Zaak C-224/03
Italiaanse Republiek
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
«Overgang van EGKS- naar EG-stelsel – Verzoek om declaratoire beslissing – Onbevoegdheid van Hof»
Beschikking van het Hof (Vierde kamer) van 9 december 2003 I - 0000
Samenvatting van de beschikking
Procedure – Beroep ingesteld door lidstaat en strekkende tot vaststelling dat Commissie onbevoegd is om na expiratie van EGKS-Verdrag maatregelen vast te stellen op gebieden die onder dit Verdrag vallen – Onbevoegdheid van Hof
(Art. 97 KS)Het Hof van Justitie is kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van een vordering van een lidstaat om vast te stellen dat de Commissie na de expiratie van het EGKS-Verdrag onbevoegd is om maatregelen te nemen op de gebieden welke binnen dit Verdrag vielen en niet het onderwerp zijn geweest van een akkoord tussen de staten die dit Verdrag hebben ondertekend, waarbij de geldingsduur van dit Verdrag tijdelijk werd verlengd in het kader van de overgang van het EGKS-stelsel naar het EG-stelsel, daar een dergelijke vordering niet binnen de categorieën beroepen valt waarvoor het Hof bevoegd . punten 20-22
BESCHIKKING VAN HET HOF (Vierde kamer)
9 december 2003 (1)
„Overgang van EGKS- naar EG-stelsel – Verzoek om declaratoire beslissing – Onbevoegdheid van Hof”
In zaak C-224/03,
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door I. V. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door M. Fiorilli, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door L. Pignataro en A. Whelan als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek tot vaststelling dat de bevoegdheden van de Commissie van de Europese Gemeenschappen op de gebieden die bij het EGKS-Verdrag aan de Hoge Autoriteit waren toegewezen, ingevolge artikel 97 KS zijn vervallen per 24 juli 2002, zodat elke maatregel die door haar is of wordt vastgesteld op de betrokken gebieden welke niet het onderwerp zijn geweest van een nieuw akkoord tussen de verdragsluitende staten, nietig moet worden geacht,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: J. N. Cunha Rodrigues, kamerpresident, F. Macken en K. Lenaerts (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord, de navolgende
Beschikking
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 16 mei 2003, heeft de Italiaanse Republiek het Hof verzocht vast te stellen dat de bevoegdheden van de Commissie van de Europese Gemeenschappen op de gebieden die bij het EGKS-Verdrag aan de Hoge Autoriteit waren toegewezen, ingevolge artikel 97 KS zijn vervallen per 24 juli 2002, zodat elke maatregel die door haar is of wordt vastgesteld op de betrokken gebieden welke niet het onderwerp zijn geweest van een nieuw akkoord tussen de verdragsluitende staten, nietig moet worden geacht.
Rechtskader
2 Het EGKS-Verdrag is volgens artikel 97 op 23 juli 2002 geëxpireerd.
3 Op 18 juni 2002 heeft de Commissie van de Europese gemeenschappen een mededeling betreffende bepaalde aspecten van de behandeling van mededingingszaken als gevolg van het aflopen van het EGKS-Verdrag (PB C 152, blz. 5; hierna: mededeling) gepubliceerd.
4 In punt 1 van deze mededeling zet de Commissie uiteen dat de expiratie van het EGKS-Verdrag op 23 juli 2002 in beginsel [betekent] dat vanaf 24 juli 2002 de sectoren die voordien onder de toepassing vielen van het EGKS-Verdrag en de procedureregels en andere van het EGKS-Verdrag afgeleide wetgeving, onderworpen zijn aan de regels van het EG-Verdrag en de procedureregels en andere van het EG-Verdrag afgeleide wetgeving.
5 Volgens punt 2 van de mededeling heeft zij tot doel:
─ [...] een samenvatting te geven ten behoeve van economische actoren en lidstaten, in zoverre ze te maken hebben met het EGKS-Verdrag en de daarmee verband houdende afgeleide wetgeving, van de belangrijkste door de overgang naar het EG-stelsel teweeggebrachte veranderingen wat het toepasselijke materiële en procedurele recht betreft [...];
─ [...] uiteen te zetten hoe de Commissie specifieke problemen wil aanpakken die zich ingevolge de overgang van het EGKS- naar het EG-stelsel zullen voordoen op het gebied van het antitrustbeleid [...], de concentratiecontrole [...] en het toezicht op staatssteun.
6 Punt 31 van de mededeling, dat is opgenomen in de afdeling met betrekking tot bijzondere vraagstukken die voortvloeien uit de overgang van het EGKS-stelsel naar het EG-stelsel, luidt: Indien de Commissie bij de toepassing van de communautaire mededingingsregels op overeenkomsten, een inbreuk vaststelt op een gebied dat onder de toepassing van het EGKS-Verdrag valt, zal het materiële recht dat van toepassing is, ongeacht het tijdstip waarop het toegepast wordt, het recht zijn dat van kracht was op het tijdstip dat de inbreukmakende feiten plaatsvonden. In ieder geval is, wat de procedure aangaat, het recht dat na het aflopen van het EGKS-Verdrag van kracht is het EG-recht [...].
Procesverloop
7 Bij op 16 mei 2003 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Italiaanse Republiek het onderhavige beroep ingesteld.
8 Bij op 18 juli 2003 ter griffie van het Hof neergelegde afzonderlijke akte heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen krachtens artikel 91, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. De Italiaanse Republiek heeft op 1 oktober 2003 haar opmerkingen over deze exceptie ingediend.
Conclusies van partijen
9 De Italiaanse Republiek concludeert dat het het Hof behage vast te stellen dat de bevoegdheden van de Commissie van de Europese Gemeenschappen op de gebieden die bij het EGKS-Verdrag aan de Hoge Autoriteit waren toegewezen, ingevolge artikel 97 KS zijn vervallen per 24 juli 2002, zodat elke maatregel die door haar is of wordt vastgesteld op de betrokken gebieden welke niet het onderwerp zijn geweest van een nieuw akkoord tussen de verdragsluitende staten, nietig moet worden geacht.
10 In haar exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert de Commissie dat het het Hof behage:
─ het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
─ verzoekster te verwijzen in de kosten.
11 In haar opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert de Italiaanse Republiek tot afwijzing ervan.
De ontvankelijkheid
12 Volgens de Commissie is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.
13 Ter ondersteuning van haar standpunt stelt zij dat de Italiaanse Republiek het Hof verzoekt om een declaratoire beslissing, hoewel het Hof daartoe slechts bevoegd is in de gevallen genoemd in de artikelen 226 EG tot en met 228 EG, 238 EG en 239 EG, die hier niet aan de orde zijn.
14 Gelet op artikel 230 EG kan het Hof volgens de Commissie geen zuiver declaratoire arresten wijzen. Bovendien, aldus de Commissie, houdt de bevoegdheid van de gemeenschapsrechter krachtens artikel 230 EG volgens de rechtspraak niet de bevoegdheid in, vaststellingen te doen (zie in die zin beschikking Gerecht van 10 februari 1994, Frinil/Commissie, T-468/93, Jurispr. blz. II-33, punten 36 en 37) of een gemeenschapsinstelling bevelen te geven (zie bijvoorbeeld beschikking Hof van 26 oktober 1995, Pevasa en Inpesca/Commissie, C-199/94 P en C-200/94 P, Jurispr. blz. I-3709, punt 24; arrest Hof van 8 juli 1999, DSM/Commissie, C-5/93 P, Jurispr. blz. 4695, punt 36).
15 De Italiaanse Republiek antwoordt dat de Commissie na de mededeling beschikking C(2002) 5087 def. van 17 december 2002 betreffende een procedure op grond van artikel 65 KS (COMP/37.956 ─ Betonstaal) heeft gegeven, waarin zij vaststelt dat Italiaanse staalondernemingen hebben deelgenomen aan afspraken die in strijd zijn met artikel 65 KS, en geldboetes voor een totaalbedrag van 85 miljoen euro oplegt aan deze ondernemingen. Daar de staten die het EGKS-Verdrag hebben ondertekend, geen akkoord hebben gesloten over de overgang van het EGKS-stelsel naar het EG-stelsel op het gebied van de mededinging, vormt de vaststelling van een dergelijke beschikking haars inziens een misbruik van bevoegdheid door de Commissie.
16 Zij benadrukt in dit verband dat het Hof de taak heeft om in het belang van de lidstaten en de goede werking van de Gemeenschap ervoor te zorgen dat de Commissie de haar toegekende bevoegdheden niet te buiten gaat. In casu heeft de Commissie de in de mededeling aangekondigde voornemens in praktijk gebracht door middel van besluiten die enerzijds aantonen dat zij zich zonder voorafgaand akkoord tussen de lidstaten een bevoegdheid heeft toegemeten, en die anderzijds de belangen van de gestrafte ondernemingen beïnvloeden.
17 Haars inziens beschikt de betrokken lidstaat in geval van een dergelijk misbruik van bevoegdheid over geen andere mogelijkheid dan te weigeren de formule van tenuitvoerlegging aan te brengen volgens artikel 256 EG die nodig is voor de gedwongen tenuitvoerlegging van een beschikking van de Commissie die voor natuurlijke of rechtspersonen een geldelijke verplichting inhoudt. Met een dergelijke weigering had zij zich echter blootgesteld aan het risico dat de Commissie een beroep wegens niet-nakoming van de verplichting van artikel 256 EG zou instellen, waarbij de vraag naar de omvang van de rechterlijke toetsing van deze weigering aan de orde was gekomen.
18 De Italiaanse Republiek stelt verder dat het haar in casu niet gaat om nietigverklaring van individuele beschikkingen wegens onbevoegdheid, maar om oplossing van een constitutioneel bevoegdheidsconflict. Het enige middel daartoe is haars inziens om de bevoegdheid waarop de Commissie in het kader van het EGKS-Verdrag aanspraak maakt, maar die haar krachtens dit verdrag niet toekomt, te betwisten. Zij merkt hierbij op dat de mededeling formeel slechts een intentieverklaring is en dus geen misbruik van bevoegdheid oplevert, terwijl de individuele beschikkingen concrete gevallen betreffen en niet kunnen worden betwist door een lidstaat als vertegenwoordiger van het algemeen belang.
19 Volgens artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer het kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van een beroep, de advocaat-generaal gehoord, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beschikking.
20 In casu verzoekt de Italiaanse Republiek het Hof een declaratoir arrest te wijzen, ertoe strekkende dat de Commissie sinds 24 juli 2002 onbevoegd is om maatregelen krachtens het EGKS-Verdrag te nemen op gebieden welke niet het onderwerp zijn geweest van een akkoord tussen de staten die dit Verdrag hebben ondertekend, waarbij de geldingsduur van dit Verdrag tijdelijk is verlengd ter regeling van de overgang van het EGKS-stelsel naar het EG-stelsel. Uit de opmerkingen van de Italiaanse Republiek over de exceptie van niet-ontvankelijkheid blijkt duidelijk dat zij zelf haar vordering niet opvat als gericht op nietigverklaring van de mededeling en de door de Commissie na 23 juli 2002 op basis van het EGKS-Verdrag vastgestelde individuele beschikkingen, zoals de in punt 15 hierboven bedoelde beschikking.
21 Een dergelijke vordering valt evenwel niet binnen de categorieën beroepen waarvoor het Hof bevoegd is.
22 Het Hof is derhalve kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van de vordering van de Italiaanse Republiek, die bijgevolg als kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verworpen.
Kosten
23 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.
Luxemburg, 9 december 2003.
De griffier
De president van de Vierde kamer
R. Grass
J. N. Cunha Rodrigues
1 – Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy