Zaak C‑206/03
Commissioners of Customs & Excise
tegen
SmithKline Beecham plc
[verzoek van de High Court of Justice (England & Wales), Chancery Division, om een prejudiciële beslissing]
„Artikel 104, lid 3, van Reglement voor procesvoering – Gemeenschappelijk douanetarief – Tariefposten – Nicotinepleisters – Juridische waarde van indelingsadvies van Werelddouaneorganisatie”
Beschikking van het Hof (Eerste kamer) van 19 januari 2005
Samenvatting van de beschikking
1. Gemeenschappelijk douanetarief – Tariefposten – Uitlegging – Beroep op indelingsadviezen van Werelddouaneorganisatie – Grenzen
2. Gemeenschappelijk douanetarief – Tariefposten – Nicotinepleisters – Product voor therapeutisch of profylactisch gebruik – Indeling onder post 3004 van gecombineerde nomenclatuur, betreffende geneesmiddelen
3. Gemeenschappelijk douanetarief – Indeling van goederen – Onjuiste bindende tariefinlichting – Verplichting voor nationale rechter om ervoor te zorgen dat deze tariefinlichting nietig wordt verklaard en dat inlichting wordt afgegeven die strookt met gemeenschapsrecht – Draagwijdte
(Art. 10 EG; verordening nr. 2913/92 van de Raad, art. 12, lid 5)
1. Met het oog op de indeling van een product in de door de gemeenschapswetgever opgestelde gecombineerde nomenclatuur is een indelingsadvies van de Werelddouaneorganisatie betreffende de indeling van dit product in haar geharmoniseerde systeem voor de omschrijving en de codering van goederen rechtens niet bindend. Het vormt slechts een aanwijzing voor de uitlegging van de draagwijdte van de verschillende douaneposten van de gecombineerde nomenclatuur. Indien een dergelijk indelingsadvies in strijd is met de tekst van de post van de gecombineerde nomenclatuur, moet het dus buiten beschouwing worden gelaten.
(cf. punt 28)
2. De gecombineerde nomenclatuur moet aldus worden uitgelegd, dat nicotinepleisters met nauwkeurig omschreven therapeutische en profylactische kenmerken, waarvan de werking zich op specifieke functies van het menselijk organisme richt, en die zijn verpakt in individuele aluminiumfoliezakjes die voor de verkoop tezamen met een gebruiksaanwijzing worden aangeboden in pakjes voor één week, als „geneesmiddelen” moeten worden ingedeeld onder post 3004.
(cf. punten 36, 39, 48, dictum 1)
3. Wanneer een bevoegde autoriteit een onjuiste bindende tariefinlichting heeft gegeven, is de nationale rechter krachtens artikel 10 EG verplicht, in het kader van zijn bevoegdheden alle nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de tariefinlichting nietig wordt verklaard en een nieuwe bindende tariefinlichting wordt gegeven die strookt met het gemeenschapsrecht.
In dit verband worden de voorwaarden en gevolgen van de op het beroep genomen beslissingen van de nationale rechter binnen de door het gelijkwaardigheids‑ en het effectiviteitsbeginsel gestelde grenzen beheerst door het nationale recht.
Artikel 12, lid 5, van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek staat er in dat verband niet aan in de weg dat een nationale rechter een beschikking van een douaneautoriteit nietig verklaart die, hoewel zij overeenstemt met een indelingsadvies van de Werelddouaneorganisatie, indruist tegen de door de gemeenschapswetgever opgestelde gecombineerde nomenclatuur, en verklaart dat een product anders moet worden ingedeeld dan in dat indelingsadvies wordt aangegeven.
(cf. punt 57, dictum 2)
BESCHIKKING VAN HET HOF (Eerste kamer)
19 januari 2005 (*)
„Artikel 104, lid 3, van Reglement voor de procesvoering – Gemeenschappelijk douanetarief – Tariefposten – Nicotinepleisters – Juridische waarde van indelingskennisgeving van Werelddouaneorganisatie”
In zaak C‑206/03
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG,
ingediend door de High Court of Justice (England and Wales), Chancery Division (Verenigd Koninkrijk), bij beslissing van 7 december 2000, ingekomen bij het Hof op 14 mei 2003, in de procedure
Commissioners of Customs & Excise
tegen
SmithKline Beecham plc,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann (rapporteur), kamerpresident, N. Colneric, K. Schiemann, E. Juhász en E. Levits, rechters,
advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: R. Grass,
na de verwijzende rechterlijke instantie ervan in kennis te hebben gesteld dat het Hof voornemens is, overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering te beslissen bij met redenen omklede beschikking,
na de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie bedoelde belanghebbenden te hebben verzocht, hun eventuele opmerkingen dienaangaande in te dienen,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft twee vragen over de uitlegging van de gecombineerde nomenclatuur (hierna: „GN”), opgenomen als bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2086/97 van de Commissie van 4 november 1997 (PB L 312, blz. 1), en van artikel 12, lid 5, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 82/97 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 (PB 1997, L 17, blz. 1; hierna: „douanewetboek”).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de Commissioners of Customs and Excise en SmithKline Beecham plc (hierna: „SmithKline”) over de tariefindeling van nicotinepleisters die zijn bestemd om de gebruikers ervan te helpen om te stoppen met roken.
Juridisch kader
Internationale regelgeving
3 Bij het op 14 juni 1983 te Brussel ondertekende Internationale Verdrag is ten behoeve van de Internationale Douaneraad, thans de Werelddouaneorganisatie (hierna: „WDO”), een geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen ingesteld (hierna: „geharmoniseerd systeem van de WDO”).
4 Dit Verdrag is tezamen met het bijbehorende protocol van wijziging van 24 juni 1986 namens de Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 87/369/EEG van de Raad van 7 april 1987 (PB L 198, blz. 1).
5 Het geharmoniseerde systeem van de WDO heeft als basis gediend voor de door de gemeenschapswetgever opgestelde GN, die daarmee volledig overeenstemt wat de posten en de uit zes cijfers bestaande onderverdelingen betreft; enkel de onderverdelingen met een zevende en achtste cijfer zijn specifiek voor de GN.
De communautaire regelgeving
De materiële bepalingen
6 De GN is verdeeld in titels, afdelingen en hoofdstukken.
7 Titel I omvat de algemene interpretatieregels voor de GN.
8 Volgens de eerste algemene regel zijn „[...] voor de indeling [...] wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken en – voorzover dit niet in strijd is met de bewoordingen van bedoelde posten en aantekeningen – de navolgende regels”.
9 Voor het geval goederen vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten, bepaalt algemene regel 3, sub a, dat „de post met de meest specifieke omschrijving [...] voorrang [heeft] boven posten met een meer algemene strekking”.
10 Titel II, afdeling VI, hoofdstuk 30, van de GN betreft „farmaceutische producten” en hoofdstuk 38 „diverse producten van de chemische industrie”.
11 In hoofdstuk 30 van de GN omvat post 3004 „geneesmiddelen (andere dan producten bedoeld bij de posten 3002, 3005 en 3006), bestaande uit al dan niet vermengde producten voor therapeutisch of profylactisch gebruik, in afgemeten hoeveelheden, dan wel opgemaakt voor de verkoop in het klein”.
12 Post 3824 van hoofdstuk 38 van de GN omvat „bereide bindmiddelen voor gietvormen of voor gietkernen; chemische producten en preparaten van de chemische of van aanverwante industrieën (mengsels van natuurlijke producten daaronder begrepen), elders genoemd noch elders onder begrepen”.
13 Volgens aantekening 1 op hoofdstuk 38 van de GN „[omvat] [d]it hoofdstuk [...] niet: [...] geneesmiddelen”.
De procedurevoorschriften
14 Artikel 12, lid 1, van het douanewetboek luidt: „De douaneautoriteiten verstrekken, op schriftelijk verzoek en overeenkomstig de volgens de procedure van het Comité vastgestelde nadere regels, bindende tariefinlichtingen of bindende inlichtingen [...]”.
15 Artikel 12, lid 5, bepaalt:
„Een bindende inlichting verliest haar geldigheid wanneer zij:
a) op tariefgebied:
i) ten gevolge van de vaststelling van een verordening niet meer met het aldus vastgestelde recht in overeenstemming is;
ii) niet langer verenigbaar is met de uitlegging van één van de nomenclaturen als bedoeld in artikel 20, lid 6:
– op communautair niveau, door een wijziging in de toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur of door een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen;
– op internationaal niveau, door een door de [WDO], in 1952 in het leven geroepen onder de naam „Internationale Douaneraad”, vastgestelde indelingskennisgeving of wijziging van de toelichtingen op de nomenclatuur van het geharmoniseerde systeem [...];
iii) overeenkomstig artikel 9 wordt ingetrokken of gewijzigd en mits aan de verkrijger van de inlichting daarvan kennis wordt gegeven.
De datum waarop de bindende inlichting ten aanzien van de onder i) en ii) genoemde gevallen haar geldigheid verliest, is de datum van de bekendmaking van de bovengenoemde maatregelen, of, voor internationale maatregelen, de datum van een mededeling van de Commissie in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
[...]”
16 Artikel 243 van het douanewetboek luidt als volgt:
„1. Iedere persoon heeft het recht beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken.
[...]
2. Het recht op beroep kan worden uitgeoefend:
a) in een eerste fase (bezwaar), bij de daartoe door de lidstaten aangewezen douaneautoriteit;
b) in een tweede fase (beroep), bij een onafhankelijke instantie, die overeenkomstig de in de lidstaten geldende bepalingen, een rechterlijke instantie of een gelijkwaardig gespecialiseerd orgaan kan zijn.”
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
17 SmithKline voert onder de benaming „Niquitin CQ” nicotinepleisters in (hierna: „litigieuze product”), die op de huid moeten worden aangebracht, teneinde een gedoseerde hoeveelheid nicotine via de huid in het lichaam te verspreiden. De pleisters zijn individueel verpakt in aluminiumzakjes; voor de verkoop worden zij tezamen met een gebruiksaanwijzing aangeboden in pakjes voor één week. Deze nicotinepleisters worden gebruikt in het kader van een substitutietherapie die bedoeld is om mensen te helpen stoppen met roken door de onthoudingsverschijnselen te verminderen.
18 Op 8 oktober 1998 verzocht SmithKline de Commissioners of Customs and Excise om een bindende tariefinlichting voor het litigieuze product.
19 Op 11 oktober 1998 gaven de Commissioners of Customs and Excise een bindende tariefinlichting, waarbij het product onder post 3824 van de GN werd ingedeeld (hierna: „bestreden beschikking”).
20 Aangezien zij deze indeling onjuist achtte, omdat nicotinepleisters volgens haar onder GN-tariefpost 3004 behoorden te worden ingedeeld, heeft SmithKline beroep tegen de bestreden beschikking ingesteld bij het VAT and Duties Tribunal (Verenigd Koninkrijk), dat de beschikking heeft nietigverklaard. Van oordeel dat de tariefindeling in hun beschikking correct was, hebben de Commissioners of Customs and Excise vervolgens hoger beroep tegen de uitspraak van het VAT and Duties Tribunal ingesteld bij de High Court.
21 In deze omstandigheden heeft de High Court besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
„1) Moet post 3004 van [de GN] aldus worden uitgelegd, dat een product in de vorm van een nicotinepleister om te helpen stoppen met roken, dat bestaat uit een in folie verpakte hechtpleister, doordrenkt van nicotine die via de huid wordt opgenomen, eronder valt?
(2) Wanneer
(a) een douaneautoriteit van een lidstaat krachtens artikel 12 van [het douanewetboek] een bindende tariefinlichting heeft gegeven voor een product,
(b) deze bindende tariefinlichting overeenstemt met een eerder gepubliceerde indelingskennisgeving van de [WDO] die wordt aangehaald in een mededeling van de Commissie krachtens artikel 12, lid 5, van het douanewetboek,
(c) de importeur krachtens artikel 243 van het douanewetboek beroep instelt bij een nationale rechterlijke instantie,
en
(d) deze rechterlijke instantie het niet eens is met de indelingskennisgeving,
moet artikel 12, lid 5, van het douanewetboek dan aldus worden uitgelegd, dat de rechterlijke instantie de beschikking van de douaneautoriteit moet of mag nietigverklaren, zonder dat zij in de plaats daarvan een nieuwe bindende tariefinlichting geeft die afwijkt van de indelingskennisgeving van de [WDO], maar beslist dat het product anders moet worden ingedeeld dan in de kennisgeving is gesteld?”
De prejudiciële vragen
22 Aangezien het Hof van oordeel is dat het antwoord op de door de verwijzende rechter gestelde vragen duidelijk valt af te leiden uit de rechtspraak en dat over dit antwoord redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, heeft het overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering besloten om te beslissen bij met redenen omklede beschikking.
23 Alvorens de eerste vraag te beantwoorden moet echter worden ingegaan op een andere, onderliggende vraag, namelijk wat in het kader van de indeling van een product in de GN de juridische waarde is van een kennisgeving van de WDO betreffende de indeling van dit product in haar geharmoniseerde systeem. Indien een dergelijke indelingskennisgeving bindend is, dient het litigieuze product automatisch conform deze kennisgeving te worden ingedeeld.
De juridische waarde van een indelingskennisgeving van de WDO in het kader van de indeling van een product in de GN
24 Indelingskennisgevingen in het kader van de WDO binden de verdragsluitende partijen niet, doch zijn wel belangrijke uitleggingselementen (zie in die zin arrest van 19 november 1975, Nederlandse Spoorwegen, 38/75, Jurispr. blz. 1439, punt 24). Zij moeten terzijde worden gesteld, indien zij onverenigbaar lijken met de bewoordingen van de betrokken GN-post of indien zij kennelijk de aan de WDO verleende beoordelingsbevoegdheid te buiten gaan (zie in die zin arrest Nederlandse Spoorwegen, punt 25).
25 Het is voorts vaste rechtspraak dat de in het kader van de WDO opgestelde toelichtingen weliswaar belangrijke middelen vormen bij de uitlegging van de draagwijdte van de verschillende tariefposten, maar dat zij rechtens niet bindend zijn (zie onder meer arresten van 6 november 1997, LTM/FIRS, C‑201/06, Jurispr. blz. I‑6147, punt 17; 12 maart 1998, Laboratoires Sarget/FIRS, C‑270/96, Jurispr. blz. I‑1121, punt 16; 10 december 1998, Glob-Sped, C‑328/97, Jurispr. blz. I‑8357, punt 26; 9 februari 1999, ROSE Elektrotechnik, C‑280/97, Jurispr. blz. I‑689, punt 16, en 28 april 1999, Mövenpick Deutschland, C‑405/97, Jurispr. blz. I‑2397, punt 18).
26 Aangezien de rechtspraak geen onderscheid maakt naar de waarde als uitleggingsbron van enerzijds de indelingskennisgevingen van de WDO en anderzijds de toelichtingen van deze organisatie (zie onder meer arresten van 8 december 1970, Bakels, 14/70, Jurispr. blz. 1001, punt 11; 14 juli 1971, Henck, 12/71, Jurispr. blz. 743, punt 7; 14 juli 1971, Henck, 13/71, Jurispr. blz. 767, punt 7; 14 juli 1971, Henck, 14/71, Jurispr. blz. 779, punt 3; 15 december 1971, Gervais Danone, 77/71, Jurispr. blz. 1127, punt 5, en 23 oktober 1975, Matisa, 35/75, Jurispr. blz. 1205, punt 2), moet worden geconstateerd dat de kennisgevingen van de WDO betreffende de indeling van een bepaald product in haar geharmoniseerde systeem, evenals haar toelichtingen, in het kader van de indeling van dit product in de GN aanwijzingen vormen die, ofschoon een belangrijk hulpmiddel vormend voor de uitlegging van de reikwijdte van de verschillende GN-posten, rechtens niet bindend zijn.
27 In tegenstelling overigens tot wat de regering van het Verenigd Koninkrijk beweert, bepaalt artikel 12, lid 5, sub a‑ii, tweede streepje, van het douanewetboek niet, dat in het kader van de indeling van een product in de GN indelingskennisgevingen rechtens bindend zijn. Deze bepaling regelt slechts de specifieke gevolgen van een nieuwe indelingskennisgeving van de WDO voor een bestaande bindende tariefinlichting.
28 Voor de indeling van het litigieuze product in de GN is derhalve een kennisgeving van de WDO betreffende de indeling van dit product in haar geharmoniseerde systeem rechtens niet bindend. Zij vormt slechts een hulpmiddel voor de uitlegging van de reikwijdte van de verschillende douaneposten van de GN. Indien een dergelijke indelingskennisgeving in strijd is met de tekst van de GN-post, moet zij dus buiten beschouwing worden gelaten.
De eerste vraag: de tariefindeling
29 Met zijn eerste vraag wil de verwijzende rechter in wezen vernemen of producten als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nicotinepleisters, onder GN-post 3004 dan wel onder GN-post 3824 vallen.
30 Volgens vaste rechtspraak moet in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in beginsel worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen zoals deze in de tekst van de GN-posten zijn omschreven (zie arresten van 17 maart 1983, Dinter, 175/82, Jurispr. blz. 969, punt 10; 1 juni 1995, Thyssen Haniel Logistic, C‑459/93, Jurispr. blz. I‑1381, punt 8; 14 december 1995, Colin en Dupré, gevoegde zaken C‑106/94 en C‑139/94, Jurispr. blz. I‑4759, punt 22, en het reeds aangehaalde arrest LTM, punt 17).
31 Met betrekking tot GN-post 3004 heeft het Hof geoordeeld dat als „geneesmiddelen” in de zin van deze post moeten worden aangemerkt, producten die nauwkeurig omschreven therapeutische en profylactische kenmerken hebben, waarvan de werking zich op specifieke functies van het menselijk organisme richt (zie in die zin arresten van 14 januari 1993, Bioforce, Jurispr. blz. I‑45, punt 12; 15 mei 1997, Bioforce, Jurispr. blz. I‑2581, punt 18, en de reeds aangehaalde arresten Laboratoires Sarget, punt 28, en Glob Sped, punten 29 en 30).
32 Ofschoon de omstandigheid dat in de lidstaten waar de betrokken producten in de handel worden gebracht, een vergunning is verkregen om ze als geneesmiddelen te verkopen, niet doorslaggevend is voor hun indeling in dit hoofdstuk, zoals onder meer blijkt uit de algemene opmerkingen in hoofdstuk 30 van de mededeling van de Commissie, „Toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Gemeenschappen”, bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 15 september 1998 (PB C 287, blz. 1), kan dit wel een aanvullende aanwijzing opleveren dat deze producten de in GN-post 3004 omschreven objectieve kenmerken en eigenschappen bezitten (zie in die zin arresten Bioforce van 15 mei 1997, punt 16, en LTM, beide reeds aangehaald, punten 23‑26).
33 Wat de omstandigheid betreft dat deze producten worden aangeboden als geneesmiddelen of uitsluitend in apotheken worden verkocht, wijst het Hof erop dat noch de tekst van post 3004, noch de aantekeningen aan het begin van hoofdstuk 30 van de NG met betrekking tot de tariefindeling van producten in dit hoofdstuk verwijzen naar de aanbiedingsvorm of de plaats van verkoop van deze producten. Gesteld al dat dergelijke factoren als relevant zouden kunnen worden aangemerkt, zijn zij dus niet beslissend voor de GN-indeling van producten (zie in die zin arrest LTM, reeds aangehaald, punt 28).
34 Het feit daarentegen dat dergelijke producten worden aangeboden in afgemeten hoeveelheden dan wel worden opgemaakt voor de verkoop in het klein, is, zoals de tekst zelf van post 3004 aangeeft, wél een voorwaarde voor de toepasselijkheid van deze bepaling.
35 Gelet op het voorgaande is het Hof op grond van de gegevens waarover het beschikt, van oordeel dat producten als de in het hoofdgeding centraal staande nicotinepleisters met het oog op de GN-indeling moeten worden aangemerkt als „geneesmiddelen” in de zin van post 3004.
36 Blijkens de stukken, waaronder met name de wetenschappelijke expertises waarnaar SmithKline heeft verwezen, hebben deze pleisters namelijk nauwkeurig omschreven therapeutische en profylactische kenmerken, waarvan de werking zich op specifieke functies van het menselijk organisme richt.
37 Enerzijds vormen zij een erkende behandeling bij nicotineverslaving (of tabakverslaving) en de daarmee gepaard gaande ontwenningsverschijnselen.
38 Anderzijds dragen deze pleisters bij tot het voorkomen van risico’s en ziekten in verband met tabaksgebruik, doordat zij de betrokken personen helpen om te stoppen met roken, zoals de Commissie onder meer heeft onderstreept in haar schriftelijke opmerkingen en in haar antwoord op een krachtens artikel 54 bis van het Reglement voor de procesvoering van het Hof gestelde vraag.
39 Bovendien blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de litigieuze nicotinepleisters individueel zijn verpakt in aluminiumzakjes en dat zij voor de verkoop tezamen met een gebruiksaanwijzing worden aangeboden in pakjes voor één week.
40 Gelet op deze gegevens kan het betoog van het Verenigd Koninkrijk dat ertoe strekt het litigieuze product niet als „geneesmiddel” in de zin van GN-post 3004 te kwalificeren, niet worden aanvaard.
41 Met betrekking tot het argument dat de nicotinepleisters geen nauwkeurig omschreven therapeutische en profylactische kenmerken hebben omdat zij dezelfde stof, namelijk nicotine, toedienen als de stof die tot de verslaving leidt, merkt het Hof op dat dit op zich niet eraan in de weg kan staan om het litigieuze product aan te merken als „geneesmiddel” in de zin van GN-post 3004.
42 Uit de stukken blijkt namelijk dat de nicotine die door middel van de pleisters wordt toegediend in het kader van de substitutietherapie, andere gevolgen teweegbrengt dan de nicotine die in het lichaam wordt opgenomen tijdens het roken van tabak. Aangezien de effecten van nicotine afhangen van de snelheid waarmee deze stof wordt toegediend en deze snelheid veel hoger is wanneer de nicotine wordt ingeademd en via de longen wordt opgenomen dan wanneer zij via de huid wordt verspreid, kunnen dergelijke pleisters tabaksverslaving doeltreffend verminderen.
43 Bovendien, zoals SmithKline heeft benadrukt, is ook het vaccinatieprincipe gebaseerd op de toediening van een geringe dosis van hetzelfde micro‑organisme als dat wat de ziekte veroorzaakt die het vaccin beoogt te voorkomen.
44 Aangaande het argument dat nicotineverslaving (of tabaksverslaving) niet als een ziekte kan worden beschouwd omdat de schadelijkheid van deze verslaving ten tijde van de feiten van het hoofdgeding niet als zodanig werd erkend in het gemeenschapsrecht, moet worden geconstateerd dat het voor de indeling van een product in GN-post 3004 niet doorslaggevend is of een ziekte al dan niet wordt erkend in andere communautaire wetgeving dan die welke de GN-indeling betreft.
45 Tegen het argument dat verordening (EEG) nr. 3565/88 van de Commissie van 16 november 1988 houdende indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur (PB L 311, blz. 25) nicotinekauwgum niet onder post 3004 maar onder post 2106 indeelt, moet worden ingebracht dat deze indeling van generlei invloed kan zijn op de indeling van een product van andere aard, zoals nicotinepleisters.
46 Wat het argument aangaat dat de WDO heeft besloten nicotinepleisters onder post 3824 van haar geharmoniserde systeem in te delen, is in punt 28 van de onderhavige beschikking vastgesteld dat indelingskennisgevingen van de WDO rechtens niet bindend zijn in het kader van de indeling van een product in de GN.
47 Gelet op het voorgaande en in aanmerking nemende dat GN-post 3004 in verhouding tot GN-post 3824 de post met de meest specifieke omschrijving is en hoofdstuk 38 blijkens de daarbij behorende aantekeningen geen geneesmiddelen omvat, heeft de indeling van nicotinepleisters onder GN-post 3004 de voorrang.
48 In deze omstandigheden moet de eerste vraag aldus worden beantwoord, dat nicotinepleisters als waarop het hoofdgeding betrekking heeft, moeten worden ingedeeld onder GN-post 3004.
De tweede vraag: de verplichting om strijdigheden met het gemeenschapsrecht op te heffen (artikel 10 EG)
49 De tweede vraag van de verwijzende rechter heeft in wezen betrekking op de reikwijdte van de verplichting van nationale rechterlijke instanties om strijdigheden met het gemeenschapsrecht op te heffen.
50 De vraag komt er inzonderheid op neer of een nationale rechter op grond van het gemeenschapsrecht een beschikking van de bevoegde douaneautoriteit moet of mag nietigverklaren, zonder dat hij in de plaats daarvan een nieuwe bindende tariefinlichting geeft die afwijkt van de indelingskennisgeving van de WDO, maar beslist dat het product anders moet worden ingedeeld dan in de kennisgeving is gesteld.
51 Volgens vaste rechtspraak zijn de lidstaten op grond van het in artikel 10 EG neergelegde beginsel van loyale samenwerking verplicht de onwettige gevolgen van een schending van het gemeenschapsrecht ongedaan te maken (zie onder meer arresten van 16 december 1960, Humblet, 6/60, Jurispr. blz. 1146, en 19 november 1991, Francovich e.a., C‑6/90 en C‑9/90, Jurispr. blz. I‑5357, punt 36). Deze verplichting rust binnen de grenzen van hun bevoegdheden op alle organen van de betrokken lidstaat (zie in die zin arrest van 12 juni 1990, Duitsland/Commissie, C‑8/88, Jurispr. blz. I‑2321, punt 13).
52 De bevoegde autoriteiten en de rechterlijke instanties van een lidstaat dienen derhalve binnen de grenzen van hun bevoegdheden alle algemene of bijzondere te maatregelen treffen die noodzakelijk zijn om de strijdigheid met het gemeenschapsrecht van een onjuiste bindende tariefinlichting op te heffen. Tot dergelijke bijzondere maatregelen behoren met name ook de nietigverklaring van de onjuiste bindende tariefinlichting en het geven van een nieuwe bindende tariefinlichting die strookt met het gemeenschapsrecht.
53 De in dit verband toepasselijke procedureregels zijn die van de artikelen 243 tot en met 246 van het douanewetboek en, subsidiair, krachtens artikel 245 van dit wetboek en het beginsel van de procesautonomie van de lidstaten, die van de interne rechtsorde van elke lidstaat, met dien verstande dat deze regels niet ongunstiger mogen zijn dan die voor vergelijkbare vorderingen op basis van nationaal recht (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk mogen maken (effectiviteitsbeginsel) (zie in die zin onder meer arresten van 14 december 1995, Peterbroeck, C‑312/93, Jurispr. blz. I‑4599, punt 12, en 16 mei 2000, Preston e.a., C‑78/98, Jurispr. blz. I‑3201, punt 31).
54 Voor het hoofdgeding betekent dit, dat wanneer een bevoegde autoriteit een onjuiste bindende tariefinlichting heeft afgegeven, de nationale rechter verplicht is, in het kader van zijn bevoegdheden alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen die nodig zijn voor de nietigverklaring van deze inlichting en de afgifte van een nieuwe bindende tariefinlichting die strookt met het gemeenschapsrecht.
55 In deze context worden de modaliteiten en de gevolgen van de op beroep genomen beslissingen van de nationale rechter, binnen de grenzen van het gelijkwaardigheidsbeginsel en het effectiviteitsbeginsel, beheerst door het nationale recht.
56 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat artikel 12, lid 5, sub a‑ii, tweede streepje, van het douanewetboek, gelet op het uiterst beperkte toepassingsgebied ervan, niet van invloed is op de verplichting van nationale rechters om alle noodzakelijke maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat een onjuiste bindende tariefinlichting wordt nietigverklaard en door de bevoegde autoriteit een nieuwe bindende tariefinlichting wordt gegeven. Zoals namelijk in punt 27 van deze beschikking is geconstateerd, regelt deze bepaling slechts de specifieke gevolgen van een nieuwe indelingskennisgeving van de WDO voor een bestaande bindende tariefinlichting. Artikel 12, lid 5, van het douanewetboek verzet zich er dus niet tegen dat een nationale rechter een beschikking van een douaneautoriteit die verenigbaar is met een indelingskennisgeving van de WDO, nietig verklaart en beslist dat een product onder een andere post moet worden ingedeeld dan in deze indelingskennisgeving wordt gesteld.
57 De tweede vraag moet derhalve aldus worden beantwoord, dat wanneer een bevoegde autoriteit een onjuiste bindende tariefinlichting heeft afgegeven, de nationale rechter krachtens artikel 10 EG verplicht is, in het kader van zijn bevoegdheden alle nodige maatregelen te treffen voor de nietigverklaring van deze tariefinlichting en de afgifte van een nieuwe bindende tariefinlichting die strookt met het gemeenschapsrecht.
In deze context worden de modaliteiten en gevolgen van de op beroep genomen beslissingen van de nationale rechter, binnen de grenzen van het gelijkwaardigheids‑ en het effectiviteitsbeginsel, beheerst door het nationale recht.
Artikel 12, lid 5, van het douanewetboek staat in dat verband niet eraan in de weg dat een nationale rechter een beschikking van een douaneautoriteit nietig verklaart die, hoewel zij overeenstemt met een indelingskennisgeving van de WDO, indruist tegen de GN, en beslist dat een product onder een andere post moet worden ingedeeld dan in deze indelingskennisgeving wordt gesteld.
Kosten
58 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De kosten door anderen dan voornoemde partijen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt komen niet voor vergoeding in aanmerking.
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer) verklaart voor recht:
1) Nicotinepleisters als waarop het hoofdgeding betrekking heeft, moeten worden ingedeeld onder post 3004 van de gecombineerde nomenclatuur, opgenomen als bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2086/97 van de Commissie van 4 november 1997.
2) Wanneer een bevoegde autoriteit een onjuiste bindende tariefinlichting heeft afgegeven, is de nationale rechter krachtens artikel 10 EG verplicht, in het kader van zijn bevoegdheden alle nodige maatregelen te treffen voor nietigverklaring van deze tariefinlichting en de afgifte van een nieuwe bindende tariefinlichting wordt gegeven die strookt met het gemeenschapsrecht.
In deze context worden de modaliteiten en gevolgen van de op beroep genomen beslissingen van de nationale rechter, binnen de grenzen van het gelijkwaardigheids‑ en het effectiviteitsbeginsel, beheerst door het nationale recht.
Artikel 12, lid 5, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 82/97 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996, staat in dat verband niet eraan in de weg dat een nationale rechter een beschikking van een douaneautoriteit nietig verklaart die, hoewel zij overeenstemt met een indelingskennisgeving van de WDO, indruist tegen de gecombineerde nomenclatuur, opgenomen als bijlage I bij verordening nr. 2658/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2086/97, en beslist dat een product onder een andere post moet worden ingedeeld dan in deze indelingskennisgeving wordt gesteld.
ondertekeningen
* Procestaal:Engels.
Full & Egal Universal Law Academy