Zaak C‑437/03
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Republiek Oostenrijk
„Niet-nakoming – Richtlijnen 78/686/EEG en 78/687/EEG – Beoefenaren van tandheelkunde”
Conclusie van advocaat-generaal A. Tizzano van 17 maart 2005
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 27 oktober 2005
Samenvatting van het arrest
1. Vrij verkeer van personen – Vrijheid van vestiging – Vrij verrichten van diensten – Beoefenaren van tandheelkunde – Erkenning van diploma’s en titels – Richtlijn 78/686 – Coördinatie van nationale bepalingen – Richtlijn 78/687 – Overgangsmaatregelen betreffende Oostenrijk – Toestemming gegeven aan specialisten in tandheelkunde om titel „Facharzt für Zahn‑, Mund‑ und Kieferheilkunde” te voeren – Toelaatbaarheid
(Richtlijnen van de Raad 78/686, art. 1 en 19 ter, en 78/687, art. 1)
2. Vrij verkeer van personen – Vrijheid van vestiging – Vrij verrichten van diensten – Beoefenaren van tandheelkunde – Erkenning van diploma’s en titels – Richtlijn 78/686 – Coördinatie van nationale bepalingen – Richtlijn 78/687 – Overgangsmaatregelen betreffende Oostenrijk – Toestemming gegeven aan „Dentisten” om titel „Zahnarzt” te voeren en gebruik te maken van uitzondering in richtlijn 78/686 zonder te voldoen aan voorwaarden van richtlijn 78/687 – Ontoelaatbaarheid
(Richtlijnen van de Raad 78/686, art. 1 en 19 ter, en 78/687, art. 1)
1. Door specialisten in de tandheelkunde toe te staan de titel „Facharzt für Zahn‑, Mund‑ und Kieferheilkunde” te voeren, is de Republiek Oostenrijk niet tekortgeschoten in de verplichtingen die op haar rusten krachtens de artikelen 1 en 19 ter van richtlijn 78/686 inzake de onderlinge erkenning van de diploma’s, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/19, en artikel 1 van richtlijn 78/687 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/19.
Enerzijds heeft de Republiek Oostenrijk daardoor immers geen nieuwe categorie van beoefenaars van de tandheelkunde in het leven geroepen, maar alleen een bestaande categorie gehandhaafd. Anderzijds vormen Fachärzte für Zahn‑, Mund‑ und Kieferheilkunde geen categorie van beoefenaren van de tandheelkunde die niet reeds voorkomt in de richtlijnen 78/686 en 78/687. Zij vormen juist speciaal het voorwerp van artikel 19 ter van de eerste van deze richtlijnen.
(cf. punten 31, 42‑43)
2. Door „Dentisten” toe te staan, hun werkzaamheden uit te oefenen onder de titel „Zahnarzt” of „Zahnarzt (Dentist)” en gebruik te maken van de uitzonderingsregel van artikel 19 ter van richtlijn 78/686 inzake de onderlinge erkenning van de diploma’s, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/19, hoewel zij niet voldoen aan de minimumvoorwaarden van artikel 1 van richtlijn 78/687 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/19, om onder de regeling van deze richtlijnen te vallen, is de Republiek Oostenrijk de verplichtingen niet nagekomen die krachtens de artikelen 1 en 19 ter van de richtlijn 78/686 en artikel 1 van richtlijn 78/687 op haar rusten.
(cf. punt 44 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
27 oktober 2005 (*)
„Niet-nakoming – Richtlijnen 78/686/EEG en 78/687/EEG – Beoefenaren van de tandheelkunde”
In zaak C-437/03,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 16 oktober 2003,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Schmidt, C. Tufvesson en A. Manville als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Republiek Oostenrijk, vertegenwoordigd door E. Riedl als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, K. Schiemann (rapporteur), N. Colneric, K. Lenaerts en E. Juhász, rechters,
advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: R. Grass,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 maart 2005,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat:
– de Republiek Oostenrijk de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 1 en 19 ter van richtlijn 78/686/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de onderlinge erkenning van de diploma’s, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB L 233, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2001 (PB L 206, blz. 1; hierna: „erkenningsrichtlijn”), en artikel 1 van richtlijn 78/687/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde (PB L 233, blz. 10), zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/19 (hierna: „coördinatierichtlijn”), door de in de §§ 6 en 4, lid 3, van het Dentistengesetz (BGBl. 90/1949) genoemde „Dentisten” toe te staan hun werkzaamheden uit te oefenen onder de titel „Zahnarzt” of „Zahnarzt (Dentist)” en gebruik te maken van de uitzonderingsregel van artikel 19 ter van de erkenningsrichtlijn, hoewel zij niet voldoen aan de minimumvoorwaarden van artikel 1 van de coördinatierichtlijn om onder de regeling van de erkenningsrichtlijn en de coördinatierichtlijn te vallen;
– de Republiek Oostenrijk de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 1 en 19 ter van de erkenningsrichtlijn, door krachtens de §§ 17 en 23 van het Ärztegesetz (BGBl. I, 169/1998) van 10 november 1998 Fachärzte für Zahn‑, Mund‑ und Kieferheilkunde toe te staan om in strijd met artikel 19 ter van de erkenningsrichtlijn hun werkzaamheden te blijven uitoefenen onder de titel „Fachärzte für Zahn‑, Mund‑ und Kieferheilkunde”, hoewel de gelijkstelling van deze Fachärzte met Zahnärzte onjuist is voorzover deze Fachärzte hun werkzaamheden mogen uitoefenen onder dezelfde voorwaarden als de houders van de in bijlage A bij deze richtlijn bedoelde diploma’s, certificaten of andere titels (Zahnärzte).
Toepasselijke bepalingen
Communautaire regelgeving
Bepalingen van algemene strekking
2 De erkenningsrichtlijn en de coördinatierichtlijn zijn vastgesteld op basis van onder meer de bepalingen van het EG-Verdrag ter verwezenlijking van het vrije verkeer van werknemers en ter opheffing van de beperkingen op de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten.
3 Volgens de vierde overweging van de considerans van de eerste van deze richtlijnen, strekt deze tot onderlinge erkenning van de diploma’s, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde die toegang verlenen tot de uitoefening der tandheelkunde, alsmede van de diploma’s, certificaten en andere titels van specialist in de tandheelkunde.
4 Uit de zesde overweging van de considerans van de erkenningsrichtlijn en uit de eerste overweging van de coördinatierichtlijn blijkt dat deze laatste tot doel heeft het aantal specialisaties in de tandheelkunde en de aard en de duur van de opleiding tot specialist te coördineren, zodat de lidstaten kunnen overgaan tot de door de erkenningsrichtlijn voorgeschreven wederzijdse erkenning van diploma’s, certificaten of andere titels.
5 Volgens artikel 1, lid 1, van de coördinatierichtlijn stellen de lidstaten de toegang tot de werkzaamheden van beoefenaar der tandheelkunde, die worden uitgeoefend onder de in artikel 1 van de erkenningsrichtlijn bedoelde titels, en de uitoefening ervan afhankelijk van het bezit van een diploma, certificaat of andere titel als bedoeld in bijlage A bij dezelfde richtlijn, waardoor wordt gewaarborgd dat de betrokkene gedurende zijn totale opleidingstijd de door de coördinatierichtlijn vastgestelde passende kennis en ervaring heeft verworven. Artikel 1, lid 2, van deze laatste richtlijn vermeldt onder meer dat deze opleiding ten minste vijf studiejaren fulltimeonderwijs omvat.
6 Artikel 1 van de erkenningsrichtlijn bevat een lijst van titels van beoefenaren van de tandheelkunde. Dit artikel is aangevuld bij de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 1994, C 241, blz. 21, en PB 1995, L 1, blz. 1) door toevoeging van onder meer de volgende vermelding:
„in Oostenrijk: het diploma dat Oostenrijk uiterlijk op 31 december 1998 aan de lidstaten en de Commissie zal meedelen”.
7 De bij richtlijn 2001/19 aan de erkenningsrichtlijn toegevoegde bijlage A bevat een lijst van diploma’s, certificaten en andere titels van beoefenaren van de tandheelkunde. Met betrekking tot de Republiek Oostenrijk bevat deze bijlage de vermelding van het diploma dat het opschrift draagt „Bescheid über die Verleihung des akademischen Grades ‚Doktor der Zahnheilkunde’” (besluit betreffende de verlening van de universitaire graad van „doctor in de tandheelkunde”) en dat wordt afgegeven door de medische faculteiten van de universiteiten.
De overgangsbepalingen betreffende de Republiek Oostenrijk
8 Artikel 19 ter van de erkenningsrichtlijn bepaalt het volgende:
„Vanaf het tijdstip waarop Oostenrijk de noodzakelijke maatregelen treft om aan deze richtlijn te voldoen, erkennen de staten waarop deze richtlijn van toepassing is, voor de uitoefening van de werkzaamheden bedoeld in artikel 1 van deze richtlijn, de diploma’s, certificaten en andere titels van arts die in Oostenrijk zijn uitgereikt aan personen die vóór 1 januari 1994 een begin hebben gemaakt met hun universitaire opleiding en die vergezeld gaan van een door de bevoegde Oostenrijkse autoriteiten afgegeven attest waaruit blijkt dat deze personen zich gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren tijdens de vijf jaar voorafgaande aan de afgifte van het attest in Oostenrijk daadwerkelijk, op regelmatige wijze en als hoofdbezigheid hebben gewijd aan de werkzaamheden [verband houdende met het voorkomen, de diagnose en de behandeling van afwijkingen en ziekten van tanden, mond, kaken en omliggende weefsels], en dat deze werkzaamheden mogen uitoefenen onder dezelfde voorwaarden als de houders van het diploma, het certificaat of de titel, bedoeld in bijlage A.
Van de in de eerste alinea gestelde eis van drie jaar praktijkervaring zijn vrijgesteld personen die met goed gevolg studies van ten minste drie jaar hebben gevolgd welke door de bevoegde autoriteiten zijn erkend als gelijkwaardig aan de in artikel 1 van [de coördinatierichtlijn] bedoelde opleiding.”
De bepalingen betreffende het voeren van titels
9 Artikel 8 van de erkenningsrichtlijn is de enige bepaling van hoofdstuk V van deze richtlijn, met het opschrift „Het voeren van de opleidingstitel”. Daarin wordt het volgende bepaald.
„1. Onverminderd artikel 17, draagt de ontvangende lidstaat er zorg voor dat de onderdanen van de lidstaten die aan de in de artikelen […] 19 ter gestelde voorwaarden voldoen, het recht hebben gebruik te maken van hun wettige, in de lidstaat van oorsprong of herkomst gevoerde opleidingstitel, mits deze niet gelijk is aan de beroepstitel en – eventueel – van de afkorting daarvan, in de taal van deze staat. De ontvangende lidstaat kan voorschrijven dat deze titel wordt gevolgd door de naam en de plaats van de instelling of de examencommissie die hem heeft verleend.
2. Wanneer de opleidingstitel van de lidstaat van oorsprong of herkomst in de ontvangende lidstaat verward kan worden met een titel waarvoor in deze staat een aanvullende opleiding vereist is die de begunstigde niet heeft gevolgd, kan de ontvangende lidstaat voorschrijven dat de begunstigde zijn opleidingstitel van de lidstaat van oorsprong of herkomst voert in een door de ontvangende lidstaat voorgeschreven passende vorm.”
10 Artikel 17, lid 1, van genoemde richtlijn bepaalt het volgende:
„Wanneer in een ontvangende lidstaat voorschriften gelden voor het voeren van de beroepstitel voor een van de in artikel 1 bedoelde werkzaamheden, voeren de onderdanen van de andere lidstaten die voldoen aan de voorwaarden, gesteld in artikel […] 19 ter, de beroepstitel die in de ontvangende lidstaat met deze voorwaarden inzake opleiding overeenkomt, en maken zij gebruik van de afkorting van deze titel.”
De nationale regelgeving
De bepalingen betreffende het beroep „Dentist”
11 Tot 31 december 1975 bestond er in Oostenrijk een specifieke opleiding voor het zogenoemde beroep van „Dentist”. De beoefenaren van dit beroep, die een deel van de werkzaamheden van de beoefenaar van de tandheelkunde verrichten, hebben een niet-universitaire opleiding van drie jaar gevolgd en kunnen volgens de Oostenrijkse regering niet worden gelijkgesteld met artsen. De uitoefening van het beroep van „Dentist” wordt geregeld in het Dentistengesetz. De op de onderhavige feiten toepasselijke versie van deze wet is de bij de federale wet van 10 maart 1999 (BGBl. I, 45/1999) gewijzigde versie.
12 Krachtens § 6, lid 1, van het Dentistengesetz mag de „Dentist” zijn beroep uitoefenen onder de beroepstitel „Zahnarzt” en daaraan tussen haakjes de opleidingstitel „Dentist” toevoegen.
13 Krachtens § 4, lid 3, van dezelfde wet geeft de orde van „Dentisten” (Dentistenkammer) aan deze laatsten op verzoek het in artikel 19 ter van de erkenningsrichtlijn genoemde attest af teneinde hen in staat te stellen het beroep van beoefenaar van tandheelkunde in de andere lidstaten uit te oefenen.
De bepalingen met betrekking tot het beroep van „Facharzt für Zahn‑, Mund‑ und Kieferheilkunde”
14 Ten tijde van de toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Europese Unie bestond er in deze lidstaat voor de beoefenaren van de tandheelkunde geen opleiding die voldeed aan de voorwaarden van artikel 1 van de coördinatierichtlijn. De tandheelkundige zorg was toevertrouwd aan artsen die na een opleiding algemene geneeskunde een postdoctorale specialisatie tandheelkunde hadden voltooid en die hun beroep uitoefenden onder de titel „Facharzt für Zahn‑, Mund‑ und Kieferheilkunde”.
15 Om aan de erkenningsrichtlijn en de coördinatierichtlijn te voldoen heeft de Republiek Oostenrijk derhalve na haar toetreding tot de Unie een nieuw opleidingssysteem voor de toegang tot de specialisatie in de tandheelkunde moeten invoeren. Daartoe is het Ärztegesetz vastgesteld. Op de onderhavige feiten is de bij de federale wet van 10 augustus 2001 (BGBl. I, 110/2001) gewijzigde versie van deze wet van toepassing.
16 Het Ärztegesetz heeft met ingang van 1 augustus 1998 een nieuwe opleiding tot „Zahnarzt” ingevoerd. Tegelijkertijd zijn de voor afgestudeerde artsen bedoelde opleidingen tot specialist in de tandheelkunde, welke toegang gaven tot het beroep van specialist in de tandheelkunde, aan het einde van het universitaire jaar 2000/2001 afgeschaft.
17 In de bewoordingen van § 17, lid 1, van deze wet is de zelfstandige uitoefening van het beroep van Zahnarzt voorbehouden aan Zahnärzte en Fachärzte für Zahn‑, Mund‑ und Kieferheilkunde.
18 § 23 van deze wet, met het opschrift „Definities”, dat is opgenomen in de derde afdeling daarvan, luidt als volgt:
„Tenzij in de overige bepalingen anders wordt bepaald ziet in deze afdeling
1. de generieke term „arts” [Arzt] op alle artsen, ongeacht of zij bevoegd zijn het beroep uit te oefenen als arts voor algemene geneeskunde [‚Arzt für Allgemeinmedizin’], ‚bevoegd arts’ [‚approbierter Arzt’], ‚specialist’ [‚Facharzt’], ‚beoefenaar van de tandheelkunde’ [‚Zahnarzt’] of ‚arts in opleiding’ [‚Turnusarzt’], en
2. de term ‚specialist’ [‚Facharzt’] op alle specialisten met inbegrip van specialisten in de tandheelkunde [‚Facharzt für Zahn‑, Mund‑ und Kieferheilkunde’].”
19 Het voeren van beroepstitels is geregeld in de §§ 43 en 44 van het Ärztegesetz. § 43, lid 7, luidt als volgt:
„Specialisten in de tandheelkunde [‚Fachärzte für Zahn‑, Mund‑ und Kieferheilkunde’] kunnen de beroepstitel voeren van hetzij ‚specialist in de tandheelkunde’ [‚Facharzt für Zahn‑, Mund‑ und Kieferheilkunde’] hetzij ‚beoefenaar van de tandheelkunde’ [‚Zahnarzt’].”
De precontentieuze procedure
20 Op 26 juli 1999 heeft de Republiek Oostenrijk de Commissie overeenkomstig artikel 1 van de erkenningsrichtlijn de titels „Zahnarzt”, „Zahnarzt (Dentist)” en „Facharzt für Zahn‑, Mund‑ und Kieferheilkunde” meegedeeld. Zij heeft de Commissie en de andere lidstaten tevens het diploma meegedeeld waarmee de opleiding tot „Dentist” wordt afgesloten, teneinde dit te doen opnemen in bijlage A bij de erkenningsrichtlijn. Dit diploma draagt het opschrift „Prüfungszeugnis über die staatliche Dentistenprüfung, ausgestellt von der Österreichischen Dentistenkammer, Lehrinstitut für Dentisten, und Bescheinigung über die einjährige Tätigkeit als Dentistenassistent” (certificaat inzake het staatsexamen tandheelkunde, afgegeven door de Oostenrijkse orde van „Dentisten”, tandheelkundig opleidingsinstituut, en attest van werkzaamheid als tandheelkundig assistent gedurende een jaar).
21 Van oordeel dat de bepalingen van Oostenrijks recht betreffende de uitoefening van de beroepen van „Dentist” en „Facharzt für Zahn-, Mund- und Kieferheilkunde” niet verenigbaar waren met de erkenningsrichtlijn en de coördinatierichtlijn, heeft de Commissie de niet-nakomingsprocedure van artikel 226, eerste alinea, EG ingeleid. Na de Republiek Oostenrijk in de gelegenheid te hebben gesteld haar opmerkingen te maken, heeft de Commissie op 18 juli 2001 een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij deze lidstaat verzocht, binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving ervan de nodige maatregelen te nemen om aan dit advies te voldoen. Omdat zij van mening was dat de situatie ondanks de door de Oostenrijkse autoriteiten in antwoord op dit met redenen omkleed advies meegedeelde opmerkingen onbevredigend bleef, heeft de Commissie besloten het onderhavige beroep in te stellen.
Het beroep
De eerste grief, betreffende het beroep „Dentist”
22 Deze grief valt uiteen in twee onderdelen, die afzonderlijk moeten worden onderzocht.
§ 6, lid 1, van het Dentistengesetz
23 Met het eerste onderdeel van haar eerste grief voert de Commissie in wezen aan dat § 6, lid 1, van het Dentistengesetz, op grond waarvan „Dentisten” hun beroep onder de titel van „Zahnarzt” mogen uitoefenen, in strijd is met artikel 1 van de coördinatierichtlijn omdat „Dentisten” niet voldoen aan de opleidingscriteria van dit artikel voor de uitoefening van het beroep van beoefenaar van de tandheelkunde onder de in artikel 1 van de erkenningsrichtlijn genoemde titels, waarbij voor de Republiek Oostenrijk de titel „Zahnarzt” is vermeld.
24 De Oostenrijkse regering heeft zich in haar opmerkingen niet over dit onderdeel van de eerste grief uitgelaten.
25 Vaststaat dat de opleiding tot „Dentist” een niet-universitaire opleiding van slechts drie jaar is en derhalve niet voldoet aan de criteria van artikel 1, lid 2, van de coördinatierichtlijn. De Commissie heeft daarom terecht geoordeeld dat het door de Oostenrijkse Republiek meegedeelde diploma waarmee deze opleiding wordt afgesloten, niet kon worden opgenomen in bijlage A bij de erkenningsrichtlijn.
26 Artikel 6, lid 1, van het Dentistengesetz is derhalve in strijd met artikel 1 van de coördinatierichtlijn, nu op grond hiervan het beroep van beoefenaar van de tandheelkunde onder de titel „Zahnarzt” kan worden uitgeoefend door personen die niet voldoen aan de opleidingseisen die dit laatste artikel voor de uitoefening van dit beroep onder deze titel stelt.
27 In deze omstandigheden is het eerste onderdeel van de eerste grief van de Commissie gegrond.
Artikel 4, lid 3, van het Dentistengesetz
28 Met het tweede onderdeel van de eerste grief voert de Commissie in wezen aan dat artikel 4, lid 3, van het Dentistengesetz in strijd is met artikel 19 ter van de erkenningsrichtlijn, voorzover op grond hiervan het in dit artikel 19 ter voorziene attest wordt toegekend ook indien niet is voldaan aan de voorwaarden van dit laatste artikel.
29 De Oostenrijkse regering erkent dat „Dentisten” niet binnen de werkingssfeer van artikel 19 ter van de „erkenningsrichtlijn” vallen omdat zij geen „artsendiploma” hebben en geen „universitaire opleiding” hebben genoten.
30 Daaruit volgt dat het tweede onderdeel van de eerste grief eveneens gegrond is.
De tweede grief van de Commissie, betreffende het beroep van specialist in de tandheelkunde
31 De Commissie merkt in wezen op dat het feit dat in Oostenrijk specialisten in de tandheelkunde de titel „Facharzt für Zahn‑, Mund‑ und Kieferheilkunde” mogen voeren en bijgevolg niet gehouden zijn de titel „Zahnarzt” te voeren, in strijd is met artikel 19 ter van de erkenningsrichtlijn.
32 Allereerst moet worden opgemerkt dat, hoewel de Commissie in haar beroep de §§ 17 en 23 van het Ärztengesetz aanhaalt, het duidelijk is dat het door de Commissie bestreden recht van specialisten in de tandheelkunde, de titel „Facharzt für Zahn‑, Mund‑ und Kieferheilkunde” te voeren, volgt uit § 43, lid 7, van deze wet.
33 In de eerste plaats baseert de Commissie zich op een letterlijke uitlegging van artikel 19 ter van de erkenningsrichtlijn. Zij merkt op dat de in de eerste alinea van dit artikel genoemde „houders van de in bijlage A bij deze richtlijn bedoelde diploma’s, certificaten of andere titels”, de beoefenaren van de tandheelkunde zijn en dat zij alleen de titel „Zahnarzt” kunnen voeren. De Commissie leidt daaruit af dat gelet op de in dit artikel gestelde voorwaarde dat de betrokken personen bevoegd moeten zijn hun werkzaamheden uit te oefenen „onder dezelfde voorwaarden”, ook de specialisten in de tandheelkunde uitsluitend deze titel, met uitsluiting van iedere andere, moeten kunnen voeren.
34 De Oostenrijkse regering merkt enkel op, dat specialisten in de tandheelkunde hun werkzaamheden onder de titel „Zahnarzt” mogen uitoefenen.
35 In dit verband moet worden vastgesteld dat – anders dan de Commissie stelt – de bewoordingen van artikel 19 ter van de erkenningsrichtlijn niet bepalend zijn voor het antwoord op de vraag, of de in dit artikel bedoelde artsen verplicht zijn dezelfde titel te voeren als de beoefenaren van de tandheelkunde dan wel slechts tot het voeren daarvan gerechtigd hoeven te zijn. De voorwaarde dat de betrokken personen „[hun] werkzaamheden mogen uitoefenen onder dezelfde voorwaarden” als beoefenaren van de tandheelkunde, kan op twee manieren worden uitgelegd. Enerzijds kan artikel 19 ter, zoals de Commissie betoogt, worden uitgelegd in die zin dat het verlangt dat de betrokken werkzaamheden „onder dezelfde voorwaarden” kunnen worden uitgeoefend, wat onverenigbaar zou zijn met het feit dat voor beide betrokken beroepsgroepen in Oostenrijk niet dezelfde regels gelden voor het verlenen van de toestemming tot het voeren van titels. Anderzijds kan, door het accent op het gebruik van het woord „mogen” te leggen, diezelfde bepaling in die zin worden uitgelegd dat zij enkel eist dat specialisten in de tandheelkunde dezelfde titel „mogen” voeren als beoefenaren van de tandheelkunde – zoals hun dat is toegestaan krachtens § 43, lid 3, van het Ärztegesetz, en dus – zonder daartoe verplicht te zijn, onder dezelfde voorwaarden als laatstgenoemden hun werkzaamheden „mogen” uitoefenen onder de titel „Zahnarzt”.
36 Aangezien het antwoord op deze vraag niet uit de bewoordingen van artikel 19 ter kan worden afgeleid, moet deze bepaling worden uitgelegd in het licht van de andere bepalingen van de erkenningsrichtlijn en de coördinatierichtlijn. In dat verband moet worden opgemerkt dat de artikelen 8 en 17 van eerstgenoemde richtlijn specifieke bepalingen bevatten over het voeren van titels, waaruit blijkt dat, anders dan de Commissie betoogt, de communautaire wetgever op het gebied van de tandheelkunde geen uniform gebruik van titels heeft willen voorschrijven. Deze vaststelling wordt ook gestaafd door het feit dat de lijst in artikel 1 van de erkenningsrichtlijn met betrekking tot sommige staten meerdere titels vermeldt.
37 Hoewel de erkenningsrichtlijn en de coördinatierichtlijn een duidelijk onderscheid willen maken tussen het beroep van beoefenaar van de tandheelkunde en dat van arts, voert de Commissie niets aan waaruit blijkt dat er reëel gevaar voor verwarring tussen specialisten in de tandheelkunde en overige artsen bestaat indien de in artikel 19 ter bedoelde artsen hun beroep onder de beroepstitel „Facharzt für Zahn‑, Mund‑ und Kieferheilkunde” mogen blijven uitoefenen.
38 Hoe dan ook moet worden vastgesteld dat, anders dan de Commissie betoogt, noch artikel 19 ter van de erkenningsrichtlijn noch de artikelen 8 en 17 daarvan beperkingen bevatten ten aanzien van de precieze bewoordingen voor de beroepstitels die de lidstaten op hun grondgebied kunnen toestaan.
39 Voorts zou, wanneer onder de overgangsregeling van artikel 19 ter van de erkenningsrichtlijn vallende artsen werden gedwongen, in plaats van hun beroepstitel „Facharzt für Zahn‑, Mund‑ und Kieferheilkunde” die van „Zahnarzt” te gaan voeren, dit betekenen dat zij zich tegenover hun patiënten als tandarts moeten definiëren zonder te vermelden dat zij in de eerste plaats zijn opgeleid en bekwaam zijn in de algemene geneeskunde, hetgeen de uitoefening van hun beroep zou schaden (zie in die zin arrest van 29 november 2001, Commissie/Italië, C‑202/99, Jurispr. blz. I-9319, punt 51).
40 Ten slotte is de mogelijkheid die artikel 43, lid 7, van het Ärztegesetz specialisten in de tandheelkunde laat om de beroepstitel „Facharzt für Zahn‑, Mund‑ und Kieferheilkunde” te blijven voeren, gerechtvaardigd om redenen van transparantie, omdat de patiënt daardoor tandartsen die de volledige bij het Ärztegesetz ingevoerde opleiding tot beoefenaar van de tandheelkunde („Zahnarzt”) hebben gevolgd, kan onderscheiden van artsen voor algemene geneeskunde die een postdoctorale specialisatie tandheelkunde hebben gevolgd („Facharzt für Zahn‑, Mund‑ und Kieferheilkunde”).
41 Het feit dat de titel „Facharzt für Zahn‑, Mund‑ und Kieferheilkunde” niet in artikel 1 van de erkenningsrichtlijn kan worden opgenomen omdat de opleiding van deze beroepsbeoefenaren niet voldoet aan de in artikel 1 van de coördinatierichtlijn vermelde criteria, is irrelevant omdat, zoals de Commissie erkent, artikel 19 ter van de erkenningsrichtlijn in deze richtlijn is ingevoegd om de betrokken specialisten in staat te stellen hun beroep te blijven uitoefenen.
42 In deze omstandigheden moet worden opgemerkt dat de Commissie zich ten onrechte beroept op de rechtspraak volgens welke het de lidstaten niet vrijstaat, een categorie van beoefenaars der tandheelkunde in het leven te roepen die met geen van de door de betrokken richtlijnen voorziene categorieën overeenkomt (arrest van 1 juni 1995, Commissie/Italië, C‑40/93, Jurispr. blz. I‑1319, punt 24). In tegenstelling tot de lidstaat waar het in dat arrest om ging, heeft de Republiek Oostenrijk in de eerste plaats geen nieuwe categorie van beoefenaars van de tandheelkunde in het leven geroepen, maar enkel een bestaande categorie gehandhaafd, terwijl in de tweede plaats Fachärzte für Zahn-, Mund- und Kieferheilkunde geen categorie van beoefenaren van de tandheelkunde vormen die niet reeds voorkomt in de erkennings- en de coördinatierichtlijn. Zij vormen juist speciaal het voorwerp van artikel 19 ter van de eerste van deze richtlijnen.
43 Gelet op al deze overwegingen moet de tweede grief van de Commissie dus worden verworpen.
44 Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Republiek Oostenrijk, door de in de §§ 4, lid 3, en 6 van het Dentistengesetz genoemde „Dentisten” toe te staan, hun werkzaamheden uit te oefenen onder de titel „Zahnarzt” of „Zahnarzt (Dentist)” en gebruik te maken van de uitzonderingsregel van artikel 19 ter van de erkenningsrichtlijn, hoewel zij niet voldoen aan de minimumvoorwaarden van artikel 1 van de coördinatierichtlijn om onder de regeling van deze richtlijnen te vallen, de verplichtingen niet is nagekomen die krachtens de artikelen 1 en 19 ter van de erkenningsrichtlijn en artikel 1 van de coördinatierichtlijn op haar rusten, en moet het beroep voor het overige worden verworpen.
Kosten
45 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. De Republiek Oostenrijk heeft niet de veroordeling van de Commissie in de kosten gevorderd. Volgens artikel 69, lid 3, van dit Reglement kan het Hof de proceskosten evenwel over partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Nu de Republiek Oostenrijk en de Commissie elk ten dele in het ongelijk worden gesteld, moet worden beslist dat zij elk hun eigen kosten zullen dragen.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart:
1) Door de in de §§ 4, lid 3, en 6 van het Dentistengesetz genoemde „Dentisten” toe te staan,
– hun werkzaamheden uit te oefenen onder de benaming „Zahnarzt” of „Zahnarzt (Dentist)” en
– gebruik te maken van de uitzonderingsregel van artikel 19 ter van richtlijn 78/686/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de onderlinge erkenning van de diploma’s, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2001,
hoewel zij niet voldoen aan de minimumvoorwaarden van artikel 1 van richtlijn 78/687/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/19, om onder de regeling van deze richtlijnen te vallen,
is de Republiek Oostenrijk de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 1 en 19 ter van richtlijn 78/686 en artikel 1 van richtlijn 78/687.
2) Het beroep wordt voor het overige verworpen.
3) De Republiek Oostenrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen worden in hun eigen kosten verwezen.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy