Gevoegde zaken C‑485/03 tot en met C‑490/03
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Koninkrijk Spanje
„Staatssteun – Steunregeling – Onverenigbaarheid met gemeenschappelijke markt – Termijn voor uitvoering van beschikking van Commissie – Intrekking van steunregeling – Opschorting van nog niet uitbetaalde steun – Terugvordering van ter beschikking gestelde steun – Volstrekte onmogelijkheid tot uitvoering”
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 14 december 2006
Samenvatting van het arrest
1. Beroep wegens niet-nakoming – Niet-inachtneming van beschikking van Commissie inzake staatssteun
(Art. 88, lid 2, tweede alinea, EG)
2. Beroep wegens niet-nakoming – Niet-nakoming van verplichting tot terugvordering van toegekende steun – Verweermiddelen
(Art. 88, lid 2, EG; verordening nr. 659/1999 van de Raad, art. 14, lid 3)
1. Aangezien artikel 88, lid 2, tweede alinea, EG, inzake de procedure van het beroep wegens niet-nakoming op het gebied van staatssteun, anders dan artikel 226 EG, niet voorziet in een precontentieuze procedure, en de Commissie derhalve geen met redenen omkleed advies uitbrengt waarin de lidstaten een termijn voor nakoming van haar beschikking wordt gesteld, kan de in aanmerking te nemen termijn voor de toepassing van eerstgenoemde bepaling slechts de termijn zijn die is bepaald in de beschikking tegen de niet-nakoming waarvan wordt opgekomen of, in voorkomend geval, de later door de Commissie gestelde termijn.
(cf. punt 53)
2. Indien negatieve beschikkingen worden gegeven in gevallen van onrechtmatige steun, gebeurt de door de Commissie gelaste terugvordering hiervan volgens de voorwaarden van artikel 14, lid 3, van verordening nr. 659/1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88 EG].
Het enige verweer dat een lidstaat tegen een door de Commissie krachtens artikel 88, lid 2, EG ingesteld beroep wegens niet-nakoming kan aanvoeren, bestaat in de volstrekte onmogelijkheid om de beschikking waarbij de terugvordering is gelast, correct uit te voeren.
Dienaangaande is niet aan de voorwaarde van volstrekte onmogelijkheid tot uitvoering voldaan wanneer de verwerende regering zich ertoe beperkt, de Commissie in kennis te stellen van de juridische, politieke of praktische moeilijkheden die de uitvoering van de beschikking meebrengt, zonder tegen de betrokken ondernemingen tot werkelijke actie over te gaan om de steun terug te krijgen en zonder de Commissie alternatieven voor de uitvoering van de beschikking voor te stellen waardoor deze moeilijkheden kunnen worden overwonnen.
(cf. punten 71‑72, 74)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
14 december 2006 (*)
„Steunmaatregelen van staten – Steunregeling – Onverenigbaarheid met gemeenschappelijke markt – Termijn voor uitvoering van beschikking van Commissie – Intrekking van steunregeling – Opschorting van nog niet uitbetaalde steun – Terugvordering van ter beschikking gestelde steun – Volstrekte onmogelijkheid tot uitvoering”
In de gevoegde zaken C‑485/03 tot en met C‑490/03,
betreffende beroepen wegens niet-nakoming krachtens artikel 88, lid 2, EG, ingesteld op 19 november 2003,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door J. L. Buendía Sierra, vervolgens door F. Castillo de la Torre als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door N. Díaz Abad als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerder,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, J. Klučka, R. Silva de Lapuerta, J. Makarczyk en L. Bay Larsen (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 mei 2006,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 In het kader van zes beroepen verzoekt de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje, door niet binnen de gestelde termijn alle maatregelen te hebben genomen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 2 en 3 van elk van de beschikkingen:
– 2002/820/EG van de Commissie van 11 juli 2001 inzake de steunregeling die door Spanje ten behoeve van de ondernemingen in Álava in de vorm van een belastingkrediet van 45 % van de investeringen ten uitvoer is gelegd (PB 2002, L 296, blz. 1) (zaak C‑485/03);
– 2002/892/EG van de Commissie van 11 juli 2001 betreffende de door Spanje ten uitvoer gelegde steunregeling ten gunste van bepaalde recentelijk opgerichte ondernemingen in Álava (Spanje) (PB 2002, L 314, blz. 1) (zaak C‑488/03);
– 2003/27/EG van de Commissie van 11 juli 2001 inzake de steunregeling die door Spanje ten behoeve van de ondernemingen in Vizcaya in de vorm van een belastingkrediet van 45 % van de investeringen ten uitvoer is gelegd (PB 2003, L 17, blz. 1) (zaak C‑487/03);
– 2002/806/EG van de Commissie van 11 juli 2001 betreffende de door Spanje ten uitvoer gelegde steunregeling ten gunste van bepaalde recentelijk opgerichte ondernemingen in Vizcaya (Spanje) (PB 2002, L 279, blz. 35) (zaak C‑490/03);
– 2002/894/EG van de Commissie van 11 juli 2001 inzake de steunregeling die door Spanje ten behoeve van de ondernemingen in Guipúzcoa in de vorm van een belastingkrediet van 45 % van de investeringen ten uitvoer is gelegd (PB 2002, L 314, blz. 26) (zaak C‑486/03), en
– 2002/540/EG van de Commissie van 11 juli 2001 betreffende de door Spanje ten uitvoer gelegde steunregeling ten gunste van bepaalde recentelijk opgerichte ondernemingen in Guipúzcoa (Spanje) (PB 2002, L 174, blz. 31) (zaak C‑489/03),
of althans door de Commissie deze maatregelen niet te hebben meegedeeld overeenkomstig artikel 4 van elk van de beschikkingen, de krachtens die beschikkingen (hierna: „litigieuze beschikkingen”) en het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Litigieuze beschikkingen
2 Op 11 juli 2001 heeft de Commissie de litigieuze beschikkingen vastgesteld, waarvan de artikelen 1 respectievelijk luiden als volgt:
– beschikking 2002/820:
„De steun in de vorm van een belastingkrediet ten belope van 45 % van de investeringen die door Spanje in Álava onrechtmatig is verleend, in strijd met artikel 88, lid 3, [EG] op grond van Norma Foral nr. 22/1994 van 20 december 1994, de vijfde aanvullende bepaling van Norma Foral nr. 33/1995 van 20 december 1995, de zesde aanvullende bepaling van Norma Foral nr. 31/1996 van 18 december 1996, gewijzigd op grond van punt 2.11 van de uitzonderingsbepaling van Norma Foral nr. 24/1996 van 5 juli 1996 betreffende de vennootschapbelasting, de elfde aanvullende bepaling van Norma Foral nr. 33/1997 van 19 december 1997 en de zevende aanvullende bepaling van Norma Foral nr. 36/1998 van 17 december 1998, is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt”;
– beschikking 2002/892:
„De steunmaatregel in de vorm van een vermindering van de belastinggrondslag die door Spanje in strijd met artikel 88, lid 3, [EG] tot uitvoering is gebracht in het Territorio Histórico de Álava door middel van artikel 26 van de Norma Foral [24]/1996 van [5] juli 1996, is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt”;
– beschikking 2003/27:
„De steun in de vorm van een belastingkrediet ten belope van 45 % van de investeringen die door Spanje in de provincie Vizcaya onrechtmatig is verleend, in strijd met artikel 88, lid 3, [EG] op grond van [de vierde aanvullende bepaling van] Norma Foral nr. 7/1996 van 26 december 1996, voor onbeperkte tijd verlengd door de tweede bepaling van Norma Foral nr. 4/1998 van 2 april 1998, is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt”;
– beschikking 2002/806:
„De steunmaatregel in de vorm van een vermindering van de belastinggrondslag die door Spanje in strijd met artikel 88, lid 3, [EG] tot uitvoering is gebracht in het Territorio Histórico de Vizcaya door middel van artikel 26 van de Norma Foral 3/1996 van 26 juni, is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt”;
– beschikking 2002/894:
„De steun in de vorm van een belastingkrediet ten belope van 45 % van de investeringen die door Spanje in de provincie Guipúzcoa onrechtmatig is verleend, in strijd met artikel 88, lid 3, [EG] op grond van [de tiende aanvullende bepaling van] Norma Foral nr. 7/1997 van 22 december 1997, is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt”;
– beschikking 2002/540:
„De steunmaatregel in de vorm van een vermindering van de belastinggrondslag die door Spanje in strijd met artikel 88, lid 3, [EG] tot uitvoering is gebracht in het Territorio Histórico de Guipúzcoa door middel van artikel 26 van de Norma Foral 7/1996 van 4 juli 1996 is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt”.
3 Artikel 2 van elk van de litigieuze beschikkingen gelast het Koninkrijk Spanje om de betrokken steunregeling in te trekken voor zover zij nog uitwerking heeft.
4 De artikelen 3 en 4 van elk van deze beschikkingen luiden als volgt:
„Artikel 3
1. Spanje neemt alle nodige maatregelen om de in artikel 1 bedoelde en reeds onrechtmatig ter beschikking gestelde steun van de begunstigden terug te vorderen.
Spanje heft de uitkering van alle nog niet uitbetaalde steun op.
2. De terugvordering geschiedt onverwijld en in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures voor zover deze procedures een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de onderhavige beschikking toelaten. De terug te vorderen steun omvat rente vanaf de datum waarop de steun aan de begunstigden ter beschikking is gesteld tot de datum van de daadwerkelijke terugbetaling ervan. De rente wordt berekend op grond van de referentierentevoet welke wordt gehanteerd voor de berekening van het nettosubsidie-equivalent in het kader van [regionale] steunregelingen.
Artikel 4
Spanje deelt de Commissie binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikking mede welke maatregelen het heeft genomen om hieraan te voldoen.”
Tegen de litigieuze beschikkingen ingestelde beroepen
5 Bij op 25 september 2001 ter griffie van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen neergelegde verzoekschriften hebben de Diputación Foral d’Álava en de Gobierno del País Vasco gezamenlijk twee beroepen tot nietigverklaring van de beschikkingen 2002/820 (zaak T‑227/01) respectievelijk 2002/892 (zaak T‑230/01) tegen de Commissie ingesteld. Bij op 22 oktober 2001 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschriften heeft de Confederación Empresarial Vasca (Confebask; hierna: „Confebask”) eveneens twee beroepen tot nietigverklaring van deze beschikkingen tegen de Commissie ingesteld (respectievelijk zaken T‑265/01 en T‑267/01).
6 Bij op 25 september 2001 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschriften hebben de Diputación Foral de Vizcaya en de Gobierno del País Vasco gezamenlijk twee beroepen tot nietigverklaring van de beschikkingen 2003/27 (zaak T‑228/01) respectievelijk 2002/806 (zaak T‑231/01) tegen de Commissie ingesteld. Bij op 22 oktober 2001 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschriften heeft Confebask eveneens twee beroepen tot nietigverklaring van deze beschikkingen tegen de Commissie ingesteld (respectievelijk zaken T‑266/01 en T‑268/01).
7 Bij op 25 september 2001 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschriften hebben de Diputación Foral de Guipúzcoa en de Gobierno del País Vasco gezamenlijk twee beroepen tot nietigverklaring van de beschikkingen 2002/894 (zaak T‑229/01) respectievelijk 2002/540 (zaak T‑232/01) tegen de Commissie ingesteld. Bij op 22 oktober 2001 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschriften heeft Confebask eveneens twee beroepen tot nietigverklaring van deze beschikkingen tegen de Commissie ingesteld (respectievelijk zaken T‑270/01 en T‑269/01).
8 De bovenbedoelde procedures zijn nog steeds aanhangig voor het Gerecht.
Voorgeschiedenis van de aan het Hof voorgelegde geschillen
9 Van elk van de litigieuze beschikkingen is bij schrijven van 12 juli 2001 aan het Koninkrijk Spanje kennis gegeven.
10 Volgens de Commissie was de in de artikelen 4 daarvan bedoelde termijn van twee maanden op 13 september 2001 afgelopen, zonder dat zij op de hoogte was gebracht van de vaststelling van uitvoeringsmaatregelen.
11 Op 12 oktober 2001 heeft zij de permanente vertegenwoordiging van het Koninkrijk Spanje bij de Europese Unie brieven gestuurd, die als volgt luidden:
„Bij schrijven van 12 juli 2001 heeft de Commissie uw regering op de hoogte gebracht van haar beschikking met betrekking tot de hierboven genoemde steunregeling.
Artikel 4 van de genoemde beschikking bepaalt dat uw regering de Commissie binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikking dient mee te delen welke maatregelen zij heeft genomen om hieraan te voldoen.
Aangezien de Commissie tot nog toe geen enkel antwoord dienaangaande heeft ontvangen, verzoek ik u om uw bevoegde instanties aan deze verplichting te herinneren, en de Commissie binnen een termijn van 20 dagen vanaf de datum van dit schrijven de maatregelen mee te delen die werden genomen om de beschikking uit te voeren.”
12 Het Koninkrijk Spanje heeft geantwoord bij brieven van 3 en 23 oktober 2001, waarbij het brieven van de provinciale autoriteiten (hierna gezamenlijk: „brieven van de provinciale autoriteiten”) deed toekomen, waarin de Commissie twee vragen werden gesteld inzake de mogelijkheid om de de‑minimisregel en, met betrekking tot de regelingen inzake het belastingkrediet ten belope van 45 % van de investeringen, de communautaire richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen (PB 1998, C 74, blz. 9; hierna: „richtsnoeren”) toe te passen.
13 De Commissie heeft de Spaanse autoriteiten daarop voorgesteld om een vergadering te organiseren om toelichtingen te geven. Zij hebben dit voorstel bij schrijven van 21 januari 2002 aanvaard.
14 De vergadering heeft op 18 april 2002 plaatsgevonden.
15 Bij brieven van 3 juni 2002 heeft de Commissie:
– het Koninkrijk Spanje aanwijzingen verschaft, in het bijzonder over de mogelijkheid om verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de‑minimissteun (PB L 10, blz. 30) toe te passen bij de terugvordering van de steun;
– vastgesteld dat zij het rapport inzake de terugvordering van de steun nog steeds niet had ontvangen;
– het Koninkrijk Spanje verzocht haar binnen een termijn van 20 dagen de maatregelen mee te delen die werden genomen om aan de litigieuze beschikkingen te voldoen.
16 Op 27 augustus 2002 heeft zij de permanente vertegenwoordiging van het Koninkrijk Spanje bij de Europese Unie een brief gestuurd, waarin zij onder verwijzing naar de verplichting van artikel 4 van elk van de litigieuze beschikkingen het volgende verklaarde:
„Ondanks de op 3 juni 2002 verzonden aanmaning moet ik evenwel vaststellen dat uw regering de nodige inlichtingen met betrekking tot de terugvordering van de steun niet heeft toegezonden.
Ik zou u daarom dankbaar zijn wanneer u er bij uw autoriteiten op zou willen aandringen dat zij de Commissie de genomen maatregelen meedelen binnen een termijn van 15 werkdagen vanaf de datum van dit schrijven.
Bij gebreke van een antwoord binnen de gestelde termijn, zal ik verplicht zijn om de Commissie voor te stellen zich rechtstreeks tot het Hof van Justitie te wenden krachtens artikel 88, lid 2, [EG].”
17 Op 26 september 2002 heeft het Koninkrijk Spanje verzocht om verlenging van deze termijn tot en met 8 oktober 2002.
18 De Commissie heeft dit verzoek toegewezen bij schrijven van 3 oktober 2002, en hierbij benadrukt dat zij na 8 oktober 2002 geen extra termijnen meer zal toestaan.
19 Bij brief van 25 oktober 2002 heeft het Koninkrijk Spanje de rapporten van de betrokken provinciale autoriteiten toegezonden (hierna: „brief van 25 oktober 2002”) en erop gewezen dat het was begonnen met de uitvoering van de litigieuze beschikkingen in overeenstemming met de nationale voorschriften die van toepassing zijn inzake de herziening van nietige handelingen, daar de nationale rechtsorde niet uitdrukkelijk voorziet in een mechanisme voor de terugvordering van onrechtmatige en onverenigbare steun in het geval van definitieve administratieve handelingen. Het heeft verklaard dat het zich vast had voorgenomen om de Commissie op de hoogte te brengen van de uitvoering van de litigieuze beschikkingen.
20 Op 24 februari 2003 heeft de Commissie het Koninkrijk Spanje te kennen gegeven dat de brief van 25 oktober 2002 niet het rapport inzake de verlangde terugvordering was, geen gewag maakte van een daadwerkelijke terugvordering van de onrechtmatige en onverenigbare steun en geen enkel precies gegeven verschafte over de identiteit van de begunstigden, de aanvang van de uitvoeringsprocedure of de maatregelen die werden genomen of moeten worden genomen om de steun daadwerkelijk terug te vorderen. Zij heeft hieraan toegevoegd dat zij zich, wanneer concrete inlichtingen over de terugvordering achterwege blijven, genoodzaakt zag te overwegen om bij het Hof beroep in te stellen krachtens artikel 88, lid 2, EG.
21 Van mening dat het Koninkrijk Spanje haar nog steeds geen inlichtingen over de uitvoering van de litigieuze beschikkingen had meegedeeld, heeft de Commissie ten slotte besloten de onderhavige beroepen wegens niet-nakoming in te stellen.
Procesverloop voor het Hof
22 Bij beschikkingen van de president van het Hof van 22 maart 2004 zijn de door de Comunidad Autónoma de La Rioja in elk van de zaken C‑485/03 tot en met C‑490/03 ingediende verzoeken tot tussenkomst aan de zijde van de verzoekende partij niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie.
23 Bij beschikking van de president van het Hof van 22 februari 2006 zijn de zes zaken krachtens artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering gevoegd voor de mondelinge behandeling en voor het arrest.
24 Op 14 maart 2006 heeft het Hof in de onderhavige zaken de door het Koninkrijk Spanje krachtens artikel 82 bis van het Reglement voor de procesvoering ingediende verzoeken tot schorsing van de behandeling tot de uitspraak van de arresten in de voor het Gerecht aanhangige zaken verworpen.
Beroepen
Argumenten van partijen
Argumenten van de Commissie
25 Volgens de Commissie is de bij de litigieuze beschikkingen gestelde termijn van twee maanden afgelopen op 13 september 2001, zonder dat het Koninkrijk Spanje de maatregelen om hieraan te voldoen had vastgesteld en meegedeeld of zonder dat het de Commissie om een verlenging van deze termijn had verzocht voordat die afliep.
26 Geen enkel schrijven van de Commissie kan aldus worden uitgelegd dat het de termijn voor uitvoering van de litigieuze beschikkingen wijzigt. De brief van 3 oktober 2002, waarbij een verlenging van de termijn tot en met 8 oktober 2002 is verleend, betreft louter een daartoe strekkend verzoek van het Koninkrijk Spanje in antwoord op een aanmaning van de Commissie waarin zij verzocht om inlichtingen over de maatregelen die werden genomen voor de terugvordering van de steun. De verwerende lidstaat had zelfs op 8 oktober 2002 de noodzakelijke maatregelen hoe dan ook nog steeds niet vastgesteld en al evenmin meegedeeld.
27 Ondanks de herhaalde dringende verzoeken van de Commissie heeft het Koninkrijk Spanje alleen maar te laat onvolledige, algemene en volkomen onduidelijke inlichtingen toegezonden.
28 De Commissie betoogt dat het Koninkrijk Spanje noch de verplichting is nagekomen om de steunregelingen in te trekken voor zover die nog uitwerking hadden, noch de verplichting om de nog niet uitbetaalde steun op te schorten, welke verplichtingen respectievelijk zijn voorzien in de artikelen 2 en 3, lid 1, tweede alinea, van elk van de litigieuze beschikkingen.
29 De maatregelen die in punt 3 van elk van de brieven van de provinciale autoriteiten aan de Commissie werden meegedeeld, lijken te verhinderen dat andere ondernemingen die voorheen niet voor de regeling in aanmerking zijn gekomen, in de toekomst gebruik zouden kunnen maken van de betrokken belastingvoordelen.
30 De Spaanse autoriteiten hebben evenwel niet aangegeven of en hoe zij deze voordelen hebben opgeschort met betrekking tot de ondernemingen die hier vóór de vaststelling van de litigieuze beschikkingen gebruik van hebben gemaakt. Ten aanzien van deze ondernemingen hadden waarschijnlijk de handelingen waarbij de voordelen zijn toegekend, moeten worden herzien.
31 Noch punt 3, noch enig ander punt van elk van de brieven van de provinciale autoriteiten bevatte nuttige inlichtingen. De Commissie weet nog steeds niet welke soort handeling had kunnen worden meegedeeld aan de ondernemingen die niet langer gebruik konden maken van de belastingmaatregelen. Zij is er evenmin van op de hoogte of een eventuele stap in deze richting concrete gevolgen had teweeggebracht, of er ondernemingen beroep hadden ingesteld en of dergelijke beroepen opschortende werking hadden. Ten slotte heeft de Commissie geen enkele inlichting ontvangen over de identiteit van de betrokken ondernemingen en over de omvang van de nog niet uitbetaalde steun.
32 Aangaande de opschorting van de belastingvoordelen voor de ondernemingen die vóór de litigieuze beschikkingen steun ontvingen, heeft het Koninkrijk Spanje dus enerzijds gehandeld in strijd met de bij artikel 2 van elk van de litigieuze beschikkingen opgelegde verplichting om de nodige maatregelen te treffen om te vermijden dat de steunregelingen nog uitwerking hebben, en anderzijds met de in artikel 3, lid 1, tweede alinea, van elk van deze beschikkingen bedoelde verplichting om de nog niet uitbetaalde steun op te schorten.
33 De Commissie betoogt dat het Koninkrijk Spanje ook de in artikel 3, leden 1, eerste alinea, en 2, van elk van de litigieuze beschikkingen voorziene verplichting om „onverwijld” de reeds ter beschikking gestelde steun terug te vorderen, niet heeft nageleefd.
34 Het enige verweer dat een lidstaat kan aanvoeren bestaat in een volstrekte onmogelijkheid om de beschikking correct uit te voeren. Aan deze voorwaarde is niet voldaan wanneer de verwerende regering zich ertoe beperkt, de Commissie in kennis te stellen van de juridische, politieke of praktische moeilijkheden die de uitvoering van de beschikking meebrengt.
35 Het Koninkrijk Spanje heeft evenwel nooit betoogd dat de uitvoering van de litigieuze beschikkingen volstrekt onmogelijk was. Het heeft enkel een beroep gedaan op de ingewikkeldheid die voortvloeit uit verschillende administratieve moeilijkheden op nationaal vlak, in het bijzonder het feit dat de nationale rechtsorde niet in een uitvoeringsmechanisme voorziet in het geval van definitieve administratieve handelingen.
Argumenten van de Spaanse regering
36 De termijn die in de onderhavige zaken in aanmerking moet worden genomen voor de beoordeling of er sprake is van niet-nakoming, is niet op 13 september 2001 afgelopen, zoals de Commissie betoogt, maar op 8 oktober 2002.
37 Wanneer de Commissie een nieuwe termijn voor inlichtingen vaststelt die verschilt van die in de beschikking waarbij de steunmaatregelen onverenigbaar worden verklaard, is deze nieuwe termijn relevant.
38 De Spaanse regering wijst erop dat er een briefwisseling heeft plaatsgevonden en op 18 april 2002 zelfs een vergadering, met de bedoeling om in het bijzonder twee vragen toe te lichten die in de brieven van de provinciale autoriteiten aan de orde werden gesteld, namelijk of bij de uitvoering van de litigieuze beschikkingen eventueel de de‑minimisregel en, wat betreft de regelingen voor het belastingkrediet van 45 % van de investeringen, de richtsnoeren kunnen worden toegepast.
39 Aangezien aldus in de loop van april 2002 nog vragen inzake de uitvoering van deze beschikkingen werden toegelicht, was de daarbij gestelde termijn al niet meer relevant.
40 De Commissie heeft dit zelf erkend door bij schrijven van 3 oktober 2002 een nieuwe termijn vast te stellen, die afliep op 8 oktober 2002.
41 Op het tijdstip van de instelling van de beroepen was er hoe dan ook geen sprake van welke niet-nakoming dan ook. Op deze datum was immers reeds een aanvang gemaakt met de handelingen die nodig waren om aan de litigieuze beschikkingen te voldoen, en de Commissie was hiervan op de hoogte gebracht via de brieven van de provinciale autoriteiten en vervolgens via de brief van 25 oktober 2002.
42 De Spaanse regering is van mening dat de in de artikelen 2 en 3, lid 1, tweede alinea, van elk van de litigieuze beschikkingen bedoelde verplichtingen werden nageleefd.
43 Om te beginnen betoogt zij dat de Commissie erkent dat zij in oktober 2001 op de hoogte werd gebracht van de intrekking van de betrokken steunregelingen voor de toekomst.
44 Aangaande de grief met betrekking tot de opschorting van de vóór de litigieuze beschikkingen toegekende steunmaatregelen die noodzakelijkerwijs daarna nog uitwerking hebben, benadrukt zij dat de belastingmaatregelen die als met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steunmaatregelen waren aangemerkt, niet bestonden in door de administratie verrichte betalingen, in welk geval iedere uitbetaling eenvoudigweg had kunnen worden opgeschort.
45 Zij voert aan dat het maatregelen betrof die de steun fiscaal aftrekbaar maken voor de marktdeelnemer.
46 Om ten aanzien van deze maatregelen aan de litigieuze beschikkingen te voldoen, was het passend en noodzakelijk geweest dat de betrokken ondernemingen onmiddellijk ervan op de hoogte werden gesteld dat zij voortaan geen gebruik meer konden maken van de in deze beschikkingen bedoelde belastingmaatregelen.
47 De Commissie was echter in punt 2 van elk van de brieven van de provinciale autoriteiten ervan in kennis gesteld dat die informatie was verstrekt.
48 Wat betreft de verplichting om de reeds toegekende steun terug te vorderen, was er hier sprake van een zeer uitzonderlijke situatie die verband hield met het feit dat de nationale rechtsorde in geen enkele procedure voorziet voor de uitvoering van een communautaire beschikking waarbij de terugvordering van staatssteun wordt gelast. Het Koninkrijk Spanje heeft deze situatie verholpen door nationale procedures voor de herziening van nietige handelingen in te voeren, waarover de Commissie werd ingelicht bij brief van 25 oktober 2002.
49 De Commissie is hoe dan ook een tijdens de vergadering van 18 april 2002 aangegane verbintenis niet nagekomen.
50 Dienaangaande benadrukt het Koninkrijk Spanje dat de Commissie tijdens die vergadering, die hoofdzakelijk ging over de tweede vraag in de brieven van de provinciale autoriteiten betreffende de richtsnoeren, heeft gepreciseerd dat het mogelijk was om er in het kader van de terugvordering van steun rekening mee te houden dat de investeringsprojecten voldeden aan alle materiële voorwaarden die in deze richtsnoeren worden geformuleerd, zodat het mogelijk was geweest om de daadwerkelijk ontvangen steun of een deel daarvan niet terug te vorderen van de begunstigden.
51 De Commissie heeft zich er vervolgens toe verbonden om na afloop van de vergadering de tweede vraag schriftelijk te beantwoorden, hetgeen zij evenwel heeft nagelaten.
52 Zij kan derhalve geen niet-nakomingen aanvoeren.
Beoordeling door het Hof
Relevante datum voor de beoordeling van de niet-nakomingen
53 Aangezien artikel 88, lid 2, tweede alinea, EG, anders dan artikel 226 EG, niet voorziet in een precontentieuze procedure en de Commissie derhalve geen met redenen omkleed advies uitbrengt waarin de lidstaten een termijn voor nakoming van haar beschikking wordt gesteld, kan de in aanmerking te nemen termijn voor de toepassing van eerstgenoemde bepaling slechts de termijn zijn die is bepaald in de beschikking tegen de niet-nakoming waarvan wordt opgekomen of, in voorkomend geval, de later door de Commissie gestelde termijn (arresten van 3 juli 2001, Commissie/België, C‑378/98, Jurispr. blz. I‑5107, punt 26, en 1 april 2004, Commissie/Italië, C‑99/02, Jurispr. blz. I‑3353, punt 24).
54 Bij artikel 4 van elk van de litigieuze beschikkingen is het Koninkrijk Spanje een termijn van twee maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikkingen gesteld om hieraan te voldoen.
55 Van de litigieuze beschikkingen is bij brieven van 12 juli 2001 kennis gegeven.
56 Er moet worden vastgesteld dat de brieven van de Commissie van 12 oktober 2001 en 27 augustus 2002 weliswaar een antwoordtermijn stellen, maar slechts aanmaningsbrieven zijn waarin wordt gewezen op de vertraging bij de inachtneming van de termijn van artikel 4 van elk van de litigieuze beschikkingen. Zij bevatten geenszins een verlenging van de termijn die werd gesteld voor de vaststelling zelf van de maatregelen die noodzakelijk zijn om aan deze beschikkingen te voldoen.
57 Evenzo bevat het schrijven van de Commissie van 3 juni 2002 voornamelijk een aanmaning, voorzien van een antwoordtermijn van 20 dagen, ook al bevat het overigens het door het Koninkrijk Spanje gevraagde advies van de Commissie over de mogelijkheid om bij de terugvordering van de steun verordening nr. 69/2001 toe te passen.
58 De brief van 3 oktober 2002 bevat louter de goedkeuring door de Commissie van een door het Koninkrijk Spanje gevraagd uitstel tot en met 8 oktober 2002 van de uiterste datum van de termijn die was gesteld voor het antwoord op de aanmaningsbrief van 27 augustus 2002.
59 De vergadering van 18 april 2002, die werd belegd in het kader van de samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten, kan niet worden geacht op zich een verlenging mee te brengen van de termijn voor de vaststelling van de uitvoeringsmaatregelen, nu er geen andere gegevens zijn die wijzen op een voornemen in die zin van de Commissie.
60 Derhalve blijkt uit de gegevens van het dossier niet dat de Commissie na de litigieuze beschikkingen een nieuwe termijn zou hebben vastgesteld in de plaats van de termijn van twee maanden die wordt gesteld bij artikel 4 van elk van deze beschikkingen.
Bestaan van niet-nakomingen
61 Er dient te worden beoordeeld of het Koninkrijk Spanje bij afloop van de bij de litigieuze beschikkingen gestelde termijn van twee maanden vanaf de kennisgeving ervan bij brieven van 12 juli 2001, had voldaan aan de door de Commissie genoemde bepalingen van die beschikkingen.
– Grieven inzake de verplichtingen om de uitwerking van de steunregelingen voor de toekomst op te heffen en om de nog niet uitbetaalde steun op te schorten
62 Artikel 2 van elk van de litigieuze beschikkingen gelast het Koninkrijk Spanje om de betrokken steunregelingen in te trekken voor zover zij nog uitwerking hebben. Artikel 3, lid 1, tweede alinea, van elk van deze beschikkingen schrijft de opschorting van alle nog niet uitbetaalde steun voor.
63 Uit de punten 7 en volgende van de litigieuze beschikkingen blijkt dat in het kader van elk van de betrokken regelingen:
– een administratief besluit nodig was om voor de steunmaatregel in aanmerking te komen;
– het belastingkrediet van 45 % van de investeringen, dat aftrekbaar is van de verschuldigde belasting, gedurende meerdere jaren, in voorkomend geval na de litigieuze beschikkingen, aanleiding kon geven tot aftrekken die voorheen niet konden worden toegepast omdat de verschuldigde belasting onvoldoende hoog was;
– de steunmaatregelen ten gunste van recentelijk opgerichte ondernemingen bestonden in verminderingen met respectievelijk 99 %, 75 %, 50 % en 25 % van de positieve belastinggrondslag tijdens de vier belastingjaren die volgen op het eerste belastingjaar waarin binnen vier jaar na het begin van de bedrijfsactiviteiten een dergelijke positieve grondslag is gehaald.
64 Bijgevolg konden of moesten de daadwerkelijk genomen administratieve besluiten tot toekenning, afhankelijk van de betrokken steunregeling, werking hebben na de litigieuze beschikkingen, wanneer er geen concrete nationale maatregelen waren genomen ter uitvoering hiervan.
65 De aftrek van belastingkredieten en de vermindering van de belastinggrondslag die daardoor mogelijk waren voor het tijdvak na de litigieuze beschikkingen, vormden de nog niet uitbetaalde steun in de zin van artikel 3, lid 1, tweede alinea, van elk van deze beschikkingen.
66 Er moet echter worden vastgesteld dat het Koninkrijk Spanje niet heeft aangetoond dat er gepaste maatregelen waren vastgesteld om te voorkomen dat eerdere besluiten tot toekenning nog werking hebben.
67 Gesteld al dat, zoals deze lidstaat betoogt, de naar nationaal recht passende en noodzakelijke maatregel om aan de litigieuze beschikkingen te voldoen, alleen maar was dat de betrokken ondernemingen werd meegedeeld dat zij voortaan niet langer gebruik konden maken van de in de litigieuze beschikkingen bedoelde belastingmaatregelen, moet verder worden vastgesteld dat evenmin is aangetoond dat een dergelijke mededeling aan de ondernemingen die de steun hebben ontvangen, ook werkelijk heeft plaatsgehad.
68 Punt 2 van elk van de brieven van de provinciale autoriteiten verwijst immers slechts in algemene bewoordingen naar initiatieven die door de administratie werden genomen ten aanzien van de betrokken belastingplichtigen, teneinde de „voor de uitvoering” van de litigieuze beschikkingen „noodzakelijke inlichtingen te verkrijgen”.
69 Derhalve moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk Spanje bij afloop van de bij de litigieuze beschikkingen gestelde termijn niet de verplichting was nagekomen om de vóór deze beschikkingen toegekende steunmaatregelen die noodzakelijkerwijs daarna nog uitwerking hebben, op te schorten.
70 In deze omstandigheden zijn de overeenkomstige grieven van de Commissie inzake de niet-naleving van de artikelen 2 en 3, lid 1, tweede alinea, van elk van de litigieuze beschikkingen gegrond.
– Grieven inzake de verplichting tot terugvordering van de reeds ter beschikking van ondernemingen gestelde steun
71 Indien negatieve beschikkingen worden gegeven in gevallen van onrechtmatige steun, gebeurt de door de Commissie gelaste terugvordering hiervan volgens de voorwaarden van artikel 14, lid 3, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88] van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1), volgens hetwelk:
„[...] terugvordering onverwijld en in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures van de betrokken lidstaat [dient] te geschieden, voor zover die procedures een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de beschikking van de Commissie toelaten. Daartoe nemen de betrokken lidstaten in geval van een procedure voor een nationale rechtbank alle nodige maatregelen, met inbegrip van voorlopige maatregelen, waarover zij binnen hun nationale rechtsstelsel beschikken om dit doel te bereiken, onverminderd de communautaire wetgeving.”
72 Volgens vaste rechtspraak bestaat het enige verweer dat een lidstaat tegen een door de Commissie krachtens artikel 88, lid 2, EG ingesteld beroep wegens niet-nakoming kan aanvoeren, in een volstrekte onmogelijkheid om de beschikking waarbij de terugvordering is gelast, correct uit te voeren (zie met name arrest van 26 juni 2003, Commissie/Spanje, C‑404/00, Jurispr. blz. I‑6695, punt 45; arrest Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 16, en arrest van 12 mei 2005, Commissie/Griekenland, C‑415/03, Jurispr. blz. I‑3875, punt 35).
73 In de onderhavige zaken heeft het Koninkrijk Spanje door middel van de brieven van de provinciale autoriteiten eerst een beroep gedaan op de „ingewikkeldheid van bepaalde vraagstukken” met betrekking tot de uitvoering van de litigieuze beschikkingen, welke ingewikkeldheid in het bijzonder verband zou hebben gehouden met de noodzaak om naar nationaal recht definitief geworden administratieve handelingen te herzien en waarvoor in het nationale recht geen oplossing was voorzien. Daarna heeft het door middel van de brief van 25 oktober 2002 betoogd dat de situatie waarmee de administratie te maken had „zeer uitzonderlijk” was, aangezien de nationale rechtsorde geen uitdrukkelijke bepaling kende waarbij een concrete procedure wordt aangewezen of vastgesteld voor de uitvoering van een beschikking waarbij de terugvordering van onverenigbare steun wordt gelast. Door middel van dezelfde brief heeft het Koninkrijk Spanje gepreciseerd dat het hiertoe ten slotte relevant is geacht de individuele handelingen tot toekenning ambtshalve te herzien.
74 Dienaangaande moet er evenwel aan worden herinnerd dat aan de voorwaarde van volstrekte onmogelijkheid tot uitvoering niet is voldaan wanneer de verwerende regering zich ertoe beperkt, de Commissie in kennis te stellen van de juridische, politieke of praktische moeilijkheden die de uitvoering van de beschikking meebrengt, zonder tegen de betrokken ondernemingen tot werkelijke actie over te gaan om de steun terug te krijgen en zonder de Commissie alternatieven voor de uitvoering van de beschikking voor te stellen waardoor de moeilijkheden hadden kunnen worden overwonnen (zie met name reeds aangehaalde arresten Commissie/Spanje, punt 47; Commissie/Italië, punt 18, en Commissie/Griekenland, punt 43).
75 Het Koninkrijk Spanje kan niet met succes stellen dat er hoe dan ook van geen enkele niet-nakoming sprake was toen de beroepen werden ingesteld, aangezien reeds een begin was gemaakt met de handelingen die noodzakelijk waren om aan de litigieuze beschikkingen te voldoen en deze bij de brieven van de provinciale autoriteiten en vervolgens bij brief van 25 oktober 2002 aan de Commissie waren meegedeeld.
76 Het bestaan van niet-nakomingen dient immers te worden beoordeeld op de uiterste datum van de termijn die aan het Koninkrijk Spanje is gesteld om aan de litigieuze beschikkingen te voldoen.
77 De door de verwerende lidstaat genoemde brieven tonen echter geenszins aan dat er binnen die termijn maatregelen waren genomen die in de zin van artikel 14, lid 3, van verordening nr. 659/1999 de onverwijlde en daadwerkelijke uitvoering van de litigieuze beschikkingen mogelijk maakten, aangezien:
– de brieven van de provinciale autoriteiten slechts gewag maken van „stappen [...] jegens de door de beschikkingen geraakte belastingplichtigen teneinde de voor de uitvoering” van de litigieuze beschikkingen „noodzakelijke inlichtingen te verkrijgen”;
– in de rapporten die werden toegezonden bij brief van 25 oktober 2002, dat wil zeggen méér dan vijftien maanden na de litigieuze beschikkingen, alleen maar wordt verklaard dat „[e]r een aanvang is gemaakt met de uitvoering van de beschikkingen van de Commissie [...] en deze nog steeds aan de gang is in overeenstemming met de bepalingen van de nationale rechtsorde inzake de herziening van nietige handelingen”, zonder dat er ook maar het geringste bewijsstuk is bijgevoegd inzake de daadwerkelijke inleiding van procedures en de stand daarvan, de identiteit van de begunstigden van de steunmaatregelen, hoewel die logischerwijs met naam worden genoemd in individuele beschikkingen tot toekenning, of de bedragen van de toegekende steunmaatregelen.
78 Het Koninkrijk Spanje kan ten slotte de mogelijkheid voor de Commissie om niet-nakomingen aan te voeren, niet betwisten op grond dat zij een op de vergadering van 18 april 2002 aangegane verbintenis om schriftelijk te antwoorden op de door het Koninkrijk Spanje tijdens deze vergadering gestelde vragen, met name inzake de mogelijkheid om de richtsnoeren toe te passen, niet is nagekomen.
79 Hiervoor heeft het zich immers gebaseerd op een gegeven dat ratione temporis niet relevant is, te weten een verbintenis die is aangegaan méér dan zeven maanden na de uiterste datum van de aan het Koninkrijk Spanje gestelde termijn om aan de litigieuze beschikkingen te voldoen, op welke datum het bestaan van niet-nakomingen dient te worden beoordeeld.
80 In deze omstandigheden zijn de grieven van de Commissie inzake de niet-naleving van artikel 3, leden 1, eerste alinea, en 2, van elk van de litigieuze beschikkingen gegrond.
81 Uit één en ander volgt dat de beroepen gegrond zijn voor zover de Commissie het Koninkrijk Spanje verwijt dat het niet de nodige maatregelen heeft genomen voor de opschorting van de vóór de litigieuze beschikkingen toegekende steunmaatregelen die noodzakelijkerwijs daarna nog uitwerking hebben en dat het voorts niet de nodige maatregelen heeft genomen om de reeds ter beschikking gestelde steun terug te vorderen.
82 Het Hof behoeft zich niet uit te spreken over de conclusies die ertoe strekken, het Koninkrijk Spanje te doen veroordelen op grond dat het de Commissie geen mededeling heeft gedaan van de in het vorige punt bedoelde maatregelen, aangezien deze lidstaat die juist niet binnen de gestelde termijnen heeft uitgevoerd (zie arrest van 4 april 1995, Commissie/Italië, C‑348/93, Jurispr. blz. I‑673, punt 31).
83 Er dient dus te worden vastgesteld dat het Koninkrijk Spanje, door niet binnen de gestelde termijn alle maatregelen te hebben genomen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 2 en 3 van elk van de litigieuze beschikkingen, de krachtens die beschikkingen op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
84 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk Spanje in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart:
1) Door niet binnen de gestelde termijn alle maatregelen te hebben genomen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 2 en 3 van elk van de beschikkingen:
– 2002/820/EG van de Commissie van 11 juli 2001 inzake de steunregeling die door Spanje ten behoeve van de ondernemingen in Álava in de vorm van een belastingkrediet van 45 % van de investeringen ten uitvoer is gelegd (zaak C‑485/03);
– 2002/892/EG van de Commissie van 11 juli 2001 betreffende de door Spanje ten uitvoer gelegde steunregeling ten gunste van bepaalde recentelijk opgerichte ondernemingen in Álava (Spanje) (zaak C‑488/03);
– 2003/27/EG van de Commissie van 11 juli 2001 inzake de steunregeling die door Spanje ten behoeve van de ondernemingen in Vizcaya in de vorm van een belastingkrediet van 45 % van de investeringen ten uitvoer is gelegd (zaak C‑487/03);
– 2002/806/EG van de Commissie van 11 juli 2001 betreffende de door Spanje ten uitvoer gelegde steunregeling ten gunste van bepaalde recentelijk opgerichte ondernemingen in Vizcaya (Spanje) (zaak C‑490/03);
– 2002/894/EG van de Commissie van 11 juli 2001 inzake de steunregeling die door Spanje ten behoeve van de ondernemingen in Guipúzcoa in de vorm van een belastingkrediet van 45 % van de investeringen ten uitvoer is gelegd (zaak C‑486/03), en
– 2002/540/EG van de Commissie van 11 juli 2001 betreffende de door Spanje ten uitvoer gelegde steunregeling ten gunste van bepaalde recentelijk opgerichte ondernemingen in Guipúzcoa (Spanje) (zaak C‑489/03),
is het Koninkrijk Spanje de krachtens die beschikkingen op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk Spanje wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Spaans.
Full & Egal Universal Law Academy