Zaak C‑325/03 P
José Luis Zuazaga Meabe
tegen
Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
„Hogere voorziening – Gemeenschapsmerk – Beroep tot nietigverklaring – Niet-ontvankelijkheid wegens termijnoverschrijding – Hogere voorziening die kennelijk ongegrond is”
Beschikking van het Hof (Vierde kamer) van 18 januari 2005
Samenvatting van de beschikking
1. Procedure – Beroepstermijnen – Beroep ingesteld bij faxbericht – Termijn voor neerlegging van ondertekend origineel – Aanvang – Datum van ontvangst van faxbericht en niet die van verstrijken van beroepstermijn
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 43, lid 6, en 102, lid 2; verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 63, lid 5)
2. Procedure – Beroepstermijnen – Verval – Overmacht – Begrip – Grenzen – Concreet geval
(Statuut van het Hof van Justitie, art. 45)
1. Uit de tekst van artikel 43, lid 6, van het Reglement voor procesvoering van het Gerecht blijkt dat de dag waarop een kopie van het ondertekende origineel van een processtuk per telefax ter griffie binnenkomt, voor de berekening van de procestermijnen in aanmerking wordt genomen, mits het ondertekende origineel van het stuk uiterlijk tien dagen na ontvangst van het faxbericht bij deze griffie wordt neergelegd.
In het geval van een beroep tegen de beslissing van een kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) gaat deze termijn van tien dagen dus in op de dag van ontvangst van het faxbericht en niet op de dag van het verstrijken van de termijn van twee maanden en tien dagen die voortvloeit uit artikel 63, lid 5, van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk juncto artikel 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Met name wanneer het faxbericht meer dan 10 dagen vóór het verstrijken van de termijn voor de instelling van een beroep bij het Gerecht wordt ontvangen, heeft artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht geen verlenging van deze termijn tot gevolg.
(cf. punten 17‑18)
2. Het begrip „overmacht” in de zin van artikel 45 van het Statuut van het Hof van Justitie betreffende de beroepstermijnen omvat, naast een objectief element dat betrekking heeft op abnormale omstandigheden buiten toedoen van de betrokkene, een subjectief element dat betrekking heeft op de verplichting voor de betrokkene om zich tegen de gevolgen van de abnormale gebeurtenis te beschermen door passende maatregelen te treffen zonder buitensporige offers te brengen. In het bijzonder moet de betrokkene nauwlettend toezien op het verloop van de procedure en met name de nodige zorgvuldigheid aan de dag leggen om de gestelde termijnen in acht te nemen. Het begrip overmacht is derhalve niet van toepassing op een situatie waarin een zorgvuldige en omzichtige persoon objectief in staat zou zijn geweest het verstrijken van een beroepstermijn te voorkomen.
Dat is het geval wanneer een verzoeker het risico heeft verhoogd dat zijn verzoekschrift te laat bij de communautaire rechterlijke instantie binnenkomt, door na verzending per fax van een kopie van het ondertekende origineel van het verzoekschrift verschillende dagen te laten verlopen alvorens dit origineel niet rechtstreeks aan de post, maar aan een tussenonderneming af te geven, die zelf enkele dagen heeft gewacht alvorens dit document aangetekend aan de griffie van deze instantie te zenden.
(cf. punten 25‑26)
BESCHIKKING VAN HET HOF (Vierde kamer)
18 januari 2005 (*)
„Hogere voorziening – Gemeenschapsmerk – Beroep tot nietigverklaring – Niet-ontvankelijkheid wegens termijnoverschrijding – Hogere voorziening kennelijk ongegrond”
In zaak C‑325/03 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op 21 juli 2003,
J. L. Zuazaga Meabe, wonende te Bilbao (Spanje), vertegenwoordigd door J. A. Calderón Chavero en N. Moya Fernández, abogados,
rekwirant,
andere partijen bij de procedure:
Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM), vertegenwoordigd door O. Montalto en I. de Medrano Caballero als gemachtigden,
verweerder in eerste aanleg,
Banco Bilbao Vizcaya Argentaria SA (BBVA), gevestigd te Madrid (Spanje), vertegenwoordigd door J. de Rivera Lamo de Espinosa, abogado,
partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM,
interveniënte in hogere voorziening,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, J. N. Cunha Rodrigues en M. Ilešič (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Poiares Maduro,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
1 Met zijn hogere voorziening verzoekt Zuazaga Meabe om vernietiging van de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 28 april 2003, Zuazaga Meabe/BHIM – BBVA (BLUE) (T‑15/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie; hierna: „bestreden beschikking”), waarbij zijn beroep tot vernietiging van de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (hierna: „BHIM”) van 24 oktober 2002 (zaak R 918/2001-2) (hierna: „litigieuze beslissing”), houdende afwijzing van de oppositie van Zuazaga Meabe tegen de inschrijvingsaanvraag van Banco Bilbao Vizcaya Argentaria SA voor het woordmerk BLUE (hierna: „BBVA”), is verworpen.
Voorgeschiedenis van het geding, procesverloop voor het Gerecht en bestreden beschikking
2 Nadat BBVA bij het BHIM een aanvraag tot inschrijving als gemeenschapsmerk van het woordmerk BLUE had ingediend, heeft Zuazaga Meabe krachtens artikel 42 van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1) oppositie ingesteld wegens gevaar voor verwarring met het nationale woordmerk BILBAO BLUE, waarvan hij houder is.
3 De oppositieafdeling van het BHIM heeft deze oppositie aanvankelijk toegewezen, doch vervolgens afgewezen bij de litigieuze beslissing die aan Zuazaga Meabe is betekend bij op 4 november 2002 ontvangen aangetekende brief met bericht van ontvangst.
4 Zuazaga Meabe heeft bij het Gerecht beroep tot vernietiging van de litigieuze beslissing ingesteld. Een kopie van het verzoekschrift is ter griffie van het Gerecht ingekomen bij faxbericht van 3 januari 2003, terwijl het origineel is ontvangen op 15 januari 2003.
5 In de punten 8 tot en met 11 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht om te beginnen vastgesteld dat de beroepstermijn waarover verzoeker krachtens artikel 63, lid 5, van verordening nr. 40/94 en artikel 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht beschikte, op 14 januari 2003 was verstreken.
6 In punt 12 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht vervolgens vastgesteld dat het verzoekschrift weliswaar bij faxbericht van 3 januari 2003, vóór het verstrijken van de beroepstermijn, ter griffie van het Gerecht was ingediend, maar dat het origineel van het verzoekschrift pas op 15 januari 2003, dus na de termijn van 10 dagen bepaald in artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, ter griffie was ingekomen zodat alleen rekening kon worden gehouden met de datum van indiening van het origineel en het verzoekschrift dus te laat was ingediend.
7 Ten slotte heeft het Gerecht in punt 13 van de bestreden beschikking erop gewezen dat verzoeker geen overmacht of toeval had bewezen of zelfs maar aangevoerd, op grond waarvan krachtens artikel 45, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie zou kunnen worden afgeweken van de betrokken termijn.
8 Het Gerecht heeft het beroep dus kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
De hogere voorziening
9 In zijn hogere voorziening die hij op vijf middelen baseert, concludeert rekwirant dat het het Hof behage de bestreden beschikking te vernietigen en de zaak naar het Gerecht te wijzen.
10 Het BHIM heeft afgezien van de indiening van een memorie van antwoord.
11 BBVA concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening en tot verwijzing van rekwirant in de kosten.
12 Krachtens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof een hogere voorziening die geheel of gedeeltelijk kennelijk ongegrond is, op ieder moment, op rapport van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, bij met redenen omklede beschikking geheel of gedeeltelijk afwijzen.
Het tweede, het derde, het vierde en het vijfde middel
13 Volgens het tweede, het derde, het vierde en het vijfde middel, die tezamen moeten worden onderzocht, heeft het Gerecht artikel 102 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en artikel 81, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof respectievelijk artikel 103 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en artikel 82 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, alsook artikel 43, leden 3 en 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht geschonden.
14 Rekwirant stelt in wezen dat deze bepalingen de uitdrukking zijn van het evenredigheidsbeginsel en van een „wettelijke tolerantie” inzake de verlenging van de procestermijnen, zodat de termijn van tien dagen voor de indiening van het origineel van het verzoekschrift, bepaald in artikel 43, lid 6, van het Reglement van de procesvoering van het Gerecht, niet op de datum van ontvangst van het faxbericht ingaat, maar op de datum waarop de termijn van twee maanden en 10 dagen verstrijkt, die resulteert uit artikel 63, lid 5, van verordening nr. 40/94 juncto artikel 102, lid 2, van dit Reglement voor de procesvoering.
15 In casu is de termijn voor de indiening van het origineel van het verzoekschrift dus niet op 14 januari 2003, maar op 24 januari daaraanvolgend verstreken zodat zijn beroep ontvankelijk had moeten worden verklaard.
16 Volgens vaste rechtspraak kan slechts in hoogst uitzonderlijke omstandigheden, bij een toeval of overmacht in de zin van artikel 45, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie, worden afgeweken van de toepassing van de gemeenschapsregeling inzake procestermijnen, aangezien de strikte toepassing van deze regels vereist is ter wille van de rechtszekerheid en de noodzaak om elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden (zie met name beschikkingen van 7 mei 1998, Ierland/Commissie, C‑239/97, Jurispr. blz. I‑2655, punt 7, en 19 februari 2004, Forum des migrants/Commissie, C‑369/03 P, Jurispr. blz. I‑1981, punt 16).
17 Overeenkomstig artikel 43, lid 6, van het Reglement voor procesvoering van het Gerecht wordt de dag waarop een kopie van het ondertekende origineel van een processtuk per telefax ter griffie binnenkomt, voor de berekening van de procestermijnen in aanmerking genomen, mits het ondertekende origineel van het stuk uiterlijk tien dagen na ontvangst van het faxbericht bij deze griffie wordt neergelegd.
18 De uitlegging volgens welke deze termijn ongeacht de dag van ontvangst van het faxbericht ingaat op de dag van het verstrijken van de termijn van twee maanden en tien dagen, die resulteert uit artikel 63, lid 5, van verordening nr. 40/94 juncto artikel 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, kan dus niet worden aanvaard. Met name dient erop te worden gewezen dat wanneer het faxbericht, zoals in casu, meer dan 10 dagen vóór het verstrijken van de termijn voor de instelling van een beroep bij het Gerecht wordt ontvangen, artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht geen verlenging van deze termijn tot gevolg heeft.
19 Nu rekwirant zijn verzoekschrift bij een op 3 januari 2003 ingekomen faxbericht heeft toegezonden, had het origineel van het verzoekschrift uiterlijk op 13 januari 2003 ter griffie van het Gerecht moeten worden neergelegd om dit faxbericht in aanmerking te kunnen nemen. Aangezien het origineel van het verzoekschrift pas op 15 januari daaraanvolgend is ingekomen, heeft het Gerecht terecht beslist dat alleen deze datum in aanmerking kon worden genomen om te beoordelen of de beroepstermijnen in acht waren genomen.
20 Het tweede, het derde, het vierde en het vijfde middel dienen dus als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.
Het eerste middel
21 Volgens het eerste middel van rekwirant heeft het Gerecht artikel 45 van het Statuut van het Hof van Justitie geschonden door geen overmacht in de zin van dit artikel vast te stellen.
22 Rekwirant stelt dat hij het origineel van zijn verzoekschrift op 7 januari 2003, dus zeven dagen vóór het verstrijken van de beroepstermijn, aan Cibeles Mailing SA (hierna: „Cibeles Mailing”) heeft afgegeven voor bezorging aan de Spaanse posterijen. De vertraging waarmee deze brief ter griffie van het Gerecht is aangekomen, was dus niet te voorzien. Zijn inziens kan hem niet worden verweten niet voor snellere verzending (particuliere koerierdienst) te hebben gezorgd, want de posterijen zijn in Spanje de zekerste en meest efficiënte wijze van verzending.
23 Hij voegt eraan toe dat wanneer een partij al het mogelijke heeft gedaan om de bevestigingsbrief aan een gewone administratieve dienst toe te vertrouwen, het Gerecht krachtens het evenredigheidsbeginsel de termijnen moet versoepelen.
24 Vooraf moet erop worden gewezen dat het Gerecht, dat op basis van artikel 111 van zijn Reglement voor de procesvoering bij beschikking heeft beslist, Zuazaga Meabe niet zijn voornemen heeft meegedeeld het beroep wegens termijnoverschrijding te verwerpen, en hem niet heeft uitgenodigd de vertraging waarmee het origineel van het verzoekschrift ter griffie is ingekomen, te rechtvaardigen. Verzoeker kan dus niet worden verweten, zich voor het eerst in hogere voorziening op overmacht te beroepen.
25 Het begrip „overmacht” in de zin van artikel 45 van het Statuut van het Hof van Justitie omvat, naast een objectief element dat betrekking heeft op abnormale omstandigheden buiten toedoen van de betrokkene, een subjectief element dat betrekking heeft op de verplichting voor de betrokkene om zich tegen de gevolgen van de abnormale gebeurtenis te beschermen, door passende maatregelen te treffen zonder buitensporige offers te brengen. In het bijzonder moet de betrokkene nauwlettend toezien op het verloop van de ingeleide procedure en met name de nodige zorgvuldigheid aan de dag leggen om de gestelde termijnen in acht te nemen (arrest van 15 december 1994, Bayer/Commissie C‑195/91 P, Jurispr. blz. I‑5619, punt 32). Het begrip overmacht is derhalve niet van toepassing op een situatie waarin een zorgvuldige en omzichtige persoon objectief in staat zou zijn geweest het verstrijken van een beroepstermijn te voorkomen (arrest van 12 juli 1984, Ferriera Valsabbia, 209/83, Jurispr. blz. 3089, punt 22).
26 Blijkens het verzoekschrift in hogere voorziening heeft Zuazaga Meabe na verzending van het faxbericht vier dagen laten verlopen alvorens – slechts zeven dagen vóór het verstrijken van de beroepstermijn – het origineel van het verzoekschrift niet rechtstreeks aan de post, maar aan Cibeles Mailing af te geven, die zelf twee dagen heeft gewacht alvorens dit document per aangetekende post aan de griffie van het Gerecht te zenden. Door zijn gedrag heeft Zuazaga Meabe dus het risico verhoogd dat zijn verzoekschrift te laat bij het Gerecht binnenkwam, en heeft hij dus niet de zorgvuldigheid betracht die van een normaal omzichtige verzoeker kan worden verwacht met betrekking tot de inachtneming van de termijnen.
27 Een dergelijk gebrek aan zorgvuldigheid sluit overmacht uit, zodat het eerste middel als kennelijk ongegrond moet worden afgewezen.
28 De hogere voorziening moet dus kennelijk ongegrond worden verklaard.
Kosten
29 Artikel 69 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 118 van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, bepaalt in lid 1 dat over de proceskosten wordt beslist in het arrest of de beschikking waardoor een einde komt aan het geding, en in lid 2 dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien rekwirant in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van BBVA behalve in zijn eigen kosten in de kosten van interveniënte te worden verwezen. Daar het BHIM niet heeft geconcludeerd tot verwijzing van rekwirant in de kosten, dient het zijn eigen kosten te dragen
Het Hof van Justitie (Vierde kamer) beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Zuazaga Meabe draagt naast zijn kosten die van Banco Bilbao Vizcaya Argentaria SA.
3) Het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) draagt zijn eigen kosten.
ondertekeningen
* Procestaal:Spaans.
Full & Egal Universal Law Academy