Zaak C-393/03 R
Republiek Oostenrijk
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
«Kort geding – Ecopuntensysteem voor transitoverkeer van vrachtwagens door Oostenrijk – Weigering van Commissie om aantal ecopunten voor 2003 te verminderen»
Beschikking van de president van het Hof van 14 november 2003
Samenvatting van de beschikking
Kort geding – Opschorting van tenuitvoerlegging – Voorlopige maatregelen – Voorwaarden – Fumus boni juris – Ernstige en onherstelbare schade – Schade voor milieu – Regeling ter beperking van transitoverkeer over weg door Oostenrijk – Bevriezing van reeds toegewezen, maar nog niet gebruikte ecopunten – Afweging van betrokken belangen
(Art. 242 EG en 243 EG; protocol nr. 9 bij de Toetredingsakte van 1994; verordening nr. 3298/94 van de Commissie) Hoewel een schade voor het milieu, zoals die welke verband houdt met de verkeersdrukte op bepaalde verkeerswegen, onomkeerbaar is aangezien zij niet retroactief ongedaan kan worden gemaakt, kan de kortgedingrechter in het kader van de bij protocol nr. 9 bij de Toetredingsakte van 1994 en verordening nr. 3298/94 ingestelde regeling voor de beperking van het transitovervoer over de weg door Oostenrijk, als spoedeisendheid die zijn tussenkomst ter beperking de door een besluit van de Commissie geboden transitomogelijkheden rechtvaardigt, pas vaststellen dat er van een dergelijke schade sprake is wanneer de negatieve gevolgen van dit transitoverkeer het niveau overschrijden van wat bij de vaststelling van het protocol aanvaardbaar werd geacht.Bijgevolg lijken, wanneer niet op het eerste gezicht duidelijk van deze overschrijding blijkt, opschorting van de uitvoering of voorlopige maatregelen niet gerechtvaardigd, aangezien de nagenoeg definitieve gevolgen van een maatregel waarmee het betrokken transitoverkeer wordt beperkt, moeten worden afgewogen tegen de rechtstreekse en aanzienlijke invloed van een dergelijke maatregel op de activiteiten van de op de betrokken markt aanwezige ondernemingen en meer algemeen op de goede werking van de interne markt.Bovendien brengt een voorlopige maatregel waarbij het gebruik van de reeds toegewezen, maar nog niet gebruikte ecopunten wordt bevroren naar evenredigheid van de rest van het jaar 2003, het gevaar mee dat deze ecopunten verloren gaan en dat de activiteiten van deze ondernemingen en, meer in het algemeen, de goede werking van de interne markt derhalve onherroepelijk worden geschaad, want zelfs indien er voor 2004 een ecopuntensysteem voor het transitoverkeer van vrachtwagens door Oostenrijk zou komen, is het niet zeker dat de ecopunten van het geldende systeem naar dat jaar zullen kunnen worden . punten 60, 63-65
BESCHIKKING VAN DE PRESIDENT VAN HET HOF
14 november 2003 (1)
„Kort geding – Ecopuntensysteem voor het transitoverkeer van vrachtwagens door Oostenrijk – Weigering van Commissie om aantal ecopunten voor 2003 te verminderen”
In zaak C-393/03 R,
Republiek Oostenrijk, vertegenwoordigd door H. Dossi als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Schmidt en door W. Wils als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster, ondersteund door Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door M. Fiorilli, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënte,
betreffende een verzoek in kort geding in het kader van het beroep tot nietigverklaring van de definitieve afwijzing door de Commissie van de aan haar gerichte uitnodiging tot handelen alsook van het besluit van de Commissie van 1 juli 2003 om de ecopunten voor 2003 volledig toe te wijzen,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET HOF
advocaat-generaal L. A. Geelhoed gehoord, de navolgende
Beschikking
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 11 september 2003, heeft de Republiek Oostenrijk krachtens artikel 230 EG verzocht om nietigverklaring van de definitieve afwijzing op 1 juli 2003 door de Commissie van de Europese Gemeenschappen van de door haar aan deze instelling gerichte uitnodiging tot handelen inhoudende dat deze een ontwerp indient voor de vermindering van het aantal ecopunten voor 2003, subsidiair, nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 1 juli 2003 om de ecopunten voor 2003 volledig toe te wijzen.
2 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Hof op dezelfde dag, heeft verzoekster krachtens de artikelen 242 EG en 243 EG primair verzocht, de tenuitvoerlegging van het besluit van de Commissie van 1 juli 2003 op te schorten en haar uit te nodigen alle maatregelen te nemen die nodig zijn om het daadwerkelijke gebruik van de thans reeds toegewezen, maar nog niet gebruikte ecopunten van het quotum voor 2003 te bevriezen voorzover dit nodig is voor een eventuele buitengewone vermindering van de ecopunten in 2003, subsidiair, de Commissie uit te nodigen alle maatregelen te nemen die nodig zijn om het daadwerkelijke gebruik van de nog niet gebruikte ecopunten te bevriezen naar evenredigheid van de rest van 2003 ingeval de buitengewone vermindering van de ecopunten in 2003 tot eind 2004 werd doorgetrokken, en ook subsidiair, de Commissie uit te nodigen om de communautaire reserve van ecopunten voor 2003 niet te verdelen.
3 Verzoekster heeft ook krachtens artikel 84, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering verzocht om de gevraagde maatregelen nog vóór de indiening van de opmerkingen van de wederpartij toe te staan tot de eindbeschikking in kort geding.
4 De Commissie heeft op 2 oktober 2003 haar schriftelijke opmerkingen over het verzoek in kort geding ingediend.
5 Bij op 29 oktober 2003 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Italiaanse Republiek verzocht om toelating tot interventie in de onderhavige kortgedingprocedure aan de zijde van de Commissie.
6 Het verzoek om interventie in de procedure in kort geding dient krachtens artikel 40, eerste en tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 93, leden 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering te worden toegewezen.
7 De Italiaanse Republiek heeft haar memorie in interventie ingediend bij faxbericht van 7 november 2003.
Rechtskader
8 Protocol nr. 9 betreffende vervoer over de weg en per spoor, alsmede gecombineerd vervoer in Oostenrijk bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrondvest (PB 1994, C 241, blz. 21, en PB 1995, L 1, blz. 1; hierna: protocol) voert een bijzondere regeling in voor het transitogoederenvervoer over de weg door Oostenrijk.
9 Artikel 1, sub c, van het protocol verstaat onder transitovervoer door Oostenrijk het vervoer over Oostenrijks grondgebied van en naar een plaats buiten Oostenrijk.
10 Artikel 1, sub e, van het protocol verstaat onder transitogoederenvervoer over de weg door Oostenrijk het transitovervoer door Oostenrijk met vrachtwagens, ongeacht of zij met of zonder lading rijden.
11 Volgens sub g van dit artikel is een bilaterale riteen internationale vervoersrit met een voertuig waarbij het begin- of eindpunt in Oostenrijk en het eind- of beginpunt respectievelijk in een andere lidstaat is gelegen, alsmede vervoersritten zonder lading in verband met voornoemde ritten.
12 Artikel 11, lid 2, van het protocol bepaalt:
a) De totale NO x -uitstoot van vrachtwagens in transito op Oostenrijks grondgebied wordt tussen 1 januari 1992 en 31 december 2003 met 60 % verlaagd volgens de tabel in bijlage 4.
b) De verlaging van de totale NO x -uitstoot van vrachtwagens wordt geadministreerd via een ecopuntensysteem. Volgens dit systeem moet elke vrachtwagen in transito op Oostenrijks grondgebied een aantal ecopunten hebben dat overeenstemt met het niveau van de NO x -uitstoot van dat type vrachtwagen (ingeschreven op grond van zijn Conformity of Production (COP)-niveau, afgeleid van de type-goedkeuring). De toewijzing van de punten en de werking van het stelsel worden in bijlage 5 beschreven.
c) Indien het aantal transitoritten in een jaar het voor 1991 bepaalde referentieaantal met meer dan 8 % overschrijdt, treft de Commissie, volgens de procedure van artikel 16, passende maatregelen overeenkomstig bijlage 5, punt 3.
[...]
13 De vrijwaringsclausule van artikel 11, lid 2, sub c, van het protocol (hierna: 108 %-clausule) strekt ertoe de uitbreiding van het transitoverkeer die het gevolg zou kunnen zijn van de technische vooruitgang in de ontwikkeling van schonere motoren, binnen de perken te houden. Aangezien het aantal transitoritten door Oostenrijk in 1991 1 490 900 bedroeg, ligt de in deze clausule bedoelde drempel op 1 610 172 transitoritten
14 Artikel 11, lid 6, van het protocol bepaalt: De Commissie neemt overeenkomstig de procedure van artikel 16 gedetailleerde maatregelen betreffende de procedures inzake het ecopuntensysteem, de verdeling van de ecopunten en de technische kwesties betreffende de toepassing van dit artikel. Deze maatregelen treden in werking op de datum van toetreding van Oostenrijk.
15 Artikel 16 van het protocol bepaalt dat de Commissie wordt bijgestaan door een comité bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten (hierna: ecopuntencomité), en regelt de voorwaarden waaronder dit comité optreedt.
16 Krachtens artikel 11, lid 6, van het protocol heeft de Commissie verordening (EG) nr. 3298/94 van 21 december 1994 tot vaststelling van gedetailleerde maatregelen betreffende de procedures inzake het ecopuntensysteem, de verdeling van de ecopunten en de toepassing van artikel 11 van Protocol nr. 9 bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden (PB L 341, blz. 20) vastgesteld. Deze verordening werd gewijzigd bij de verordeningen (EG) nr. 1524/96 van de Commissie van 30 juli 1996 (PB L 190, blz. 13), nr. 609/2000 van de Commissie van 21 maart 2000 (PB L 73, blz. 9) en nr 2012/2000 van de Raad van 21 september 2000 (PB L 241, blz. 18), die het Hof bij arrest van 11 september 2003, Oostenrijk/Raad (C-445/00, Jurispr. blz. I-8549) gedeeltelijk nietig heeft verklaard. Onder verordening nr. 3298/94 wordt hierna de aldus gewijzigde verordening verstaan.
17 Aanvankelijk werd de toepassing van het ecopuntensysteem gecontroleerd aan de hand van een methode waarbij papieren formulieren werden gebruikt (ecokaarten).
18 Bij verordening nr. 1524/96 heeft de Commissie een elektronisch controlesysteem ingevoerd op basis van een op het motorvoertuig gemonteerde elektronische inrichting, het zogenaamde ecodoosje, waarmee automatisch ecopunten kunnen worden gedebiteerd.
19 Artikel 1, lid 1, sub b, van verordening nr. 3298/94 bepaalt: De bestuurder van een vrachtwagen heeft op het grondgebied van Oostenrijk aan boord en stelt op verzoek van de controle-instanties te allen tijde ter controle beschikbaar:[...]
b) hetzij een op het motorvoertuig gemonteerde elektronische inrichting waarmee automatisch ecopunten kunnen worden gedebiteerd, hierna ecodoosje genoemd.
20 Artikel 1, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 3298/94 bepaalt: Ecodoosjes worden vervaardigd, geprogrammeerd en geïnstalleerd overeenkomstig de in bijlage F vervatte algemene technische specificaties. De bevoegde autoriteiten in iedere lidstaat worden gemachtigd de ecodoosjes goed te keuren, te programmeren en te installeren.
21 Bijlage F bij verordening nr. 3298/94 bepaalt met name het volgende: TransitoverklaringHet ecodoosje moet een faciliteit hebben om aan te geven dat voor de rit geen ecopunten behoeven te worden betaald.Deze faciliteit moet op het ecodoosje duidelijk zichtbaar zijn voor controledoeleinden; als alternatief moet het mogelijk zijn het ecodoosje in een bepaalde beginstand te zetten. In ieder geval moet ervoor worden gezorgd dat voor de evaluatie in het systeem alleen de status op het tijdstip van het binnenrijden in rekening wordt gebracht.
22 Artikel 2, leden 2 en 5, tweede alinea, van verordening nr. 3298/94 luidt:
2. Indien het voertuig is uitgerust met een ecodoosje, wordt, na bevestiging dat het voertuig een transitorit uitvoert waarvoor ecopunten vereist zijn, een aantal ecopunten, overeenkomstig de in het ecodoosje van het voertuig opgeslagen informatie over NO x -emissie, afgetrokken van het aan de lidstaat waarin het voertuig is geregistreerd, totaal aantal toegekende ecopunten. Dit gebeurt met behulp van door de Oostenrijkse autoriteiten verschafte en bediende infrastructuur.
Bij met een ecodoosje uitgeruste voertuigen die bilaterale ritten uitvoeren, wordt het ecodoosje vóór het binnenrijden van Oostenrijks grondgebied zodanig ingesteld dat blijkt dat een niet-transitorit wordt uitgevoerd.[...]
5. [...]
Indien daarentegen het voertuig met een ecodoosje is uitgerust, stellen de Oostenrijkse autoriteiten de nodige informatie ter beschikking van een aangemelde autoriteit in de lidstaat waar het voertuig is geregistreerd, binnen 48 uur nadat een transitorit is uitgevoerd. Deze informatie wordt ook de Commissie ter beschikking gesteld.
23 Voorts luidt artikel 3, leden 2 en 3, van verordening nr. 3298/94:
2. Ononderbroken vervoer waarbij de Oostenrijkse staatsgrens eenmaal per spoor ─ ongeacht of het gewoon vervoer per spoor dan wel gecombineerd vervoer betreft ─ en daarvoor of daarna over de weg wordt overschreden, wordt niet als transitogoederenvervoer over de weg door Oostenrijk in de zin van artikel 1, sub e, van protocol nr. 9, doch als een bilaterale rit in de zin van artikel 1, sub g, van dat protocol beschouwd.
3. Onverminderd lid 2 wordt ononderbroken transitovervoer door Oostenrijk waarbij gebruik wordt gemaakt van een van de hierna genoemde spoorwegterminals, als een bilaterale rit beschouwd:
Fürnitz/Villach Süd, Sillian, Innsbruck/Hall, Brennersee, Graz.
24 Ten slotte bepaalt artikel 14 van verordening nr. 3298/94: Voor een rit zijn geen ecopunten verschuldigd, indien het voertuig een volle wagenlading lost of inneemt in Oostenrijk en er in het voertuig passende documentatie voorhanden is om dit te kunnen aantonen, ongeacht de routes die het voertuig neemt om Oostenrijk binnen te komen en te verlaten.
De feiten
25 Bij brief van 21 januari 2003 heeft de Republiek Oostenrijk de Commissie meegedeeld dat uit de op die datum beschikbare statistieken over het totale aantal van de in 2002 aan ecopunten onderworpen transitoritten bleek dat de referentiewaarde van 1991 met meer dan 8 % werd overschreden.
26 Bij brief van 4 april 2003 heeft de Republiek Oostenrijk de Commissie haar definitieve ecopuntenstatistieken voor 2002 meegedeeld, die deze overschrijding bevestigden. In dat jaar waren er namelijk in totaal 1 718 622 gedeclareerde transitoritten, dat wil zeggen een overschrijding van de referentiewaarde van het jaar 1991 met 15,27 %.
27 Bij brief van 7 april 2003 heeft de Republiek Oostenrijk in antwoord op een brief van de Commissie van 6 maart 2003 haar bijkomende gegevens en uitsplitsingen meegedeeld.
28 Op zijn negenentwintigste en dertigste vergadering van 7 mei respectievelijk 10 juni 2003 heeft het ecopuntencomité de Oostenrijkse statistiek voor 2002 onderzocht en de vraag besproken of voor de eventuele toepassing van de 108 %-clausule niet bepaalde ritten uit de statistiek moesten worden geschrapt. Na deze besprekingen kwam de Commissie tot de conclusie dat het voor de eventuele toepassing van deze clausule relevante rittenaantal voor 2002 1 588 735 ritten bedroeg, dus minder dan het in artikel 11, lid 2, sub c, van het protocol vastgestelde aantal van 1 610 172 ritten.
29 De Commissie was in het bijzonder van mening dat bij gebrek aan bewijs van de realiteit van transitovervoer drie categorieën ritten niet als transitoritten worden geboekt en dat de desbetreffende ritten dus moesten worden afgetrokken van het door de Republiek Oostenrijk opgegeven totaal: 56 242 ritten met binnen- en buitenrijden aan dezelfde grenspost, 69 433 ritten waarvoor geen gegevens over buitenrijden beschikbaar zijn, en 7 812 ritten via het gecombineerd vervoer ( Rollende Landstrasse).
30 Bij brief van 27 juni 2003 heeft de Republiek Oostenrijk de Commissie overeenkomstig artikel 232, tweede alinea, EG een uitnodiging tot handelen gestuurd, waarbij zij verzocht onverwijld een ontwerp-verordening tot vermindering van het aantal ecopunten voor 2003 ter goedkeuring aan het ecopuntencomité voor te leggen.
31 Op 1 juli 2003 heeft de Commissie besloten de 108 %-clausule niet toe te passen voor 2003 en de resterende ecopunten voor dat jaar volledig toe te wijzen.
32 Op basis van dat besluit heeft de Commissie op 1 juli 2003 de voor 2003 resterende elektronische ecopunten verdeeld.
Het verzoek in kort geding
Argumenten van partijen
33 Volgens verzoekster is de Commissie, door het besluit van 1 juli 2003 te nemen, de krachtens artikel 11, lid 2, sub c, junctis artikel 16 en bijlage 5, punt 3, van het protocol op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
34 Haars inziens overschreed het aantal transitoritten namelijk de grens van 108 % bedoeld in artikel 11, lid 2, sub c, van het protocol.
35 Verzoekster stelt ter zake in wezen dat een rit als transitorit moet worden gekwalificeerd, indien hij bij binnenkomst op het Oostenrijkse grondgebied als zodanig is gedeclareerd, zodat de Commissie zich uitsluitend moest baseren op het aantal als transitoritten gedeclareerde ritten zoals dat bleek uit de door de Oostenrijkse autoriteiten verstrekte statistieken.
36 Uit de definitie van transitovervoer door Oostenrijk in artikel 1, sub c, van het protocol blijkt niet dat, om vast te stellen of de grens bedoeld in artikel 11, lid 2, sub c, van het protocol is overschreden, alleen de daadwerkelijk in transito verrichte en dus in elk concreet geval gecontroleerde ritten in aanmerking moeten worden genomen.
37 Nergens in het primaire recht is bepaald hoe het aantal transitoritten in de zin van artikel 11, lid 2, sub c, van het protocol moet worden vastgesteld.
38 In het afgeleide recht dient onderscheid te worden gemaakt tussen de bepalingen inzake papieren formulieren (ecokaarten) en die welke het elektronisch systeem invoeren (ecodoosje). In het systeem dat uitsluitend op de ecokaarten is gebaseerd, zijn de statistiek en dus het mechanisme om te controleren of de grens van artikel 11, lid 2, sub c, van het protocol is overschreden, gebaseerd op de ritten die de bestuurder bij de grensovergang als transitoritten declareert door ecopunten te plakken. Het declaratiebeginsel is dus reeds inherent aan dat systeem.
39 Wat het elektronisch systeem betreft, is artikel 2, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 3289/94 kennelijk gebaseerd op het declaratiebeginsel. Immers, volgens deze bepaling wordt [b]ij met een ecodoosje uitgeruste voertuigen die bilaterale ritten uitvoeren, [...] het ecodoosje vóór het binnenrijden van Oostenrijks grondgebied zodanig ingesteld dat blijkt dat een niet-transitorit wordt uitgevoerd.
40 Deze formulering betekent dat de bestuurder van een vrachtwagen vóór binnenkomst op Oostenrijks grondgebied door middel van een druk op de knop op het ecodoosje moet aangeven of hij een van ecopunten vrijgestelde rit of een aan het ecopuntensysteem onderworpen transitorit uitvoert.
41 Wat de registratie van de declaratie van de bestuurder betreft, moet volgens bijlage F bij verordening nr. 3298/94 ervoor worden gezorgd dat voor de evaluatie in het systeem alleen de status op het tijdstip van het binnenrijden in rekening wordt gebracht.
42 Bovendien, aldus verzoekster, moet de nodige infrastructuur voor het aflezen van ecodoosjes, die zij volgens artikel 1, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 3298/94 moet aanbrengen, de aftrek van de ecopunten na declaratie door de bestuurder bij het binnenrijden in Oostenrijk mogelijk maken, zodat zij niet kan zijn gehouden de gegevens betreffende het verlaten van het grondgebied te registreren.
43 Haars inziens is het overigens absoluut noodzakelijk om alleen rekening te houden met de declaraties van de bestuurders. De definitie van transitovervoer door Oostenrijk in artikel 1, sub c, van het protocol wordt in het afgeleide recht aangevuld met afwijkingen en preciseringen [uitsluiting van ritten in het kader van ECMV-vergunningen (ECMV: Europese conferentie van ministers van vervoer), inaanmerkingneming van vervoer van deelladingen naar Oostenrijk, uitsluiting krachtens artikel 14 van verordening nr. 3298/94 van voertuigen die in Oostenrijk een volle wagenlading lossen of innemen], die tot gevolg hebben dat op basis van de in het elektronisch controlesysteem opgenomen gegevens niet kan worden bepaald of het gaat om transitoritten in de zin van deze definitie. De declaraties van de bestuurders zijn dus de enige betrouwbare bron.
44 De Commissie en de lidstaten kwamen in het ecopuntencomité tijdens de besprekingen over de voorbereiding van verordening nr. 1524/94 uiteindelijk overeen om als beslissend criterium voor de kwalificatie van een rit de declaratie van de bestuurder door middel van het ecodoosje bij het binnenrijden van Oostenrijk te gebruiken.
45 Indien het tegengestelde standpunt van de Commissie werd gevolgd, zouden de transportdocumenten voor elke rit manueel moeten worden gecontroleerd, waardoor het elektronisch controlesysteem geen zin meer zou hebben.
46 Ten slotte, aldus verzoekster, heeft zij in het verleden de ecopuntenstatistiek steeds op basis van het declaratiebeginsel opgesteld en aan de Commissie meegedeeld.
47 Verzoekster komt tot de slotsom dat alle als transitoritten gedeclareerde ritten in aanmerking moeten worden genomen voor de toepassing van de 108 %-clausule. Noch rechtens noch feitelijk dient zij aan te tonen dat een rit daadwerkelijk is uitgevoerd, indien de transitorit ondubbelzinnig is gedeclareerd. Alleen die als transitoritten gedeclareerde ritten kunnen eventueel worden afgetrokken, waarvan ondanks een ondubbelzinnige declaratie zeker is dat ze geen transitoritten kunnen zijn geweest.
48 De overlast voor het milieu en de gezondheid die het rechtstreekse gevolg is van de niet-toepassing van de 108 %-clausule, vormt een ernstige en onherstelbare schade, zoals wordt bevestigd door de beschikking van 23 februari 2001, Oostenrijk/Raad (C-445/00 R, Jurispr. blz. I-1461, punten 103-106). Bij de belangenafweging weegt deze schade zwaarder dan de geringe negatieve gevolgen van de gevraagde voorlopige maatregelen voor de interne markt.
49 Ook al verstrijkt het door het protocol ingestelde ecopuntensysteem eind 2003, zal volgens verzoekster naar alle waarschijnlijkheid ook in 2004 een ecopuntenregeling van toepassing zijn. Bijgevolg kunnen door een spreiding van de ecopuntenvermindering tot eind 2004 en een slechts evenredige vermindering nog in 2003 (zie arrest Oostenrijk/Raad, reeds aangehaald, punten 75 en 76) de gevolgen voor de activiteiten van de op de betrokken markt werkzame ondernemingen en meer in het algemeen voor de goede werking van de interne markt aanzienlijk worden verminderd. Derhalve verzoekt verzoekster om bij voorlopige maatregel de nog niet gebruikte ecopunten naar verhouding van de rest van 2003 te bevriezen.
50 De Commissie wijst erop dat ─ afgezien van met name de verzochte evenredige bevriezing van de nog niet gebruikte ecopunten ─ het onderhavige verzoek in kort geding, met inbegrip van de motivering ervan, overeenstemt met het verzoek voor 2002, dat bij de beschikking van 23 oktober 2002, Oostenrijk/Commissie (C-296/02 R, Jurispr. blz. I-9159) is afgewezen. De Commissie baseert zich op deze beschikking en stelt dat zij haar betoog beperkt tot de punten die in casu afwijken van het betoog van verzoekster in die zaak.
51 Wat in het bijzonder het nieuwe subsidiaire verzoek betreft, namelijk bevriezing van het gebruik van de ecopunten naar evenredigheid van de rest van 2003 ingeval een buitengewone vermindering van de ecopunten in 2003 tot eind 2004 werd doorgetrokken, stelt de Commissie dat het door het protocol ingevoerde ecopuntensysteem op 31 december 2003 verstrijkt, zodat er geen sprake kan zijn van overdracht van een deel van de ecopunten van het huidige systeem naar 2004.
52 Derhalve blijft de analyse in de beschikking Oostenrijk/Commissie ongewijzigd.
53 De Commissie voegt eraan toe dat de lidstaten op de eenendertigste vergadering van het ecopuntencomité op 18 september 2003 eenparig hebben besloten de door hen gevraagde ecopunten uit de communautaire reserve te nemen en te verdelen. Na dit besluit heeft een groot aantal lidstaten bij de Commissie een dringende onmiddellijke behoefte aan ecopunten gemeld.
54 De Italiaanse Republiek kritiseert het door verzoekster verdedigde declaratiebeginsel. Voor de toepassing van de 108 %-clausule mogen alleen de werkelijke transitoritten in aanmerking worden genomen, dat wil zeggen de werkelijk uitgevoerde transitoritten en niet de ritten die op basis van de declaratie van de bestuurder slechts worden vermoed transitoritten te zijn.
55 Gelet op artikel 1, sub c, van het protocol moeten volgens de Italiaanse Republiek voor de kwalificatie van een rit als transitorit namelijk alle door het elektronische systeem geregistreerde inlichtingen worden getoetst, onder meer de grenspost waar het voertuig het Oostenrijkse grondgebied binnenkomt en de grenspost waar het voertuig dit grondgebied verlaat. De declaratie is dus slechts een van de criteria ter bepaling van de soort uitgevoerde rit. Verzoekster geeft overigens toe dat het voor de toepassing van de 108 %-clausule geoorloofd is om van het totaal aantal als transitoritten gedeclareerde ritten de ritten af te trekken, waarvan ondanks een ondubbelzinnige declaratie zeker is dat ze niet als zodanig in aanmerking komen.
56 Wat de verzoeken van de Oostenrijkse Republiek betreft, met inbegrip van die betreffende de mogelijkheid een deel van de vermindering van de ecopunten voor 2003 over 2004 te spreiden, wijst de Italiaanse Republiek erop dat het door het protocol ingevoerde ecopuntensysteem op 31 december 2003 verstrijkt. Derhalve kunnen de gevolgen van dit systeem, in het bijzonder de sancties, niet tot na dat tijdstip worden verlengd, zelfs niet wanneer voor 2004 een nieuw systeem zou worden ingevoerd ter vervanging van het thans geldende systeem. In deze omstandigheden zou de schade voor de communautaire vervoerbedrijven onherstelbaar zijn wanneer de verzochte maatregelen werden toegestaan.
Beoordeling
57 Daar de schriftelijke memories alle gegevens bevatten die nodig zijn om op het verzoek te kunnen beslissen, behoeven partijen niet in hun mondelinge toelichtingen te worden gehoord.
58 Volgens de artikelen 242 EG en 243 EG kan de kortgedingrechter opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling of voorlopige maatregelen gelasten indien hij van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen. Daarbij houdt hij rekening met de bij artikel 83, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering gestelde voorwaarden zoals deze in de rechtspraak van het Hof zijn gepreciseerd (beschikking van 23 oktober 2002, Oostenrijk/Commissie, reeds aangehaald, punt 70).
59 Met uitzondering van het verzoek om evenredige bevriezing van de nog niet gebruikte ecopunten komt het onderhavige verzoek in kort geding inhoudelijk in wezen overeen met het verzoek in kort geding dat verzoekster in 2002 heeft ingediend, waarop bij voormelde beschikking Oostenrijk/Commissie is beslist.
60 In die beschikking heeft de kortgedingrechter het volgende overwogen:
80 [...] het door verzoekster gestelde declaratiebeginsel [doet] [...] een aantal vragen rijzen.
81 Om te beginnen geeft verzoekster toe dat sommige van de als transitoritten gedeclareerde en dus in haar statistiek opgenomen ritten niet noodzakelijkerwijze transitoritten waren.
82 Het onweerlegbare vermoeden dat zij aan de declaraties van de bestuurders wil toekennen, zou dus kunnen leiden tot een kunstmatige verhoging van het aantal voor de toepassing van de 108 %-clausule in aanmerking te nemen ritten, hetgeen slechts aanvaardbaar is bij duidelijke aanwijzingen in die zin in de wettelijke bepalingen.
83 Op het eerste gezicht lijkt evenwel geen enkel tekstargument onomstootbaar aan te tonen dat alle declaraties als transitoritten moeten worden geboekt.
84 Voorts heeft verzoekster bij het onderscheid dat zij heeft gemaakt tussen de verschillende categorieën ritten die de Commissie van het totaal aantal geregistreerde ritten heeft uitgesloten, niet uitgelegd waarom zij deze telkens als transitoritten had beschouwd.
85 Zij heeft enkel het beginsel gesteld dat alleen de declaratie van belang is, ongeacht de werkelijke aard van de daadwerkelijk afgelegde rit.
86 In deze omstandigheden kan in het stadium van het kort geding niet zonder voorbehoud verzoeksters benadering worden gevolgd die erop neerkomt dat wegens de onzekerheden als gevolg van de onvolmaaktheden van het bestaande elektronisch controlesysteem moet worden vermoed dat voor de toepassing van de 108 %-clausule elke declaratie een transitorit betekent.
87 Bovendien lijken de tegenargumenten van [de Commissie ] [...] serieus, aangezien zij in het bijzonder zijn gebaseerd op de tekst zelf van het protocol en op het eerste gezicht beter lijken te stroken met de doelstellingen van het ecopuntensysteem. [...]
89 Uit het voorgaande volgt dat verzoeksters middelen weliswaar niet volledig ongegrond lijken, maar op het eerste gezicht niet zwaarder wegen dan de rechtvaardigingsgronden en toelichtingen van de Commissie, [...].
90 De in geding zijnde belangen moeten dus tegen elkaar worden afgewogen, waarbij het eerste punt van vergelijking in dit kader de ernstige en onherstelbare schade, als criterium van de gestelde spoedeisendheid, is.
91 Dienaangaande houdt de spoedeisendheid die verzoekster stelt, verband met overwegingen van bescherming van het milieu tegen met name de overlast als gevolg van verkeersdrukte.
92 Een dergelijke schade, indien zij vaststaat, is inderdaad onomkeerbaar, aangezien die overlast uiteraard niet retroactief ongedaan kan worden gemaakt.
93 In casu houden het bestaan en de ernst van de gestelde schade evenwel rechtstreeks verband met de beoordeling van de fumus boni juris van het verzoek.
94 De negatieve gevolgen van het transitovervoer over de weg door Oostenrijk vormen namelijk slechts een eventueel te verhelpen milieuschade, indien bewezen is dat zij het niveau overschrijden dat bij de vaststelling van het protocol aanvaardbaar werd geacht. Zoals volgt uit het onderzoek in [het kader] van de onderhavige beschikking, blijkt hiervan op het eerste gezicht niet duidelijk.
95 In zoverre verschilt de onderhavige situatie aanmerkelijk van die in de voormelde zaak Oostenrijk/Raad, waarin het op grond van de bijzondere steekhoudendheid van de fumus boni juris was gerechtvaardigd dat in het bijzonder rekening werd gehouden met de spoedeisendheid waarop verzoekster zich kon beroepen (beschikking Oostenrijk/Raad, reeds aangehaald, punt 110).
96 Wat de andere in het kader van de belangenafweging in aanmerking te nemen belangen betreft, uit de prognoses inzake het gebruik van de ecopunten voor[het lopende jaar][...] blijkt dat indien in het huidige stadium zou worden besloten tot een verlaging van het aantal verdeelde ecopunten, dit een rechtstreekse en aanzienlijke invloed zou hebben op de werkzaamheden van de op de betrokken markt opererende ondernemingen en meer algemeen op de goede werking van de interne markt.
97 Aangezien de beschikking nagenoeg definitieve gevolgen kan hebben, slaat de balans derhalve door ten gunste van een afwijzing van het verzoek.
61 Verzoekster heeft niets aangevoerd op grond waarvan de in het vorige punt weergegeven beoordeling van de middelen en verzoeken in het kader van voormelde zaak Oostenrijk/Commissie zou moeten worden gewijzigd met betrekking tot de overeenkomstige middelen en verzoeken die zij in het onderhavige kort geding voordraagt.
62 In deze omstandigheden geldt dezelfde beoordeling voor de middelen en verzoeken in het onderhavige geding.
63 Het verzoek om evenredige bevriezing van de nog niet gebruikte ecopunten gaat ervan uit dat het mogelijk is een eventuele vermindering van de ecopunten in 2003 door te trekken tot aan het einde van het jaar 2004. Deze mogelijkheid bestaat evenwel niet, aangezien het door het protocol ingevoerde ecopuntensysteem op 31 december 2003 verstrijkt. En zelfs indien er een ecopuntensysteem voor 2004 zou komen, is het niet zeker dat de ecopunten van het geldende systeem naar dat jaar zullen kunnen worden overgedragen.
64 Gelet hierop brengt een voorlopige maatregel waarbij het gebruik van de thans reeds toegewezen, maar nog niet gebruikte ecopunten wordt bevroren naar evenredigheid van de rest van het jaar 2003, het gevaar mee dat deze ecopunten verloren gaan en dat de activiteiten van de op de betrokken markt opererende ondernemingen en, meer in het algemeen, de goede werking van de interne markt dientengevolge onherroepelijk worden geschaad.
65 Bijgevolg kan de inachtneming van verzoeksters belang bij een evenredige bevriezing van de nog niet gebruikte ecopunten niets veranderen aan de vaststelling, dat de belangenafweging ten gunste van een afwijzing van het verzoek in kort geding doorslaat.
66 Mitsdien moet het verzoek in kort geding worden afgewezen.
DE PRESIDENT VAN HET HOF
beschikt:
1) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 14 november 2003.
De griffier
De president
R. Grass
V. Skouris
1 – Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy