ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer)
van 16 maart 2004
Zaak T‑11/03
Elizabeth Afari
tegen
Europese Centrale Bank
„Personeel van Europese Centrale Bank – Belediging – Discriminatie op grond van ras – Tuchtprocedure – Rechten van verdediging – Juridische kwalificatie van feiten – Beroep tot schadevergoeding”
Volledige Engelse tekst II - 0000
Betreft: Beroep tot nietigverklaring van de beslissing van de Europese Centrale bank van 5 november 2002 waarbij aan verzoekster een schriftelijke berisping is gegeven, en tot vergoeding van de schade die verzoekster daardoor zou hebben geleden.
Beslissing: Het beroep wordt verworpen. Elk der partijen zal de eigen kosten dragen.
Samenvatting
1. Ambtenaren – Bezwarend besluit – Tuchtmaatregel – Motiveringsplicht – Omvang
2. Ambtenaren – Beginselen – Beginsel van behoorlijk bestuur – Draagwijdte
3. Ambtenaren – Personeelsleden van Europese Centrale Bank – Tuchtregeling – Eerbiediging van rechten van verdediging – Verplichting die ook geldt bij ontbreken van schriftelijke regel
(Ambtenarenstatuut, art. 87; arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de Europese Centrale Bank, art. 43)
4. Ambtenaren – Gelijke behandeling – Begrip – Grenzen
5. Ambtenaren – Tuchtregeling – Verplichting betrokkene te horen vóór vaststelling van besluit – Niet-inachtneming – Onregelmatigheid die concrete invloed kan hebben gehad op inhoud van besluit – Schending van rechten van verdediging
6. Ambtenaren – Personeelsleden van Europese Centrale Bank – Tuchtregeling – Eerbiediging van rechten van verdediging – Ontbreken, in fase van inleiding van tuchtprocedure, van verwijzing naar bepalingen die betrokkene zou hebben geschonden – Gevolgen in concreto beoordeeld
7. Ambtenaren – Personeelsleden van Europese Centrale Bank – Rechten en verplichtingen – Inachtneming van waardigheid van ambt – Loyaliteitsplicht – Omvang
(Ambtenarenstatuut, art. 12 en 21, eerste alinea; arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de Europese Centrale Bank, art. 4, sub a, en 9, sub c)
8. Ambtenaren – Personeelsleden van Europese Centrale Bank – Tuchtregeling – Sanctie – Evenredigheidsbeginsel – Begrip – Beoordelingsvrijheid van tot aanstelling bevoegd gezag – Rechterlijke toetsing – Grenzen
(Ambtenarenstatuut, art. 86-89; arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de Europese Centrale Bank, art. 43)
9. Ambtenaren – Beroep – Beroep tot schadevergoeding – Ontbreken van onwettig gedrag van administratie – Verwerping
(Ambtenarenstatuut, art. 91)
1. De verplichting om een bezwarend besluit te motiveren, dient de gemeenschapsrechter in staat te stellen toezicht uit te oefenen op de wettigheid van het besluit, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om vast te stellen, of het besluit gegrond is. In de motivering van een besluit in een tuchtprocedure moet de administratie nauwkeurig aangegeven, welke feiten de ambtenaar ten laste worden gelegd en welke overwegingen het tot aanstelling bevoegd gezag tot de gekozen tuchtmaatregel hebben gebracht. In de motivering van de tuchtmaatregel behoeft echter niet te worden ingegaan op alle punten, feitelijk en rechtens, die de betrokkene tijdens de procedure heeft opgeworpen.
(cf. punten 37 en 38)
Referentie: Hof 20 november 1997, Commissie/V, C‑188/96 P, Jurispr. blz. I‑6561, punt 26; Gerecht 16 oktober 1998, V/Commissie, T‑40/95, JurAmbt. blz. I‑A‑587 en II‑1753, punt 36; Gerecht 19 mei 1999, Connolly/Commissie, T‑34/96 en T‑163/96, JurAmbt. blz. I‑A‑87 en II‑463, punt 93; Gerecht 23 april 2002, Campolargo/Commissie, T‑372/00, JurAmbt. blz. I‑A‑49 en II‑223, punt 49; Gerecht 30 mei 2002, Onidi/Commissie, T‑197/00, JurAmbt. blz. I‑A‑69 en II‑325, punt 156
2. Ingevolge het beginsel van behoorlijk bestuur is de administratie verplicht, bij haar beslissing over de situatie van een ambtenaar alle elementen in aanmerking te nemen die haar besluit kunnen beïnvloeden, en daarbij niet enkel rekening te houden met het belang van de dienst, maar ook met dat van de betrokken ambtenaar.
(cf. punten 42 en 217)
Referentie: Hof 4 februari 1987, Maurissen/Rekenkamer, 417/85, Jurispr. blz. 551, punt 12; Gerecht 7 november 2002, G/Commissie, T‑199/01, JurAmbt. blz. I‑A‑217 en II‑1085, punt 67; Gerecht 6 februari 2003, Pyres/Commissie, T‑7/01, JurAmbt. blz. I‑A‑37 en II‑239, punt 77
3. De eerbiediging van de rechten van de verdediging vormt een grondbeginsel van het gemeenschapsrecht dat zelfs bij ontbreken van een expliciete bepaling in acht moet worden genomen. Bovendien bepaalt artikel 43 van de arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de Bank, overeenkomstig artikel 87 van het Ambtenarenstatuut, dat de tuchtprocedure er zorg voor moet dragen dat aan geen enkel personeelslid een tuchtmaatregel wordt opgelegd zonder dat hij vooraf in de gelegenheid is gesteld om de tegen hem aangevoerde grieven te weerleggen.
In de motivering van de tuchtmaatregel behoeft niet te worden ingegaan op alle punten, feitelijk en rechtens, die de betrokkene tijdens de procedure heeft opgeworpen. De omstandigheid dat in het bestreden besluit niet wordt ingegaan op bepaalde argumenten die tijdens de tuchtprocedure zijn aangevoerd volstaat daarom niet ten bewijze van het feit dat het personeelslid aan wie een tuchtmaatregel is opgelegd, tijdens die procedure niet deugdelijk is gehoord.
(cf. punten 49, 50 en 52)
Referentie: Gerecht 6 mei 1997, Quijano/Commissie, T‑169/95, JurAmbt. blz. I‑A‑91 en II‑273, punt 44; Connolly/Commissie, reeds aangehaald, punt 93; Gerecht 15 juni 2000, F/Commissie, T‑211/98, JurAmbt. blz. I‑A‑107 en II‑471, punt 28; Gerecht 18 oktober 2001, X/ECB, T‑333/99, Jurispr. blz. II‑3021, punten 176 en 177; Onidi/Commissie, reeds aangehaald, punt 156
4. Het non-discriminatiebeginsel is slechts van toepassing op personen die zich in gelijke of vergelijkbare omstandigheden bevinden en vereist dat de verschillende behandeling van verschillende categorieën ambtenaren of tijdelijke functionarissen gerechtvaardigd is op basis van een objectief en redelijk criterium en dat dit verschil evenredig is aan het met die differentiëring beoogde doel.
(cf. punt 65)
Referentie: Gerecht 23 maart 1994, Huet/Rekenkamer, T‑8/93, Jurispr. blz. II‑103, punt 45
5. In het kader van tuchtprocedures wordt het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging geschonden, zodra vaststaat dat de betrokkene niet deugdelijk is gehoord vóór de vaststelling van het voor hem bezwarende besluit, en dat redelijkerwijs niet kan worden uitgesloten dat deze onregelmatigheid een concrete invloed op de inhoud van dit besluit heeft kunnen hebben.
(cf. punt 90)
Referentie: Gerecht 23 januari 2002, Reynolds/Parlement, T‑237/00, Jurispr. blz. II‑163, punt 113
6. Het feit dat de Europese Centrale Bank bij de inleiding van een tuchtprocedure tegen een van haar personeelsleden niet expliciet de bepalingen heeft aangegeven die volgens de aan het einde van deze procedure vastgestelde tuchtmaatregel geschonden zijn, kan niet tot gevolg hebben dat de betrokkene is beroofd van het recht om deugdelijk te worden gehoord, wanneer de betrokkene door de bij de inleiding van deze procedure aangevoerde grieven precies op de hoogte kon zijn van de bepalingen die hij zou hebben geschonden.
Zelfs al kan de betrokkene niet worden geacht op de hoogte te zijn geweest van het feit dat hem schending van een bijzondere bepaling werd verweten, dit heeft geen invloed op de strafmaatregel indien uit de motivering ervan duidelijk blijkt dat hem andere schendingen werden verweten, ten aanzien waarvan hij in de gelegenheid is gesteld om deugdelijk te worden gehoord en die op zich het bestaan en de maat van de opgelegde sanctie rechtvaardigen.
(cf. punten 111‑121)
7. Volgens artikel 12 van het Statuut dient „de ambtenaar [zich] te onthouden van iedere handeling, in het bijzonder van iedere meningsuiting in het openbaar, welke aan de waardigheid van het ambt afbreuk zou kunnen doen”. Deze bepaling beoogt te waarborgen dat de gemeenschapsambtenaren in hun gedrag blijk geven van een waardigheid die overeenkomt met het bijzondere correcte en achtenswaardige gedrag dat van de leden van een internationale openbare dienst mag worden verwacht.
Ingevolge artikel 21, eerste alinea, van het Statuut dient de ambtenaar zich loyaal en coöperatief te gedragen jegens zijn instelling en zijn meerderen. Deze plicht tot loyaal gedrag en medewerking omvat niet alleen positieve verplichtingen, maar ook en a fortiori een negatieve verplichting, namelijk de verplichting om zich algemeen te onthouden van gedragingen die afbreuk doen aan de waardigheid en de achting die aan de instelling en de gezagsdragers ervan verschuldigd zijn.
Gelet op de expliciete verwijzing in artikel 9, sub c, van de arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de Europese Centrale Bank naar de voor de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen geldende regels, moet de krachtens artikel 4, sub a, van de arbeidsvoorwaarden aan de personeelsleden van de Bank opgelegde verplichting om zich „overeenkomstig hun ambt en het karakter van gemeenschapsorgaan van de ECB” te gedragen, aldus worden uitgelegd dat hierbij aan het personeel van de Bank onder meer een soortgelijke loyaliteits‑ en waardigheidsplicht wordt opgelegd als die welke voor de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen gelden.
(cf. punten 191‑193)
Referentie: Hof 14 december 1966, Alfieri/Parlement, 3/66, Jurispr. blz. 633, 650; Gerecht 26 november 1991, Williams/Rekenkamer, T‑146/89, Jurispr. blz. II‑1293, punt 72; Gerecht 7 maart 1996, Williams/Rekenkamer, T‑146/94, JurAmbt. blz. I‑A‑103 en II‑329, punten 65 en 72; Gerecht 15 mei 1997, N/Commissie, T‑273/94, JurAmbt. blz. I‑A‑97 en II‑289, punt 127; Gerecht 12 september 2000, Teixeira Neves/Hof van Justitie, T‑259/97, JurAmbt. blz. I‑A‑169 en II‑773, punten 44‑47; Onidi/Commissie, reeds aangehaald, punt 73
8. De toepassing van het evenredigheidsbeginsel op het gebied van het tuchtrecht heeft twee dimensies.
Enerzijds staat het aan het tot aanstelling bevoegd gezag om een passende strafmaatregel te kiezen wanneer de ten laste van het personeelslid gelegde feiten zijn komen vast te staan, en de gemeenschapsrechter kan die keuze niet ongedaan maken, behoudens wanneer de tuchtmaatregel niet in verhouding staat tot de feiten die de ambtenaar ten laste zijn gelegd. Anderzijds berust de vaststelling van de tuchtmaatregel op een algemene beoordeling door het tot aanstelling bevoegd gezag van alle concrete feiten en omstandigheden van het geval, daar de artikelen 86 tot en met 89 van het Ambtenarenstatuut, net als de arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de Europese Centrale Bank voor haar personeelsleden, de aldaar genoemde tuchtmaatregelen niet koppelen aan de diverse inbreuken waaraan een ambtenaar zich schuldig kan maken, en niet preciseren, in welke mate verzwarende of verzachtende omstandigheden een rol moeten spelen bij de keuze van de maatregel. De gemeenschapsrechter kan derhalve slechts onderzoeken, of het tot aanstelling bevoegd gezag de verzwarende en verzachtende omstandigheden op evenwichtige wijze heeft afgewogen, en de rechter mag daarbij niet in de plaats van het tot aanstelling bevoegde gezag treden ter zake van de door dit gezag gevelde waardeoordelen.
(cf. punt 203)
Referentie: X/ECB, reeds aangehaald, punt 221
9. Voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap moet een aantal voorwaarden zijn vervuld: de onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging, het bestaan van schade en een causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging en de gestelde schade. Derhalve moet de vordering van een ambtenaar tot vergoeding van de morele schade die hij door de onrechtmatige gedraging van de gemeenschapsinstelling zou hebben geleden, worden afgewezen, wanneer die onrechtmatigheid niet is vastgesteld.
(cf. punt 224)
Referentie: Gerecht 15 februari 1996, Ryan-Sheridan/ESVLA, T‑589/93, JurAmbt. blz. I‑A‑27 en II‑77, punten 141 en 142
Full & Egal Universal Law Academy