Zaak C‑415/03
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Helleense Republiek
„Staatssteun – Verplichting tot terugvordering – Volstrekte onmogelijkheid van uitvoering – Geen”
Conclusie van advocaat-generaal L. A. Geelhoed van 1 februari 2005
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 12 mei 2005
Samenvatting van het arrest
1. Beroep wegens niet-nakoming – Niet-nakoming van verplichting tot terugvordering van toegekende steun – Verweermiddelen – Volstrekte onmogelijkheid van uitvoering – Beoordelingscriteria – Moeilijkheden bij uitvoering – Verplichting van Commissie en lidstaat tot samenwerking bij zoeken naar oplossing die Verdrag eerbiedigt
(Art. 10 EG en 88, lid 2, EG)
2. Beroep wegens niet-nakoming – Niet-inachtneming van beschikking van Commissie inzake staatssteun – Verweermiddelen – Betwisting van wettigheid van beschikking – Niet-ontvankelijkheid
3. Steunmaatregelen van de staten – Beschikking waarbij Commissie vaststelt dat steun onverenigbaar is met gemeenschappelijke markt, en terugbetaling ervan gelast – Mogelijkheid voor Commissie, berekening van precies terug te betalen bedrag aan nationale autoriteiten over te laten
1. Het enige verweer dat een lidstaat tegen een door de Commissie krachtens artikel 88, lid 2, EG ingesteld beroep wegens niet-nakoming kan aanvoeren, bestaat in een volstrekte onmogelijkheid om de beschikking waarbij de terugvordering van de betrokken steun is gelast, correct uit te voeren.
Met betrekking tot een beschikking van de Commissie betreffende staatssteun is niet voldaan aan de voorwaarde van volstrekte onmogelijkheid van uitvoering wanneer de verwerende regering zich ertoe beperkt, de Commissie in kennis te stellen van de juridische, politieke of praktische moeilijkheden die de uitvoering van de beschikking meebrengt, zonder tegen de betrokken ondernemingen tot werkelijke actie over te gaan om de steun terug te krijgen en zonder de Commissie alternatieven voor de uitvoering van deze beschikking voor te stellen, waardoor die moeilijkheden hadden kunnen worden overwonnen. Wanneer de uitvoering van een dergelijke beschikking slechts op een aantal interne moeilijkheden stuit, moeten de Commissie en de lidstaat op grond van de met name aan artikel 10 EG ten grondslag liggende regel dat de lidstaten en de gemeenschapsinstellingen over en weer tot loyale samenwerking verplicht zijn, te goeder trouw samenwerken om met volledige inachtneming van de verdragsbepalingen, inzonderheid die betreffende de steunmaatregelen, de moeilijkheden te overwinnen.
(cf. punten 35, 42-43)
2. In het kader van een beroep betreffende de niet-nakoming van de verplichting tot uitvoering van een beschikking inzake staatssteun, waartegen voor het Hof niet is opgekomen door de lidstaat waartoe zij was gericht, kan laatstgenoemde de wettigheid van deze beschikking niet betwisten.
(cf. punt 38)
3. Geen enkele bepaling van gemeenschapsrecht vereist dat de Commissie, wanneer zij de terugbetaling van met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar verklaarde steun gelast, het precieze bedrag van de terug te betalen steun vaststelt. Voldoende is namelijk dat de beschikking van de Commissie de gegevens bevat waarmee de adressaat van de beschikking zonder buitensporige moeilijkheden dit bedrag zelf kan vaststellen. De Commissie kan er dus mee volstaan, vast te stellen dat de betrokken steun moet worden terugbetaald, en het aan de nationale autoriteiten overlaten, het precieze bedrag van de terug te betalen steun te berekenen. Voorts is het dispositief van een beschikking inzake staatssteun onafscheidelijk verbonden is met de motivering ervan, zodat deze beschikking, indien nodig, moet worden uitgelegd met inachtneming van de overwegingen die tot de vaststelling ervan hebben geleid, en kunnen de ter uitvoering van de beschikking van de Commissie terug te betalen bedragen uit het dispositief in samenhang met de overwegingen van de considerans worden afgeleid.
(cf. punten 39‑41)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
12 mei 2005 (*)
„Staatssteun – Verplichting tot terugvordering – Volstrekte onmogelijkheid tot uitvoering – Ontbreken daarvan”
In zaak C‑415/03,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 88, lid 2, EG, ingesteld op 25 september 2003,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Triantafyllou en J. Buendía Sierra als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door A. Samoni-Rantou alsook door P. Mylonopoulos, F. Spathopoulos en P. Anestis als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, R. Silva de Lapuerta (rapporteur), R. Schintgen, G. Arestis en J. Klučka rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 8 december 2004,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 1 februari 2005,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn alle maatregelen te nemen die nodig waren voor de terugvordering van de onwettig en met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar bevonden steun – behoudens die betreffende de bijdragen aan het nationale socialezekerheidsorgaan (hierna: „IKA”) – overeenkomstig artikel 3 van beschikking 2003/372/EG van de Commissie van 11 december 2002 betreffende door Griekenland aan Olympic Airways verleende steun (PB 2003, L 132, blz. 1), althans door haar niet in kennis te stellen van de ter uitvoering van artikel 4 van die beschikking genomen maatregelen, de krachtens de artikelen 3 en 4 van deze beschikking en het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Voorgeschiedenis van het geschil
2 In 1996 heeft de Commissie tegen de Helleense Republiek de procedure van artikel 93, lid 2, van het EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 2, EG) ingeleid. Deze procedure is uitgemond in de vaststelling van beschikking 1999/332/EG van de Commissie van 14 augustus 1998 betreffende de steun die door Griekenland aan Olympic Airways is verleend (PB 1999, L 128, blz. 1; hierna: „goedkeuringsbeschikking”). Deze beschikking betreft de garanties, de vermindering en de omzetting van schuld in kapitaal die in 1994 waren goedgekeurd, alsmede andere garanties en kapitaalinjecties voor een totaal bedrag van 40,8 miljard GRD, te betalen in drie schijven van respectievelijk 19, 14 en 7,8 miljard GRD. De toekenning van deze steun ging vergezeld van een herzien herstructureringsplan voor de periode 1998‑2002 en van specifieke voorwaarden.
3 Na nieuwe klachten over de toekenning van steun aan Olympic Airways heeft de Commissie bij beschikking van 6 maart 2002 de procedure van artikel 88, lid 2, EG ingeleid, op grond dat het plan tot herstructurering van deze onderneming niet was uitgevoerd en dat enkele voorwaarden van de goedkeuringsbeschikking niet waren nageleefd. In deze beschikking werd de Helleense Republiek gelast, de Commissie informatie te verstrekken overeenkomstig artikel 10 van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 88 [van het] EG[-Verdrag] (PB L 83, blz. 1).
4 Op 9 augustus 2002 heeft de Commissie de Helleense Republiek opnieuw gelast de eerder gevraagde inlichtingen te verstrekken en daarbij met name geëist dat zij de jaarstukken en bedragen betreffende de betaling van de exploitatiekosten aan de staat zou overleggen. De door de Griekse autoriteiten ter zake gegeven antwoorden werden door de Commissie ontoereikend geacht.
5 Op 11 december 2002 heeft de Commissie beschikking 2003/372 goedgekeurd. Deze beschikking is gebaseerd op de vaststelling dat het merendeel van de doelstellingen van het plan tot herstructurering van Olympic Airways niet was gehaald, dat de in de goedkeuringsbeschikking gestelde voorwaarden niet volkomen waren nageleefd en dat deze beschikking verkeerd was toegepast. Zij maakt voorts melding van het bestaan van nieuwe exploitatiesteun, hoofdzakelijk bestaande in de tolerantie van de Griekse Staat ten aanzien van het niet of te laat betalen van sociale bijdragen over de maanden oktober tot en met december 2001, van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „BTW”) op brandstoffen en vervangstukken, van de aan de luchthavens verschuldigde huursommen over het tijdvak 1998‑2001, van de luchthavenbelasting en van een passagiersheffing bij vertrek vanuit de Griekse luchthavens, de zogeheten „spatosimo”-belasting.
6 Het dispositief van beschikking 2003/372 luidt als volgt:
„Artikel 1
De Commissie oordeelt dat de herstructureringssteun verleend door Griekenland aan Olympic Airways in onderstaande vormen onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag;
a) garanties voor leningen verstrekt aan de onderneming tot en met 7 oktober 1994 krachtens artikel 6 van de Griekse wet nr. 96/75 van 26 juni 1975;
b) nieuwe garanties voor leningen voor een totaalbedrag van 378 miljoen USD voor leningen aangegaan vóór de datum van 31 maart 2001, ten behoeve van de aankoop van nieuwe vliegtuigen en investeringen die [Olympic Airways] nodig heeft om zich te vestigen op de nieuwe luchthaven te Spata;
c) verlichting van de schuld van [Olympic Airways] voor een bedrag van 427 miljard drachmen;
d) omzetting van de [Olympic Airways]-schuld in kapitaal voor een waarde [van] 64 miljard drachmen;
e) de kapitaalinjectie ten bedrage van 54 miljard drachmen, teruggebracht tot 40,8 miljard drachmen, in drie schijven van respectievelijk 19, 14 en 7,8 miljard drachmen voor de respectieve jaren 1995, 1998 en 1999,
daar volgende voorwaarden, waaronder de oorspronkelijke goedkeuring werd gegeven, niet werden vervuld:
a) volledige tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan met als doel de levensvatbaarheid van de onderneming op lange termijn;
b) het nakomen van de 24 bijzondere verbintenissen die waren gehecht aan de goedkeuring van de steun, en
c) de regelmatige controle op de toepassing van de herstructureringssteun.
Artikel 2
De staatssteun die Griekenland heeft verleend in de vorm van tolerantie ten aanzien van de aanhoudende wanbetalingen met betrekking tot de sociale bijdragen, de BTW verschuldigd door Olympic Airways voor brandstof en vervangstukken, de huurgelden verschuldigd aan verschillende luchthavens, de luchthavenbelasting voor de Internationale Luchthaven van Athene en andere luchthavens, en de zogenaamde ‚spatosimo’-belasting, is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.
Artikel 3
1. Griekenland is verplicht om alle nodige maatregelen te treffen teneinde van de begunstigde de steun van 14 miljard drachmen (41 miljoen EUR) terug te vorderen, zoals bepaald in artikel 1, welke steun onverenigbaar is met het Verdrag en met de steun bedoeld in artikel 2, en illegaal ter beschikking is gesteld van de begunstigde.
2. De terugvordering dient zonder verdere vertraging te geschieden en op basis van de procedures van het nationaal recht, onder voorwaarde dat deze een onmiddellijke en efficiënte uitvoering van de beschikking toelaten. De terug te vorderen steun moet de interesten bevatten vanaf de datum dat de steun ter beschikking werd gesteld van de begunstigde tot de uiteindelijke terugbetaaldag. De interesten worden berekend volgens de rentevoet die van toepassing is voor het berekenen van soortgelijke subsidies ten behoeve van regionale steun.
Artikel 4
Griekenland is verplicht om binnen de twee maanden na de datum van bekendmaking van de onderhavige beschikking de Commissie op de hoogte te brengen van de maatregelen die het heeft getroffen om gevolg te geven aan de beschikking.
[…]”
7 Op 11 februari 2003 heeft de Griekse regering de Commissie meegedeeld dat zij een onafhankelijke deskundige had opgedragen, te onderzoeken of Olympic Airways openstaande schulden had aan de staat en of zij een voorkeursbehandeling had gekregen. Op grond van de aldus verzamelde informatie heeft deze regering verklaard dat zij de artikelen 3 en 4 van beschikking 2003/372 niet zou uitvoeren.
8 Op 6 maart 2003 heeft de Commissie deze regering erop gewezen dat zij verplicht was zich aan beschikking 2003/372 te houden. Op 12 mei 2003 heeft de Commissie haar een mededeling gezonden met nadere uitleg over de berekeningswijze van de nieuwe steun, en om gedetailleerde informatie verzocht over het verloop van de terugbetaling van 41 miljoen EUR, zijnde de tweede schijf van de kapitaalinjectie, alsook om bewijs van de betaling door Olympic Airways van de in artikel 2 van deze beschikking bedoelde schulden.
9 De Griekse autoriteiten hebben geantwoord bij brief van 26 juni 2003. Met betrekking tot de terugbetaling van het bedrag van 41 miljoen EUR hebben zij verklaard, dat zij voornemens zijn om vóór eind augustus 2003 een beslissing tot terugvordering van deze steun te nemen, en dat de rechtsgevolgen van beschikking 2003/372 en de door de Commissie voor de vaststelling ervan gevolgde procedure werden „onderzocht”. Verder hebben zij verklaard dat Olympic Airways op het punt stond de schuld van 2,46 miljoen EUR wegens aan de Griekse luchthavens verschuldigde huur te betalen.
10 Met betrekking tot de schuld van in totaal 27,4 miljoen EUR aan het IKA hebben genoemde autoriteiten erop gewezen dat daarover een akkoord was bereikt tussen Olympic Airways en dit orgaan, en dat een bedrag van 5,28 miljoen EUR aan het IKA was overgemaakt, zodat geen sprake kon zijn van „schuldtolerantie” ten gunste van deze maatschappij.
11 Betreffende de schuld van 33,9 miljoen EUR wegens aan de luchthaven te Spata verschuldigde luchthavenbelastingen stelden de Griekse autoriteiten, niet bevoegd te zijn wegens de bestuursvorm van deze luchthaven. Zij hebben echter melding gemaakt van een storting van 4,83 miljoen EUR op grond van een akkoord dienaangaande en hebben een bewijs overgelegd van de betaling van dit bedrag door Olympic Airways. Voorts hield dit akkoord volgens hen in dat de schuld zou worden voldaan in twaalf driemaandelijkse termijnen. Zij verklaarden dat het totale bedrag van de schuld in april 2005 zou zijn betaald.
12 Wat de schuld van 61 miljoen EUR wegens „spatosimo”-belasting betreft, hebben de Griekse autoriteiten betoogd dat een betaling van 22,8 miljoen EUR was verricht op grond van daartoe gesloten akkoorden. Zij hebben voor dit bedrag bewijs van betaling overgelegd, alsook voor andere betalingen. Met betrekking tot de schuld van 28,9 miljoen EUR aan ministeries en overheidslichamen hebben deze autoriteiten gesteld dat de verplichtingen tot terugbetaling onduidelijk waren, bij gebreke van concrete gegevens over de vliegtickets die aan de werknemers van deze ministeries waren afgegeven.
13 Omdat zij de door de Helleense Republiek verstrekte uitleg niet afdoende achtte, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
Het beroep
Argumenten van partijen
14 De Commissie merkt op dat de Griekse autoriteiten de in 1998 goedgekeurde tweede schijf van de kapitaalinjectie ter hoogte van 41 miljoen EUR niet hebben teruggevorderd van Olympic Airways.
15 Zij voert aan dat de Griekse autoriteiten zich niet hebben beroepen op de volstrekte onmogelijkheid om beschikking 2003/372 uit te voeren. Zij hebben zich beperkt tot de uitgifte van een betalingsorder en de betekening ervan, alsook tot een verklaring dat tegen deze handelingen bezwaar met verzoek tot opschorting van tenuitvoerlegging is gemaakt, waardoor de teruggave niet is geschied.
16 De Commissie stelt vast dat de genomen maatregelen het – ondanks de vaststelling van beschikking 2003/372 – mogelijk hebben gemaakt dat het personeel van Olympic Airways en de meest rendabele activa van deze onderneming vrij van alle schulden en zonder enige tegenprestatie overgingen op een nieuwe maatschappij, „Olympic Airlines” genaamd, in dier voege dat de schulden van de oude maatschappij niet kunnen worden verhaald op deze nieuwe vennootschap. De passiva van Olympic Airways zijn niet overgegaan op deze vennootschap, die dus onder een bijzondere beschermingsregeling is geplaatst ten opzichte van de schuldeisers van eerstgenoemde.
17 Volgens de Commissie hebben de Helleense autoriteiten met deze overgang de terugvordering van de steun onmogelijk gemaakt, aangezien Olympic Airways vooral de passiva heeft behouden, zonder te beschikken over activa waarmee de overeenkomstige vorderingen kunnen worden aangezuiverd.
18 Wat de verschuldigde luchthavenbelasting betreft, voert de Commissie aan dat de voor de betaling van deze belasting gestelde termijnen een nieuwe betalingsfaciliteit en een ongeoorloofd uitstel van de uitvoering van beschikking 2003/372 vormen. Daarbij komt dat de termijnen ook niet zijn nageleefd. De eerste betaling is immers met vijf maanden vertraging verricht en betrof slechts een deel van het vastgestelde bedrag. Voorts komt het in juni 2003 betaalde bedrag niet overeen met de bedragen die voor de vier kwartalen tot april 2003 moesten worden verricht.
19 Volgens de Commissie is haar geen enkele aanduiding verstrekt betreffende de betaling van de BTW over brandstof en vervangstukken.
20 Met betrekking tot de „spatosimo”-belasting betoogt de Commissie dat de voor de betaling ervan toegestane faciliteit in de vorm van een extra termijn van vier jaar, Olympic Airways een nieuw financieel voordeel verschaft en de in beschikking 2003/372 gestelde termijnen voor de uitvoering daarvan overschrijdt.
21 De Commissie wijst erop dat, behoudens enkele zeldzame uitzonderingen voor sommige bedragen, het grootste gedeelte van de terug te betalen steun in het bezit blijft van de begunstigde maatschappij. Daarbij kunnen eventuele juridische problemen, zoals deze met betrekking tot de opvoering van de schulden in de desbetreffende begroting of de vereisten van het Wetboek inzake de staatsontvangsten, niet de volstrekte onmogelijkheid tot uitvoering van beschikking 2003/372 vormen.
22 Ten slotte verwerpt de Commissie het betoog betreffende de tolerantie die een particuliere investeerder met betrekking tot de uitblijvende betaling van deze bedragen aan de dag zou hebben gelegd. Op grond van dit criterium en gelet op de vele steun die sinds tien jaar is betaald, is in beschikking 2003/372 immers terecht aangenomen dat een particuliere schuldeiser een dergelijke voortdurende wanbetaling van deze schulden niet zou hebben getolereerd.
23 De Griekse regering stelt allereerst dat de elementen die door de Commissie zijn aangedragen met betrekking tot de overgang van het personeel en van de meest rendabele activa van de voormalige maatschappij Olympic Airways op de nieuwe vennootschap Olympic Airlines, een in het kader van de onderhavige procedure niet-ontvankelijk betoog opleveren wegens de onderzoeksprocedure die bij een beschikking van de Commissie van 16 maart 2004 met betrekking tot diezelfde operatie is ingeleid.
24 Met betrekking tot de schuld van 41 miljoen EUR van Olympic Airways jegens de staat is de Griekse regering van mening dat zij aan artikel 3 van beschikking 2003/372 heeft voldaan. De bevoegde belastingdienst heeft immers ter uitvoering van deze beschikking het bedrag van deze schuld, vermeerderd met intresten, vastgesteld. Deze handeling vormt de uitvoerbare titel die nodig is voor de invordering van het verschuldigde bedrag, zodat de Griekse autoriteiten aan de vereisten van deze beschikking hebben voldaan door alle middelen aan te wenden waarin de nationale rechtsorde voorziet om dit bedrag terug te vorderen.
25 Betreffende de andere financiële interventies betoogt de Griekse regering dat beschikking 2003/372 niet preciseert of de erin vermelde bedragen de definitieve bedragen van de terug te vorderen staatssteun vormen, en dat, wat de tegemoetkomingen of de faciliteiten betreft, deze beschikking evenmin op expliciete en duidelijke wijze de betrokken bedragen vaststelt.
26 De Griekse regering wijst erop dat de bedragen die de Commissie als staatssteun aan Olympic Airways heeft aangemerkt, moeten worden teruggevorderd overeenkomstig de nationale bepalingen inzake de procedure tot invordering van overheidsgelden. Op grond van deze bepalingen is voor de inning van schuldvorderingen van de staat bij particulieren en ondernemingen vereist dat de verschuldigde bedragen vooraf precies zijn vastgesteld.
27 Deze regering stelt dat artikel 2 van beschikking 2003/372 niet aangeeft welke bedragen als met de gemeenschappelijke markt onverenigbare nieuwe staatssteun aan Olympic Airways worden aangemerkt. De specificatie van deze bedragen is uitsluitend – op volstrekt onduidelijke een fragmentarische wijze – terug te vinden in de motivering van de beschikking, waarbij evenwel niet is gepreciseerd of deze bedragen het definitieve bedrag van de terug te vorderen staatssteun vormen.
28 Volgens de Griekse regering vallen de verschillende bedragen die in de rekeningen van Olympic Airways als schulden en lasten zijn opgevoerd, in elk geval niet onder het begrip steun. Voor de vaststelling van staatssteun in geval van vervallen en niet-ingevorderde schulden is immers vereist dat het concrete bedrag wordt bepaald van het voordeel dat uit een eventuele tolerantie inzake niet-betaling voortvloeit.
29 Volgens deze regering zijn de belastingdiensten bezig met de vaststelling van de aan de Griekse luchthavens verschuldigde huursommen, zodat na afloop daarvan de invorderingsprocedure kan beginnen. De BTW over vervangstukken en brandstof zou – vermeerderd met de wettelijke verhogingen en boetes – worden betaald in het kader van de BTW-aangifte voor 2003.
30 Wat de aan de luchthaven te Spata verschuldigde belastingen betreft, betoogt de Griekse regering dat zij niet bevoegd is om de terugvordering van het desbetreffende bedrag van Olympic Airways te gelasten. De luchthaven te Spata is namelijk opgericht in de vorm van een privaatrechtelijke vennootschap, en hoewel de staat 55 procent van het kapitaal ervan bezit, is deze vennootschap onderworpen aan de regeling die in de statuten ervan en in de overeenkomst tot uitbouw van deze luchthaven is neergelegd. Volgens deze regeling is alleen de leiding van deze vennootschap verantwoordelijk voor de beslissingen met betrekking tot het betalen van verschuldigde belastingen en het sluiten van akkoorden inzake schuldaflossing.
31 Wat de zogeheten „spatosimo”-belasting betreft, maakt de Griekse regering melding van een aantal betalingen alsmede van een schuldaflossingakkoord.
Beoordeling door het Hof
32 Met betrekking tot de in artikel 3, lid 1, van beschikking 2003/372 geformuleerde verplichting tot terugvordering van een bedrag van 41 miljoen EUR van de begunstigde onderneming dient, gelet op het door de Helleense Republiek gemaakte voorbehoud betreffende de ontvankelijkheid van het betoog van de Commissie dat de overgang van het personeel en de meest rendabele activa van de maatschappij Olympic Airways op de nieuwe vennootschap Olympic Airlines de terugvordering van de betaalde steun moeilijker heeft gemaakt, te worden opgemerkt dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 27 en 28 van zijn conclusie terecht opmerkt, de omstandigheid dat in een ander onderzoek wordt nagegaan of die operatie staatssteun vormt, geen invloed heeft op het antwoord op de vraag of een dergelijke operatie in de weg staat aan de terugvordering van voorheen betaalde steun. In het kader van het onderhavige geding gaat het er immers uitsluitend om, te bepalen of deze overgang de uitvoering van de beschikking belemmert.
33 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat, zoals blijkt uit de door de Commissie verstrekte informatie die door de Griekse regering niet is weersproken, deze overgang betrekking had op de schuldenvrije overgang van alle activa van de maatschappij Olympic Airways op de nieuwe vennootschap Olympic Airlines. Verder moet erop worden gewezen dat deze operatie aldus was opgezet dat de invordering – op grond van het nationale recht – van de schulden van de voormalige maatschappij Olympic Airways bij de nieuwe vennootschap Olympic Airlines onmogelijk werd.
34 In die omstandigheden belemmerde deze operatie de daadwerkelijke uitvoering van beschikking 2003/372 en de terugvordering van de steun waarmee de Griekse staat de commerciële activiteiten van deze maatschappij had ondersteund. Hierdoor is het doel van deze beschikking, te weten de niet-vervalste mededinging in de sector van de burgerluchtvaart te herstellen, ernstig in gevaar gebracht.
35 Hieraan moet worden toegevoegd dat de acties die de Griekse autoriteiten hebben ondernomen, namelijk de vaststelling van een beschikking waarbij de schuld van 41 miljoen EUR van Olympic Airways invorderbaar werd verklaard, geen enkel concreet effect hebben gesorteerd met betrekking tot de daadwerkelijke betaling van dit bedrag door laatstgenoemde. Bovendien heeft de Griekse regering geen enkele uitleg verstrekt ten bewijze van een eventuele volstrekte onmogelijkheid om deze schuld in te vorderen. Volgens vaste rechtspraak bestaat het enige verweer dat een lidstaat tegen een door de Commissie krachtens artikel 88, lid 2, EG ingesteld beroep wegens niet-nakoming kan aanvoeren, evenwel precies in een dergelijke volstrekte onmogelijkheid om de beschikking waarbij de terugvordering is gelast, correct uit te voeren (zie, met name, arresten van 29 januari 1998, Commissie/Italië, C‑280/95, Jurispr. blz. I‑259, punt 13, en 3 juli 2001, Commissie/België, C‑378/98, Jurispr. blz. I‑5107, punt 30).
36 In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat de Helleense Republiek de verplichting tot terugvordering van het in artikel 3, lid 1, van beschikking 2003/372 vermelde bedrag niet is nagekomen.
37 Met betrekking tot de verplichting tot terugvordering van de andere in artikel 2 van beschikking 2003/372 genoemde bedragen van de met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar verklaarde steun moet meteen worden onderstreept dat de verschillende types van deze financiële tegemoetkomingen alsook de technische kenmerken ervan zijn gepreciseerd in de punten 206 tot en met 208 van deze beschikking. Het betreft met name luchthavenbelasting, betalingsverplichtingen inzake BTW, contractuele verplichtingen betreffende de aan de luchthavens verschuldigde huurgelden, alsmede belastingen waarvan de Griekse autoriteiten de niet-betaling of het uitstel van betaling hadden getolereerd.
38 Betreffende het betoog van de Helleense Republiek dat daaruit geen financieel voordeel is voortgevloeid wegens de tolerantie die een particuliere investeerder ten aanzien van de voortdurende wanbetaling van een aantal bedragen aan de dag zou hebben gelegd, moet worden vastgesteld dat dit betoog erop neerkomt de wettigheid van beschikking 2003/372 in geding te brengen. In het onderhavige beroep gaat het evenwel om de niet-nakoming van de verplichting tot uitvoering van een beschikking inzake staatssteun, waartegen voor het Hof niet is opgekomen door de lidstaat waartoe zij was gericht. Derhalve kan laatstgenoemde de wettigheid van deze beschikking niet betwisten (zie, met name, arresten van 27 juni 2000, Commissie/Portugal, C‑404/97, Jurispr. blz. I‑4897, punt 34, en 22 maart 2001, Commissie/Frankrijk, C‑261/99, Jurispr. blz. I‑2537, punt 18). Bijgevolg kan tegen de in beschikking 2003/372 verrichte kwalificatie van de aanhoudende wanbetaling van de verschillende schulden van Olympic Airways niet worden opgekomen in het kader van het onderhavige beroep.
39 Met betrekking tot het betoog van de Helleense Republiek dat beschikking 2003/372, wat de verschillende in artikel 2 ervan bedoelde types van financiële tegemoetkomingen betreft, niet uitvoerbaar is wegens het ontbreken van precieze aanduidingen over de terug te vorderen bedragen, moet eraan worden herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof geen enkele bepaling van gemeenschapsrecht vereist dat de Commissie, wanneer zij de terugbetaling van met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar verklaarde steun gelast, het precieze bedrag van de terug te betalen steun vaststelt. Voldoende is namelijk dat de beschikking van de Commissie de gegevens bevat waarmee de adressaat van de beschikking zonder buitensporige moeilijkheden dit bedrag zelf kan vaststellen (zie, met name, arrest van 12 oktober 2000, Spanje/Commissie, C‑480/98, Jurispr. blz. I‑8717, punt 25).
40 De Commissie kon er dus mee volstaan, vast te stellen dat de betrokken steun moet worden terugbetaald, en het aan de nationale autoriteiten overlaten, het precieze bedrag van de terug te betalen steun te berekenen.
41 Hieraan moet worden toegevoegd dat, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof volgens welke het dispositief van een beschikking inzake staatssteun onafscheidelijk verbonden is met de motivering ervan, zodat deze beschikking, indien nodig, moet worden uitgelegd met inachtneming van de overwegingen die tot de vaststelling ervan hebben geleid (zie, met name, arrest van 15 mei 1997, TWD/Commissie, C‑355/95 P, Jurispr. blz. I‑2549, punt 21), de ter uitvoering van beschikking 2003/372 terug te betalen bedragen uit artikel 2, in samenhang met de punten 206 tot en met 208 van deze beschikking, kunnen worden afgeleid.
42 Betreffende het betoog van de Helleense Republiek dat de uitvoering van beschikking 2003/372 op een aantal interne moeilijkheden stuitte, zij eraan herinnerd dat de Commissie en de lidstaat in een dergelijke situatie, op grond van het met name in artikel 10 EG tot uitdrukking gebrachte beginsel dat de lidstaten en de gemeenschapsinstellingen over en weer tot loyale samenwerking verplicht zijn, te goeder trouw moeten samenwerken om met volledige inachtneming van de verdragsbepalingen, inzonderheid die betreffende de steunmaatregelen, de moeilijkheden te overwinnen (zie arrest van 4 april 1995, Commissie/Italië, C‑348/93, Jurispr. blz. I‑673, punt 17, en arrest Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 24). Dit is in de onderhavige zaak evenwel niet gebeurd.
43 Daarbij komt dat de Helleense Republiek zich ook niet heeft beroepen op een volstrekte onmogelijkheid om de krachtens de artikelen 2 en 3 van beschikking 2003/372 op haar rustende verplichtingen met bekwame spoed na te komen. Uit vaste rechtspraak van het Hof blijkt evenwel dat aan de voorwaarde van volstrekte onmogelijkheid tot uitvoering niet is voldaan wanneer de verwerende regering zich ertoe beperkt, de Commissie in kennis te stellen van de juridische, politieke of praktische moeilijkheden die de uitvoering van de beschikking meebrengt, zonder tegen de betrokken ondernemingen tot werkelijke actie over te gaan om de steun terug te krijgen en zonder de Commissie alternatieven voor de uitvoering van deze beschikking voor te stellen, waardoor die moeilijkheden hadden kunnen worden overwonnen (zie, met name, arresten van 2 februari 1989, Commissie/Duitsland, 94/87, Jurispr. blz. 175, punt 10, en 2 juli 2002, Commissie/Spanje, C‑499/99, Jurispr. blz. I‑6031, punt 25).
44 Voorts blijkt uit de verklaringen van de Helleense Republiek betreffende de inspanningen die de nationale autoriteiten voor de terugvordering van de in de artikelen 2 en 3, lid 1, van beschikking 2003/372 bedoelde steun hebben gedaan, dat deze autoriteiten zich hebben beperkt tot een aantal procedurele en administratieve stappen, tot gedeeltelijke schuldaflossingsregelingen en tot compensaties. Deze initiatieven, die overigens ofwel laattijdig, ofwel onvolledig of zonder bindende kracht waren, en die in elk geval niet tot de daadwerkelijke invordering van de door Olympic Airways verschuldigde bedragen hebben geleid, kunnen niet worden geacht in overeenstemming te zijn met de verplichtingen van de lidstaten betreffende de terugvordering van staatssteun.
45 Uit een en ander volgt dat het beroep van de Commissie gegrond is.
46 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn alle maatregelen te nemen die nodig waren voor de terugvordering van de onwettig en met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar bevonden steun – behoudens die betreffende de bijdragen aan het IKA – overeenkomstig artikel 3 van beschikking 2003/372, de krachtens dit artikel 3 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
De kosten
47 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart:
1) Door niet binnen de gestelde termijn alle maatregelen te nemen die nodig waren voor de terugvordering van de onwettig en met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar bevonden steun – behoudens die betreffende de bijdragen aan het nationale socialezekerheidsorgaan – overeenkomstig artikel 3 van beschikking 2003/372/EG van de Commissie van 11 december 2002 betreffende door Griekenland aan Olympic Airways verleende steun, is de Helleense Republiek de krachtens dit artikel 3 op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Grieks.
Full & Egal Universal Law Academy