Zaak C‑542/03
Hauptzollamt Hamburg-Jonas
tegen
Milupa GmbH & Co. KG
(verzoek van het Bundesfinanzhof om een prejudiciële beslissing)
„Landbouw – Uitvoerrestituties – Landbouwproducten verwerkt in goederen die niet onder bijlage II bij EG-Verdrag (thans, na wijziging, bijlage I EG) vallen – Onjuiste aangifte – Sanctie”
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 12 mei 2005
Samenvatting van het arrest
1. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Restituties bij uitvoer – Onjuiste aangifte – Sanctie – Evenredigheidsbeginsel – Schending – Geen
(Verordening nr. 3665/87 van de Commissie, art. 11, lid 1, eerste alinea, sub a)
2. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Restituties bij uitvoer – Verwerkte producten die niet onder bijlage II van Verdrag vallen – Onjuiste verklaring – Uitgevoerde goederen waarin ander dan aangegeven product verwerkt is – Product dat kan worden gelijkgesteld met in bijlage A bij verordening nr. 1222/94 opgenomen product – Recht op uitvoerrestitutie
(Verordeningen van de Commissie nr. 1222/94, art. 7, lid 1, eerste alinea, lid 2, eerste alinea, en lid 5, en nr. 3665/87, art. 11, lid 1)
1. De in artikel 11, lid 1, eerste alinea, sub a, van verordening nr. 3665/87 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, in de versie van verordening nr. 2945/94, neergelegde sanctie, wanneer zij wordt toegepast op een exporteur die zonder schuld een hogere restitutie heeft gevraagd dan de geldende, houdt geen schending in van het evenredigheidsbeginsel, daar zij niet kan worden aangemerkt als niet geschikt voor het bereiken van het door de gemeenschapsregeling beoogde doel, te weten de strijd tegen onregelmatigheden en fraude, en zij evenmin verder gaat dan ter bereiking van dit doel noodzakelijk is.
(cf. punt 26)
2. Artikel 7, lid 1, eerste alinea, tweede volzin, lid 2, eerste alinea, en lid 5, van verordening nr. 1222/94 tot vaststelling van de gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen voor de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage II van het Verdrag vallen, in de versie van verordening nr. 229/96, moet aldus worden uitgelegd dat een exporteur die in een uitvoerrestitutieaanvraag heeft aangegeven dat voor de vervaardiging van de uitgevoerde goederen gebruik is gemaakt van een product dat volgens artikel 1, lid 2, van die verordening is gelijkgesteld met mageremelkpoeder bedoeld in bijlage A (goederengroep 2), terwijl gebruik is gemaakt van een ander product dat volgens die bepaling eveneens is gelijkgesteld met dit mageremelkpoeder, recht heeft op een uitvoerrestitutie, in voorkomend geval gecorrigeerd overeenkomstig artikel 11 van verordening nr. 3665/87 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, in de versie van verordening nr. 2945/94.
(cf. punt 27 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
12 mei 2005(*)
„Landbouw – Uitvoerrestituties – Landbouwproducten verwerkt in goederen die niet onder bijlage II bij EG‑Verdrag (thans, na wijziging, bijlage I EG) vallen – Onjuiste aangifte – Sanctie”
In zaak C‑542/03,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) bij beslissing van 18 november 2003, ingekomen bij het Hof op 23 december 2003, in de procedure
Hauptzollamt Hamburg-Jonas
tegen
Milupa GmbH & Co. KG,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Rosas (rapporteur), kamerpresident, A. La Pergola, J.‑P. Puissochet, U. Lõhmus en A. Ó Caoimh, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: R. Grass,
gelet op de opmerkingen van:
– Milupa GmbH & Co. KG, vertegenwoordigd door H. Wrobel en F. Boulanger, Rechtsanwälte,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Braun als gemachtigde,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, lid 1, eerste alinea, tweede volzin, lid 2, eerste alinea, en lid 5, van verordening (EG) nr. 1222/94 van de Commissie van 30 mei 1994 tot vaststelling van de gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen voor de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage II van het Verdrag vallen (PB L 136, blz. 5), in de versie van verordening (EG) nr. 229/96 van de Commissie van 7 februari 1996 (PB L 30, blz. 24; hierna: „verordening nr. 1222/94”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen het Hauptzollamt Hamburg-Jonas (hierna: „Hauptzollamt”) en de vennootschap Milupa GmbH & Co. KG (hierna: „Milupa”) inzake het recht op uitvoerrestituties voor goederen die een half gereed mengsel bevatten dat niet uit verse magere melk was bereid, zoals in de uitvoeraangifte was vermeld, maar uit gecondenseerde magere melk.
Communautair rechtskader
Verordening (EG) nr. 3448/93
3 Artikel 8, lid 1, van verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad van 6 december 1993 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen (PB L 318, blz. 18), bepaalt:
„Bij uitvoer van goederen kunnen voor de gebruikte landbouwproducten die voldoen aan het bepaalde van artikel 9, lid 2, van het Verdrag, restituties worden verleend die zijn vastgesteld overeenkomstig de verordeningen houdende een gemeenschappelijke marktordening voor de betrokken sectoren.
Voor de uitvoer van in goederen verwerkte landbouwproducten die niet vallen onder een gemeenschappelijke marktordening die voorziet in de toekenning van een restitutie bij uitvoer in de vorm van deze goederen, kunnen geen restituties worden verleend.”
Verordening nr. 1222/94
4 Deze verordening stelt de gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen vast voor de regeling voor de toekenning van restituties bij de uitvoer van verwerkte landbouwproducten die worden uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage II bij het EG‑Verdrag (thans, na wijziging, bijlage I EG) vallen en waarvan de basisproducten zijn opgesomd in de bijlagen bij één van de basisverordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sectoren melk en zuivelproducten, eieren, rijst, suiker of granen. Verordening nr. 1222/94 is van toepassing op de in bijlage A opgenomen basisproducten, de in de bijlagen B of C opgenomen producten verkregen door de verwerking daarvan, en producten waarvan de gelijkstelling met één van deze twee categorieën voortvloeit uit het bepaalde in artikel 1, lid 2, van deze verordening.
5 Bijlage A bij verordening nr. 1222/94 omvat onder meer het basisproduct met GN‑code ex 0402 10 19, dat wordt omschreven als „Melkpoeder zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, verkregen met het sprayprocédé, met een vetgehalte van niet meer dan 1,5 gewichtspercent en een watergehalte van minder dan 5 gewichtspercenten (goederengroep 2)”.
6 Volgens artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1222/94 is een aantal producten gelijkgesteld met andere producten. Zo bepaalt artikel 1, lid 2, sub c, eerste streepje, en sub f, eerste streepje van die verordening, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2915/95 van de Commissie van 18 december 1995 (PB L 305, blz. 33):
„Voor de toepassing van deze verordening
[…]
c) zijn
– melk en zuivelproducten van de GN‑codes 0403 10 22, 0403 90 51, 0404 90 11 en 0404 90 31, niet ingedikt, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, ook indien bevroren, met een gehalte aan vet uit melk van ten hoogste 0,1 gewichtspercent, […]
[…]
gelijkgesteld met mageremelkpoeder als bedoeld in bijlage A (goederengroep 2);
[…]
f) zijn
– melk, room en zuivelproducten van de GN-codes 0403 10 22 tot en met 0403 10 26, 0403 90 51 tot en met 0403 90 59 en 0404 90 11 tot en met 0404 90 39, ingedikt, andere dan in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, […]
[…]
gelijkgesteld met
i) mageremelkpoeder als bedoeld in bijlage A (goederengroep 2) wat het niet-vette deel van de droge stof van het gelijkgestelde product betreft,
en
ii) boter als bedoeld in bijlage A (goederengroep 6) wat het gedeelte melkvet van het gelijkgestelde product betreft.”
7 Artikel 3 van verordening nr. 1222/94 bevat verschillende bepalingen met betrekking tot de vaststelling van de voor de berekening van het restitutiebedrag in aanmerking te nemen hoeveelheid van de basisproducten. Artikel 3, lid 2, bepaalt in het bijzonder dat in sommige omstandigheden deze hoeveelheid met goedvinden van de bevoegde instantie kan worden bepaald, hetzij op basis van de vervaardigingswijzen van de goederen, hetzij op basis van de gemiddelde hoeveelheden van de producten die over een bepaalde periode voor de vervaardiging van een gegeven hoeveelheid van deze goederen zijn gebruikt.
8 Artikel 7 van verordening nr. 1222/94 bepaalt:
„1. De bepalingen van verordening (EEG) nr. 3665/87 zijn van toepassing. Voorts is de belanghebbende verplicht bij uitvoer van de goederen aangifte te doen van de hoeveelheden van de basisproducten, van de producten verkregen door de verwerking daarvan of van producten waarvan de gelijkstelling met één van deze twee categorieën voortvloeit uit het bepaalde in artikel 1, lid 2, welke, in de zin van artikel 3, lid 2, werkelijk bij de vervaardiging van de goederen zijn verwerkt en waarvoor restitutie wordt gevraagd, ofwel te verwijzen naar de hoeveelheden zoals deze overeenkomstig artikel 3, lid 2, derde alinea, zijn bepaald.
[…]
2. Wanneer de belanghebbende geen aangifte als bedoeld in lid 1 doet of bij zijn aangifte niet voldoende gegevens verstrekt, kan hij geen restitutie verkrijgen.
[…]
5. Het document waaruit de uitvoer blijkt, vermeldt enerzijds de hoeveelheden uitgevoerde goederen en anderzijds de hoeveelheden van de in lid 1, eerste alinea, bedoelde producten of een verwijzing naar de receptuur geconstateerd overeenkomstig artikel 3, lid 2, derde alinea. Indien evenwel lid 2, tweede alinea, van onderhavig artikel wordt toegepast, vermeldt het, in plaats van deze laatste hoeveelheden, die hoeveelheden van de in kolom 4 van bijlage D genoemde basisproducten welke overeenkomen met de gegevens die de analyse van de uitgevoerde goederen oplevert.
[…]”
Verordening (EEG) nr. 3665/87
9 Artikel 3, lid 5, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 351, blz. 1), in de versie van verordening (EG) nr. 2945/94 van de Commissie van 2 december 1994 (PB L 310, blz. 57; hierna: „verordening nr. 3665/87”), bepaalt:
„Op het document dat bij de uitvoer wordt gebruikt om een restitutie te verkrijgen moeten alle nodige gegevens voor de berekening van de restitutie worden vermeld, met name:
a) de omschrijving van de producten volgens de voor de restituties gebruikte nomenclatuur;
b) de nettohoeveelheid van deze producten of, in voorkomend geval, de hoeveelheid in de meeteenheid die voor de berekening van de restitutie in aanmerking moet worden genomen;
c) voorzover nodig [voor] de berekening van de restitutie, de samenstelling van de betrokken producten of een verwijzing naar deze samenstelling.
Ingeval het in dit lid bedoelde document de aangifte ten uitvoer is, moet deze eveneens de genoemde gegevens bevatten evenals de vermelding restitutiecode.”
10 Artikel 11 van verordening nr. 3665/87, dat geldt voor uitvoertransacties waarvoor op of na 1 april 1995 de in artikel 3 van deze verordening bedoelde formaliteiten zijn vervuld, bepaalt:
„1. Wanneer wordt geconstateerd dat een exporteur een hogere uitvoerrestitutie heeft gevraagd dan de geldende, is de verschuldigde restitutie voor de betreffende uitvoer gelijk aan de geldende restitutie voor de werkelijke uitvoer, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan:
a) de helft van het verschil tussen de gevraagde restitutie en de geldende restitutie voor het daadwerkelijk uitgevoerde product;
b) het dubbele van het verschil tussen de gevraagde restitutie en de geldende restitutie, indien de exporteur opzettelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt.
Als gevraagde restitutie wordt beschouwd het bedrag dat is berekend aan de hand van de gegevens die zijn verstrekt op grond van artikel 3 of van artikel 25, lid 2. […]
De sub a bedoelde sanctie wordt niet toegepast:
[…]
– indien de restitutieaanvraag is ingediend overeenkomstig het bepaalde in verordening (EG) nr. 1222/94 […] en met name in artikel 3, lid 2, van die verordening, en de restitutie is berekend op basis van de gemiddelde hoeveelheden die in een gegeven periode zijn gebruikt;
[…]
3. Onverminderd de verplichting tot betaling van alle negatieve bedragen als bedoeld in lid 1, vierde alinea, is de begunstigde verplicht om, indien een restitutie ten onrechte is betaald, de ten onrechte ontvangen bedragen terug te betalen, waaronder begrepen de overeenkomstig lid 1, eerste alinea, geldende sanctiebedragen, vermeerderd met een rente over het tussen de betaling en de terugbetaling verstreken tijdvak.
[…]”
Verordening (EEG) nr. 3846/87
11 Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie van 17 december 1987 tot vaststelling van de landbouwproductennomenclatuur voor de uitvoerrestituties (PB L 366, blz. 1), voert op de grondslag van de gecombineerde nomenclatuur een nomenclatuur van landbouwproducten voor de uitvoerrestituties in.
12 Artikel 3 ervan luidt als volgt:
„De restitutienomenclatuur wordt door de Commissie en de lidstaten gebruikt voor de toepassing van de maatregelen der Gemeenschap betreffende de uitvoerrestituties voor landbouwproducten. De codenummers worden in de voor dit doel bestemde documenten ingevuld.
[…]
De Commissie maakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen de op 1 januari van elk jaar geldende volledige versie van de restitutienomenclatuur bekend, zoals deze voortvloeit uit de bepalingen van de verordeningen betreffende de uitvoerregelingen voor landbouwproducten.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
13 In 1996 heeft Milupa niet onder bijlage II bij het Verdrag vallende goederen naar Turkije geëxporteerd en desgevraagd een restitutie bij uitvoer verkregen. In de uitvoeraangifte en het controle-exemplaar T 5 heeft zij op basis van de door de producent van deze goederen overgelegde verklaringen aangegeven dat als tussenproduct gebruik was gemaakt van een half gereed mengsel bereid uit verse magere melk met een melkvetgehalte van 0,05 gewichtspercent.
14 In december 1996 heeft Milupa vernomen dat het mengsel bereid was uit gecondenseerde magere melk met een melkvetgehalte van 0,14 tot 0,19 gewichtspercent en een gehalte aan vetvrije droge stof van 29,31 gewichtspercenten. Bij schrijven van 22 januari 1997 heeft zij op haar beurt het Hauptzollamt ingelicht over deze gecorrigeerde gegevens. Bij beschikkingen van 11 en 12 februari 1998 vorderde het Hauptzollamt de aan Milupa toegekende uitvoerrestitutie terug.
15 Op beroep van Milupa heeft het Finanzgericht Hamburg de bestreden beschikkingen nietig verklaard voorzover het Hauptzollamt daarin van Milupa een bedrag terugvorderde dat overeenkwam met de uitvoerrestitutie die had moeten worden toegekend indien voor de vervaardiging van de uitgevoerde goederen gecondenseerde magere melk zou zijn gebruikt. Als motivering heeft het Finanzgericht aangegeven dat het voldoende is dat de belanghebbende een in wezen juiste aangifte doet. Het volledige verlies van het recht op toekenning van een uitvoerrestitutie bij slechts geringe afwijkingen tussen de door de aanvrager van een restitutie aangegeven en de werkelijke aard van de voor de vervaardiging van de uitgevoerde goederen gebruikte producten is geen passende sanctie en is evenmin noodzakelijk om misbruik te voorkomen, aangezien de aanvrager bij juiste opgave een restitutie voor een vrijwel gelijk bedrag zou hebben ontvangen.
16 Het Hauptzollamt heeft bij de verwijzende rechterlijke instantie beroep in „Revision” ingesteld. In deze omstandigheden heeft het Bundesfinanzhof besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
„Moet artikel 7, lid 1, eerste alinea, tweede volzin, lid 2, eerste alinea, en lid 5, van verordening (EG) nr. 1222/94, in de versie van verordening (EG) nr. 229/96, aldus worden uitgelegd dat een aanvrager geen recht op toekenning van een restitutie bij uitvoer heeft, wanneer voor de vervaardiging van de uitgevoerde goederen geen gebruik is gemaakt van het door hem aangegeven product, dat volgens artikel 1, lid 2, sub c, eerste streepje, van verordening nr. 1222/94 is gelijkgesteld met mageremelkpoeder van de in bijlage A (goederengroep 2) omschreven soort, maar van een ander product dat, wat zijn gehalte aan vetvrije droge stof betreft, volgens artikel 1, lid 2, sub f, eerste streepje, van verordening nr. 1222/94 eveneens is gelijkgesteld met mageremelkpoeder van de in bijlage A (goederengroep 2) omschreven soort?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
17 Met haar vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of artikel 7 van verordening nr. 1222/94 aldus moet worden uitgelegd dat de belanghebbende in de omstandigheden van het hoofdgeding geen recht heeft op een uitvoerrestitutie.
18 Zowel Milupa als de Commissie betoogt dat de uitvoerder niet iedere restitutie kan worden ontzegd. Terwijl Milupa betoogt dat artikel 7 van verordening nr. 1222/94 zich niet tegen een dergelijke restitutie verzet, stelt de Commissie dat artikel 11 van verordening nr. 3665/87 in deze restitutie voorziet.
19 Meer in het bijzonder stelt Milupa dat zij een product heeft aangegeven dat onderworpen is aan dezelfde gelijkstellingsregel als het daadwerkelijk gebruikte product en dat de haar toegekende restitutie van ongeveer gelijke hoogte was als die waar zij recht op had. Het behoud van het recht op restitutie is derhalve niet in strijd met artikel 7, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1222/94. Een volledige afschaffing van de restitutie zou noch nuttig, noch nodig zijn, en zou het evenredigheidsbeginsel schenden.
20 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat overeenkomstig artikel 7, lid 1, eerste alinea, eerste volzin, van verordening nr. 1222/94 verordening nr. 3665/87 van toepassing is wat de restituties betreft die zijn aangevraagd voor landbouwproducten die worden uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage II bij het Verdrag vallen en worden bestreken door verordening nr. 1222/94.
21 Artikel 7 van verordening nr. 1222/94 bevat bovendien een aantal bijzondere specifieke bepalingen betreffende de aard van de producten die door deze verordening worden bestreken. Zo bepaalt artikel 7, lid 1, eerste alinea, tweede volzin, van de verordening dat de belanghebbende verplicht is bij uitvoer van de goederen aangifte te doen van de hoeveelheden van de basisproducten, van de producten verkregen door de verwerking daarvan of van producten waarvan de gelijkstelling met één van deze twee categorieën voortvloeit uit het bepaalde in artikel 1, lid 2, welke, in de zin van artikel 3, lid 2, werkelijk bij de vervaardiging van de goederen zijn verwerkt en waarvoor restitutie wordt gevraagd, ofwel te verwijzen naar de hoeveelheden zoals deze overeenkomstig artikel 3, lid 2, derde alinea, zijn bepaald.
22 Artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1222/94 bepaalt dat „[w]anneer de belanghebbende geen aangifte […] doet of bij zijn aangifte niet voldoende gegevens verstrekt, […] hij geen restitutie [kan] verkrijgen”. Evenwel blijkt niet dat Milupa zich in de in deze bepaling bedoelde situatie zou bevinden.
23 Volgens de bewoordingen van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 3665/87, die overeenkomstig artikel 7, lid 1, eerste alinea, eerste volzin, van verordening nr. 1222/94 toepasselijk is (zie supra, punt 20), wordt de in die bepaling vastgestelde sanctie daarentegen toegepast „[w]anneer wordt geconstateerd dat een exporteur een hogere uitvoerrestitutie heeft gevraagd dan de geldende”. Deze duidelijke tekst bevat geen enkele verwijzing naar de gelijkstellingsregels in artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1222/94.
24 Overigens bevat artikel 7 van verordening nr. 1222/94 weliswaar een aantal bijzondere specifieke bepalingen betreffende de aard van de producten die door deze verordening worden bestreken, maar is geen van deze bepalingen in strijd met artikel 11 van verordening nr. 3665/87 wat de toepassing van deze bepaling op het hoofdgeding betreft.
25 Volgens artikel 11, lid 1, derde alinea, vierde streepje, van verordening nr. 3665/87 wordt de in deze bepaling vastgestelde sanctie niet toegepast indien de restitutieaanvraag is ingediend overeenkomstig het bepaalde in verordening nr. 1222/94. Uit deze bepaling kan dus worden afgeleid dat die sanctie van toepassing is wanneer een overeenkomstig verordening nr. 1222/94 ingediende aanvraag om een hogere restitutie dan de geldende niet conform deze verordening is.
26 Met betrekking tot de toetsing van deze sanctie aan het evenredigheidsbeginsel wanneer zij wordt toegepast op een exporteur die zonder schuld een hogere restitutie heeft gevraagd dan de geldende, heeft het Hof reeds geoordeeld dat deze sanctie geen schending van dit beginsel inhoudt, daar zij niet kan worden aangemerkt als niet geschikt voor het bereiken van het door de gemeenschapsregeling beoogde doel, te weten de strijd tegen onregelmatigheden en fraude, en zij evenmin verder gaat dan ter bereiking van dit doel noodzakelijk is (arrest van 11 juli 2002, Käserei Champignon Hofmeister, C‑210/00, Jurispr. blz. I‑6453, punt 68).
27 Op de gestelde vraag moet dan ook worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, eerste alinea, tweede volzin, lid 2, eerste alinea, en lid 5, van verordening nr. 1222/94 aldus moet worden uitgelegd dat een exporteur die in een uitvoerrestitutieaanvraag heeft aangegeven dat voor de vervaardiging van de betrokken goederen gebruik is gemaakt van een product dat volgens artikel 1, lid 2, van die verordening is gelijkgesteld met mageremelkpoeder bedoeld in bijlage A (goederengroep 2), terwijl gebruik is gemaakt van een ander product dat volgens die bepaling eveneens is gelijkgesteld met dit mageremelkpoeder, recht heeft op een uitvoerrestitutie, in voorkomend geval gecorrigeerd overeenkomstig artikel 11 van verordening nr. 3665/87.
Kosten
28 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 7, lid 1, eerste alinea, tweede volzin, lid 2, eerste alinea, en lid 5, van verordening (EG) nr. 1222/94 van de Commissie van 30 mei 1994 tot vaststelling van de gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen voor de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage II van het Verdrag vallen, in de versie van verordening (EG) nr. 229/96 van de Commissie van 7 februari 1996, moet aldus worden uitgelegd dat een exporteur die in een uitvoerrestitutieaanvraag heeft aangegeven dat voor de vervaardiging van de betrokken goederen gebruik is gemaakt van een product dat volgens artikel 1, lid 2, van die verordening is gelijkgesteld met mageremelkpoeder bedoeld in bijlage A (goederengroep 2), terwijl gebruik is gemaakt van een ander product dat volgens die bepaling eveneens is gelijkgesteld met dit mageremelkpoeder, recht heeft op een uitvoerrestitutie, in voorkomend geval gecorrigeerd overeenkomstig artikel 11 van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, in de versie van verordening (EG) nr. 2945/94 van de Commissie van 2 december 1994.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy