakoming – Richtlijn 1999/95/EG – Arbeidstijd van zeevarenden aan boord van schepen – Niet-uitvoering binnen gestelde termijn”
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 28 april 2005
Samenvatting van het arrest
1. Handelingen van de instellingen – Richtlijnen – Uitvoering door lidstaten – Noodzaak van volledige uitvoering – Richtlijn 1999/95 – Bepaling die alleen betrekkingen tussen lidstaten en Commissie betreft – Bepaling die niet noodzakelijkerwijs specifieke uitvoeringsmaatregelen vereist – Noodzaak om doeltreffende werking van richtlijn te verzekeren – Eenvoudige informatieplichten – Geen
(Richtlijn 1999/95 van het Europees Parlement en de Raad, art. 3, eerste alinea)
2. Handelingen van de instellingen – Richtlijnen – Uitvoering door lidstaten – Noodzaak van volledige uitvoering – Richtlijn 1999/95 – Bepaling die voorziet in uit volkenrecht voortvloeiende informatieplicht – Informatie om veiligheid op zee bij duidelijk gevaar te waarborgen – Volle werking
(Richtlijn 1999/95 van het Europees Parlement en de Raad, art. 6, lid 1)
1. Een bepaling die alleen de betrekkingen tussen een lidstaat en de Commissie of de andere lidstaten regelt, behoeft in beginsel geen implementatie. Niettemin is elke lidstaat waarvoor een richtlijn bestemd is, verplicht om in zijn nationale rechtsorde alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de volle werking van die richtlijn overeenkomstig het ermee beoogde doel te verzekeren.
Dit is niet het geval met artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 1999/95 betreffende de handhaving van de bepalingen inzake de arbeidstijd van zeevarenden aan boord van schepen die havens in de Gemeenschap aandoen, dat met name tot doel heeft de leef‑ en werkomstandigheden van zeevarenden te verbeteren en de veiligheid op zee te waarborgen. Het aan de regering van het land waar het schip is geregistreerd, gerichte verslag dient elke situatie te signaleren die een duidelijk gevaar oplevert voor de veiligheid of de gezondheid van bemanningsleden. Het beoogt dit gevaar onmiddellijk weg te nemen en betreft niet slechts eenvoudige informatieplichten. De volle werking van de norm vereist dus implementatie.
(cf. punten 38‑40)
2. De in artikel 6, lid 1, van richtlijn 1999/95 betreffende de handhaving van de bepalingen inzake de arbeidstijd van zeevarenden aan boord van schepen die havens in de Gemeenschap aandoen, neergelegde verplichting om de overheid van de vlagstaat of de staat waar een schip is geregistreerd, dan wel de consul of, wanneer er geen consul is, de dichtstbijzijnde diplomatieke vertegenwoordiging van de betrokken staat te informeren, is het uitvloeisel van de volkenrechtelijke verantwoordelijkheid van deze staat. Uit artikel 94, lid 1, van het op 10 december 1982 te Montego Bay ondertekende verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, dat op 16 november 1994 in werking is getreden en is goedgekeurd bij besluit 98/392, welk artikel de plichten van de vlagstaat regelt, blijkt immers dat iedere staat daadwerkelijk zijn rechtsmacht en toezicht in administratieve, technische en sociale aangelegenheden uitoefent over schepen die zijn vlag voeren. Inzonderheid oefent overeenkomstig de leden 2, sub b, en 3, sub b, van dit artikel iedere staat ingevolge zijn binnenlandse wetgeving rechtsmacht uit over elk schip dat zijn vlag voert, en over de kapitein, officieren en bemanning daarvan, met betrekking tot administratieve, technische en sociale aangelegenheden betreffende het schip, en neemt elke staat ten aanzien van de schepen die zijn vlag voeren, alle maatregelen die nodig zijn om de veiligheid op zee te verzekeren, onder andere met betrekking tot het bemannen der schepen en de arbeidsvoorwaarden en de opleiding van de bemanning, waarbij rekening wordt gehouden met de van toepassing zijnde internationale verdragen. Ook uit lid 6 van dit artikel volgt dat de vlagstaat na kennisneming van het feit dat ten aanzien van een schip geen passend toezicht is uitgeoefend, de aangelegenheid onderzoekt en, wanneer dienstig, de nodige maatregelen neemt om de situatie te corrigeren. Bijgevolg is de in artikel 6, lid 1, van richtlijn 1999/95 bedoelde informatie rechtstreeks gericht op het waarborgen van de veiligheid op zee in geval van duidelijk gevaar. De volle werking van deze bepaling vereist dus een expliciete omzetting ervan in nationaal recht.
(cf. punten 53‑56)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
28 april 2005 (*)
„Niet-nakoming – Richtlijn 1999/95/EG – Arbeidstijd van zeevarenden aan boord van schepen – Niet-omzetting binnen gestelde termijn”
In zaak C‑410/03,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 1 oktober 2003,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Banks en K. Simonsson als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door A. Cingolo, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, N. Colneric (rapporteur) en J. N. Cunha Rodrigues, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn ter uitvoering van richtlijn 1999/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende de handhaving van de bepalingen inzake de arbeidstijd van zeevarenden aan boord van schepen die havens in de Gemeenschap aandoen (PB 2000, L 14, blz. 29), of deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 De Italiaanse regering concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep van de Commissie.
Het rechtskader
De communautaire regeling
3 Richtlijn 1999/63/EG van de Raad van 21 juni 1999 inzake de overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van zeevarenden, gesloten door de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Federatie van de bonden voor het vervoerspersoneel in de Europese Unie (FST) (PB L 167, blz. 33), beoogt de uitvoering van voormelde, in bijlage bij deze richtlijn opgenomen, overeenkomst (hierna: „overeenkomst”), die een aantal bepalingen overneemt van het op 22 oktober 1996 aangenomen Verdrag nr. 180 van de Internationale Arbeidsorganisatie (hierna: „IAO”) betreffende de werktijden van de zeevarenden en de bemanning van schepen.
4 Clausule 4 van de overeenkomst bepaalt:
„Onverminderd het bepaalde in clausule 5, is de normale standaardarbeidstijd voor zeevarenden in principe een achturendag, met een dag rust per week en rust op algemene feestdagen. De lidstaten kunnen echter procedures aannemen voor het goedkeuren en registreren van een collectieve arbeidsovereenkomst waarin de normale arbeidstijd van zeevarenden wordt vastgelegd op een basis die niet minder gunstig is dan deze norm.”
5 Clausule 5 van de overeenkomst bepaalt:
„1. De grenzen van de arbeids- en de rusttijd zijn:
a) de maximumarbeidstijd mag niet langer zijn dan:
i) 14 uur in elke periode van 24 uur en
ii) 72 uur in elke periode van zeven dagen;
of
b) de minimumrusttijd mag niet korter zijn dan:
i) tien uur in elke periode van 24 uur en
ii) 77 uur in elke periode van zeven dagen.
2. De rusttijd kan ten hoogste in twee perioden – waarvan er een minstens zes uur moet bedragen – worden opgedeeld en de tijdruimte tussen twee opeenvolgende rusttijden mag niet langer zijn dan 14 uur.
3. Periodieke appèls, brandbestrijdingsoefeningen en oefeningen voor noodgevallen, alsmede oefeningen die krachtens nationale wetten en verordeningen alsook internationale overeenkomsten zijn voorgeschreven, dienen op een zodanige wijze te worden gehouden dat deze de rusttijden zo min mogelijk verstoren en geen vermoeidheid veroorzaken.
4. In situaties waarin een zeevarende wachtdienst verricht, bijvoorbeeld wanneer een machinekamer onbezet is, dient deze, als de normale rusttijd wordt verstoord door oproepen tot arbeid, ter compensatie een toereikende rusttijd toegewezen te krijgen.
5. Ten aanzien van de punten 3 en 4 geldt: wanneer geen collectieve arbeidsovereenkomst of arbitragebeslissing aanwezig is, of als de bevoegde autoriteit beslist dat de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst of de beslissing niet toereikend zijn, dient de bevoegde autoriteit bepalingen vast te stellen om te waarborgen dat de betreffende zeevarenden voldoende rust krijgen.
6. Met inachtneming van de algemene beginselen van de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op grond van nationale wetten, verordeningen of een desbetreffende procedure collectieve arbeidsovereenkomsten goedkeuren of registreren die uitzonderingen op in punt 1 en punt 2 vastgestelde grenzen mogelijk maken. Dergelijke uitzonderingen dienen zo veel mogelijk aan de gestelde eisen te voldoen, maar er kan rekening worden gehouden met frequenter of langer durend verlof, of de toekenning van compensatieverlof voor zeevarenden die wacht lopen of zeevarenden die aan boord werken tijdens korte reizen.
7. Op een gemakkelijk toegankelijke plaats wordt een overzicht opgehangen met de arbeidsorganisatie aan boord, waarop voor iedere positie ten minste wordt vermeld:
a) het rooster voor de dienst op zee en de dienst in de haven, alsmede
b) de maximumarbeidstijd en de minimumrusttijd krachtens de wetten, verordeningen of collectieve arbeidsovereenkomsten die in de lidstaten van kracht zijn.
8. Het in punt 7 bedoelde overzicht wordt opgesteld in gestandaardiseerd formaat en wel in de werktaal of de werktalen van het schip en in het Engels.”
6 Clausule 8 van de overeenkomst luidt als volgt:
„1. De dagelijkse arbeidstijd van de zeevarenden of hun dagelijkse rusttijd dient te worden bijgehouden om de naleving van de bepalingen van clausule 5 te kunnen controleren. De zeevarende dient een kopie te ontvangen van de op hem betrekking hebbende notities, die dienen te worden ondertekend door de kapitein of een door de kapitein gemachtigde persoon en door de zeevarende.
2. Er dienen procedures te worden vastgesteld voor het maken van dergelijke notities aan boord, inclusief de tussenpozen waarin deze worden vastgelegd. Het formulier voor het noteren van de arbeids- of de rusttijd van de zeevarenden dient te worden opgesteld met inachtneming van bestaande internationale richtlijnen. Het formulier wordt opgesteld in de taal of talen als bedoeld in clausule 5, punt 8.
3. Exemplaren van de bepalingen van de nationale wetgeving die op deze overeenkomst betrekking hebben en van de desbetreffende collectieve overeenkomsten dienen aan boord te worden bewaard en dienen gemakkelijk toegankelijk te zijn voor de bemanning.”
7 Clausule 9 van de overeenkomst bepaalt:
„De in clausule 8 bedoelde notities dienen met passende tussenpozen onderzocht en bekrachtigd te worden, om na te gaan of de bepalingen inzake de arbeids- en de rusttijden waarop deze overeenkomst betrekking heeft, worden nageleefd.”
8 De vierde overweging van de considerans van richtlijn 1999/95 wijst erop dat de overeenkomst van toepassing is op zeevarenden aan boord van elk zeeschip, ongeacht of het staatseigendom dan wel particulier eigendom is, dat geregistreerd is op het grondgebied van een lidstaat en gewoonlijk gebruikt wordt in de handelsscheepvaart.
9 Volgens de vijfde overweging van de considerans van richtlijn 1999/95 is het doel van de onderhavige richtlijn de toepassing van de op IAO-Verdrag nr. 180 gebaseerde bepalingen van richtlijn 1999/63 ten aanzien van elk schip dat een haven van de Gemeenschap aandoet, ongeacht onder welke vlag het vaart, teneinde alle situaties die duidelijk gevaar opleveren voor de veiligheid en de gezondheid van de zeevarenden te kunnen vaststellen en verhelpen.
10 Artikel 1 van richtlijn 1999/95 bepaalt:
„1. Doel van deze richtlijn is te voorzien in een mechanisme voor controle op en handhaving van de naleving van richtlijn 1999/63/EG betreffende de arbeidstijd van zeevarenden door schepen die havens van de lidstaten aandoen, teneinde de veiligheid op zee, de werkomstandigheden, de gezondheid en de veiligheid van zeevarenden aan boord van schepen te verbeteren.
2. De lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat schepen die niet op hun grondgebied geregistreerd staan noch onder hun vlag varen de clausules 1 tot en met 12 van de overeenkomst in de bijlage bij richtlijn 1999/63/EG naleven.”
11 Artikel 3 van richtlijn 1999/95, getiteld „Opstelling van verslagen”, bepaalt:
„Onverminderd artikel 1, lid 2, stelt een lidstaat die een klacht ontvangt die hij niet kennelijk ongegrond acht of over aanwijzingen beschikt dat een schip dat vrijwillig in het kader van de normale uitoefening van zijn activiteiten dan wel om operationele redenen een van zijn havens aandoet, niet voldoet aan de in richtlijn 1999/63/EG genoemde normen, een verslag op ten behoeve van de regering van het land waar het schip is geregistreerd, en indien een overeenkomstig artikel 4 verrichte inspectie relevante bewijzen oplevert, neemt de lidstaat de nodige maatregelen om te waarborgen dat alle omstandigheden aan boord die duidelijk gevaar opleveren voor de veiligheid of de gezondheid van de zeevarenden worden verholpen.
De identiteit van de persoon die de klacht indient behoeft niet aan de kapitein of de eigenaar van het schip bekend te worden gemaakt.”
12 Artikel 4 van richtlijn 1999/95, getiteld „Inspectie en nadere inspectie”, bepaalt:
„1. Wanneer een inspecteur een inspectie verricht met het doel bewijzen te verzamelen dat een schip niet voldoet aan de normen van richtlijn 1999/63/EG, onderzoekt hij of:
– er aan boord van het schip een organisatieschema van de werkzaamheden voorhanden is, dat in de werktaal of -talen van het schip en in het Engels is opgesteld volgens het model van bijlage I of een ander gelijkwaardig model, en dat op een gemakkelijk toegankelijke plaats aan boord is opgehangen;
– de gegevens over de arbeids- en rusttijden van de zeevarenden in de werktaal of -talen van het schip en in het Engels worden geregistreerd op formulieren volgens het model van bijlage II, of een ander gelijkwaardig model, die aan boord worden bewaard en door de bevoegde autoriteit van de staat waar het schip is geregistreerd, zijn goedgekeurd.
2. Wanneer een klacht is ontvangen, of de inspecteur op grond van zijn eigen waarnemingen aan boord vermoedt dat de zeevarenden oververmoeid zijn, voert de inspecteur een nadere inspectie uit volgens lid 1 om zich ervan te vergewissen of de geregistreerde arbeids- en rusttijden in overeenstemming zijn met de in richtlijn 1999/63/EG voor de zeevaartsector vastgelegde normen en of daaraan naar behoren de hand is gehouden, waarbij hij andere geregistreerde gegevens betreffende de scheepsactiviteiten in zijn beoordeling betrekt.”
13 Artikel 5 van richtlijn 1999/95, getiteld „Herstel van tekortkomingen”, luidt als volgt:
„1. Indien tijdens de inspectie of de nadere inspectie blijkt dat het schip niet voldoet aan de normen van richtlijn 1999/63/EG, neemt de lidstaat de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat omstandigheden aan boord die duidelijk gevaar opleveren voor de veiligheid of de gezondheid van de zeevarenden, worden verbeterd. Zo kan onder meer een uitvaarverbod worden opgelegd, totdat de geconstateerde tekortkomingen zijn verholpen of de zeevarenden voldoende zijn uitgerust.
2. Indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat het wachtpersoneel van de eerste wacht of van één van de aflossingsploegen oververmoeid is, zorgt de lidstaat ervoor dat het schip niet uitvaart voordat de geconstateerde tekortkomingen zijn hersteld of de zeevarenden voldoende zijn uitgerust.”
14 Artikel 6 van richtlijn 1999/95, getiteld „Follow-up procedures”, bepaalt:
„1. Wanneer een schip krachtens artikel 5 een verbod krijgt opgelegd om de haven te verlaten, stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat de kapitein, de eigenaar of exploitant, de overheid van de vlagstaat of de staat waar het schip is geregistreerd dan wel de consul, of wanneer er geen consul is, de dichtstbijzijnde diplomatieke vertegenwoordiging van de betrokken staat, in kennis van de resultaten van de in artikel 4, bedoelde inspecties, van eventuele beslissingen van de inspecteur en van de vereiste corrigerende maatregelen.
2. Bij een inspectie krachtens deze richtlijn wordt alles in het werk gesteld om te voorkomen dat een schip onrechtmatig wordt opgehouden. Is dat toch het geval, dan heeft de eigenaar of exploitant recht op vergoeding van geleden verlies of schade. In geval van vermeend onrechtmatig oponthoud rust de bewijslast op de eigenaar of exploitant van het schip.”
15 Artikel 7 van deze richtlijn, getiteld „Recht van beroep”, luidt als volgt:
„1. De eigenaar of de exploitant van het schip of diens vertegenwoordiger in de lidstaat heeft het recht beroep in te stellen tegen een door de bevoegde instantie genomen besluit tot aanhouding. Het beroep schorst de aanhouding niet.
2. De lidstaten dienen hiertoe in overeenstemming met hun nationale wetgeving passende beroepsprocedures in te stellen en te handhaven.
3. De bevoegde instantie dient de kapitein van het schip als bedoeld in lid 1 naar behoren op de hoogte te stellen van zijn recht op beroep.
16 In artikel 8 van voornoemde richtlijn, getiteld „Administratieve samenwerking”, heet het:
„1. De lidstaten treffen de nodige regelingen om ervoor te zorgen dat er, onder voorwaarden die verenigbaar zijn met die van artikel 14 van richtlijn 95/21/EG van de Raad van 19 juni 1995 betreffende de naleving, met betrekking tot de schepen die gebruikmaken van havens in de Gemeenschap en varen in de onder de jurisdictie van de lidstaten vallende wateren, van internationale normen op het gebied van de veiligheid van schepen, voorkoming van verontreiniging en leef- en werkomstandigheden aan boord (havenstaatcontrole) [PB L 157, blz. 1], samenwerking is tussen hun bevoegde instanties en de bevoegde instanties van de andere lidstaten met het oog op de effectieve toepassing van deze richtlijn, en stellen de Commissie van die regelingen in kennis.
2. De informatie betreffende de ter toepassing van de artikelen 4 en 5 genomen maatregelen wordt bekendgemaakt overeenkomstig de voorwaarden van artikel 15, eerste alinea, van richtlijn 95/21/EG.”
17 Artikel 9 van richtlijn 1999/95, getiteld „Niet-begunstigingsclausule”, bepaalt:
„Bij inspectie van een schip dat geregistreerd is op het grondgebied of onder de vlag vaart van een staat die IAO-Verdrag nr. 180 of het protocol bij IAO-Verdrag nr. 147 niet heeft geratificeerd, zorgen de lidstaten ervoor dat, zodra het Verdrag en het protocol in werking zijn getreden, de behandeling van dit schip en [zijn] bemanning niet gunstiger is dan van een schip dat geregistreerd is op het grondgebied of onder de vlag vaart van een staat die wel partij is bij IAO-Verdrag nr. 180 en/of het protocol bij IAO-Verdrag nr. 147.”
18 Artikel 10, lid 1, van richtlijn 1999/95 bepaalt dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 30 juni 2002 aan deze richtlijn te voldoen. Ingevolge lid 3 van dit artikel delen zij de Commissie onverwijld alle nationale bepalingen mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen en stelt de Commissie de andere lidstaten daarvan in kennis.
De nationale regeling
19 Decreto legislativo (wetsbesluit) nr. 271 houdende aanpassing van de regeling inzake de gezondheid en de veiligheid van zeevarenden aan boord van tot de handelsvloot behorende nationale visserijvaartuigen, overeenkomstig wet nr. 485 van 31 december 1998 (decreto legislativo nr. 271, recante adeguamento della normativa sulla sicurezza e salute dei lavoratori marittimi a bordo delle navi mercantili da pesca nazionali, a norma della legge 31 dicembre 1998, nr. 485), van 27 juli 1999 (gewone bijlage bij GURI nr. 151 van 9 augustus 1999; hierna: „decreto legislativo”), is overeenkomstig artikel 2 ervan van toepassing op zeevarenden aan boord van alle nieuwe en bestaande voor de zeevaart of de visserij bestemde koopvaardijschepen en -vaartuigen, alsmede op koopvaardijschepen en -vaartuigen waarvan het recht op het varen onder een vlag tijdelijk is opgeschort, op hogesnelheidsvaartuigen en op boorplatforms.
20 Artikel 11, leden 1 en 3 tot en met 10, van het decreto legislativo bepaalt:
„1. Onder ‚arbeidstijd aan boord van een schip’ wordt verstaan de tijd gedurende welke zeevarenden de met de uitoefening van de scheepvaart verband houdende beroepswerkzaamheid moeten verrichten. Tot de arbeidstijd aan boord van een schip behoren, naast de normale scheepvaart- en havenactiviteiten:
a) oproepen tot het uitvoeren van brandbestrijdings- en evacuatieoefeningen, alsmede alle oefeningen die zijn voorgeschreven door de veiligheidsvoorschriften en door het Verdrag van Londen voor de beveiliging van mensenlevens op zee, bedoeld in wet nr. 313 van 23 mei 1980, en de wijzigingen van dit verdrag, gezamenlijk aangeduid als Solas-Verdrag;
b) door de kapitein opgedragen activiteiten bij gevaar voor bemanning en schip, die verband houden met de veiligheid van de scheepvaart;
c) opleidingen op het gebied van hygiëne en veiligheid van de arbeid aan boord, verband houdende met de uitgeoefende taken;
d) activiteiten ten behoeve van het lopend onderhoud van het schip;
e) door de kapitein opgedragen activiteiten, bij het verlenen van hulp aan andere koopvaardij- of visserijvaartuigen of aan personen.
[…]
3. Behoudens andersluidende bepalingen van categorale nationale collectieve arbeidsovereenkomsten, wordt de dagelijkse arbeidstijd van zeevarenden aan boord van koopvaardij- en visserijvaartuigen bepaald op acht uur, met, naast de feestdagen, één rustdag per week.
4. Aan de arbeids- en rusttijden aan boord van schepen zijn de volgende beperkingen gesteld:
a) de maximumarbeidstijd mag niet langer zijn dan:
1. 14 uur in elke periode van 24 uur en
2. 72 uur in elke periode van zeven dagen;
of
b) de minimumrusttijd mag niet korter zijn dan:
1. 10 uur in elke periode van 24 uur en
2. 77 uur in elke periode van zeven dagen.
5. De rusttijd kan ten hoogste in twee afzonderlijke perioden – met één ononderbroken periode van minstens zes uur – worden opgedeeld en de tijdruimte tussen twee opeenvolgende rusttijden mag niet langer zijn dan 14 uur.
6. De in lid 1, sub a, b, c, d en e, omschreven activiteiten moeten zodanig plaatsvinden dat zij de rusttijden zo min mogelijk verstoren en geen vermoeidheid veroorzaken.
7. In situaties waarin een zeevarende wachtdienst verricht, dient deze, als de normale rusttijd wordt verstoord door een oproep tot arbeid, ter compensatie een toereikende rusttijd toegewezen te krijgen.
8. Bij schepen die worden ingezet voor korte reizen en bijzondere scheepstypen die worden ingezet voor havendiensten, kan bij de collectieve arbeidsovereenkomst worden afgeweken van het bepaalde in de leden 4 en 5, waarbij rekening moet worden gehouden met frequentere of langere rusttijden of compenserende rusttijden voor zeevarenden die in de wachtdienst zijn ingezet of aan boord werken.
9. Aan boord van alle nationale koopvaardij- en visserijschepen moet op een gemakkelijk toegankelijke plaats een in het Italiaans en Engels opgesteld organisatieschema van de werkzaamheden worden opgehangen, dat voor elke rang en functie vermeldt:
a) het rooster voor de dienst op zee en de dienst in de haven;
b) de maximumarbeidstijd en de minimumrusttijd krachtens het onderhavige decreto of de geldende collectieve arbeidsovereenkomsten.
10. Een kopie van de collectieve arbeidsovereenkomst wordt aan boord bewaard en staat ter beschikking van alle bemanningsleden en toezichthoudende organen.”
21 Artikel 18, lid 1, van het decreto legislativo bepaalt dat „[v]oor het toezicht op de toepassing van de bepalingen van dit decreto […] de in artikel 2 genoemde schepen aan de volgende inspecties [worden] onderworpen:
[…]
c) incidentele inspectie:
[…]
5) buitenlandse koopvaardijschepen of -vaartuigen”.
22 In artikel 21, leden 1 en 3, van het decreto legislativo heet het:
„1. Om erop toe te zien dat de werkomgeving aan de normen blijft beantwoorden, en telkens wanneer dat noodzakelijk is, wordt een incidentele inspectie uitgevoerd aan boord van het schip, zoals bepaald in artikel 18, lid 1, sub c, door de bevoegde maritieme overheid, op eigen initiatief dan wel op verzoek van de bevoegde plaatselijke gezondheidsdienst (Azienda unità sanitaria locale) of van vertegenwoordigers van vakbondsorganisaties, reders of zeevarenden. Voorts kunnen de werknemers rechtstreeks om inspectie verzoeken via de in artikel 16 bedoelde vertegenwoordiger die is belast met de veiligheid van de werkomgeving.
[…]
3. De incidentele inspectie aan boord van buitenlandse koopvaardijschepen of ‑vaartuigen wordt uitgevoerd overeenkomstig het memorandum van overeenstemming inzake de controle door de staat van de aanleghaven.”
De precontentieuze procedure
23 Aangezien zij geen enkele informatie had ontvangen over de maatregelen die de Italiaanse Republiek had getroffen om aan richtlijn 1999/95 te voldoen, heeft de Commissie de procedure van artikel 226 EG ingeleid. Na de Italiaanse Republiek te hebben aangemaand om haar opmerkingen te maken, bracht de Commissie bij brief van 19 december 2002 een met redenen omkleed advies uit, waarbij zij vaststelde dat deze richtlijn niet binnen de gestelde termijn was omgezet. De Italiaanse Republiek werd uitgenodigd om binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van dit advies de nodige maatregelen te nemen om eraan te voldoen.
24 In hun antwoord van 14 februari 2003 hebben de Italiaanse autoriteiten de Commissie meegedeeld dat een decreto legislativo in voorbereiding was.
25 Bij brief van 1 juli 2003 hebben genoemde autoriteiten erop gewezen dat langs administratieve weg een organisatieschema van de werkzaamheden aan boord en notities van de arbeidstijd aan boord overeenkomstig de bijlagen I en II bij richtlijn 1999/95 zijn opgesteld.
26 Omdat de Commissie van de Italiaanse autoriteiten geen nadere informatie ontving, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
Het beroep
Argumenten van partijen
27 De Commissie voert aan dat in de haar op 1 juli 2003 door de Italiaanse autoriteiten gezonden brief geen maatregel wordt genoemd waaruit zou kunnen blijken dat de door de artikelen 3 tot en met 9 van richtlijn 1999/95 vereiste regels zijn vastgesteld. De opstelling van een overzicht en van notities kan hooguit worden gezien als een maatregel ter voorbereiding van de vaststelling van regels waarmee aan de verplichtingen van artikel 4 van deze richtlijn wordt voldaan. De Italiaanse Republiek heeft nog niet de maatregelen getroffen die nodig zijn om te voldoen aan voornoemde richtlijn, althans die maatregelen niet aan de Commissie meegedeeld.
28 De Italiaanse regering betoogt dat richtlijn 1999/95 de instelling beoogt van een systeem van controle op de naleving van de bepalingen van richtlijn 1999/63. De belangrijkste bepalingen van deze laatste richtlijn zijn in Italië ingevoerd bij artikel 11 van het decreto legislativo. De Italiaanse overheid heeft reeds langs administratieve weg een organisatieschema van de werkzaamheden aan boord en notities van de arbeidstijd aan boord opgesteld, die in overeenstemming zijn met de modellen in de bijlagen I en II bij richtlijn 1999/95. Elke voor de toepassing mogelijk noodzakelijke aanvulling is opgenomen in communautaire wet nr. 306 van 31 oktober 2003, in bijlage B waarvan richtlijn 1999/63 is opgenomen.
29 Onder verwijzing naar de artikelen 2 en 18 van het decreto legislativo voegt de Italiaanse regering hier in dupliek aan toe, dat het systeem van controle op de naleving van de bepalingen van de reeds uitgevoerde richtlijn 1999/63 niet slechts betrekking heeft op schepen die onder Italiaanse vlag varen, maar zich uitstrekt tot elk schip dat een haven van de Gemeenschap aandoet. De wezenlijke punten van richtlijn 1999/95 zijn dus reeds in nationaal recht omgezet.
Beoordeling door het Hof
Voorafgaande opmerkingen
30 Vooraf moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn (zie met name arresten van 11 september 2001, Commissie/Duitsland, C‑71/99, Jurispr. blz. I‑5811, punt 29, en 11 oktober 2001, Commissie/Oostenrijk, C‑110/00, Jurispr. blz. I‑7545, punt 13). Derhalve kan het Hof geen rekening houden met communautaire wet nr. 306 van 31 oktober 2003.
31 Aangezien de Commissie in de motivering van haar verzoekschrift de Italiaanse regering slechts heeft verweten, niet te hebben aangetoond dat maatregelen ter vervulling van de krachtens de artikelen 3 tot en met 9 van richtlijn 1999/95 op de lidstaten rustende verplichtingen zijn genomen, moet het beroep worden geacht enkel betrekking te hebben op deze bepalingen.
Artikel 4 van richtlijn 1999/95
32 Volgens de rechtspraak van het Hof (zie met name arresten van 28 februari 1991, Commissie/Italië, C‑360/87, Jurispr. blz. I‑791, punt 13, en 27 november 2003, Commissie/Frankrijk, C‑429/01, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 40) dienen de lidstaten, om de volledige toepassing van richtlijnen rechtens en niet alleen feitelijk te verzekeren, voor een duidelijk wettelijk kader op het betrokken gebied te zorgen.
33 Vastgesteld moet worden dat het decreto legislativo niet aan dit vereiste voldoet wat artikel 4 van richtlijn 1999/95 betreft.
34 Deze bepaling voorziet in specifieke inspecties ten bewijze dat het schip niet aan de door richtlijn 1999/63 gestelde eisen voldoet. Zij bevat een gedetailleerde opsomming van de elementen waarop de inspecties betrekking moeten hebben en verlangt dat in het kader van de zogenoemde „nadere” inspecties onder andere kruiscontroles worden uitgevoerd tussen enerzijds de geregistreerde arbeids- en de rusttijden en anderzijds de andere geregistreerde gegevens betreffende de activiteiten van het betrokken schip.
35 Die vereisten worden in het decreto legislativo evenwel niet gesteld.
36 Derhalve moet het beroep gegrond worden geacht, voorzover het betrekking heeft op artikel 4 van richtlijn 1999/95.
Artikel 3 van richtlijn 1999/95
37 Artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 1999/95 legt de lidstaten een dubbele verplichting op. De eerste verplichting houdt in dat een lidstaat, wanneer hij een klacht ontvangt of over aanwijzingen beschikt dat een schip niet voldoet aan de in richtlijn 1999/63 genoemde normen, een verslag opstelt ten behoeve van de regering van het land waar het schip is geregistreerd.
38 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat een bepaling die enkel de betrekkingen tussen de lidstaten en de Commissie of de andere lidstaten regelt, in beginsel geen omzetting behoeft (zie arresten van 20 november 2003, Commissie/Frankrijk, C‑296/01, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 92, en 27 november 2003, Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 68).
39 Eveneens volgens vaste rechtspraak is elke lidstaat waarvoor een richtlijn bestemd is, verplicht om in zijn nationale rechtsorde alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de volle werking van die richtlijn overeenkomstig het ermee beoogde doel te verzekeren (zie onder meer arresten van 17 juni 1999, Commissie/Italië, C‑336/97, Jurispr. blz. I‑3771, punt 19; 8 maart 2001, Commissie/Frankrijk, C‑97/00, Jurispr. blz. I‑2053, punt 9, en 7 mei 2002, Commissie/Zweden, C‑478/99, Jurispr. blz. I‑4147, punt 15).
40 Volgens de tweede en de zevende overweging van de considerans ervan heeft richtlijn 1999/95 met name tot doel, de leef- en werkomstandigheden van zeevarenden te verbeteren en de veiligheid op zee te waarborgen. Het verslag, gericht tot de regering van het land waar het schip is geregistreerd, dient een situatie te signaleren die een duidelijk gevaar oplevert voor de veiligheid of de gezondheid van bemanningsleden. Het beoogt dit gevaar onmiddellijk weg te nemen en betreft niet slechts eenvoudige informatieplichten. De volle werking van de norm vereist dus omzetting ervan.
41 Mitsdien moet het beroep van de Commissie, voorzover het deze verplichting betreft, worden aanvaard.
42 Als tweede verplichting wordt de lidstaten in artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 1999/95 opgedragen, de nodige corrigerende maatregelen te nemen wanneer een krachtens artikel 4, uitgevoerde inspectie het bewijs oplevert dat niet is voldaan aan de in richtlijn 1999/63 genoemde normen. Aangezien, zoals in punt 36 van dit arrest is vastgesteld, artikel 4 niet is omgezet in Italiaans recht, is het beroep van de Commissie ook wat deze verplichting betreft gegrond.
43 Artikel 3, tweede alinea, van richtlijn 1999/95 bepaalt dat de identiteit van de persoon die de klacht indient, niet aan de kapitein of de eigenaar van het schip bekend mag worden gemaakt.
44 In geen van de door de Italiaanse regering aangevoerde nationale bepalingen is dit verbod overgenomen.
45 Derhalve is het beroep op dit punt gegrond.
Artikel 5 van richtlijn 1999/95
46 Deze bepaling schrijft met name voor dat de maatregelen om de geconstateerde tekortkomingen te verhelpen, een uitvaarverbod kunnen, en onder bepaalde omstandigheden moeten, bevatten zolang deze tekortkomingen niet zijn verholpen.
47 Vaststaat dat dergelijke maatregelen in de door de Italiaanse regering aangevoerde nationale bepalingen ontbreken.
48 Derhalve moet het beroep, voorzover het artikel 5 van richtlijn 1999/95 betreft, worden aanvaard.
Artikel 6 van richtlijn 1999/95
49 Ingevolge artikel 6, lid 1, van richtlijn 1999/95 rust op de bevoegde autoriteit van de lidstaat een informatieplicht wanneer een schip krachtens artikel 5 een verbod krijgt opgelegd om de haven te verlaten.
50 Deze informatie is gericht tot, enerzijds, de kapitein, de eigenaar of de exploitant van het schip en, anderzijds, de overheid van de vlagstaat of de staat waar het schip is geregistreerd dan wel de consul of, wanneer er geen consul is, de dichtstbijzijnde diplomatieke vertegenwoordiging van de betrokken staat.
51 De door de Italiaanse regering aangevoerde nationale regeling schrijft ter zake geen enkele informatieplicht voor.
52 In punt 38 van dit arrest is eraan herinnerd dat een lidstaat bepalingen die enkel de betrekkingen tussen de lidstaten regelen, in beginsel niet hoeven om te zetten.
53 In casu is de verplichting om de overheid van de vlagstaat of de staat waar het schip is geregistreerd dan wel de consul of, wanneer er geen consul is, de dichtstbijzijnde diplomatieke vertegenwoordiging van de betrokken staat te informeren, het uitvloeisel van de volkenrechtelijke verantwoordelijkheid van deze staat.
54 Uit artikel 94, lid 1, van het op 10 december 1982 te Montego Bay ondertekende verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, dat op 16 november 1994 in werking is getreden en is goedgekeurd bij besluit 98/392/EG van de Raad van 23 maart 1998 (PB L 179, blz. 1), welk artikel de plichten van de vlagstaat regelt, blijkt immers dat iedere staat doeltreffend zijn rechtsmacht en toezicht in administratieve, technische en sociale aangelegenheden uitoefent over schepen die zijn vlag voeren. Inzonderheid dient overeenkomstig de leden 2, sub b, en 3, sub b, van dit artikel iedere staat ingevolge zijn binnenlandse wetgeving rechtsmacht op zich te nemen over elk schip dat zijn vlag voert en over de kapitein, officieren en bemanning daarvan met betrekking tot administratieve, technische en sociale aangelegenheden betreffende het schip, en neemt elke staat ten aanzien van de schepen die zijn vlag voeren alle maatregelen die nodig zijn om de veiligheid op zee te verzekeren, onder andere met betrekking tot het bemannen der schepen en de arbeidsvoorwaarden en de opleiding van de bemanning, waarbij rekening wordt gehouden met de van toepassing zijnde internationale verdragen.
55 Uit lid 6 van dit artikel volgt dat de vlagstaat na kennisneming van het feit dat ten aanzien van een schip geen passend toezicht is uitgeoefend, de aangelegenheid onderzoekt en, wanneer dienstig, alle nodige maatregelen neemt om de situatie te corrigeren.
56 Bijgevolg is de in artikel 6, lid 1, van richtlijn 1999/95 bedoelde informatie rechtstreeks gericht op het waarborgen van de veiligheid op zee in geval van duidelijk gevaar. De volle werking van deze bepaling vereist dus een expliciete omzetting ervan in nationaal recht.
57 Mitsdien moet het beroep, voorzover het artikel 6, lid 1, van richtlijn 1999/95 betreft, worden aanvaard.
58 Artikel 6, lid 2, van richtlijn 1999/95 bevat regels ter bescherming van de financiële belangen van de personen die betrokken zijn bij de krachtens deze richtlijn uitgevoerde inspecties. Van deze regels is in de door de Italiaanse regering aangevoerde nationale bepalingen geen equivalent te vinden.
59 Mitsdien moet het beroep, voorzover het artikel 6, lid 2, van richtlijn 1999/95 betreft, worden aanvaard.
Artikel 7 van richtlijn 1999/95
60 Wat deze grief betreft zij in herinnering gebracht dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de omzetting in nationaal recht van een richtlijn niet noodzakelijkerwijze vereist dat de bepalingen ervan formeel en letterlijk worden overgenomen in een uitdrukkelijke en specifieke wettelijke bepaling, en een algemene juridische context kan volstaan wanneer deze daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze verzekert, zodat, ingeval de richtlijn rechten voor particulieren in het leven beoogt te roepen, de begunstigden al hun rechten kunnen kennen en deze zo nodig voor de nationale rechterlijke instanties kunnen doen gelden (arresten van 28 februari 1991, Commissie/Duitsland, C‑131/88, Jurispr. blz. I‑825, punt 6, en 15 november 2001, Commissie/Italië, C‑49/00, Jurispr. blz. I‑8575, punten 21 en 22).
61 Geen van de door de Italiaanse regering aangevoerde bepalingen van nationaal recht betreft evenwel een recht van beroep tegen een door de bevoegde instantie genomen besluit tot aanhouding, noch de verplichting van deze instantie om de kapitein van het betrokken schip over dit recht te informeren.
62 Derhalve moet het beroep van de Commissie gegrond worden geacht voorzover het betrekking heeft op artikel 7 van richtlijn 1999/95.
Artikel 8 van richtlijn 1999/95
63 Artikel 8, lid 1, van deze richtlijn regelt enkel de betrekkingen tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie. Zoals in punt 38 van dit arrest in herinnering is gebracht, hoeven deze bepalingen in beginsel niet te worden omgezet.
64 Aangezien op de lidstaten evenwel de verplichting rust om de volledige naleving van het gemeenschapsrecht te verzekeren, heeft de Commissie het recht aan te tonen dat de naleving van de bepaling van een richtlijn die deze betrekkingen regelt, de vaststelling van specifieke omzettingsmaatregelen in de nationale rechtsorde vereist (zie reeds aangehaalde arresten van 20 november 2003, Commissie/Frankrijk, punt 92, en 27 november 2003, Commissie/Frankrijk, punt 68).
65 In casu heeft de Commissie geen enkel argument aangevoerd ten bewijze van een praktijk van de Italiaanse autoriteiten die in strijd is met de uit artikel 8, lid 1, van richtlijn 1999/95 voortvloeiende verplichtingen van de lidstaten.
66 Mitsdien moet het beroep van de Commissie op dit punt worden verworpen.
67 Daarentegen moet het beroep als gegrond worden beschouwd voorzover het betrekking heeft op de publicatieplicht van artikel 8, lid 2, van richtlijn 1999/95, daar uit de door de Italiaanse regering aangevoerde bepalingen niet blijkt dat een dergelijke plicht naar nationaal recht bestaat.
Artikel 9 van richtlijn 1999/95
68 De door de Italiaanse regering aangevoerde nationale bepalingen bevatten geen niet-begunstigingsclausule in de zin van artikel 9 van richtlijn 1999/95.
69 Derhalve moet het beroep, voorzover het deze bepaling betreft, worden aanvaard.
70 Gelet op een en ander moet worden geconstateerd dat de Italiaanse Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn ter uitvoering van de artikelen 3 tot en met 7, 8, lid 2, en 9 van richtlijn 1999/95, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, en moet het beroep voor het overige worden verworpen.
Kosten
71 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Italiaanse Republiek op de voornaamste punten in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Het Hof van Justitie (Vierde kamer) verklaart:
1) Door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn ter uitvoering van de artikelen 3 tot en met 7, 8, lid 2, en 9 van richtlijn 1999/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende de handhaving van de bepalingen inzake de arbeidstijd van zeevarenden aan boord van schepen die havens in de Gemeenschap aandoen, is de Italiaanse Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het beroep wordt voor het overige verworpen.
3) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy