Gevoegde zaken C-438/03, C-439/03, C-509/03 en C-2/04
Antonio Cannito e.a.
tegen
Fondiaria Assicurazioni SpA e.a.
(verzoeken van de Giudice di pace di Bitonto om een prejudiciële beslissing)
„Prejudiciële verwijzing – Niet‑ontvankelijkheid”
Samenvatting van de beschikking
Prejudiciële vragen – Ontvankelijkheid – Vragen gesteld zonder voldoende precisering van juridische en feitelijke context – Vraag die slechts verwijzing naar in vonnissen of in beslissingen van andere nationale autoriteiten vastgestelde feiten bevat
(Art. 234 EG; Statuut van het Hof van Justitie, art. 23)
Wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te komen, is het noodzakelijk dat deze rechter een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd. Deze eis geldt in het bijzonder op het gebied van de mededinging, dat door complexe feitelijke en juridische situaties wordt gekenmerkt. Het is bovendien onontbeerlijk, dat de nationale rechter minimaal uiteenzet waarom hij om uitlegging van bepaalde communautaire voorschriften verzoekt, en welk verband hij legt tussen deze bepalingen en de op het geschil toepasselijke nationale wettelijke regeling.
Deze gegevens dienen niet alleen om het Hof in staat te stellen een bruikbaar antwoord te geven, doch ook om de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid te bieden, overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie opmerkingen te maken.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing dat slechts een verwijzing naar de in andere vonnissen of in een beslissing van de bevoegde mededingingsautoriteit vastgestelde feiten bevat, is dus kennelijk niet‑ontvankelijk, voorzover het het Hof niet in staat stelt bruikbare antwoorden te geven en de regeringen van de lidstaten niet de mogelijkheid biedt nuttige opmerkingen te maken.
(cf. punten 6‑8, 12)
BESCHIKKING VAN HET HOF (Vijfde kamer)
11 februari 2004 (*)
„Prejudiciële verwijzing – Niet‑ontvankelijkheid”
In de gevoegde zaken C‑438/03, C‑439/03, C‑509/03 en C‑2/04,
betreffende verzoeken aan het Hof, krachtens artikel 234 EG van de Giudice di pace di Bitonto (Italië) in de aldaar aanhangige gedingen tussen
Antonio Cannito
en
Fondiaria Assicurazioni SpA (C-438/03),
tussen
Pasqualina Murgolo
en
Assitalia SpA (C‑439/03),
tussen
Vincenzo Manfredi
en
Lloyd Adriatico Assicurazioni SpA (C‑509/03),
en tussen
Nicolò Tricarico
en
Assitalia Assicurazioni SpA (C‑2/04),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van met name de artikelen 81 EG en 82 EG,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, S. von Bahr (rapporteur), en R. Silva de Lapuerta, rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed
griffier: R. Grass,
de advocaat‑generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
1 Bij beschikkingen van:
– 6 oktober 2003, ingekomen bij het Hof op 16 oktober 2003 (C‑438/03 en C‑439/03),
– 21 november 2003, ingekomen bij het Hof op 4 december 2003 (C‑509/03),
– en 20 december 2003, ingekomen bij het Hof op 5 januari 2004 (C‑2/04),
heeft de Giudice di pace di Bitonto (kantonrechter van Bitonto) krachtens artikel 234 EG verschillende prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van met name de artikelen 81 en 82 EG.
2 Deze vragen zijn gerezen in verband met schadevorderingen die Cannito, Murgolo, Manfredi en Tricarico hebben ingesteld tegen de verzekeringsmaatschappijen Fondiaria Assicurazioni SpA, Assitalia Assicurazioni SpA, Lloyd Adriatico Assicurazioni SpA respectievelijk Assitalia Assicurazioni SpA, die volgens de Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato (Italiaanse mededingingsautoriteit; hierna: „AGCM”) hebben deelgenomen aan een kartel in de verzekeringssector.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
3 Blijkens de verwijzingsbeschikkingen heeft de AGCM een beschikking gegeven inzake een kartel tussen verschillende verzekeringsmaatschappijen op het gebied van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid inzake verkeersongevallen. Deze beschikking, waartegen de betrokken ondernemingen zijn opgekomen, heeft geleid tot een vonnis van 5 juli 2001 van het Tribunale amministrativo regionale di Lazio (Italië) (regionale administratieve rechtbank van Lazio) en vervolgens tot een arrest van 23 april 2002 van de Consiglio di Stato (Italië) (Raad van State).
4 Van oordeel dat een uitlegging van het gemeenschapsrecht, met name van de artikelen 81 en 82 EG, noodzakelijk was voor de beslechting van de bij hem aanhangige geschillen, heeft de Giudice di pace di Bitonto de behandeling van de zaken geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
– in de zaken C‑438/03 en C‑439/03:
„1) Vormen de in arrest nr. 2199 van de Consiglio di Stato van 23 april 2002 en in vonnis nr. 6139 van het [Tribunale Amministrativo Regionale Lazio] van 5 juli 2001 definitief vastgestelde feiten, die worden geacht hier volledig te zijn overgenomen en weergegeven, inbreuken op het gemeenschapsrecht, in het bijzonder op de artikelen 81 [EG] en 82 [EG]?
2) Is degene die inbreuk maakt op de artikelen 81 [EG] en 82 [EG], verplicht de schade te vergoeden van de eindverbruiker en van eenieder die aantoont enige schade te hebben geleden?
3) Moet de nationale rechter bij de schadebegroting, naast terugbetaling van de in strijd met het gemeenschapsrecht ontvangen bedragen, degenen die de verboden afspraak hebben of misbruik van machtspositie hebben gemaakt, (ingevolge het gemeenschapsrecht) ook veroordelen tot betaling van een punitieve schadevergoeding aan de gelaedeerde?
4) Moet ingevolge het gemeenschapsrecht ook de immateriële schade worden vergoed?
5) Moet de rechter ingevolge het gemeenschapsrecht zelfs ambtshalve een punitieve schadevergoeding en een vergoeding voor immateriële schade toekennen?
6) Is de Italiaanse wettelijke verjaringstermijn van één jaar voor schadevorderingen wegens inbreuk op de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] te kort en dus in strijd met het gemeenschapsrecht?
7) Vangt de verjaring van de schadevordering naar gemeenschapsrecht aan op de dag waarop de inbreuk op de artikelen 81[EG] en 82[EG] is gepleegd, of op de dag waarop zij is beëindigd?
8) Moet de nationale rechter ingevolge het gemeenschapsrecht de hiermee strijdige nationale normen buiten toepassing laten, althans ze conform het gemeenschapsrecht uitleggen?”
– In de zaken C‑509/03 en C‑2/04:
„1) Vormen de in arrest nr. 2199 van de Consiglio di Stato van 23 april 2002 en in vonnis nr. 6139 van het [Tribunale Amministrativo Regionale Lazio] van 5 juli 2001 definitief vastgestelde feiten, die worden geacht hier volledig te zijn overgenomen en weergegeven, alsook de beschikking van de Italiaanse AGCM waarnaar deze beide beslissingen verwijzen (inzake een kartel tussen verschillende verzekeringsmaatschappijen op het gebied van de motorrijtuigenverzekering), inbreuken op het gemeenschapsrecht, in het bijzonder op de artikelen 81 [EG] en 82 [EG]?
2) Is degene die inbreuk maakt op de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] verplicht tot schadeloosstelling van de eindverbruiker en van iedere derde ten opzichte van de afspraak of het misbruik, die aantoont enige schade te hebben geleden?
3) Moet de nationale rechter bij de schadebegroting, naast terugbetaling van de in strijd met het gemeenschapsrecht ontvangen bedragen, degenen die de verboden afspraak hebben of misbruik van machtspositie hebben gemaakt, (ingevolge het gemeenschapsrecht) ook veroordelen tot betaling van een punitieve schadevergoeding aan de gelaedeerde?
4) Moet ingevolge het gemeenschapsrecht ook de immateriële schade worden vergoed?
5) Moet de rechter ingevolge het gemeenschapsrecht zelfs ambtshalve een punitieve schadevergoeding en een vergoeding voor immateriële schade toekennen?
6) Is de Italiaanse wettelijke verjaringstermijn van één jaar voor schadevorderingen wegens inbreuk op de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] te kort en dus in strijd met het gemeenschapsrecht?
7) Vangt de verjaring van de schadevordering naar gemeenschapsrecht aan op de dag waarop de inbreuk op de artikelen 81[EG] en 82[EG] is gepleegd, of op de dag waarop zij is beëindigd?
8) Verzetten het communautaire mededingingsrecht en/of de fundamentele beginselen van gemeenschapsrecht (inzonderheid gelet op artikel 6, lid 1, en artikel 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden) zich tegen een nationale wettelijke bepaling als artikel 3, lid 2, van Italiaanse wet nr. 287 van 10 oktober 1990, die de consument of een derde die schade heeft geleden ten gevolge van een krachtens artikel 81 EG verboden en nietige afspraak of een krachtens artikel 82 EG verboden misbruik van machtspositie, verplicht zijn schadevordering in te stellen bij een andere rechter dan degene die materieel, territoriaal en op grond van de waarde van de vordering bevoegd zou zijn volgens de gewone nationale bevoegdheidsregels, nu artikel 33 van wet nr. 287/90 leidt tot hogere kosten en een langere procedure dan het geval zou zijn bij toepassing van de gewone nationale regels inzake de territoriale, materiële of de door de waarde van de vordering bepaalde bevoegdheid?
9) Verzetten het communautaire mededingingsrecht en/of van de fundamentele beginselen van gemeenschapsrecht (inzonderheid gelet op artikel 6 en artikel 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden) zich tegen een nationale wettelijke regeling die de consument of een derde die schade heeft geleden ten gevolge van een krachtens artikel 81 EG verboden en nietige afspraak of een krachtens artikel 82 EG verboden misbruik van machtspositie, verplicht zijn schadevordering in te stellen bij een andere rechter dan degene die territoriaal bevoegd zou zijn uitgaande van de plaats van vestiging van het filiaal van de verzekeringsmaatschappij waarmee zij hebben gecontracteerd, of het rechtsgebied waar de gelaedeerde woont, gelet met name op het verschil in de omvang van de proceskosten tussen de ene of de andere oplossing?
10) Moet de nationale rechter ingevolge het gemeenschapsrecht de hiermee strijdige nationale normen buiten toepassing laten, althans ze conform het gemeenschapsrecht uitleggen?”
De voeging
5 Daar de zaken C‑438/03, C‑439/03, C‑509/03 en C‑2/04 wat hun onderwerp betreft met elkaar verknocht zijn, dienen zij krachtens artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering te worden gevoegd voor de onderhavige beschikking.
De ontvankelijkheid
6 Volgens vaste rechtspraak is het wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te komen, noodzakelijk dat deze rechter een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd (zie met name arrest van 26 januari 1993, Telemarsicabruzzo e.a., C‑320/90–C‑322/90, Jurispr. blz. I‑393, punt 6; beschikkingen van 19 maart 1993, Banchero, C‑157/92, Jurispr. blz. I‑1085, punt 4; 30 april 1998, Testa en Modesti, C‑128/97 en C‑137/97, Jurispr. blz. I‑2181, punt 5; 8 juli 1998, Agostini, C‑9/98, Jurispr. blz. I‑4261, punt 4; 2 maart 1999, Colonia Versicherung e.a., C‑422/98, Jurispr. blz. I‑1279, punt 4; arrest van 13 april 2000, Lehtonen en Castors Braine, C‑176/96, Jurispr. blz. I‑2681, punt 22, en beschikking van 28 juni 2000, Laguillaumie, C‑116/00, Jurispr. blz. I‑4979, punt 15). Deze eis geldt in het bijzonder op het gebied van de mededinging, dat door complexe feitelijke en juridische situaties wordt gekenmerkt (beschikking Banchero, reeds gehaald, punt 5; arrest Lehtonen en Castors Braine, aangehaald, punt 22, en beschikking Laguillaumie, aangehaald, punt 19).
7 Ook heeft het Hof erop gewezen, dat het van belang is dat de verwijzende rechter de precieze redenen vermeldt waarom hij twijfelt over de uitlegging van het gemeenschapsrecht en het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof noodzakelijk acht (beschikkingen van 25 juni 1996, Italia Testa, C‑101/96, Jurispr. blz. I‑3081, punt 6; Testa en Modesti, aangehaald, punt 15, en Agostini, aangehaald, punt 6). Zo is het onontbeerlijk, dat de nationale rechter enigszins uiteenzet waarom hij om uitlegging van bepaalde communautaire voorschriften verzoekt en welk verband hij legt tussen deze bepalingen en de op het geschil toepasselijke nationale wettelijke regeling (beschikkingen van 7 april 1995, Grau Gomis e.a., C‑167/94, Jurispr. blz. I‑1023, punt 9, en Laguillaumie, aangehaald, punt 16).
8 Ten slotte dienen de in verwijzingsbeslissingen verstrekte gegevens niet enkel om het Hof in staat te stellen een bruikbaar antwoord te geven, doch ook om de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid te bieden, overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie opmerkingen te maken (beschikking Colonia Versicherung e.a., aangehaald, punt 5). Het Hof dient erop toe te zien dat deze mogelijkheid gewaarborgd blijft, in aanmerking genomen dat ingevolge genoemde bepaling alleen de verwijzingsbeslissing ter kennis van de belanghebbende partijen wordt gebracht (arrest van 1 april 1982, Holdijk e.a., 141/81–143/81, Jurispr. blz. 1299, punt 6; beschikking van 13 maart 1996, Banco de Fomento e Exterior, C‑326/95, Jurispr. blz. I‑1385, punt 7; arrest Lehtonen en Castors Braine, aangehaald, punt 23, en beschikking Laguillaumie, aangehaald, punt 14).
9 De onderhavige verwijzingsbeschikkingen bevatten onvoldoende gegevens om aan deze eisen te voldoen.
10 Er wordt namelijk geen beschrijving gegeven van het feitelijke en rechtskader van de door de verwijzende rechter gestelde vragen. Evenmin worden de feitelijke veronderstellingen uiteengezet uiteen waarop die vragen zijn gebaseerd. In de beschikkingen wordt slechts aangegeven dat de verwijzende rechter het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof noodzakelijk acht om de hoofdgedingen te kunnen beslechten.
11 Evenmin zet de verwijzende rechter het verband uiteen tussen de artikelen 81 EG en 82 EG en de feitelijke situatie of de toepasselijke nationale wetgeving. Met name vermeldt hij niet, waaruit het met artikel 81 EG strijdige kartel tussen de verzekeringsmaatschappijen of de op basis van artikel 82 EG betwiste machtspositie zou bestaan, en welke de nationale bepalingen zijn die hij conform aan het gemeenschapsrecht zou moeten uitleggen of buiten toepassing zou moeten laten.
12 In deze omstandigheden is een eenvoudige verwijzing naar de in andere vonnissen of in een beschikking van de bevoegde mededingingsautoriteit vastgestelde feiten hoe dan ook niet voldoende om het Hof in staat te stellen bruikbare antwoorden te geven, of de regeringen van de lidstaten de mogelijkheid te bieden nuttige opmerkingen te maken.
13 Bijgevolg moet reeds in deze stand van de procedure overeenkomstig de artikelen 92, lid 1, en 103, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof worden vastgesteld, dat de gestelde prejudiciële vragen kennelijk niet-ontvankelijk zijn.
Kosten
14 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer)
beschikt:
1) De zaken C‑438/03, C‑439/03, C‑509/03 en C‑2/04 worden gevoegd voor de beschikking.
2) De verzoeken om een prejudiciële beslissing, die de Giudice di pace di Bitonto heeft ingediend bij beschikkingen van 6 oktober 2003 (C‑438/03 en C‑439/03), 21 november 2003 (C‑509/03) en 20 december 2003 (C‑2/04), zijn niet-ontvankelijk.
Luxemburg, 11 februari 2004.
De griffier
De president van de Vijfde kamer
R. Grass
C. Gulmann
* Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy