Zaak C‑499/03 P
Peter Biegi Nahrungsmittel GmbH
en
Commonfood Handelsgesellschaft für Agrar-Produkte mbH
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Gemeenschappelijk douanetarief – Navordering van invoerrechten – Afzien van navordering – Voorwaarden – Artikel 220, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 2913/92 – Vergissing van douaneautoriteiten – Vergissing die kon worden ontdekt – Gecombineerde nomenclatuur – Vermeldingen – Strekking”
Conclusie van advocaat-generaal L. A. Geelhoed van 14 oktober 2004
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 3 maart 2005.
Samenvatting van het arrest
1. Hogere voorziening – Middelen – Onjuiste beoordeling van feiten – Niet-ontvankelijkheid – Afwijzing – Juridische kwalificatie van feiten – Ontvankelijkheid
(Art. 225 EG; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58)
2. Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen – Navordering van rechten bij invoer of bij uitvoer – Voorwaarden voor niet-boeking van invoerrechten, genoemd in artikel 220, lid 2, sub b, van verordening nr. 2913/92 – Vergissing van administratie die „belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken” – Beoordelingscriteria – Verordening nr. 1359/95, die als ingewikkeld aan te merken bepalingen bevat
(Verordeningen van de Raad nr. 2913/92, art. 220, lid 2, sub b, en nr. 1359/95)
1. Volgens artikel 225 EG en artikel 58 van het Statuut van het Hof van Justitie is de hogere voorziening tot rechtsvragen beperkt. Bijgevolg is alleen het Gerecht bevoegd de feiten vast te stellen, tenzij uit de overgelegde stukken blijkt dat zijn bevindingen materieel onjuist zijn, en deze vervolgens te beoordelen. De beoordeling van de feiten levert dus geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof in het kader van een hogere voorziening, behoudens in het geval van een verkeerde voorstelling van de hem voorgelegde gegevens. Wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, is het Hof daarentegen krachtens artikel 225 EG bevoegd de juridische kwalificatie van deze feiten en de door het Gerecht daaraan verbonden rechtsgevolgen te toetsen. Een dergelijke kwalificatie vormt immers een rechtsvraag die als zodanig in het kader van een hogere voorziening door het Hof kan worden getoetst.
(cf. punten 40‑41)
2. Volgens artikel 220, lid 2, sub b, van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, moet aan drie cumulatieve voorwaarden zijn voldaan opdat de bevoegde autoriteiten kunnen afzien van boeking achteraf van invoerrechten, te weten dat inning van de rechten achterwege is gebleven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten, dat de vergissing van deze autoriteiten van dien aard is geweest dat een belastingschuldige te goeder trouw deze redelijkerwijze niet kon ontdekken, en dat deze voor zijn douaneaangifte aan alle voorschriften van de geldende regelgeving heeft voldaan.
Bij de beantwoording van de vraag of een vergissing van de bevoegde douaneautoriteiten kon worden ontdekt, moet worden gelet op de aard van de vergissing, de beroepservaring van de betrokken ondernemers en de mate van de door hen betrachte zorgvuldigheid. Wat de aard van de vergissing betreft, om deze te beoordelen moet worden onderzocht hoe ingewikkeld de betrokken regeling is of, andersom, of die regeling voldoende eenvoudig is, en hoelang de autoriteiten aan hun onjuiste zienswijze zijn blijven vasthouden.
In dit verband creëren bepaalde voorschriften van verordening nr. 1359/95 tot wijziging van de bijlagen I en II van verordening nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief en tot intrekking van verordening nr. 802/80, een situatie die niet zo eenvoudig is dat bij onderzoek ervan gemakkelijk kan worden ontdekt dat voor het gebruik van de tariefcontingenten voor bepaalde goederen vanaf 1 juli 1995 nog steeds de in verordening nr. 1431/94 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering, in de sector slachtpluimvee, van de invoerregeling waarin is voorzien bij verordening nr. 774/94, bepaalde voorwaarde geldt dat een invoercertificaat moest worden overgelegd. In die omstandigheden kan deze regeling objectief als ingewikkeld worden aangemerkt en zijn de vergissingen van de douaneautoriteiten, die toen zij hun gebruikstarief wijzigden, niet hebben gepreciseerd dat bij invoer van genoemde goederen een dergelijk certificaat moest worden overgelegd, van dien aard dat de marktdeelnemers deze redelijkerwijs niet konden ontdekken.
(cf. punten 46‑48, 54‑56)
ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
3 maart 2005(1)
„Hogere voorziening – Gemeenschappelijk douanetarief – Navordering van invoerrechten – Afzien van navordering – Voorwaarden – Artikel 220, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 2913/92 – Vergissing van douaneautoriteiten – Vergissing die kon worden ontdekt – Gecombineerde nomenclatuur – Vermeldingen – Strekking”
In zaak C‑499/03 P, betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op 25 november 2003,
Peter Biegi Nahrungsmittel GmbH, gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland) , Commonfood Handelsgesellschaft für Agrar-Produkte mbH, gevestigd te Langen (Duitsland),
rekwiranten, vertegenwoordigd door K. Landry en L. Harings, Rechtsanwälte,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door X. Lewis en J. Schieferer als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg, wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),,
samengesteld als volgt: A. Borg Barthet, kamerpresident, J.‑P. Puissochet en J. Malenovský (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken en na de terechtzitting op
16 september 2004,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 oktober 2004,
het navolgende
Arrest
1 Met hun hogere voorziening verzoeken Peter Biegi Nahrungsmittel GmbH en Commonfood Handelsgesellschaft für Agrar-Produkte mbH (hierna, respectievelijk: „Biegi” en „Commonfood”, en gezamenlijk: „rekwiranten”) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 17 september 2003, Biegi Nahrungsmittel en Commonfood/Commissie (T‑309/01 en T‑239/02, Jurispr. blz. II‑3147; hierna: „bestreden arrest”), houdende enerzijds verwerping van het beroep van Biegi strekkende tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C (2001) 2533 van de Commissie van 14 augustus 2001 (REC 4/00) waarbij is vastgesteld dat het gerechtvaardigd was over „te” gaan tot boeking achteraf van de invoerrechten die niet zijn geheven voor de invoer van vlees van gevogelte uit Thailand gedurende de periode van 13 tot en met 18 juli 1995 en van 4 tot en met 22 september 1995, en anderzijds verwerping van het beroep van Commonfood strekkende tot nietigverklaring van beschikking C (2002) 857 van de Commissie van 5 maart 2002 (REC 4/01) waarbij is vastgesteld dat het gerechtvaardigd was over „te” gaan tot boeking achteraf van de invoerrechten die niet zijn geheven voor de invoer van vlees van gevogelte uit Thailand die op 24 juli 1995 plaatsvond (hierna: „litigieuze beschikkingen”).
Toepasselijke bepalingen
2 In punt 1 van het bestreden arrest heeft het Gerecht gepreciseerd:
„1 Bij artikel 3 van verordening (EG) nr. 774/94 van de Raad van 29 maart 1994 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten voor kwaliteitsrundvlees, varkensvlees, slachtpluimvee, tarwe en mengkoren, en zemelen, slijpsel en andere resten (PB L 91, blz. 1) is met ingang van [1 januari 1994] een jaarlijks communautair tariefcontingent van in totaal [15 500] ton geopend voor vlees van hanen of hennen van de GN‑codes 0207 41 10, 0207 41 41 en 0207 41 71. Voor dit tariefcontingent is het recht van het gemeenschappelijk douanetarief op 0 % vastgesteld. Ditzelfde jaarlijkse communautaire tariefcontingent tegen een recht van 0 % is gehandhaafd bij artikel 1 van verordening (EG) nr. 2198/95 van de Commissie van 18 september 1995 tot wijziging van verordening nr. 774/94 (PB L 221, blz. 3), die overeenkomstig artikel 2 ervan met ingang van 1 juli 1995 van toepassing is geworden.”
3 Artikel 1 van verordening (EG) nr. 1431/94 van de Commissie van 22 juni 1994 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering, in de sector slachtpluimvee, van de invoerregeling waarin is voorzien bij verordening nr. 774/94 (PB L 156, blz. 9), die overeenkomstig artikel 8 ervan op 26 juni 1994 in werking is getreden, luidt:
„Voor alle producten van de in bijlage I bedoelde groepen die in de Gemeenschap worden ingevoerd in het kader van de in de artikelen 3 en 4 van verordening [...] nr. 774/94 bedoelde tariefcontingenten, moet een invoercertificaat worden overgelegd.
In bijlage I zijn voor iedere groep producten de voor deze regeling in aanmerking komende hoeveelheden aangegeven, alsmede het percentage van de heffing.”
4 In bijlage I bij verordening nr. 1431/94 is een heffing van 0 % vastgesteld voor een jaarlijkse hoeveelheid van maximaal 5 100 ton vlees van kippen van de GN‑codes 0207 41 10, 0207 41 41 en 0207 41 71 afkomstig uit Thailand (groep 2). Dezelfde heffing is vastgesteld voor een jaarlijkse hoeveelheid van 7 100 ton vlees van kippen van dezelfde GN‑codes afkomstig uit Brazilië (groep 1) en voor een jaarlijkse hoeveelheid van 3 300 ton afkomstig uit andere derde landen (groep 3).
5 Bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1) is een nieuwe goederennomenclatuur ingesteld („gecombineerde nomenclatuur”, afgekort: „GN”). De gecombineerde nomenclatuur is opgenomen in bijlage I bij deze verordening, waarin eveneens de toepasselijke rechten en de andere vereiste elementen zijn vastgesteld.
6 Verordening (EG) nr. 1359/95 van de Commissie van 13 juni 1995 heeft de bijlagen I en II bij verordening (EEG) nr. 2658/87 gewijzigd en verordening (EEG) nr. 802/80 ingetrokken (PB L 142, blz. 1). Verordening nr. 1359/95 is krachtens artikel 3 ervan op 1 juli 1995 in werking getreden.
7 In de aldus gewijzigde versie bevatte de gecombineerde nomenclatuur, in het derde deel, „Bijlagen bij het tarief”, afdeling III, „Contingenten”, een bijlage 7 met het opschrift „Door de bevoegde communautaire autoriteiten te openen WTO‑tariefcontingenten”. Onder volgnummer 18 van deze bijlage is het volgende bepaald:
iVBORw0KGgoAAAANSUhEUgAAAigAAAESAQMAAADtyryQAAAAAXNSR0ICQMB9xQAAAAZQTFRF AAAAAAAApWe5zwAAAAF0Uk5TAEDm2GYAAAAJcEhZcwAADsQAAA7EAZUrDhsAAAAZdEVYdFNv ZnR3YXJlAE1pY3Jvc29mdCBPZmZpY2V/7TVxAAAEjklEQVR42u3bb2wTZRgA8Lsr7dpZQteM 2AnGDt3YIOLaoKnLFjrXdWvZiLHDxMWY+WXAQmUxi/HDSk4TwxaCATJxnWbWUdCSmGACfPDP 1jhD/IAK9oNjQbbEgJjsT/0TbwRcvfe9e693pkt3d40IPM+ne9vcr8/dPe/16ZsrRT2S0Rtp iqJslBjSBkv9K2hpy0o2GNnbNlBAAYWad5DBlRkqSRQP5TAykuKhnERJW4liM8kUn1kc0Fu9 lJcoPsosy6WF380sKC2rnERhZErTwfnbiy8hxdToukiU5onuTKaZFZWGhd7IF0msBJ7sEZUt b3+ZVTa1nutu/xgp9b7gbqL444eaQgmSyzOv1Q5fFnJ59XxMVDaHnmOzyvbK7vYbSCn9M/i6 pJwcaApVSkqX+5XoaayEviZKbSglU1p5pR8rvmCnpHzIK1VECXa5+4e8WAn6iOIP2bNHVPIB l1nqQ4P5RtciUbb9FVnYOE4UF3eLm2axMje2KCq/7LuZzYVa5c1dLzRlZrP10p+n6gxsbsVE Fcmqrgdm4/2g8DeMOqYTKxa7TOlUpfB1WcrfYpBSfFSmOFUpoQcvra2cwUpJuaAUTWauXL0W U6PsPXXqWErIxdYgKMwJ9/N7Nl1Uo7R+9vngH6IyIClTiS2HVSmjo6UTovIOUVzdiSpVykJZ 2RiXFs6LRVBox82NfdykxnoxM4WousIo98lshK4ZFFAKoxjIwCRXDKxcYSSlRlJMCoUmA4si F69cMUmKV1LMuRVaobC5lU5JWb8ChVYoxZJikxR7boVZ/ojWrFwxLq8weRV8NWzkA/NdoxlJ scIMAAUUUEC5qxXod0EBBRRQ1ChGp7hhZ2UKE5Mrxayo0FWSshbOLiiggALKXa1A1wwKKP8n xZFUKOkaYTmXfjOrTFgviApesM2lWJwKpcWmXKNFiq/E7RQUxrsypak0NTf63vaG3e9e7SCK v8zdk0cxK4/IP7zHn2o7O3rm5+pPiNJgVJtL80ggeHRn/aPx49W/aleCDqS4Njx2vHpAhbJe eUS/jc0emN43/in343eRpKjMey548lyj5eqFNuO1b51VZ3gfZuO9rLzBFiSXwijXMvvPsLqV 4Xi0Q38uI/HoD/qVoXjUrl/p2tF3S/95gRkACiiggALKHVSs59N1T7NIMeDnSrQp68Lpveu8 SKGFZ8Q1KQ+FDwsK99ETnoNerUqbbRYricvtFTtjWpVvy4VcqqO9FT85tSqHym9j5YWor6JE q7L6unN/PbpG3PSY4/vTULuggAIKKKDcsZ6hiCWrFS+zBk0K6hlWs2i1Au3mZGlNCuoZsHKd O/ZW7MbJA+GlKQ0K3zM8jJRoYHPw0tZU4KnBsAaF7xkex0pb7Y4jdb8HOgYTGhS+Z9iGlcYN LUdqvtKmoJ5hTRKtVsxN75r8m9s1/k2EhdoFBRRQQAHlP1ZQz4C/1fA/abQqqGfAv4Szr2lQ UM9QgZSp3kUdCt8zGJESHm7XofA9gwUpiZEXdSh8zyAoQ89qV1DP8ECSVyJLs1C7955SmOeC ICAgICBWFv8AWyQk4ymYFvYAAAAASUVORK5CYII=
8 Artikel 220, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: „CDW”) luidt:
„2. [...]tot boeking achteraf wordt niet overgegaan wanneer:
[...]
b) het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan”.
9 Artikel 871 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 (PB L 253, blz. 1), bepaalt:
„Wanneer de douaneautoriteiten […] van oordeel zijn dat aan de in artikel 220, lid 2, sub b, van het Wetboek bedoelde voorwaarden is voldaan of twijfels hebben omtrent de toepasbaarheid van de criteria van deze bepaling op het betreffende geval, leggen zij dit geval aan de Commissie voor opdat het wordt behandeld overeenkomstig de procedure bedoeld in de artikelen 872 tot en met 876 […]”
10 Artikel 873 van deze verordening luidt als volgt:
„Na raadpleging van een groep van deskundigen bestaande uit vertegenwoordigers van alle lidstaten die in het kader van het comité bijeenkomen teneinde het betrokken geval te onderzoeken, neemt de Commissie een beschikking waarbij zij vaststelt dat hetzij de onderzochte situatie van zodanige aard is dat niet behoeft te worden overgegaan tot boeking achteraf van de betreffende rechten, hetzij dat deze situatie niet van dien aard is […]”
Feiten
11 De feiten die aan het geschil ten grondslag liggen, worden in het bestreden arrest in de punten 8 tot en met 18 uiteengezet als volgt:
„8 […] Biegi […] en Commonfood […] zijn onderling gelieerde vennootschappen naar Duits recht die werkzaam zijn in de sector van de handel in vlees van gevogelte. Zij behoren tot de belangrijkste importeurs van kippenvlees in Duitsland.
9 Bij decreet van 29 juni 1995 (genoemd ‚Eilverteiler’) heeft het Duitse Bondsministerie van Financiën het gebruikstarief van de Duitse douane gewijzigd door daarin onder meer met ingang van 1 juli 1995 het tariefcontingent K 4047 (kippenvlees) met een recht van 0 % op te nemen. Dit contingent komt overeen met de eerder genoemde GN‑codes 0207 41 10, 0207 41 41 en 0207 41 71. De Eilverteiler bevatte geen enkele aanwijzing dat voor de invoer van producten die onder dat tariefcontingent vielen, een invoercertificaat vereist was.
10 In de periode van 13 tot en met 18 juli 1995 en van 4 tot en met 22 september 1995 gaf Biegi verschillende zendingen bevroren delen van kippen van GN‑code 0207 41 10 afkomstig uit Thailand ten invoer aan. Op 24 juli 1995 gaf Commonfood verschillende zendingen bevroren delen van kippen van dezelfde GN‑code afkomstig uit Thailand ten invoer aan. Verzoeksters voegden bij hun douaneaangiften geen invoercertificaten.
11 Na de bij de Eilverteiler ingevoerde wijziging van het gebruikstarief van de Duitse douane heeft het bevoegde douanekantoor het bovengenoemde communautaire tariefcontingent benut en verzoeksters vrijstelling van douanerechten verleend.
12 In augustus 1995 hebben verzoeksters, die twijfels hadden gekregen over de tijdens de inklaring van juli 1995 toegepaste rechten, via degene die verantwoordelijk was voor het beheer van de invoercertificaten, telefonisch contact opgenomen met het Bondsministerie van Financiën, alsmede met de centrale controledienst voor de tariefcontingenten, teneinde nadere inlichtingen te verkrijgen over de regeling die van toepassing was op de invoer van de betrokken producten. In eerste instantie hebben de betrokken diensten telefonisch verklaard dat de toegepaste rechten correct waren, ook al was bij de douaneaangiften geen invoercertificaat overgelegd. Verzoeksters hebben daarop een schriftelijke bevestiging van deze informatie gevraagd.
13 In het schriftelijke antwoord van de Duitse douanedienst, dat verzoeksters bij brief van 22 augustus 1995 is toegezonden, werd echter vermeld dat voor gebruikmaking van het tariefcontingent bij de douaneaangifte een invoercertificaat moest worden overgelegd. Diezelfde dag heeft het Bondsministerie van Financiën het gebruikstarief van de Duitse douane met terugwerkende kracht gewijzigd. Deze wijziging had tot gevolg dat met ingang van 1 juli 1995 bij gebruikmaking van het betrokken tariefcontingent een invoercertificaat moest worden overgelegd.
14 Bij twee fiscale wijzigingsbeschikkingen van 12 en 13 augustus 1996 is het bevoegde douanekantoor, het Hauptzollamt Bremen-Freihafen, daarop overgegaan tot navordering van invoerrechten, te weten, voor de invoer van Commonfood een bedrag van 222 166,06 DEM (beschikking van 12 augustus 1996) en voor de invoer van Biegi een bedrag van 259 270,23 DEM, waarvan 218 605,64 DEM voor de invoer van juli 1995 en 40 664,59 DEM voor de invoer van september 1995 (beschikking van 13 augustus 1996).
15 Met een beroep op hun goede trouw, de vergissing van de Duitse autoriteiten en het feit dat deze niet kon worden ontdekt, hebben verzoeksters gevraagd niet over te gaan tot boeking achteraf van invoerrechten.
16 Nadat hun verzoeken op 30 juli 1997 door het bevoegde douanekantoor waren afgewezen, hebben verzoeksters beroep ingesteld bij het Finanzgericht Bremen (Duitsland). Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting die na de instructie van de zaak op 14 december 1999 heeft plaatsgevonden, heeft deze rechterlijke instantie zich op het standpunt gesteld dat het beroep van Biegi, wat de douaneaangiften van de maand september 1995 betrof, weinig kans van slagen had, omdat deze vennootschap bij bovengenoemd schrijven van de Duitse douanedienst van 22 augustus 1995 naar behoren op de hoogte was gesteld van de juiste rechtstoestand. Het Finanzgericht Bremen heeft Biegi daarom in overweging gegeven, haar beroep, wat die aangiften betrof, in te trekken. Wat de douaneaangiften van juli 1995 betrof, heeft deze rechterlijke instantie zich evenwel voorlopig op het standpunt gesteld dat het mogelijk was verzoeksters bescherming van gewettigd vertrouwen in de zin van artikel 220, lid 2, CDW te verlenen, en heeft zij het bevoegde douanekantoor daarom voorgesteld, na te gaan of het mogelijk was bovengenoemde fiscale wijzigingsbeschikkingen van 12 en 13 augustus 1996 in te trekken voor wat de betrokken aangiften betrof.
17 Overeenkomstig artikel 871 van verordening (EEG) nr. 2454/93 […] heeft de Bondsrepubliek Duitsland de Commissie bij brieven van 2 augustus 2000 en 17 april 2001 verzocht te beslissen, of het op grond van artikel 220, lid 2, sub b, CDW gerechtvaardigd was in de geschillen tussen de belastingdienst en Biegi en Commonfood niet over te gaan tot boeking achteraf van de invoerrechten.
18 Van oordeel dat uit de omstandigheden van de zaken niet bleek dat er sprake was van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die door een ondernemer te goeder trouw niet kon worden ontdekt in de zin van artikel 220, lid 2, sub b, CDW, heeft de Commissie bij beschikkingen van 14 augustus 2001 (zaak T‑309/01) en 5 maart 2002 (zaak T‑239/02) […], beslist dat de invoerrechten die het voorwerp van de bovengenoemde verzoeken van de Bondsrepubliek Duitsland vormden, moesten worden geboekt.”
De beroepen bij het Gerecht en het bestreden arrest
12 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 december 2001 en 8 augustus 2002, hebben rekwiranten beroep ingesteld tot nietigverklaring van de litigieuze beschikkingen.
13 Tot staving van hun beroepen hebben rekwiranten drie middelen aangevoerd: schending van artikel 220, lid 2, sub b, CDW; schending van het evenredigheidsbeginsel, en schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en gelijke behandeling.
14 Bij het bestreden arrest, waarin de zaken T‑309/01 en T‑239/02 zijn gevoegd, heeft het Gerecht alle door verzoeksters aangevoerde middelen ongegrond verklaard en de beroepen verworpen in hun geheel.
15 Met betrekking tot het eerste middel overwoog het Gerecht in punt 83 van het bestreden arrest dat de Commissie zich terecht op het standpunt had gesteld dat in casu niet was voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van artikel 220, lid 2, sub b, CDW, te weten dat ervaren ondernemers de vergissing van de bevoegde douaneautoriteiten niet konden ontdekken, en dat het gerechtvaardigd was de invoerrechten voor de betrokken invoer achteraf te boeken.
16 Tot deze vaststelling is het Gerecht gekomen nadat het eerst de toepasselijke rechtspraak in herinnering heeft gebracht en vervolgens in punt 56 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat onomstreden was dat de Duitse douaneautoriteiten twee vergissingen hadden gemaakt, te weten de uitvaardiging van een onjuiste versie van de Eilverteiler, en de inklaring van de door verzoeksters in juli 1995 ingevoerde goederen met toekenning van het preferentiële tarief, zonder dat een invoercertificaat was overgelegd.
17 Volgens het Gerecht was daarentegen geen sprake van een andere vergissing die volgens verzoeksters hierin bestond dat een ambtenaar van de centrale dienst tariefcontingenten aan hun medewerker Steiner vóór 13 juli 1995, dat wil zeggen vóór de litigieuze invoer, onjuiste telefonische inlichtingen zou hebben verstrekt. Het Gerecht heeft in de punten 58 en 59 van het bestreden arrest vastgesteld dat deze telefonische inlichtingen, nog afgezien van het feit dat zij te laat aan de orde zijn gesteld en dat de relevantie ervan door de Commissie werd betwist, op geen enkele wijze werden aangetoond door de processtukken.
18 Ter weerlegging van de gestelde ingewikkeldheid heeft het Gerecht in punt 63 van het bestreden arrest vervolgens gesteld dat uit artikel 1 van verordening nr. 1431/94 duidelijk bleek dat voor elke invoer in de Gemeenschap die in het kader van het litigieuze meerjarige tariefcontingent geschiedde, een invoercertificaat moest worden overgelegd.
19 Bovendien heeft het Gerecht in de punten 65 tot en met 67 van het bestreden arrest opgemerkt dat verordening nr. 1359/95 houdende een nieuwe versie van de gecombineerde goederennomenclatuur, die vanaf 1 juli 1995 zou gelden, in bijlage 7 daarbij een lijst van de tariefcontingenten van de Wereldhandelsorganistie (WTO) bevatte die door de bevoegde communautaire autoriteiten moesten worden geopend, en dat de verwijzingen naar andere rechtsregels op douanegebied die daarin voorkomen, slechts een declaratoire waarde hadden. Verordening nr. 1359/95 had dus niet met ingang van 1 juli 1995 een nieuw preferentieel tariefcontingent geopend dat los zou staan van dat van verordening nr. 774/94, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2198/95.
20 Het Gerecht heeft eveneens rekening gehouden met het feit dat de bevoegde douaneautoriteiten niet aan hun onjuiste zienswijze hebben vastgehouden maar hun vergissing zeer snel, dat wil zeggen binnen een maand, hebben rechtgezet.
21 Het Gerecht heeft voorts in de punten 70 en 71 van het bestreden arrest gesteld dat verzoeksters tot de ervaren ondernemers zijn te rekenen en dat zij op de hoogte waren van het belang van het invoercertificaat om in aanmerking te komen voor het meerjarig tariefcontingent.
22 Wat ten slotte zijn oordeel betreft dat verzoeksters geen blijk hebben gegeven van de zorgvuldigheid die van hen verwacht mocht worden, heeft het Gerecht in punt 75 van het bestreden arrest geoordeeld dat een marktdeelnemer die zich hoofdzakelijk bezighoudt met de in‑ en uitvoer van goederen en die op dit gebied reeds een zekere ervaring heeft opgedaan, zich door lezing van de desbetreffende Publicatiebladen moet vergewissen van het gemeenschapsrecht dat op zijn transacties van toepassing is. Het komt tot de slotsom dat een dergelijke marktdeelnemer zich derhalve voor het bepalen van het toepasselijke douanetarief niet uitsluitend mag verlaten op de in een nationaal gebruikstarief vermelde gegevens. Het Gerecht heeft voorts in de punten 76 tot en met 81 van het bestreden arrest geoordeeld dat verzoeksters zich evenmin op louter telefonische inlichtingen mochten baseren, en ook niet konden stellen dat zij onvoldoende tijd hadden om de bevoegde autoriteiten schriftelijk om opheldering van de betrokken rechtstoestand te vragen.
23 Ter afwijzing van het tweede middel heeft het Gerecht in punt 88 van het bestreden arrest geoordeeld dat in casu niet aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 220, lid 2, sub b, CDW was voldaan, zodat het achteraf boeken van rechten voor de betrokken invoer waartoe bij de bestreden beschikkingen is besloten, op zich geen schending van het evenredigheidsbeginsel kon opleveren.
24 Ter afwijzing van het derde middel heeft het Gerecht in de punten 93 tot en met 96 van het bestreden arrest geoordeeld enerzijds dat de grief betreffende een vermeende schending van het beginsel van behoorlijk bestuur op geen enkele wijze werd gestaafd, en anderzijds dat de grief betreffende schending van het beginsel van gelijke behandeling, gelet op het feit dat de door verzoeksters aangevoerde situaties niet vergelijkbaar waren, irrelevant was.
Conclusies van partijen
25 Biegi en Commonfood concluderen dat het het Hof behage:
– het bestreden arrest nietig te verklaren;
– beschikking C (2001) 2533 van de Commissie van 14 augustus 2001 (REC 4/00) gedeeltelijk nietig te verklaren voorzover daarbij is vastgesteld dat het gerechtvaardigd is om over te gaan tot boeking achteraf van invoerrechten ten bedrage van 218 605,64 DEM;
– beschikking C (2002) 857 van de Commissie van 5 maart 2002 (REC 4/01) waarbij is vastgesteld dat het gerechtvaardigd is om over te gaan tot boeking achteraf van invoerrechten ten bedrage van 222 116,06 DEM, nietig te verklaren;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
26 De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
– de hogere voorziening af te wijzen.
– rekwiranten te verwijzen in de kosten.
De hogere voorziening
27 Tot staving van hun hogere voorziening voeren rekwiranten twee middelen aan: schending van artikel 220, lid 2, sub b, CDW, en een procedurefout.
28 De Commissie betoogt primair dat deze middelen niet‑ontvankelijk zijn en subsidiair dat zij ongegrond zijn.
Schending van artikel 220, lid 2, sub b, CDW
Argumenten van partijen
29 Rekwiranten verwijten het Gerecht dat het om hun beroepen te verwerpen op grond dat zij de vergissing van de douaneautoriteiten hadden kunnen ontdekken, de zorgvuldigheidsvereisten die voor de marktdeelnemers gelden, heeft overdreven en voorbij is gegaan aan de ingewikkeldheid van de toepasselijke regeling.
30 Volgens rekwiranten moet artikel 220, lid 2, sub b, CDW overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof worden uitgelegd in het licht van het doel van dit voorschrift dat de bescherming beoogt van het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige in de juistheid van alle factoren die een rol spelen bij het besluit om al dan niet tot navordering van douanerechten over te gaan (arrest van 14 november 2002, Ilumitrónica, C‑251/00, Jurispr. blz. I‑10433, punt 39). Hoewel volgens de rechtspraak de aard van de vergissing afhankelijk is van de ingewikkeldheid van de betrokken regeling en van de vraag hoelang de autoriteiten aan hun onjuiste zienswijze hebben vastgehouden, vormt deze duur slechts een aanwijzing en geen autonome noodzakelijke voorwaarde om te erkennen dat deze vergissing niet kon worden ontdekt. In casu gaat het om een constante en herhaalde vergissing van de twee bevoegde Duitse diensten. De ingewikkeldheid van de regeling vloeit voort uit de toepassing van verschillende regelingen die worden gecombineerd zonder dat dit duidelijk wordt gepreciseerd, en het volstaat niet het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen te lezen om concreet te kunnen vaststellen wat het toepasselijke recht is.
31 Rekwiranten betogen dat de Eilverteiler op het tijdstip waarop zij hun beslissingen hebben genomen geen melding maakte van een verplichting om een invoercertificaat over te leggen en verwees naar verordening nr. 1359/95 waarvan de bijlage onder nummer 18 betreffende de betrokken nieuwe WTO‑tariefcontingenten, geen enkele vermelding in kolom 6 bevatte, terwijl deze kolom voor de meeste andere tariefcontingenten preciseerde dat daarop slechts aanspraak bestond mits was voldaan aan de voorwaarden en bepalingen, vastgesteld bij de op dit gebied geldende communautaire bepalingen. Dat onder nummer 18 niets was vermeld, had de Duitse bevoegde autoriteiten en rekwiranten tot de slotsom gebracht dat de twee tariefcontingenten voor vlees van gevogelte die waren vastgesteld in het kader van de overeenkomsten voortvloeiend uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986‑1994), namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden gesloten bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 (PB L 336, blz. 1), tariefcontingenten waren waarvoor geen invoercertificaten behoefden te worden overgelegd.
32 Volgens rekwiranten heeft het Gerecht de feiten onjuist beoordeeld waar het ervan is uitgegaan dat de termijn van twee maanden gedurende welke de hoogste Duitse douaneautoriteiten onjuiste normen hebben gehanteerd, kort was. Dat dergelijke autoriteiten deze vergissing hebben gemaakt, volstaat voor de vaststelling dat deze door ervaren ondernemers niet kon worden ontdekt. Bovendien had zij betrekking op nieuwe tariefcontingenten die niet onder oudere gemeenschapsvoorschriften vielen.
33 Wat hun zorgvuldigheidsverplichtingen betreft betogen rekwiranten dat de douaneautoriteiten er juist doordat rekwiranten de verschillende betrokken diensten bij herhaling vragen hebben gesteld – uitsluitend over de noodzaak om een invoercertificaat over te leggen – toe zijn gebracht de vergissing in de Eilverteiler te rectificeren. Wat de stelling van het Gerecht betreft dat rekwiranten over een toereikende termijn beschikten om zich schriftelijk tot de Commissie te richten, verwijzen zij naar de uiteenzettingen in hun repliek in eerste aanleg. Zij voegen daaraan toe dat het aan de douaneautoriteiten van de lidstaten stond het douanerecht toe te passen en dat artikel 220, lid 2, CDW alle inhoud zou worden ontnomen indien de ondernemingen bij de Commissie om inlichtingen zouden moeten vragen.
34 Volgens de Commissie is dit eerste middel niet-ontvankelijk omdat het in wezen een loutere herhaling is van de voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten dan wel betrekking heeft op feiten. Voorzover het betrekking heeft op bewijsaanbiedingen waarvan het Gerecht onderzoek niet noodzakelijk heeft geacht, betreft de hogere voorziening een feitelijke vraag en is zij in werkelijkheid niets anders dan een herhaling van het beroep. Hetzelfde geldt voor de redenering in de hogere voorziening die is gebaseerd op de ingewikkeldheid van de regeling, op het feit dat de vergissingen van de douaneautoriteiten in bepaalde gevallen niet kunnen worden ontdekt, en op de zorgvuldigheidsplicht van de ondernemingen. De grief betreffende de verkeerde beoordeling van de omstandigheden door het Gerecht, dat tot de conclusie is gekomen dat slechts gedurende korte tijd van een onjuiste zienswijze is uitgegaan, betreft een beoordeling van de feiten.
35 Subsidiair betoogt de Commissie dat het middel ontleend aan schending van het gemeenschapsrecht ongegrond is. Zij beklemtoont dat het reeds aangehaalde arrest Ilumitrónica, dat door rekwiranten is aangevoerd, een vergissing betrof die de Turkse autoriteiten meer dan twintig jaar hebben volgehouden, en een ingewikkeldere – want in zeer diverse bepalingen neergelegde – regeling van vóór het CDW. Bovendien betrof het arrest de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Gemeenschap en Turkije, die op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en door de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds, en die namens de Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (PB 1964, 217, blz. 3685); de besluiten van de bij de betrokken overeenkomst ingestelde associatieraad werden niet in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt. De ingewikkeldheid van die zaak kan dus niet worden vergeleken met die van de onderhavige zaak.
36 De Commissie betoogt dat niet is aangetoond dat de vergissing niet had kunnen worden ontdekt, nu rekwiranten niet hun stellingen hebben gestaafd dat de Duitse douaneautoriteiten verschillende keren telefonisch zouden hebben bevestigd dat er geen invoercertificaten nodig waren. De ingewikkeldheid van de regeling kan in casu niet met succes worden aangevoerd aangezien aan de verplichting om een dergelijk certificaat over te leggen om voor tariefcontingenten in aanmerking te komen, die op het tijdstip van de litigieuze invoer sinds meer dan een jaar gold, kennelijk niet kon worden afgedaan door verordening nr. 1359/95 die enkel de tarief‑ en statistieknomenclatuur betreft. De verwijzingen daarin naar andere rechtsregels op douanegebied hebben slechts een declaratoire waarde en uit het ontbreken van dergelijke verwijzingen kan in geen geval worden afgeleid dat die regels niet van toepassing zijn. Het Duitse gebruikstarief van de douane vormde dus enkel een leidraad om het werk te vergemakkelijken.
Beoordeling door het Hof
– Ontvankelijkheid van het eerste middel
37 Wat de ontvankelijkheid van dit middel betreft zij in de eerste plaats herinnerd aan de vaste rechtspraak dat uit artikel 225 EG, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt, dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven (zie met name arresten van 6 maart 2003, Interporc/Commissie, C‑41/00 P, Jurispr. blz. I‑2125, punt 15, en 29 april 2004, Commissie/CAS Succhi di Frutta, C‑496/99 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 48).
38 Aan de motiveringseisen van deze bepalingen is niet voldaan wanneer een verzoekschrift in hogere voorziening zich beperkt tot een herhaling of een letterlijke weergave van de voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten, waaronder die welke waren gebaseerd op feiten die het Gerecht uitdrukkelijk heeft verworpen (zie met name reeds aangehaalde arresten Interporc/Commissie, punt 16, en Commissie/CAS Succhi di Frutta, punt 49).
39 Wanneer de rekwirant echter de uitlegging of de toepassing van het gemeenschapsrecht door het Gerecht betwist, kunnen de in eerste aanleg onderzochte rechtspunten in een hogere voorziening opnieuw worden behandeld. De procedure van hogere voorziening zou immers ten dele aan betekenis verliezen, indien de rekwirant op die manier zijn hogere voorziening niet kon baseren op middelen en argumenten die reeds zijn aangevoerd voor het Gerecht (zie met name reeds aangehaalde arresten Interporc/Commissie, punt 17, en Commissie/CAS Succhi di Frutta, punt 50).
40 In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat volgens artikel 225 EG en artikel 58 van het Statuut van het Hof van Justitie de hogere voorziening tot rechtsvragen beperkt is. Volgens vaste rechtspraak is bijgevolg alleen het Gerecht bevoegd de feiten vast te stellen, tenzij uit de overgelegde stukken blijkt dat zijn bevindingen materieel onjuist zijn, en deze vervolgens te beoordelen. De beoordeling van de feiten levert dus geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof in het kader van een hogere voorziening, behoudens in het geval van een verkeerde voorstelling van de hem voorgelegde gegevens (zie met name arresten van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., C‑136/92 P, Jurispr. blz. I‑1981, punten 47‑49, en 29 april 2004, Parlement/Ripa di Meana e.a., C‑470/00 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 40).
41 Vaststaat daarentegen dat, wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, het Hof krachtens artikel 225 EG bevoegd is de juridische kwalificatie van deze feiten en de door het Gerecht daaraan verbonden rechtsgevolgen te toetsen. Zoals het Hof bij herhaling heeft geoordeeld, vormt een dergelijke kwalificatie immers een rechtsvraag die als zodanig in het kader van een hogere voorziening door het Hof kan worden getoetst (zie met name arrest van 19 oktober 1995, Rendo e.a./Commissie, C‑19/93 P, Jurispr. blz. I‑3319, punt 26, en arrest Parlement/Ripa di Meana e.a., reeds aangehaald, punt 41).
42 In casu betogen Biegi en Commonfood dat het Gerecht het gemeenschapsrecht heeft geschonden door te oordelen dat de vergissingen van de Duitse douaneautoriteiten door rekwiranten hadden kunnen worden ontdekt. Rekwiranten verwijten het Gerecht meer in het bijzonder dat het aldus bij de toepassing van artikel 220, lid 2, sub b, CDW, zoals uitgelegd door het Hof, de op de betrokken marktdeelnemers rustende zorgvuldigheidsverplichtingen heeft overdreven en dat het de ingewikkeldheid van de betrokken douaneregeling onjuist heeft beoordeeld.
43 In die omstandigheden betwisten rekwiranten het antwoord van het Gerecht op een vraag betreffende de juridische kwalificatie van de feiten en verzoeken zij het Hof aldus een rechtsvraag te toetsen.
44 Daaruit volgt dat het eerste middel ontvankelijk is.
– Gegrondheid van het eerste middel
45 Vooraf zij in herinnering gebracht dat, zoals het Gerecht in punt 56 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, vaststaat dat de Duitse douaneautoriteiten in casu twee vergissingen hebben gemaakt, te weten de uitvaardiging van een onjuiste versie van de Eilverteiler, en de inklaring van de door rekwiranten in juli 1995 ingevoerde goederen met toekenning van het preferentiële tarief, zonder dat een invoercertificaat was overgelegd.
46 Volgens artikel 220, lid 2, sub b, CDW gaan de douaneautoriteiten niet over tot boeking achteraf van invoerrechten indien aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan. Om te beginnen moet inning van de rechten achterwege zijn gebleven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten, vervolgens moet de vergissing van deze autoriteiten van dien aard zijn geweest, dat een belastingschuldige te goeder trouw deze redelijkerwijze niet kon ontdekken, en ten slotte moet laatstbedoelde voor zijn douaneaangifte aan alle voorschriften van de geldende regelgeving hebben voldaan (zie naar analogie arresten van 12 juli 1989, Binder, 161/88, Jurispr. blz. 2415, punten 15 en 16, en 14 mei 1996, Faroe Seafood e.a., C‑153/94 en C‑204/94, Jurispr. blz. I‑2465, punt 83; beschikkingen van 9 december 1999, CPL Imperial 2 en Unifrigo/Commissie, C‑299/98 P, Jurispr. blz. I‑8683, punt 22, en 11 oktober 2001, William Hinton & Sons, C‑30/00, Jurispr. blz. I‑7511, punten 68, 69, 71 en 72).
47 Wat de tweede van de bovenvermelde voorwaarden betreft, de enige die in de onderhavige hogere voorziening aan de orde is, moet volgens vaste rechtspraak bij de beantwoording van de vraag of een vergissing van de bevoegde douaneautoriteiten kon worden ontdekt, worden gelet op de aard van de vergissing, de beroepservaring van de betrokken ondernemers en de mate van de door hen betrachte zorgvuldigheid (zie met name reeds aangehaalde arresten Faroe Seafood e.a., punt 99, en Ilumitrónica, punt 54).
48 Wat de aard van de vergissing betreft, om deze te beoordelen moet worden onderzocht hoe ingewikkeld de betrokken regeling is of, andersom, of die regeling voldoende eenvoudig is (zie arresten van 16 juli 1992, Belovo, C‑187/91, Jurispr. blz. I‑4937, punt 18, en Faroe Seafood e.a., reeds aangehaald, punt 100), en hoelang de autoriteiten aan hun onjuiste zienswijze zijn blijven vasthouden (zie arrest van 12 december 1996, Foods Import, C‑38/95, Jurispr. blz. I‑6543, punt 30, en arrest Ilumitrónica, reeds aangehaald, punt 56).
49 In het onderhavige geval heeft het Gerecht zich in punt 63 van het bestreden arrest, ter weerlegging van de zienswijze dat de betrokken regeling ingewikkeld is, op de omstandigheid gebaseerd dat de regels voor het gebruik van het betrokken communautaire tariefcontingent waren neergelegd in de teksten houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van dit contingent en vaststelling van bepalingen voor de uitvoering ervan, te weten verordening nr. 774/94, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2198/95, en verordening nr. 1431/94, die in artikel 1 duidelijk bepaalde dat voor elke invoer in de Gemeenschap die in het kader van dit meerjarige tariefcontingent geschiedde, een invoercertificaat moest worden overgelegd.
50 Opgemerkt dient echter te worden dat de Commissie bij verordening nr. 1359/95 een nieuwe versie van de gecombineerde goederennomenclatuur heeft bekendgemaakt die vanaf 1 juli 1995 zou gelden, en die in bijlage 7 een lijst van WTO‑tariefcontingenten bevat die door de bevoegde communautaire autoriteiten moesten worden geopend. Kolom 6, met het kopje „andere voorwaarden”, van genoemde bijlage 7, weergegeven in punt 7 van het onderhavige arrest, bevat onder volgnummer 18 betreffende de gecombineerde nomenclatuur van de goederen die in casu aan de orde zijn, geen enkele vermelding, terwijl in dezelfde kolom voor andere goederen is gepreciseerd dat „het in aanmerking komen voor het contingent is onderworpen aan de voorwaarden en bepalingen, vastgesteld bij de op dit gebied geldende communautaire bepalingen”.
51 Uit deze vaststellingen blijkt enerzijds dat de gecombineerde nomenclatuur die uit verordening nr. 1359/95 voortvloeide, vanaf 1 juli 1995 voor het eerst afzonderlijk de WTO-tariefcontingenten bevatte die door de bevoegde communautaire autoriteiten moesten worden geopend. De indruk kon dus ontstaan dat die verordening, waarvan de derde overweging van de considerans preciseerde dat het noodzakelijk was om met ingang van 1 juli 1995 bepaalde tariefmaatregelen uit te voeren, in het bijzonder voor landbouwproducten zoals vastgesteld in het kader van de multilaterale onderhandelingen van de Uruguayronde, de opening inhield van nieuwe tariefcontingenten op die datum, die te onderscheiden waren van die welke per 1 januari 1994 bij verordening nr. 774/94 waren geopend. Overigens zijn deze zelfde tariefcontingenten voor de goederen waarop de litigieuze invoer betrekking had, pas bij verordening nr. 2198/95 van 18 september 1995, die van na die invoer dateert, met terugwerkende kracht geopend.
52 Anderzijds kon, gelet op de vermeldingen die voor andere goederen waren gemaakt, de nieuwe gecombineerde nomenclatuur, door het ontbreken van elke andere precisering in dit document over de voorwaarden waaraan moest zijn voldaan om in aanmerking te komen voor de betrokken goederencontingenten, ook de indruk ontstaan dat voor het gebruik van de betrokken tariefcontingenten geen enkele voorwaarde gold.
53 Ten slotte bevatte verordening nr. 1359/95 geen enkele vermelding op grond waarvan de marktdeelnemers hadden kunnen aannemen dat de informatie in de bijlagen slechts een louter declaratoire waarde had.
54 Uit deze overwegingen dient te worden afgeleid dat verordening nr. 1359/95 dubbelzinnig was wat de daadwerkelijke strekking betreft van de gegevens daarin over de WTO‑tariefcontingenten, met name voorzover zij betrekking had op de goederen van GN‑codes 0207 41 10, 0207 41 41 en 0207 41 71. In het bijzonder creëerde de combinatie van het kopje en de verschillende vermeldingen in kolom 6 van bijlage 7 bij die verordening, een situatie die niet zo eenvoudig was dat bij onderzoek ervan gemakkelijk kan worden ontdekt dat voor het gebruik van de tariefcontingenten voor die goederen vanaf 1 juli 1995 nog steeds de voorwaarde van verordening nr. 1431/94 gold dat een invoercertificaat moest worden overgelegd. Deze regeling kan dus objectief als ingewikkeld worden aangemerkt (zie bijvoorbeeld arrest Ilumitrónica, reeds aangehaald, punt 57).
55 Deze kwalificatie vloeit aldus rechtstreeks voort uit de inhoud van bijlage 7 bij verordening nr. 1359/95, die de WTO‑tariefcontingenten slechts enkele dagen vóór de betrokken invoerhandelingen voor het eerst apart in de gecombineerde nomenclatuur vermeldde. De ervaring van de betrokken ondernemers op het gebied van de handel in de betrokken goederen kan derhalve in casu geen grond opleveren om te stellen dat zij de vergissing in de Eilverteiler gemakkelijk hadden kunnen ontdekken. Deze vergissing is overigens door de hoogste Duitse douaneautoriteiten zelf gemaakt, die toen zij hun gebruikstarief in overeenstemming brachten met verordening nr. 1359/95, niet hebben gepreciseerd dat bij invoer van goederen van bovenvermelde codes een invoercertificaat moest worden overgelegd. Deze vergissing is bovendien pas meerdere weken na bekendmaking van dit document gecorrigeerd, en nadat de marktdeelnemers bij deze autoriteiten de nodige stappen hadden ondernomen om zich ervan te vergewissen dat hun invoerhandelingen regelmatig waren. In dit verband kan die marktdeelnemers niet worden verweten dat zij niet de van hen vereiste zorgvuldigheid hebben betracht omdat zij zich niet schriftelijk tot de bevoegde autoriteiten hebben gewend alvorens de litigieuze invoer te verrichten.
56 Gelet op een en ander was het Gerecht ten onrechte van oordeel dat de vergissingen van de douaneautoriteiten niet van dien aard waren dat rekwiranten deze redelijkerwijs niet konden ontdekken. Rekwiranten betogen derhalve terecht dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door deze kwalificatie te geven en daaraan het oordeel te verbinden dat in casu niet was voldaan aan de tweede van de cumulatieve voorwaarden van artikel 220, lid 2, sub b, CDW. Op die grond moet het bestreden arrest worden vernietigd zonder dat het andere middel van rekwiranten behoeft te worden onderzocht.
Ten gronde
57 Overeenkomstig artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie dient het Hof, nu de zaak in staat van wijzen is, zich ten gronde uit te spreken over de vorderingen van rekwiranten strekkende tot nietigverklaring van de litigieuze beschikkingen.
58 Gelet op het voorgaande dient te worden vastgesteld dat de Commissie, om bij de litigieuze beschikkingen vast te stellen dat het gerechtvaardigd was dat in de geschillen tussen rekwiranten en de Duitse douaneautoriteiten werd overgegaan tot boeking achteraf van de invoerrechten, ten onrechte heeft geoordeeld dat uit de omstandigheden van de onderhavige zaken niet bleek van een vergissing van de douaneautoriteiten die niet kon worden ontdekt door een marktdeelnemer te goeder trouw in de zin van artikel 220, lid 2, sub b, CDW.
59 Het middel van rekwiranten ontleend aan schending van genoemd artikel dient dus te worden aanvaard. Bijgevolg moeten de litigieuze beschikkingen nietig worden verklaard zonder dat de andere middelen behoeven te worden onderzocht.
Kosten
60 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van Biegi en Commonfood in de kosten te worden verwezen.
Het Hof van Justitie (Zesde kamer) verklaart:
1) Het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 17 september 2003, Biegi Nahrungsmittel en Commonfood/Commissie (T‑309/01 en T‑239/02), wordt vernietigd.
2) Beschikking C (2001) 2533 van de Commissie van 14 augustus 2001 (REC 4/00) wordt nietig verklaard voorzover daarbij wordt gelast dat wordt overgegaan tot boeking achteraf van de door Peter Biegi Nahrungsmittel GmbH verschuldigde invoerrechten ten bedrage van 218 605,64 DEM.
3) Beschikking C (2002) 857 van de Commissie van 5 maart 2002 (REC 4/01) waarbij wordt gelast dat wordt overgegaan tot boeking achteraf van de door Commonfood Handelsgesellschaft für Agrar‑Produkte mbH verschuldigde invoerrechten ten bedrage van 222 116,06 DEM, wordt nietig verklaard.
4) De Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
1 – Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy