Zaak C‑478/03
Celtec Ltd
tegen
John Astley e.a.
(verzoek van het House of Lords om een prejudiciële beslissing)
„Richtlijn 77/187/EEG – Artikel 3, lid 1 – Behoud van rechten van werknemers bij overgang van onderneming – Rechten en verplichtingen welke voor vervreemder voortvloeien uit op tijdstip van overgang bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding – Begrip ‚tijdstip van overgang’”
Conclusie van advocaat-generaal M. Poiares Maduro van 27 januari 2005
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 26 mei 2005
Samenvatting van het arrest
Sociale politiek – Harmonisatie van wetgevingen – Overgang van ondernemingen – Behoud van rechten van werknemers – Richtlijn 77/187 – Overgang van arbeidsovereenkomsten en ‑verhoudingen op verkrijger – Datum van ingang – Datum van overgang – Onveranderlijkheid – Nadere regeling overeengekomen tussen vervreemder en verkrijger – Geen invloed
(Richtlijn 77/187 van de Raad, art. 3, lid 1)
De overgang van arbeidsovereenkomsten en ‑verhoudingen op grond van artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan vindt noodzakelijkerwijs plaats op hetzelfde tijdstip als dat van de overgang van de onderneming. Het tijdstip van die overgang valt samen met het tijdstip waarop de hoedanigheid van ondernemer die de overgedragen entiteit exploiteert, van de vervreemder op de verkrijger overgaat. Hierbij gaat het om een precies tijdstip, dat niet naar goeddunken van de vervreemder of de verkrijger naar later kan worden verschoven.
Derhalve worden ingevolge artikel 3, lid 1, de arbeidsovereenkomsten en ‑verhoudingen die op het in die bepaling bedoelde tijdstip van overgang tussen de vervreemder en de werknemers van de overgedragen onderneming bestaan, geacht op dat tijdstip van de vervreemder op de verkrijger over te gaan, ongeacht de in dat verband tussen laatstgenoemden overeengekomen regeling.
(cf. punten 39, 43-44, dictum 1-2)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
26 mei 2005(*)
„Richtlijn 77/187/EEG – Artikel 3, lid 1 – Behoud van rechten van werknemers bij overgang van onderneming – Rechten en verplichtingen welke voor vervreemder voortvloeien uit op tijdstip van overgang bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding – Begrip ‚tijdstip van overgang’”
In zaak C-478/03,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het House of Lords (Verenigd Koninkrijk) bij beslissing van 10 november 2003, ingekomen bij het Hof op 17 november 2003, in de procedure
Celtec Ltd
tegen
John Astley e.a.,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, K. Lenaerts (rapporteur), N. Colneric, E. Juhász en E. Levits, rechters,
advocaat-generaal: M. Poiares Maduro,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 2 december 2004,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
– Celtec Ltd, vertegenwoordigd door J. Bowers, QC, P. Watson en A. Sendall, barristers, en J. Lewis, solicitor,
– J. Astley e.a., vertegenwoordigd door G. Millar, QC, en T. Linden, barrister,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Rozet en N. Yerrell als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 januari 2005,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan (PB L 61, blz. 26).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de vennootschap Celtec Ltd (hierna: „Celtec”) en J. Astley, J. Owens en D. L. Hawkes, tot vaststelling van de duur van het tijdvak van ononderbroken arbeid dat laatstgenoemden kunnen doen gelden in hun hoedanigheid van voormalige ambtenaren die de gevolgen ondergaan van de privatisering van de beroepsopleidingsprogramma’s in het Verenigd Koninkrijk.
Toepasselijke bepalingen
Bepalingen van gemeenschapsrecht
3 Richtlijn 77/187 is ingevolge artikel 1, lid 1, ervan, van toepassing op de overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan op een andere ondernemer ten gevolge van een overdracht krachtens overeenkomst of fusie.
4 Volgens artikel 2 van richtlijn 77/187 moet in die richtlijn worden verstaan onder vervreemder „iedere natuurlijke of rechtspersoon die door een overgang in de zin van artikel 1, lid 1, de hoedanigheid van ondernemer ten aanzien van de onderneming, de vestiging of het onderdeel daarvan verliest”, en onder verkrijger „iedere natuurlijke of rechtspersoon die door een overgang in de zin van artikel 1, lid 1, de hoedanigheid van ondernemer ten aanzien van de onderneming, de vestiging of het onderdeel daarvan verkrijgt”.
5 Artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187 bepaalt:
„De rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang in de zin van artikel 1, lid 1, bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding, gaan door deze overgang op de verkrijger over.
De lidstaten mogen bepalen dat de vervreemder ook na het tijdstip van de overgang in de zin van artikel 1, lid 1, en naast de verkrijger aansprakelijk is voor de verplichtingen welke voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst of een arbeidsverhouding.”
Bepalingen van nationaal recht
6 Richtlijn 77/187 is in Brits recht omgezet bij de Transfer of Undertakings (Protection of Employment) Regulations 1981 (regeling van 1981 inzake de bescherming van de werknemers bij overgang van ondernemingen).
7 Op grond van artikel 155 van de Employment Rights Act 1996 (wet van 1996 betreffende de rechten van werknemers) kan een werknemer bij ontslag wegens economische redenen slechts aanspraak maken op een vergoeding indien hij op de relevante datum sinds ten minste twee jaar ononderbroken in dienst was. Overeenkomstig artikel 162 van die wet hangt het bedrag van de vergoeding af van het aantal jaren van ononderbroken arbeid, evenwel met een maximum van 20 jaren.
8 Ingevolge artikel 218, lid 1, van vorengenoemde wet wordt met ononderbroken arbeid bedoeld de arbeid in dienst van éénzelfde werkgever. Lid 2 van dat artikel voorziet evenwel in een specifieke bepaling voor het geval van overgang van de onderneming, waarin is bepaald dat „bij overgang op een andere persoon van een (al dan niet bij of krachtens een wet opgericht) bedrijfsonderdeel, handelszaak, of onderneming […] het tijdvak van arbeid van een werknemer bij het bedrijfsonderdeel, de handelszaak, of de onderneming ten tijde van de overgang wordt aangemerkt als tijdvak van arbeid in dienst van de verkrijger, zonder dat dit tijdvak door de overgang wordt onderbroken”.
Feiten en prejudiciële vragen
De hervorming van het beroepsopleidingsbeleid in het Verenigd Koninkrijk
9 Tot 1989 beheerde het Department of Employment (ministerie van Arbeid van het Verenigd Koninkrijk; hierna: „ministerie”) via een zestigtal plaatselijke kantoren opleidingsprogramma’s voor jongeren en werklozen in Engeland en Wales.
10 In 1989 besloot de regering van het Verenigd Koninkrijk een gedeelte van haar activiteiten op het vlak van de beroepsopleiding over te dragen aan door de werkgevers beheerde particuliere entiteiten, de Training and Enterprise Councils (opleidings‑ en bedrijfscentra; hierna: „TEC’s”). Dienovereenkomstig zijn 82 TEC’s door verschillende groepen werkgevers opgericht. Deze TEC’s hebben de activiteiten van de plaatselijke kantoren van het ministerie, en de daaraan toegewezen middelen, overgenomen. In november 1991 waren alle TEC’s met hun activiteiten begonnen.
11 In het kader van deze privatisering werd de ambtenaren van de plaatselijke kantoren van het ministerie gevraagd zich vrijwillig aan te melden voor een tijdelijke detachering van drie jaar bij een TEC. Tijdens hun detachering behielden de betrokkenen het statuut van ambtenaar.
12 In december 1991 verzocht de regering van het Verenigd Koninkrijk de TEC’s om uiterlijk vóór het einde van hun vijfde werkjaar ten aanzien van al hun personeelsleden de hoedanigheid van werkgever aan te nemen.
13 Wegens de bezorgdheid die de TEC’s hadden uitgesproken, is in 1992 tussen het ministerie en de TEC’s een overeenkomst gesloten over hun onderlinge verplichtingen ingeval een gedetacheerd ambtenaar definitief bij een TEC in dienst zou treden. In deze overeenkomst was met name een regeling betreffende de verkregen rechten van gedetacheerde ambtenaren opgenomen, waarbij de regering van het Verenigd Koninkrijk zich ertoe verbond de TEC’s financieel bij te staan indien een rechterlijke instantie naderhand inzake het ontslag van een voormalig ambtenaar zou beslissen, dat de tijdvakken van arbeid die hij achtereenvolgens in overheidsdienst en in dienst van een TEC had volbracht, voor de berekening van zijn rechten als ononderbroken tijdvakken moesten worden beschouwd.
De situatie van de verweerders in het hoofdgeding
14 In Wales zijn de activiteiten van het plaatselijke kantoor te Wrexham, alsmede zijn kantoorruimte, informatiesystemen en databanken door North East Wales TEC (TEC van het noordoosten van Wales; hierna „Newtec”) overgenomen. Newtec is in september 1990 met haar activiteiten begonnen. Een andere TEC, Targed, heeft de activiteiten en kantoorruimte van het plaatselijk kantoor te Bangor overgenomen. Op 1 april 1997 ontstond Celtec uit de fusie van Newtec en Targed.
15 Ten tijde van de oprichting van Newtec hebben de plaatselijke kantoren te Wrexham en Bangor 43 ambtenaren voor een periode van drie jaar bij die TEC’s gedetacheerd. Bij het einde van hun detachering hebben 18 van hen ontslag uit overheidsdienst genomen om als werknemer bij Newtec in dienst te treden.
16 Astley, Hawkes en Owens, verweerders in het hoofdgeding, zijn respectievelijk op 31 augustus 1973, 4 november 1985 en 21 april 1986 in overheidsdienst getreden. Daar zij belast waren met het beroepsopleidingsbeleid in Noord-Wales, zijn zij bij Newtec gedetacheerd. Tegen het einde van hun drie jaar durende detachering besloten zij ontslag te nemen als ambtenaar en bij Newtec in dienst te treden. De dag van hun ontslag viel samen met die van hun indiensttreding bij Newtec. De arbeidsovereenkomst van Hawkes en Owens ging in op 1 juli 1993, en die van Astley op 1 september 1993.
17 In 1998 is Hawkes ontslagen door Celtec, die weigerde te erkennen dat zijn arbeid sinds zijn aanstelling in overheidsdienst ononderbroken was. De twee andere verweerders in het hoofdgeding vrezen binnenkort te worden ontslagen. Dientengevolge hebben zij alledrie voor het Employment Tribunal Abergele beroep ingesteld tot vaststelling van de duur van het tijdvak van ononderbroken arbeid dat zij kunnen doen gelden, daarbij stellende dat die duur zowel de periode in overheidsdienst als die in dienst van Newtec en Celtec dient te omvatten.
De rechtszaak in het Verenigd Koninkrijk
18 Bij vonnis van 22 december 1999 heeft het Employment Tribunal Abergele geoordeeld dat het geschil tussen Celtec en verweerders in het hoofdgeding wordt gekenmerkt door een overgang van onderneming in de zin van richtlijn 77/187. Volgens punt 11 van de motivering van het vonnis hield de overgedragen onderneming zich bezig met „het beheer van de door de regering gefinancierde beroepsopleidingsactiviteiten en bedrijfsactiviteiten voor jongeren van meer dan 16 jaar in Engeland en Wales, samen met de informatiesystemen en databanken, de personeelsleden en sommige kantoorruimten”. De nadruk leggend op het belang van het personeel in de activiteiten van de betrokken onderneming, heeft het Tribunal geoordeeld dat de detachering van de ambtenaren van het ministerie naar de TEC’s in die context een belangrijk onderdeel was van de onderneming en van de overgang ervan.
19 Het Employment Tribunal Abergele heeft geoordeeld dat verweerders in het hoofdgeding zich in die omstandigheden konden beroepen op een sinds hun aanstelling in overheidsdienst ononderbroken tijdvak van arbeid.
20 Bij arrest van 5 oktober 2001 heeft het Employment Appeal Tribunal het beroep van Celtec tegen de beslissing van het Employment Tribunal Abergele toegewezen. Het heeft geoordeeld dat de overgang van de betrokken onderneming in september 1990 was voltooid, dus ruim voordat verweerders in het hoofdgeding in dienst van Newtec traden.
21 Dit arrest is bij arrest van de Court of Appeal (England & Wales) van 19 juli 2002 vernietigd. De Court of Appeal heeft enerzijds geoordeeld dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187 ook van toepassing was op een overgang van onderneming die over een periode van meerdere jaren plaatsvindt, en anderzijds, dat het Employment Tribunal Abergele op goede gronden kon oordelen dat de beroepsbekwaamheden van de door het ministerie bij de TEC’s gedetacheerde ambtenaren een onderdeel vormden van de overgedragen onderneming.
22 Celtec heeft tegen laatstgenoemd arrest hogere voorziening ingesteld bij het House of Lords, dat het noodzakelijk heeft geacht de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de volgende vragen:
„1) Moet de uitdrukking ‚de rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang [...] bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding’ in artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187 […] aldus worden uitgelegd dat er een specifiek tijdstip is waarop de overgang van een onderneming of een onderdeel daarvan wordt geacht te zijn voltooid en waarop de overgang van de rechten en verplichtingen overeenkomstig artikel 3, lid 1, plaatsvindt?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, hoe moet dat specifieke tijdstip dan worden bepaald?
3) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, hoe moeten de woorden ‚op het tijdstip van de overgang’ in artikel 3, lid 1, worden uitgelegd?”
De prejudiciële vragen
23 Om te beginnen zij opgemerkt dat de verwijzingsbeslissing steunt op de vaststelling in het vonnis van het Employment Tribunal Abergele van 22 december 1999, dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overgang tussen het ministerie en Newtec binnen de werkingssfeer van richtlijn 77/187 valt.
24 Gelet op deze precisering, moeten de eerste twee vragen tezamen worden onderzocht, vragen waarmee de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen of er, gelet op artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187, een specifiek tijdstip bestaat waarop de overgang van de betrokken onderneming en die van de rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder voortvloeien uit de arbeidsverhoudingen met zijn werknemers, wordt geacht plaats te vinden, en zo ja, hoe dat specifieke tijdstip kan worden bepaald.
25 Voor een nuttig antwoord op deze twee vragen moet rekening worden gehouden met het doel van richtlijn 77/187 en meer in het bijzonder met dat van artikel 3, lid 1, ervan.
26 Zoals het Hof herhaaldelijk heeft beslist (zie arresten van 25 juli 1991, D’Urso e.a., C‑362/89, Jurispr. blz. I‑4105, punt 9, en 12 november 1998, Europièces, C‑399/96, Jurispr. blz. I‑6965, punt 37), beoogt richtlijn 77/187 te verzekeren, dat de werknemers bij een verandering in de persoon van het hoofd van de onderneming hun rechten behouden, en op dezelfde voorwaarden als zij met de vervreemder waren overeengekomen, in dienst van de nieuwe werkgever kunnen blijven. De richtlijn heeft tot doel de ongewijzigde voortzetting van de arbeidsovereenkomsten of -verhoudingen met de verkrijger zoveel mogelijk te verzekeren, om te voorkomen dat de betrokken werknemers uitsluitend ten gevolge van de overgang in een minder gunstige positie komen te verkeren (zie arrest van 17 december 1987, Ny Mølle Kro, 287/86, Jurispr. blz. 5465, punt 25).
27 De regels die van toepassing zijn in het geval van overgang van een onderneming of vestiging op een andere ondernemer, beogen aldus de tot de overgedragen economische eenheid behorende bestaande arbeidsverhoudingen in het belang van de werknemers veilig te stellen (arrest van 16 december 1992, Katsikas e.a., C‑132/91, C‑138/91 en C‑139/91, Jurispr. blz. I‑6577, punt 21).
28 Te dien einde heeft artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187 mede betrekking op de rechten en verplichtingen die voor de vervreemder voortvloeien uit een op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst of -verhouding met werknemers die voor het vervullen van hun taak tewerk zijn gesteld bij de overgedragen onderneming of het overgedragen gedeelte van de onderneming of vestiging (zie arrest D’Urso e.a., reeds aangehaald, punt 10).
29 In die context strekt de verwijzing naar het begrip „tijdstip van de overgang” in artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187 ertoe, te bepalen welke werknemers een beroep kunnen doen op de bij die bepaling verleende bescherming. Genieten aldus deze bescherming de werknemers van de overgedragen entiteit wier arbeidsovereenkomst of -verhouding op „het tijdstip van de overgang” nog bestaat, dit in tegenstelling tot de werknemers die op dat tijdstip niet langer bij de vervreemder in dienst waren (zie arrest van 7 februari 1985, Wendelboe e.a., 19/83, Jurispr. blz. 457, punten 13 en 15), en zij die na vorenbedoeld tijdstip in dienst van de verkrijger zijn getreden (zie arrest Ny Mølle Kro, reeds aangehaald, punten 24‑26).
30 Zowel de keuze van het woord „tijdstip” als redenen van rechtszekerheid nopen tot de opvatting dat volgens de gemeenschapswetgever aan de hand van een specifiek tijdstip van de overgangsverrichting, en niet op basis van de min of meer lange periode waarover die plaatsvindt, moet worden bepaald welke werknemers in aanmerking komen voor de bescherming van artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187.
31 Gelijk reeds volgt uit de bewoordingen van artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187, dient het begrip overgang in de daarin gebezigde uitdrukking „tijdstip van de overgang” te worden begrepen „in de zin van artikel 1, lid 1, [van deze richtlijn]”.
32 Blijkens laatstgenoemde bepaling is richtlijn 77/187 van toepassing op de overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan „op een andere ondernemer”. Volgens de tweede overweging van de considerans ervan, beoogt de richtlijn de werknemers te beschermen „bij verandering van ondernemer”. In artikel 2 van bedoelde richtlijn worden de begrippen „vervreemder” en „verkrijger” omschreven onder verwijzing naar het verlies respectievelijk het verkrijgen van „de hoedanigheid van ondernemer ten aanzien van de onderneming, de vestiging of het onderdeel daarvan”.
33 Bovendien heeft het Hof meermaals geoordeeld dat richtlijn 77/187 van toepassing is zodra er wijziging optreedt in de natuurlijke of rechtspersoon die de onderneming exploiteert, waarbij irrelevant is of de eigendom van de onderneming is overgedragen (zie arrest Ny Mølle Kro, reeds aangehaald, punt 12; arresten van 10 februari 1988, Daddy’s Dance Hall, 324/86, Jurispr. blz. 739, punt 9, en 5 mei 1988, Berg en Busschers, 144/87 en 145/87, Jurispr. blz. 2559, punt 17).
34 Om vast te stellen of er sprake is van een overgang in de zin van richtlijn 77/187 moet worden beoordeeld of de identiteit van de betrokken entiteit bewaard blijft, wat met name hieruit kan blijken dat de exploitatie ervan in feite door de nieuwe ondernemer wordt voortgezet of hervat met dezelfde of soortgelijke bedrijfsactiviteiten (zie arresten van 18 maart 1986, Spijkers, 24/85, Jurispr. blz. 1119, punten 11, 12 en 15, en 19 september 1995, Rygaard, C‑48/94, Jurispr. blz. I‑2745, punten 15 en 16).
35 Voor het antwoord op de vraag, of er sprake is van een overgang in de zin van artikel 1, lid 1, van richtlijn 77/187, is het beslissende criterium dus, of de nieuwe ondernemer de exploitatie van de betrokken entiteit voortzet of hervat, en daarbij de identiteit ervan bewaart.
36 In die omstandigheden moet het begrip „tijdstip van de overdracht” in artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187 aldus worden opgevat, dat het ziet op het tijdstip waarop de hoedanigheid van ondernemer die de betrokken entiteit exploiteert, van de vervreemder op de verkrijger overgaat.
37 Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, kan de werking van de door artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187 aan de werknemers toegekende rechten niet afhankelijk worden gesteld van de instemming van de vervreemder of de verkrijger, noch van die van de werknemersvertegenwoordigers of de werknemers zelf, behoudens in het geval dat deze laatsten, gebruik makend van de hun geboden mogelijkheid, uit vrije wil besluiten na de overgang de arbeidsverhouding met de nieuwe ondernemer niet voort te zetten (zie arrest van 11 juli 1985, Danmols Inventar, 105/84, Jurispr. blz. 2639, punt 16, en arrest D’Urso e.a., reeds aangehaald, punt 11).
38 Behoudens laatstbedoeld geval, volgt hieruit dat de arbeidsovereenkomsten en ‑verhoudingen die tussen de vervreemder en de werknemers van de overgedragen onderneming bestaan op het in artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187 bedoelde tijdstip van overgang, door het enkele feit van de overgang van de onderneming van rechtswege van de vervreemder op de verkrijger worden overgedragen (zie arrest D’Urso e.a., reeds aangehaald, punt 20, en arrest van 14 november 1996, Rotsart de Hertaing, C‑305/94, Jurispr. blz. I‑5927, punt 18).
39 Overigens overwoog het Hof in punt 26 van het reeds aangehaalde arrest Rotsart de Hertaing dat de overgang van arbeidsovereenkomsten en -verhoudingen als geregeld in artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187 noodzakelijkerwijs plaatsvindt op hetzelfde tijdstip als dat van de overgang van de onderneming en niet naar goeddunken van de vervreemder of de verkrijger naar later kan worden verschoven.
40 Tot staving van deze uitlegging heeft het Hof er om te beginnen op gewezen dat in artikel 3, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 77/187 de lidstaten de bevoegdheid wordt toegekend om te bepalen dat de vervreemder na het tijdstip van de overgang van de onderneming naast de verkrijger aansprakelijk is voor de verplichtingen die voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst of -verhouding, wat impliceert dat deze verplichtingen hoe dan ook op dat tijdstip op de verkrijger overgaan (arrest Rotsart de Hertaing, reeds aangehaald, punt 23).
41 Vervolgens heeft het Hof, onder verwijzing naar punt 14 van het reeds aangehaalde arrest Berg en Busschers, waarin artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187 aldus is uitgelegd, dat de vervreemder na het tijdstip van de overgang van de onderneming, op de enkele grond van die overgang, in beginsel bevrijd is van zijn aansprakelijkheid voor de uit de arbeidsovereenkomst of ‑verhouding voortvloeiende verplichtingen, vastgesteld dat, nu de richtlijn bedoeld is ter bescherming van de werknemers, dit doel slechts kan worden bereikt indien de betrokken verplichtingen op het tijdstip van de overgang op de verkrijger overgaan (arrest Rotsart de Hertaing, reeds aangehaald, punt 24).
42 Ten slotte stelde het Hof vast dat, wanneer de vervreemder of de verkrijger kon kiezen vanaf welk tijdstip de arbeidsovereenkomst of ‑verhouding overgaat, dit erop zou neerkomen dat de werkgevers, althans tijdelijk, van de bepalingen van richtlijn 77/187 konden afwijken, hoewel deze een dwingend karakter hebben, zodat er niet van mag worden afgeweken in een voor de werknemers ongunstige zin (arrest Rotsart de Hertaing, reeds aangehaald, punten 17 en 25).
43 Om de in de punten 40 tot en met 42 van het onderhavige arrest reeds uiteengezette redenen, moet worden vastgesteld dat, voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187, de arbeidsovereenkomsten en ‑verhoudingen die tussen de vervreemder en de werknemers van de overgedragen onderneming bestaan op het in die bepaling bedoelde tijdstip van overgang, geacht worden op dat tijdstip van de vervreemder op de verkrijger over te gaan, ongeacht de in dat verband tussen de partijen bij de overgang overeengekomen regeling.
44 Gelet op een en ander, moeten de eerste twee prejudiciële vragen als volgt worden beantwoord:
– Artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187 moet aldus worden uitgelegd dat het tijdstip van de overgang in de zin van die bepaling samenvalt met het tijdstip waarop de hoedanigheid van ondernemer die de overgedragen entiteit exploiteert, van de vervreemder op de verkrijger overgaat. Hierbij gaat het om een precies tijdstip, dat niet naar goeddunken van de vervreemder of de verkrijger naar later kan worden verschoven.
– Voor de toepassing van vorengenoemde bepaling worden de arbeidsovereenkomsten en ‑verhoudingen die tussen de vervreemder en de werknemers van de overgedragen onderneming bestaan op het tijdstip van overgang, in de hierboven aangegeven zin, geacht op dat tijdstip van de vervreemder op de verkrijger over te gaan, ongeacht de in dat verband tussen laatstgenoemden overeengekomen regeling.
45 Gelet op de antwoorden op de eerste twee vragen, behoeft de derde vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
46 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan, moet aldus worden uitgelegd dat het tijdstip van de overgang in de zin van die bepaling samenvalt met het tijdstip waarop de hoedanigheid van ondernemer die de overgedragen entiteit exploiteert, van de vervreemder op de verkrijger overgaat. Hierbij gaat het om een precies tijdstip, dat niet naar goeddunken van de vervreemder of de verkrijger naar later kan worden verschoven.
2) Voor de toepassing van vorengenoemde bepaling worden de arbeidsovereenkomsten en ‑verhoudingen die tussen de vervreemder en de werknemers van de overgedragen onderneming bestaan op het tijdstip van overgang, in de hierboven in punt 1 aangegeven zin, geacht op dat tijdstip van de vervreemder op de verkrijger over te gaan, ongeacht de in dat verband tussen laatstgenoemden overeengekomen regeling.
ondertekeningen
* Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy