Zaak C‑555/03
Magali Warbecq
tegen
Ryanair Ltd
(verzoek van de Arbeidsrechtbank te Charleroi om een prejudiciële beslissing)
„Verordening (EG) nr. 44/2001 – Rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken – Rechterlijke instantie die krachtens artikel 68 EG bevoegd is, Hof om prejudiciële beslissing te verzoeken – Onbevoegdheid van Hof”
Samenvatting van de beschikking
Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van Hof – Handeling op basis van titel IV van derde deel van Verdrag – Verordening nr. 44/2001 betreffende rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen – Nationale rechterlijke instanties die bevoegd zijn, Hof om prejudiciële beslissing te verzoeken – Rechterlijke instanties waarvan beslissingen volgens nationaal recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep
(Art. 61, sub c, EG en 68 EG; verordening nr. 44/2001 van de Raad)
BESCHIKKING VAN HET HOF (Vierde kamer)
10 juni 2004(1)
„Verordening (EG) nr. 44/2001 – Rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken – Rechterlijke instantie die krachtens artikel 68 EG bevoegd is het Hof om prejudiciële beslissing te verzoeken – Onbevoegdheid van Hof”
In zaak C-555/03,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 68 EG van de Arbeidsrechtbank te Charleroi (België), in het aldaar aanhangige geding tussen
Magali Warbecq
en
Ryanair Ltd,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1),
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), kamerpresident, K. Schiemann en E. Juhász, rechters,
advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: R. Grass,
gehoord de advocaat-generaal
de navolgende
Beschikking
1 Bij vonnis van 15 december 2003, ingekomen bij het Hof op 24 december daaraanvolgend, heeft de Arbeidsrechtbank te Charleroi krachtens artikel 68 EG twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).
2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van een geding tussen Magali Warbecq, Belgisch onderdaan, en de vennootschap naar Iers recht Ryanair Ltd (hierna: „Ryanair”), gevestigd te Dublin (Ierland).
Rechtskader
3 Artikel 61 EG bepaalt:
„Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid neemt de Raad de volgende maatregelen aan:
[…]
c) maatregelen op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, als bepaald in artikel 65;
[…]”
4 Artikel 19 van verordening nr. 44/2001 luidt:
„De werkgever met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat kan voor de volgende gerechten worden opgeroepen:
1) voor de gerechten van de lidstaat waar hij woonplaats heeft, of
2) in een andere lidstaat:
a) voor het gerecht van de plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt of voor het gerecht van de laatste plaats waar hij gewoonlijk heeft gewerkt, of
[…]”
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
5 Bij op 19 april 2001 te Dublin ondertekende arbeidsovereenkomst heeft Ryanair Warbecq in dienst genomen als „customer services agent-inflight”.
6 Ryanair heeft deze overeenkomst op 10 april 2002 beëindigd en heeft Warbecq een ontslagvergoeding van 7 dagen loon betaald.
7 Op een in het verwijzingsvonnis niet nader genoemde datum heeft Warbecq Ryanair voor de Arbeidsrechtbank te Charleroi gedaagd. De vordering strekt ertoe verweerster in het hoofdgeding te doen veroordelen tot betaling van bepaalde bedragen als vakantiegeld bij vertrek, aanvulling op de ontslagvergoeding en schadevergoeding.
8 Volgens verzoekster in het hoofdgeding had zij krachtens artikel 19 van verordening nr. 44/2001 de keuze om haar werkgever op te roepen voor de gerechten van de woonplaats van laatstgenoemde of voor de gerechten van de plaats waar zij gewoonlijk werkte, in casu de luchthaven van Charleroi.
9 Ryanair betoogt dat de Belgische rechterlijke instanties niet bevoegd zijn kennis te nemen van de vordering van Warbecq.
10 Van oordeel dat de beslechting van het bij haar aanhangige geding afhing van de uitlegging van artikel 19 van verordening nr. 44/2001, heeft de Arbeidsrechtbank besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Wat zijn voor de toepassing van artikel 19, lid 2, van verordening nr. 44/2001 […] de relevante criteria om vast te stellen, op het grondgebied van welke verdragsluitende staat de werknemer gewoonlijk werkt wanneer deze werknemer als lid van het cabinepersoneel in dienst is van een onderneming die internationaal passagiersluchtvervoer verricht?
2) Welke plaats moet worden aangemerkt als de plaats waar of van waaruit deze werknemer feitelijk het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult, wanneer de uit deze arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen gedeeltelijk op de grond (luchthaven) van een verdragsluitende staat worden uitgevoerd en gedeeltelijk aan boord van een vliegtuig met de nationaliteit van een andere verdragsluitende staat, waar deze werknemer voor het overige in dienst is genomen?”
De bevoegdheid van het Hof
11 Overeenkomstig artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer het kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van een beroep, of wanneer dit beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, de advocaat-generaal gehoord, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beschikking.
12 Luidens artikel 68, lid 1, EG is „[a]rtikel 234 van toepassing op deze titel [IV betreffende ‚Visa, asiel, immigratie en andere beleidsterreinen die verband houden met het vrije verkeer van personen’] onder de volgende omstandigheden en voorwaarden: indien een vraag wordt opgeworpen in verband met de uitlegging van […] op deze titel gebaseerde handelingen van de instellingen van de Gemeenschap in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is deze instantie gehouden, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie te verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen.”
13 Verordening nr. 44/2001 is vastgesteld op de grondslag van artikel 61, sub c, EG, dat is opgenomen in het derde deel, titel IV, van het EG-Verdrag. In deze omstandigheden kan alleen een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, het Hof verzoeken te beslissen op een vraagstuk van uitlegging van deze verordening.
14 In casu staat vast dat de beslissingen van de Arbeidsrechtbank te Charleroi in het kader van een geding als het hoofdgeding naar nationaal recht vatbaar zijn voor hoger beroep.
15 Daar de zaak niet door een rechterlijke instantie als bedoeld in artikel 68 EG bij het Hof is aanhangig gemaakt, is dit derhalve niet bevoegd uitspraak te doen over de uitlegging van verordening nr. 44/2001.
16 Derhalve moet artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering worden toegepast en moet worden vastgesteld dat het Hof kennelijk onbevoegd is om op de vragen van de Arbeidsrechtbank te Charleroi te beslissen.
Kosten
17 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer)
beschikt:
Luxemburg, 10 juni 2004.
De griffier
De president van de Vierde kamer
R. Grass
J. N. Cunha Rodrigues
1 – Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy