Zaak T‑23/03
CAS SpA
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Associatieovereenkomst tussen EEG en Republiek Turkije – Kwijtschelding van invoerrechten – Vruchtensapconcentraat uit Turkije – Communautair douanewetboek – Certificaten inzake goederenverkeer – Bijzondere situatie – Rechten van verdediging”
Samenvatting van het arrest
1. Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen – Terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer of uitvoer
(Verordening nr. 2913/92 van de Raad, art. 239)
2. Gemeenschapsrecht – Beginselen – Rechten van verdediging
(Art. 255 EG; verordening nr. 2913/92 van de Raad, art. 239)
3. Internationale overeenkomsten – Associatieovereenkomst EEG-Turkije – Douane-unie – Oorsprong van goederen
(Associatieovereenkomst EEG-Turkije)
4. Beroep tot nietigverklaring – Procesbelang
(Art. 230 EG)
5. Internationale overeenkomsten – Associatieovereenkomst EEG-Turkije – Verplichtingen van Commissie
(Art. 211 EG; Associatieovereenkomst EEG-Turkije)
6. Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen – Navordering van rechten bij invoer of uitvoer
(Verordening nr. 2913/92 van de Raad, art. 220, lid 2, sub b)
1. De eerbiediging van het recht om te worden gehoord dient te worden gegarandeerd in het kader van een procedure betreffende kwijtschelding van invoerrechten, inzonderheid gelet op de beoordelingsvrijheid waarover de Commissie beschikt wanneer zij een beschikking geeft overeenkomstig de algemene billijkheidsclausule van artikel 239 van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek.
(cf. punt 87)
2. In het kader van een administratieve procedure inzake de kwijtschelding van douanerechten houdt het beginsel van de eerbiediging van het recht van verweer op dit gebied slechts in dat de betrokkene in staat moet zijn zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken over de elementen, daaronder begrepen de documenten, die de Commissie als basis voor haar beschikking tegen hem in aanmerking neemt. Dit beginsel verlangt dus niet dat de Commissie uit eigen beweging toegang verleent tot alle documenten die eventueel verband houden met het individuele geval waarover zij zich in het kader van een verzoek tot kwijtschelding buigt. Indien de betrokkene van mening is dat die documenten van belang zijn om het bewijs te leveren dat er sprake is van een bijzondere situatie en/of aan te tonen dat er geen sprake is van manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van zijn kant, staat het aan hem om toegang tot deze documenten te vragen overeenkomstig de door de instellingen op basis van artikel 255 EG vastgestelde bepalingen.
De Commissie moet immers op verzoek van de betrokkene toegang geven tot alle niet-vertrouwelijke administratieve stukken betreffende de bestreden beschikking. Indien een dergelijk verzoek ontbreekt, is er dus niet automatisch toegang tot de documenten waarover de Commissie beschikt.
(cf. punt 88-89)
3. De bepaling van de oorsprong van de goederen, in het kader van met name de douane-unie die is ingesteld bij de associatieovereenkomst EEG-Turkije, berust op een verdeling van bevoegdheden tussen de autoriteiten van het land van uitvoer en die van het land van invoer, in die zin dat de oorsprong door de autoriteiten van het land van uitvoer wordt bepaald, terwijl de controle op de goede werking van deze regeling wordt verzekerd dankzij de wederzijdse samenwerking tussen de betrokken diensten. Deze regeling vindt haar rechtvaardiging in de omstandigheid dat de autoriteiten in het land van uitvoer het best geplaatst zijn om rechtstreeks de feiten te controleren die bepalend zijn voor de oorsprong.
De goede werking van dit mechanisme is eerst verzekerd, wanneer de douanediensten van het land van invoer de door de autoriteiten van het land van uitvoer wettig uitgebrachte beoordelingen erkennen. De erkenning van dergelijke beslissingen door de douanediensten van de lidstaten is noodzakelijk, opdat de Gemeenschap op haar beurt van de autoriteiten van de landen die met haar vrijhandelsovereenkomsten hebben gesloten, de eerbiediging kan verlangen van besluiten van de douanediensten van de lidstaten ter zake van de oorsprong van uit de Gemeenschap naar die landen uitgevoerde producten.
(cf. punten 120‑121)
4. Een verzoeker heeft geen enkel rechtmatig belang bij nietigverklaring van een beschikking wegens vormfouten, ingeval de nietigverklaring van de beschikking enkel zou kunnen leiden tot de vaststelling van een nieuwe beschikking die ten gronde zou overeenkomen met de nietig verklaarde.
(cf. punt 132)
5. De Commissie is krachtens artikel 211 EG en het beginsel van behoorlijk bestuur verplicht de juiste toepassing van de associatieovereenkomst EEG-Turkije te verzekeren. Deze verplichting vloeit eveneens voort uit de associatieovereenkomst zelf en uit de diverse besluiten van de associatieraad.
(cf. punt 234)
6. Artikel 220, lid 2, sub b, van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek bepaalt dat de bevoegde autoriteiten kunnen afzien van boeking achteraf van invoerrechten wanneer aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan: om te beginnen moet het niet heffen van de rechten te wijten zijn aan een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf; voorts moet die vergissing van dien aard zijn dat zij door een belastingschuldige te goeder trouw redelijkerwijze niet kon worden ontdekt, en ten slotte moet deze belastingschuldige aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte hebben voldaan.
Deze bepaling beoogt de bescherming van het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige in de juistheid van alle factoren die een rol spelen bij het besluit om al dan niet tot navordering van douanerechten over te gaan. Niettemin is het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige slechts vatbaar voor bescherming uit hoofde van deze bepaling, indien het de bevoegde autoriteiten zelf zijn geweest die de grondslag hebben gecreëerd voor het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige. Dus geven enkel de vergissingen die aan een actieve gedraging van de bevoegde autoriteiten zijn toe te schrijven en die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken, recht op niet-navordering van douanerechten.
(cf. punten 303‑304)
ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
6 februari 2007 (*)
„Associatieovereenkomst tussen EEG en Republiek Turkije – Kwijtschelding van invoerrechten – Vruchtensapconcentraat uit Turkije – Communautair douanewetboek – Certificaten inzake goederenverkeer – Bijzondere situatie – Recht van verweer”
In zaak T‑23/03,
CAS SpA, gevestigd te Verona (Italië), vertegenwoordigd door D. Ehle, advocaat,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door X. Lewis als gemachtigde, bijgestaan door M. Nuñez Müller, advocaat,
verweerster,
betreffende een verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 18 oktober 2002 (REC 10/01), inzake een verzoek om kwijtschelding van invoerrechten,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, E. Martins Ribeiro en K. Jürimäe, rechters,
griffier: K. Andová, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 november 2005,
het navolgende
Arrest
Toepasselijke bepalingen
A – Regeling inzake het preferentiële stelsel
1 De onderhavige zaak moet worden geplaatst in het kader van de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en de Republiek Turkije (hierna: „associatieovereenkomst”), die te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds (hierna: „overeenkomstsluitende partijen”). De associatieovereenkomst is goedgekeurd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (PB 1964, 217, blz. 3685), en is op 1 december 1964 in werking getreden.
2 Volgens artikel 2, dat deel uitmaakt van titel I, „De beginselen”, heeft de associatieovereenkomst tot doel de gestadige en evenwichtige versterking van de commerciële en economische betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen te bevorderen.
3 De associatieovereenkomst omvat een voorbereidende fase, waarin de Republiek Turkije in staat wordt gesteld haar economie te versterken met steun van de Gemeenschap (artikel 3), een overgangsfase, voor het geleidelijk tot stand brengen van een douane-unie en het nader tot elkaar brengen van het economisch beleid van Turkije en dat van de Gemeenschap (artikel 4), en een definitieve fase, die is gegrondvest op de douane-unie en de versterking van de coördinatie van het economisch beleid van de overeenkomstsluitende partijen inhoudt (artikel 5).
4 Ingevolge artikel 7 van de associatieovereenkomst nemen de overeenkomstsluitende partijen alle algemene of bijzondere maatregelen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de associatieovereenkomst voortvloeiende verplichtingen te verzekeren en onthouden zij zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de overeenkomst in gevaar kunnen brengen.
5 De artikelen 22 en 23, die staan in titel III, betreffende algemene en slotbepalingen, voorzien in de instelling van een Associatieraad, bestaande uit leden van de regeringen van de lidstaten, de Raad en de Commissie enerzijds en uit leden van de Turkse regering anderzijds (hierna: „associatieraad”). De associatieraad, die zich uitspreekt met eenparigheid van stemmen, is bevoegd tot het nemen van besluiten voor de verwezenlijking van de in de associatieovereenkomst vermelde doelstellingen. Artikel 25 verleent deze raad de bevoegdheid om op verzoek van een overeenkomstsluitende partij elk geschil op te lossen inzake de toepassing of uitlegging van de associatieovereenkomst, dan wel om dat aan het Hof voor te leggen.
6 De definitieve fase van de douane-unie is ingegaan op 31 december 1995 [artikelen 1 en 65, lid 1, van besluit nr. 1/95 van de associatieraad van 22 december 1995, inzake de tenuitvoerlegging van de slotfase van de douane-unie (PB 1996, L 35, blz. 1); hierna: „besluit nr. 1/95” of „basisbesluit”].
7 Overeenkomstig artikel 11 van de associatieovereenkomst omvat de associatieregeling mede de landbouw en de handel in landbouwproducten, volgens bijzondere bepalingen, waarbij rekening wordt gehouden met het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de Gemeenschap.
1. Tijdens de overgangsfase geldende regeling
8 Bij besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie, heeft de associatieraad besloten de douanerechten af te schaffen welke van toepassing waren gebleven bij invoer in de Gemeenschap van de landbouwproducten van oorsprong uit Turkije, die nog niet vrij van rechten in de Gemeenschap werden toegelaten.
9 Overeenkomstig artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 4115/86 van de Raad van 22 december 1986 betreffende de invoer in de Gemeenschap van landbouwproducten van oorsprong uit Turkije (PB L 380, blz. 16), werden de in bijlage II bij het EEG-Verdrag genoemde producten van oorsprong uit Turkije, met uitzondering van de in de bijlage bij deze verordening vermelde producten, in de Gemeenschap vrij van douanerechten in het vrije verkeer gebracht. Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van verordening nr. 4115/86 werden als „producten van oorsprong uit Turkije” aangemerkt de producten die voldeden aan de voorwaarden welke waren neergelegd in besluit nr. 4/72 van de associatieraad van 29 december 1972, betreffende de definitie van het begrip „goederen van oorsprong” uit Turkije voor de toepassing van het bepaalde in hoofdstuk I van bijlage nr. 6 van het Aanvullend Protocol bij de associatieovereenkomst, gehecht aan verordening (EEG) nr. 428/73 van de Raad van 5 februari 1973 betreffende de toepassing van de besluiten nr. 5/72 en nr. 4/72 van de associatieraad (PB L 59, blz. 73), gewijzigd bij besluit nr. 1/75 van de associatieraad van 26 mei 1975, gehecht aan verordening (EEG) nr. 1431/75 van de Raad tot wijziging van verordening nr. 428/73 (PB L 142, blz. 1).
10 Volgens artikel 1 van besluit nr. 4/72 worden aangemerkt als producten van oorsprong uit Turkije:
„ a) in Turkije geoogste producten van het plantenrijk;
[...]
f) goederen die in Turkije zijn verkregen door de bewerking of verwerking van de sub a tot en met e bedoelde producten, zelfs indien andere producten daarin zijn verwerkt, mits de producten die niet in Turkije of in de Gemeenschap zijn verkregen, slechts bijkomstig daarin zijn verwerkt.”
11 Verordening (EEG) nr. 3719/88 van de Commissie van 16 november 1988 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer‑, uitvoer‑ en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (PB L 331, blz. 1), is van toepassing op de certificaten die zijn ingesteld bij de in artikel 1 daarvan genoemde verordeningen. Artikel 28, lid 4, luidt:
„De lidstaten verstrekken de Commissie eveneens afdrukken van de officiële stempels en, in voorkomend geval, van de droogstempels van de betrokken instanties. De Commissie geeft deze informatie onmiddellijk aan de andere lidstaten door.”
12 Bij besluit nr. 5/72 van 29 december 1972 betreffende de methoden van administratieve samenwerking ter toepassing van de artikelen 2 en 3 van het Aanvullend Protocol bij de associatieovereenkomst (PB 1973, L 59, blz. 74), heeft de associatieraad als regel gesteld dat een bewijsstuk dat op verzoek van de exporteur door de douaneautoriteiten van Turkije of van een lidstaat is afgegeven, moest worden overgelegd om voor de preferentiële regeling in aanmerking te komen. Voor goederen die rechtstreeks uit Turkije naar een lidstaat worden vervoerd, is dat bewijsstuk het certificaat inzake goederenverkeer A.TR.1 (hierna: „A.TR.1‑certificaat”), waarvan een model aan het besluit is gehecht (artikel 2). Dit model is vervangen door het formulier dat is gehecht aan besluit nr. 1/78 van de associatieraad van 18 juli 1978 tot wijziging van besluit nr. 5/72 (PB L 253, blz. 2). Dit model is op zijn beurt licht gewijzigd bij besluit nr. 4/95 van de associatieraad van 22 december 1995 tot wijziging van besluit nr. 5/72 (PB 1996, L 35, blz. 48).
13 Artikel 11 van besluit nr. 5/72 bepaalt, dat de lidstaten en Turkije elkaar, „ter verzekering van een juiste toepassing van de bepalingen van dit besluit”, door tussenkomst van hun onderscheiden douaneadministraties bijstand verlenen met het oog op de controle van de echtheid en de regelmatigheid van de certificaten.
14 Artikel 12 van besluit nr. 5/72 bepaalt vervolgens:
„[De Republiek] Turkije, de lidstaten en de Gemeenschap nemen elk voor zich de nodige maatregelen ter uitvoering van de bepalingen van dit besluit.”
15 Overeenkomstig artikel 2, lid 3, van verordening nr. 4115/86 zijn de methoden van administratieve samenwerking die moeten verzekeren dat de in artikel 1 bedoelde producten tegen de verlaagde douanerechten worden toegelaten, die welke zijn vastgesteld bij besluit nr. 5/72, laatstelijk gewijzigd bij besluit nr. 1/78.
2. Tijdens de definitieve fase geldende regeling
16 Besluit nr. 1/95 regelt in bijzonderheden de uitvoering van de definitieve fase van de douane-unie. Artikel 29 daarvan bepaalt:
„De wederzijdse bijstand op douanegebied tussen de administratieve instanties van de overeenkomstsluitende partijen wordt geregeld in bijlage 7, die, wat de Gemeenschap betreft, betrekking heeft op aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de Gemeenschap vallen.”
17 Artikel 2, lid 1, van bijlage 7, betreffende wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten inzake douanezaken, bij besluit nr. 1/95, luidt:
„De overeenkomstsluitende partijen verlenen elkaar bijstand op de gebieden die onder hun bevoegdheid vallen, [...] met het oog op de correcte toepassing van de douanewetgeving, in het bijzonder wat de preventie, de opsporing en het onderzoek van met deze wetgeving strijdige handelingen betreft.”
18 Artikel 3, lid 6, van besluit nr. 1/95 bepaalt dat het comité voor samenwerking op douanegebied de methoden voor administratieve samenwerking vaststelt.
19 Artikel 5, lid 2, van besluit nr. 1/96 van het comité douanesamenwerking van 20 mei 1996 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van besluit nr. 1/95 (PB L 200, blz. 14) bepaalt dat de waarmerking van het document waarbij het in het vrije verkeer brengen van de goederen mogelijk wordt gemaakt, een douaneschuld bij invoer doet ontstaan. Overeenkomstig artikel 6 van dit besluit moet voor de preferentiële behandeling van uit Turkije ingevoerde landbouwproducten het A.TR.1‑certificaat als bewijsstuk worden afgegeven. Een model van dit certificaat is opgenomen in bijlage I, maar artikel 7, lid 1, van dit besluit bepaalt dat de formulieren opgenomen in besluit nr. 5/72 tot en met 30 juni 1997 mochten worden gebruikt.
20 Artikel 15 van besluit nr. 1/96 luidt als volgt:
„Ter verzekering van een juiste toepassing [...] van dit besluit verlenen de lidstaten en [de Republiek] Turkije elkaar, door tussenkomst van hun onderscheiden douaneadministraties en in het kader van de wederzijdse bijstand waarin wordt voorzien in artikel 29 van en bijlage 7 bij het basisbesluit, bijstand bij de controle van de echtheid en de juistheid van de certificaten.”
21 In artikel 13, lid 2, van besluit nr. 1/96 heet het:
„[...] In vak 12 van het uittreksel worden het registratienummer, de datum, het kantoor en het land van afgifte van het oorspronkelijke certificaat vermeld [...]”
22 Bijlage II, punt II, sub 12, bij besluit nr. 1/96 bepaalt dat de gegevens in vak 12 van het certificaat inzake goederenverkeer A.TR.1 door de bevoegde autoriteiten moeten worden aangevuld.
23 Artikel 4 van besluit nr. 1/96, ten slotte, bepaalt:
„Onverminderd de bepalingen van het basisbesluit inzake vrij verkeer, zijn het communautair douanewetboek en de uitvoeringsbepalingen daarvoor, welke van toepassing zijn in het douanegebied van de Gemeenschap, en het Turkse douanewetboek [en de uitvoeringsbepalingen daarvoor, die] van toepassing [zijn] in het douanegebied van [de Republiek] Turkije, van toepassing op de handel in goederen tussen de twee delen van de douane-unie, onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in dit besluit.”
B – Douanevoorschriften
1. Regeling inzake de kwijtschelding van douanerechten
24 Met betrekking tot de mogelijkheid van kwijtschelding van invoerrechten bepaalt artikel 239 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: „CDW”), het volgende:
„Tot [...] kwijtschelding van de rechten bij invoer [...] kan ook worden overgegaan in de gevallen [...] welke het gevolg zijn van omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden. De gevallen waarin op deze bepaling een beroep kan worden gedaan en de te dien einde toe te passen procedures, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité.”
25 Artikel 905, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 (PB L 253, blz. 1; hierna: „uitvoeringsverordening CDW”), luidt als volgt:
„1. Wanneer de beschikkende douaneautoriteit, die een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding uit hoofde van artikel 239, lid 2, [CDW] ontvangt, niet in staat is om op grond van artikel 899 te beslissen èn indien de aanvraag vergezeld is van bewijsstukken waarmee het bestaan kan worden aangetoond van een bijzondere situatie die het gevolg is van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden, legt de lidstaat waaronder deze autoriteit ressorteert het geval voor aan de Commissie ter behandeling overeenkomstig de procedure bedoeld in de artikelen 906 tot en met 909 [...]”
26 Artikel 904, sub c, van de uitvoeringsverordening CDW bepaalt:
„Er wordt niet tot terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer overgegaan wanneer het verzoek om terugbetaling [of kwijtschelding], al naar gelang van het geval, uitsluitend is gegrond op:
[...]
c) de overlegging, zelfs te goeder trouw, ter verkrijging van een preferentiële tariefbehandeling voor goederen die voor het vrije verkeer worden aangegeven, van documenten waarvan naderhand wordt vastgesteld dat zij hetzij vals of vervalst hetzij ongeldig waren voor het verkrijgen van deze preferentiële tariefbehandeling.”
27 Artikel 236 CDW luidt als volgt:
„Tot terugbetaling van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van de rechten op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt.
Tot kwijtschelding van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van deze rechten op het tijdstip van boeking niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt.
Er wordt geen terugbetaling of kwijtschelding verleend wanneer de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de betaling of de boeking van een wettelijk niet verschuldigd bedrag het gevolg zijn van een frauduleuze handeling van de zijde van de belanghebbende.
[...]”
28 Ingevolge artikel 220, lid 2, sub b, CDW wordt niet overgegaan tot boeking achteraf van rechten die voortvloeien uit een douaneschuld, wanneer het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet is geboekt ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan.
2. Regeling betreffende de oorsprongregels
29 Artikel 20 CDW bepaalt met name:
„1. De bij het ontstaan van een douaneschuld wettelijk verschuldigde rechten zijn op het douanetarief van de Europese Gemeenschappen gebaseerd.
2. De andere maatregelen die uit hoofde van specifieke communautaire bepalingen in het kader van het goederenverkeer zijn vastgesteld, worden, in voorkomend geval, naar gelang van de tariefindeling van deze goederen toegepast.
3. Het douanetarief van de Europese Gemeenschappen omvat:
[...]
d) de preferentiële tariefmaatregelen in de overeenkomsten die de Gemeenschap met bepaalde landen of groepen van landen heeft gesloten en die in een preferentiële tariefbehandeling voorzien.”
30 Artikel 27, sub a, CDW bepaalt het volgende:
„De regels betreffende de preferentiële oorsprong behelzen de voorwaarden waaraan de goederen moeten voldoen om de preferentiële oorsprong te verkrijgen teneinde voor de in artikel 20, lid 3, sub d of e, bedoelde maatregelen in aanmerking te komen. Deze regels worden vastgesteld:
a) voor de goederen die onder de overeenkomsten bedoeld in artikel 20, lid 3, sub d, vallen, bij deze overeenkomsten.”
31 De uitvoeringsverordening CDW, in de op het onderhavige geding toepasselijke formulering daarvan [artikel 93, gewijzigd en hernummerd in artikel 92 bij verordening (EG) nr. 3254/94 van de Commissie van 19 december 1994 (PB L 346, blz. 1); hierna: „artikel 93 van de uitvoeringsverordening CDW”] bepaalt:
„1. De begunstigde landen verstrekken de Commissie de namen en adressen van de op hun grondgebied voor de afgifte van certificaten van oorsprong, formulier A, bevoegd verklaarde overheidsinstanties, alsmede de specimens van de afdrukken van de door deze instanties gebruikte stempels. De Commissie geeft deze inlichtingen aan de douaneautoriteiten van de lidstaten door.
2. De begunstigde landen verstrekken de Commissie tevens de namen en adressen van de overheidsinstanties die bevoegd zijn verklaard om de in artikel 86 genoemde verklaringen van echtheid af te geven, alsmede de specimens van de afdrukken van de stempels die zij gebruiken. De Commissie geeft deze inlichtingen aan de douaneautoriteiten van de lidstaten door.
3. De Commissie maakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (C-reeks) de datum bekend waarop de nieuwe begunstigde landen in de zin van artikel 97 aan de in de leden 1 en 2 omschreven verplichtingen hebben voldaan.”
C – Regeling inzake de vertrouwelijkheid van bepaalde documenten
32 Artikel 8, lid 1, van verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (PB L 136, blz. 1), bepaalt:
„Geheimhouding en gegevensbescherming
1. De in het kader van externe onderzoeken verkregen gegevens zijn ongeacht de vorm ervan, beschermd door de bepalingen die betrekking hebben op deze onderzoeken.”
33 Artikel 9, lid 2, van deze verordening bepaalt voorts:
„Verslag en vervolg van de onderzoeken
[...]
2. Deze verslagen worden opgesteld met inachtneming van de procedurevoorschriften van de nationale wetgeving van de betrokken lidstaat. De verslagen vormen op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als de door de nationale administratieve controleurs opgestelde administratieve verslagen toelaatbare bewijsmiddelen in de administratieve of gerechtelijke procedures van de lidstaat waar het gebruik ervan nodig blijkt. De verslagen worden beoordeeld volgens dezelfde regels als de administratieve verslagen van de nationale administratieve controleurs, en hebben dezelfde waarde.”
34 In artikel 8, lid 1, van verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292, blz. 2), heet het:
„De uit hoofde van deze verordening meegedeelde of verkregen gegevens vallen, ongeacht de vorm ervan, onder de geheimhoudingsplicht en komen in aanmerking voor de bescherming die aan soortgelijke gegevens wordt toegekend door de wetgeving van de lidstaat die de gegevens heeft ontvangen, alsmede door de overeenkomstige bepalingen die van toepassing zijn op de communautaire instellingen.”
35 Artikel 4 van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43), is als volgt geformuleerd:
„Uitzonderingen
1. De instellingen weigeren de toegang tot een document wanneer de openbaarmaking ervan zou leiden tot ondermijning van de bescherming van:
a) het openbaar belang, wat betreft:
– de openbare veiligheid,
– defensie en militaire aangelegenheden,
– de internationale betrekkingen,
– het financieel, monetair of economisch beleid van de Gemeenschap of van een lidstaat;
b) de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu, in het bijzonder gelet op de gemeenschapswetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens.
2. De instellingen weigeren de toegang tot een document wanneer de openbaarmaking ervan zou leiden tot ondermijning van de bescherming van:
– de commerciële belangen van een natuurlijke of rechtspersoon, met inbegrip van intellectuele eigendom,
– gerechtelijke procedures en juridisch advies,
– het doel van inspecties, onderzoeken en audits,
tenzij een hoger openbaar belang openbaarmaking gebiedt.”
Feiten
A – Litigieuze importen
36 Verzoekster CAS SpA is een vennootschap naar Italiaans recht, die voor 95,1 % in handen is van Steinhauser GmbH (hierna: „Steinhauser”), gevestigd te Ravensburg (Duitsland). Verzoekster houdt zich voornamelijk bezig met de verwerking van ingevoerde vruchtensapconcentraten, en parallel daaraan voert zij deze producten in in Italië. Het is hoofdzakelijk de vennootschap Steinhauser die de zakelijke relaties met de buitenlandse leveranciers onderhoudt.
37 Tussen 5 april 1995 en 20 november 1997 heeft verzoekster geconcentreerd appelsap‑ en perensap dat was aangegeven met herkomst en oorsprong uit Turkije, in de Gemeenschap ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht. De invoer van dit soort producten in de Gemeenschap vond plaats middels A.TR.1-certificaten, zodat voor deze producten de vrijstelling van douanerechten gold, zoals bepaald in de associatieovereenkomst en het aanvullend protocol.
38 Ingevolge artikel 29 van besluit nr. 1/95 heeft de douanedienst van Ravenna (Italië) achteraf de echtheid gecontroleerd van het A.TR.1‑certificaat D 141591, dat door verzoekster tijdens een van de importen tussen 5 april 1995 en 20 november 1997 was ingediend. Overeenkomstig de op dit gebied toepasselijke voorschriften werd het verzoek om verificatie van de echtheid van dat certificaat aan de Turkse autoriteiten gericht.
39 Bij brief van 15 mei 1998 hebben de Turkse autoriteiten de douanedienst van Ravenna meegedeeld dat uit de controle was gebleken dat het certificaat niet echt was, omdat het niet door de Turkse douaneautoriteiten was afgegeven. Zij kondigden bovendien aan dat er andere controles zouden worden verricht.
40 De Italiaanse autoriteiten hebben daarop 103 A.TR.1‑certificaten die verzoekster bij verschillende importen had ingediend, achteraf gecontroleerd.
41 Bij brief van 10 juli 1998 heeft de permanente vertegenwoordiging van de Republiek Turkije bij de Europese Unie (hierna: „Turkse permanente vertegenwoordiging”) de Commissie meegedeeld dat 22 door verzoekster ingediende A.TR.1‑certificaten, die in de bijlage bij die brief zijn opgenoemd en die de exporten van de Turkse onderneming Akman naar Italië betroffen, vals („false”) waren. De Commissie heeft deze brief op 20 juli 1998 doorgezonden aan de Italiaanse douaneautoriteiten.
42 Tussen 12 en 15 oktober 1998 alsmede tussen 30 november en 2 december 1998, heeft de Eenheid voor coördinatie van de fraudebestrijding van de Commissie [(UCLAF), voorgangster van het OLAF] in Turkije verificaties verricht.
43 Bij brief van 8 maart 1999 heeft de Turkse permanente vertegenwoordiging de douanedienst van Ravenna meegedeeld dat 32 door verzoekster overgelegde A.TR.1‑certificaten (hierna: „litigieuze certificaten”), waaronder 18 in de bijlage van de brief van 10 juli 1998 genoemde certificaten, niet door de Turkse autoriteiten waren opgesteld of geviseerd. Deze certificaten zijn in de bijlage bij deze brief genoemd.
44 De Italiaanse douaneautoriteiten waren van oordeel dat uit de totale briefwisseling tussen hen, de Commissie, de UCLAF en de Turkse autoriteiten bleek dat 48 A.TR.1‑certificaten, waaronder de litigieuze certificaten, betreffende door verzoekster middels de Turkse onderneming Akman verrichte exporten, volgens de Turkse autoriteiten vals dan wel onregelmatig waren.
45 In casu werden de 32 litigieuze certificaten (die in totaal 3 296 190 371 ITL, of 1 702 340,25 EUR aan douanerechten vertegenwoordigden) vals geacht omdat zij niet door de Turkse douanekantoren waren afgegeven of geviseerd. De 16 andere certificaten (die in totaal 1 904 736 758 ITL, of 938 728,38 EUR aan douanerechten vertegenwoordigden) werden daarentegen als ongeldig beschouwd omdat zij weliswaar door de Turkse douaneautoriteiten waren afgegeven, doch de betrokken goederen niet van oorsprong uit Turkije waren.
46 Aangezien alle 48 certificaten als vals dan wel als ongeldig waren gekwalificeerd, kon voor de goederen waarvoor zij waren afgegeven, niet de voor de importen van Turkse landbouwproducten toegekende preferentiële behandeling gelden.
47 Bijgevolg heeft de Italiaanse douaneadministratie van verzoekster betaling van de verschuldigde douanerechten van in totaal 5 200 954 129 ITL, of 2 686 068,63 EUR gevorderd.
B – Strafrechtelijke en administratieve procedure voor de Italiaanse en de communautaire autoriteiten
48 Bij brief van 28 maart 2000 heeft verzoekster de douanedienst van Ravenna krachtens de artikelen 220, lid 2, sub b, 236 en 239 CDW verzocht om niet over te gaan tot boeking achteraf en om terugbetaling van de gevorderde invoerrechten. Tot staving van haar verzoek voerde verzoekster haar goede trouw, fouten van de bevoegde autoriteiten die zij niet had kunnen ontdekken alsmede aan hen toe te rekenen tekortkomingen aan.
49 Bij brief van 15 mei 2000 hebben de Italiaanse douaneautoriteiten het parket van Ravenna in kennis gesteld van de feiten betreffende de door verzoekster verrichte importen met vervalste certificaten. Na kennisneming van deze feiten heeft het parket van Ravenna een onderzoek geopend.
50 Bij arrest van 20 december 2000 heeft het Tribunale civile e penale (civiele en strafrechtelijke rechtbank) van Ravenna de strafprocedure tegen de beheerder van verzoekster, B. Steinhauser, beëindigd, omdat het de hem verweten feiten niet bewezen achtte.
51 Bij brief van 30 november 2001, ingekomen bij de Commissie op 12 december 2001, heeft de Italiaanse Republiek de Commissie gevraagd of het gerechtvaardigd was om niet over te gaan tot boeking van de uit hoofde van artikel 220, lid 2, sub b, CDW van verzoekster gevorderde douanerechten of om deze rechten uit hoofde van artikel 239 CDW terug te betalen.
52 Overeenkomstig de artikelen 871 en 905 van de uitvoeringsverordening CDW heeft verzoekster erop gewezen dat zij kennis had genomen van het door de Italiaanse autoriteiten aan de Commissie gezonden dossier. Verzoekster heeft voorts haar standpunt meegedeeld en opmerkingen ingediend, die door de Italiaanse autoriteiten als bijlage bij hun brief van 30 november 2001 aan de Commissie zijn gezonden.
53 De Commissie zag zich genoopt bij brief van 3 juni 2002 de Italiaanse autoriteiten om bepaalde aanvullende informatie te vragen; zij hebben bij brief van 7 juni 2002 geantwoord.
54 Bij brief van 25 juli 2002 heeft de Commissie verzoekster in kennis gesteld van haar voornemen om geen gevolg te geven aan haar verzoek. Alvorens een definitieve beslissing te nemen heeft de Commissie verzoekster echter verzocht haar eventuele opmerkingen in te dienen en haar toegang gegeven tot het dossier om kennis te nemen van de niet-vertrouwelijke documenten.
55 Op 6 augustus 2002 hebben verzoeksters vertegenwoordigers het administratieve dossier in de bureaus van de Commissie geraadpleegd. Zij hebben bovendien een verklaring ondertekend waarin zij bevestigen toegang te hebben gehad tot de in de bijlage daarbij genoemde documenten.
56 Bij brief van 15 augustus 2002 heeft verzoekster haar opmerkingen ingediend bij de Commissie. Zij heeft met name haar standpunt gehandhaafd dat de bevoegde douaneautoriteiten „actieve vergissingen” hadden gemaakt die zij niet had kunnen ontdekken. Zij stelt deze vergissingen tevens gelijk met tekortkomingen die een bijzondere situatie in de zin van artikel 239 CDW kunnen opleveren.
57 Op 18 oktober 2002 heeft de Commissie beschikking REC 10/01 (hierna: „bestreden beschikking”) vastgesteld, waarvan op 21 november 2002 aan verzoekster kennis is gegeven.
58 In de eerste plaats is de Commissie tot de slotsom gekomen dat het gerechtvaardigd was om de invoerrechten waarop het verzoek betrekking had te boeken.
59 In de tweede plaats is de Commissie echter tot de slotsom gekomen dat het gerechtvaardigd was om de invoerrechten terug te betalen voor het onderdeel van het verzoek dat betrekking had op de 16 ongeldige certificaten, aangezien verzoekster zich ten aanzien daarvan in een bijzondere situatie in de zin van artikel 239 CDW bevond.
60 Wat in de derde plaats de 32 litigieuze certificaten betreft, is de Commissie daarentegen tot de slotsom gekomen dat de door verzoekster aangevoerde omstandigheden niet van dien aard waren dat zij een bijzondere situatie in de zin van artikel 239 CDW opleverden. Bijgevolg heeft de Commissie in artikel 2 van de bestreden beschikking beslist dat het niet gerechtvaardigd was om de desbetreffende douanerechten van in totaal 1 702 340,25 EUR, terug te betalen.
61 Ten slotte heeft verzoekster bij de Commissie bij brief van 20 juni 2003 een verzoek om toegang tot andere documenten van het dossier ingediend. De Commissie heeft dit bij brief van 10 juli 2003 toegestaan. Verzoekster heeft het dossier echter niet opnieuw geraadpleegd.
C – Certificaat D 437214
62 Bij brief van 17 december 2002 heeft verzoekster de Commissie erop gewezen dat het A.TR.1‑certificaat D 437214, dat tot de litigieuze certificaten behoorde, door de Turkse autoriteiten niet als vals, maar enkel als ongeldig was gekwalificeerd. De Commissie heeft deze brief op 6 januari 2003 doorgezonden aan de Italiaanse douaneautoriteiten.
63 Bij brief van 24 januari 2003 hebben de Italiaanse douaneautoriteiten onder verwijzing naar de brief van de Turkse douaneautoriteiten van 8 maart 1999 en naar een brief van de UCLAF van 6 mei 1999, te kennen gegeven dat dit certificaat vals was.
64 Bij brief van 4 maart 2003 heeft de Commissie de Italiaanse douaneautoriteiten verzocht verzoekster in kennis te stellen van de uitkomst van het onderzoek betreffende A.TR.1‑certificaat D 437214. Bij brief van 18 maart 2003 aan verzoekster hebben de Italiaanse douaneautoriteiten bevestigd dat dit certificaat vals was omdat het niet door de Turkse autoriteiten was opgesteld.
Procesverloop en conclusies van partijen
65 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 januari 2003, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
66 Op rapport van de rechter-rapporteur is besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan. In het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang is partijen verzocht bepaalde documenten over te leggen en een aantal schriftelijke vragen van het Gerecht te beantwoorden. Partijen hebben hieraan gevolg gegeven.
67 Partijen zijn in hun pleidooien en hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht gehoord ter openbare terechtzitting van 15 november 2005.
68 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
– artikel 2 van de bestreden beschikking nietig te verklaren;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
69 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep te verwerpen;
– verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
70 Tot staving van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan, ontleend aan, ten eerste, schending van het recht van verweer, ten tweede, schending van artikel 239 CDW, en ten derde, schending van artikel 220, lid, 2, sub b, CDW.
A – Eerste middel: schending van het recht van verweer
1. Argumenten van partijen
71 Verzoekster betoogt dat haar recht van verweer gedurende de administratieve procedure is geschonden. Zij stelt in wezen dat zij weliswaar toegang heeft gehad tot het dossier dat de stukken bevatte waarop de Commissie de bestreden beschikking heeft gebaseerd, doch dat zij niettemin geen toegang heeft gehad tot documenten die van doorslaggevend belang waren voor de totale beoordeling van de situatie door de Commissie. Voorts bleken bepaalde documenten die zij wel heeft kunnen inzien, haars inziens onvolledig te zijn. Ten slotte heeft zij bij het onderzoek van het dossier niet kunnen onderscheiden welke documenten als vertrouwelijk werden beschouwd en welke niet, en evenmin de criteria kunnen ontdekken die daarvoor waren gehanteerd.
72 Verzoekster betoogt in de eerste plaats dat de volgende stukken uit het dossier haar niet zijn verstrekt: 1) de volledige verslagen van de missies van de UCLAF in Turkije; 2) de volledige briefwisseling van de UCLAF en de Commissie met de Turkse permanente vertegenwoordiging en met de bevoegde autoriteiten in Turkije; 3) de volledige briefwisseling van de Commissie en/of de UCLAF met de nationale douaneautoriteiten, in het bijzonder met de Italiaanse douaneautoriteiten, en 4) de notulen van de zitting van het comité voor samenwerking op douanegebied betreffende de A.TR.1-certificaten die bij de uitvoer van vruchtensapconcentraten en andere goederen van oorsprong uit Turkije als onregelmatig dan wel vals waren gekwalificeerd.
73 In repliek voert verzoekster bovendien aan dat zij geen informatie heeft kunnen krijgen over de missie van de UCLAF in Turkije in oktober 1998, waarnaar de Commissie in punt 32 van de bestreden beschikking verwijst. Volgens verzoekster bleek bij de inzage van het dossier alleen maar dat er op 13 en 14 oktober 1998 een bijeenkomst tussen de UCLAF en de Turkse permanente vertegenwoordiging heeft plaatsgevonden, aangezien in een brief van 21 oktober 1998 van de UCLAF melding wordt gemaakt van deze vergadering. Verzoekster stelt dat zij evenmin kennis heeft genomen van de brieven van 1 en 9 december 1998 van de UCLAF aan de Turkse permanente vertegenwoordiging, die de Commissie in haar verweerschrift noemt.
74 Verzoekster betoogt dat de documenten waarop zij wijst, niet slechts eventueel, maar integendeel rechtstreeks en zeer nauw verband houden met de vraag of de litigieuze certificaten werkelijk vals zijn dan wel slechts onregelmatig.
75 In de tweede plaats betwist verzoekster de stelling van de Commissie dat het feit dat haar gemachtigde een verklaring heeft ondertekend waarin hij verklaart kennis te hebben genomen van alle documenten die verband houden met de zaak, zou bevestigen dat zij inderdaad toegang heeft gehad tot alle stukken van het dossier. Deze verklaring is immers een voorgedrukt formulier en de partij die, zonder op de hoogte te zijn van alle documenten van het dossier, het dossier inziet, kan er uiteindelijk niet van uitgaan dat zij daarmee volledig is geïnformeerd. Verzoekster stelt aldus dat zij pas kennis heeft genomen van deze verklaring, die de lijst van documenten REC 10/01 omvat en als bijlage bij het verweerschrift van de Commissie is gevoegd, bij lezing van die bijlage.
76 In de derde plaats stelt verzoekster dat bepaalde documenten waartoe zij wel toegang heeft gehad, onvolledig waren, en dat zij dus geen toegang heeft gehad tot alle in de bijlage bij de verklaring genoemde documenten. In dit verband wijst zij de stelling van de Commissie af dat zij alle verslagen van de missies van de UCLAF in Turkije heeft kunnen inzien en stelt zij dat zij enkel documenten betreffende de missieverslagen van 9 en 23 december 1998, die uit twee of drie bladzijden bestaan, heeft kunnen inzien.
77 In de vierde plaats betwist verzoekster in repliek het argument van de Commissie dat zij hoe dan ook geen recht had op toegang tot bepaalde documenten, waaronder de missieverslagen van de UCLAF, aangezien deze vertrouwelijk zijn. Verzoekster betoogt dat deze verslagen niet alleen niet vertrouwelijk zijn, aangezien de Commissie de vertrouwelijke aard ervan niet heeft gefundeerd, maar dat bovendien soortgelijke verslagen in vergelijkbare procedures voor het Gerecht wél voor inzage ter beschikking zijn gesteld.
78 Dat deze missieverslagen niet vertrouwelijk zijn vloeit voort uit verordening nr. 1073/1999. Volgens verzoekster vormen missieverslagen volgens artikel 9, lid 2, van deze verordening, op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als de door de nationale administratieve controleurs opgestelde administratieve verslagen, toelaatbare bewijsmiddelen in de administratieve of gerechtelijke procedures van de lidstaat waar het gebruik ervan nodig blijkt. Dit moet a fortiori gelden voor de procedures voor de Europese rechter.
79 Ten slotte stelt verzoekster dat zij bij brief van 20 juni 2003 overeenkomstig artikel 255 EG een nieuw verzoek om toegang tot het dossier heeft ingediend, nadat zij het onderhavige beroep had ingesteld. Na het schriftelijke antwoord van de Commissie van 10 juli 2003, heeft zij het dossier niet opnieuw ingezien omdat de Commissie te kennen had gegeven dat deze inzage enkel de documenten zou betreffen waartoe verzoekster reeds toegang had gehad, waaronder met name de documenten betreffende de missieverslagen van de UCLAF.
80 De Commissie wijst verzoeksters argumenten in wezen af.
81 Zij betoogt in de eerste plaats dat de bestreden beschikking uitsluitend berust op gegevens waarvan verzoekster inzage heeft gehad en die reeds waren genoemd in het voorlopige standpunt van de Commissie dat was geformuleerd in haar brief van 25 juli 2002. Voorts betoogt de Commissie dat verzoekster op 6 augustus 2002 toegang heeft gehad tot het dossier dat als basis heeft gediend voor de vaststelling van de bestreden beschikking en dat zij, middels de schriftelijke verklaring, uitdrukkelijk heeft erkend dat zij alle documenten heeft kunnen inzien die een rechtstreeks of indirect verband hielden met het dossier. De Commissie stelt dat de lijst van documenten waartoe verzoekster toegang heeft gehad, de missieverslagen van de UCLAF, de uitgebreide correspondentie van de UCLAF en de verschillende Turkse autoriteiten, alsmede de briefwisseling van de Commissie en/of de UCLAF met de nationale douaneautoriteiten omvat.
82 In dupliek betwist de Commissie verzoeksters stelling dat het dossier dat zij op 6 augustus 2002 heeft geraadpleegd, niet de missieverslagen van de UCLAF bevatte, maar enkel documenten betreffende de missieverslagen. De betrokken documenten zijn inderdaad de door de UCLAF opgestelde korte originele verslagen van 9 december 1998 (nr. 8279) en 23 december 1998 (nr. 8673), en niet louter samenvattingen daarvan.
83 In de tweede plaats brengt de Commissie in herinnering dat niet verlangd wordt dat de Commissie uit eigen beweging toegang verleent tot alle „context-documenten”, die slechts eventueel verband houden met het individuele geval, maar dat het integendeel aan de belanghebbende staat om in voorkomend geval, overeenkomstig artikel 255 EG toegang te vragen tot deze documenten.
84 In casu vormen de documenten die verzoekster niet heeft kunnen inzien „context-documenten”. De Commissie beklemtoont dan ook dat het nieuwe verzoek om inzage van het dossier, dat door verzoekster op 20 juni 2003 is ingediend, dat wil zeggen na vaststelling van de bestreden beschikking, en dat was aanvaard bij brief van 10 juli 2003, juridisch gezien geen gevolgen kan hebben. Niet alleen heeft verzoekster geen gebruikt gemaakt van toegestane inzage, maar hoe dan ook kan een verzoek dat is ingediend na beëindiging van een administratieve procedure en terwijl een zaak aanhangig is, immers a priori geen schending van procedurele rechten meebrengen die zou zijn begaan in de administratieve procedure vóór dat verzoek.
85 In de derde plaats blijft de Commissie erbij dat de betrokken documenten hoe dan ook niet onder het recht van toegang vallen, omdat zij vertrouwelijk zijn. In dit verband brengt de Commissie in herinnering dat het recht van toegang tot het dossier zich niet uitstrekt tot vertrouwelijke documenten, zoals de verslagen van de UCLAF of het OLAF, de correspondentie van de Commissie met derde staten en de notulen van vergaderingen waaraan derde staten hebben deelgenomen, alsmede de correspondentie tussen de Commissie en de autoriteiten van de lidstaten.
86 Bovendien betwist de Commissie de relevantie van de door verzoekster aangevoerde uitlegging van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1073/1999. Volgens de Commissie verwijst deze bepaling naar het door de UCLAF overeenkomstig artikel 9, lid 1, van die verordening opgestelde eindverslag, terwijl artikel 8 van deze verordening de geheimhouding en de bescherming van persoonsgegevens met betrekking tot de door het OLAF opgestelde documenten betreft.
2. Beoordeling door het Gerecht
87 Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat de eerbiediging van het recht om te worden gehoord dient te worden gegarandeerd in het kader van een procedure betreffende kwijtschelding van invoerrechten, inzonderheid gelet op de beoordelingsvrijheid waarover de Commissie beschikt wanneer zij een beschikking geeft overeenkomstig de algemene billijkheidsclausule van artikel 239 CDW (arrest Gerecht van 10 mei 2001, Kaufring e.a./Commissie, het zogeheten arrest „Turkse televisietoestellen”, T‑186/97, T‑187/97, T‑190/97–T‑192/97, T‑210/97, T‑211/97, T‑216/97–T‑218/97, T‑279/97, T‑280/97, T‑293/97 en T‑147/99, Jurispr. blz. II‑1337, punt 152, en 27 februari 2003, Bonn Fleisch Ex- und Import/Commissie, T‑329/00, Jurispr. blz. II‑287, punt 45).
88 Tevens dient echter te worden opgemerkt dat het beginsel van de eerbiediging van het recht van verweer op dit gebied slechts inhoudt dat de betrokkene in staat moet zijn zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken over de elementen, daaronder begrepen de documenten, die de Commissie als basis voor haar beschikking tegen hem in aanmerking neemt. Dit beginsel verlangt dus niet dat de Commissie uit eigen beweging toegang verleent tot alle documenten die eventueel verband houden met het individuele geval waarover zij zich in het kader van een verzoek tot kwijtschelding buigt. Indien de betrokkene van mening is dat die documenten van belang zijn om het bewijs te leveren dat er sprake is van een bijzondere situatie en/of aan te tonen dat er geen sprake is van manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van zijn kant, staat het aan hem om toegang tot deze documenten te vragen overeenkomstig de door de instellingen op basis van artikel 255 EG vastgestelde bepalingen (arrest Gerecht van 11 juli 2002, Hyper/Commissie, T‑205/99, Jurispr. blz. II‑3141, punt 63, en arrest Bonn Fleisch Ex- und Import/Commissie, reeds aangehaald, punt 46).
89 Bovendien heeft het Gerecht met betrekking tot de administratieve procedure inzake de kwijtschelding van douanerechten, duidelijk gepreciseerd dat verweerster op verzoek van de betrokkene toegang moet geven tot alle niet-vertrouwelijke administratieve stukken betreffende de bestreden beschikking. Indien een dergelijk verzoek ontbreekt, is er dus niet automatisch toegang tot de documenten waarover de Commissie beschikt (arresten Gerecht van 19 februari 1998, Eyckeler & Malt/Commissie, T‑42/96, Jurispr. blz. II‑401, punt 81, en 17 september 1998, Primex Produkte Import‑Export e.a./Commissie, T‑50/96, Jurispr. blz. II‑3773, punt 64, en arrest Bonn Fleisch Ex- und Import/Commissie, reeds aangehaald, punt 46).
90 In het licht van deze beginselen moet het middel ontleend aan schending van het recht van verweer worden onderzocht.
91 Vooraf moet worden vastgesteld dat verzoekster in haar verzoekschrift uitdrukkelijk erkent dat zij toegang heeft gehad tot alle documenten die de Commissie heeft gebruikt om haar beschikking te funderen. Zij heeft haars inziens echter geen toegang gehad tot documenten van doorslaggevend belang voor de algemene beoordeling die de Commissie van haar situatie heeft gegeven. In dit verband stelt zij dat de documenten die haar in het kader van de toegang tot het dossier zijn voorgelegd, onvolledig zijn. Zo stelt verzoekster dat zij niet de twee volledige missieverslagen van de UCLAF van 9 en van 23 december 1998 heeft kunnen inzien, maar enkel „verslagen betreffende de missies”. Evenzo stelt zij dat zij niet het in punt 32 van de bestreden beschikking genoemde verslag van de communautaire missie van oktober 1998 heeft kunnen inzien, en evenmin de door de Commissie in haar verweerschrift genoemde brieven van 1 en 9 december 1998 die de UCLAF aan de Turkse permanente vertegenwoordiging heeft gezonden.
92 In dit verband moet worden vastgesteld dat de documenten waarnaar verzoekster verwijst, in de bestreden beschikking niet uitdrukkelijk zijn genoemd. Dat sluit niet uit dat bepaalde van deze documenten aan de bestreden beschikking ten grondslag zouden hebben kunnen liggen. Dat dit ook het geval zou zijn voor de totale omvangrijke correspondentie waarnaar verzoekster verwijst, kan echter niet worden aanvaard. Het zijn dus, althans wat een aantal daarvan betreft, documenten die slechts verband houden met de context van de zaak.
93 In het bijzonder kan niet worden aanvaard, en niets in de bestreden beschikking doet dit veronderstellen, dat de notulen van de zittingen van het comité voor samenwerking op douanegebied, betreffende de A.TR.1-certificaten die bij de uitvoer van vruchtensapconcentraten en andere goederen van oorsprong uit Turkije als onregelmatig of vals waren gekwalificeerd, ertoe hebben gediend om de bestreden beschikking te funderen. Dezelfde slotsom dringt zich op ten aanzien van een door de Commissie in haar verweerschrift genoemde kennisgeving van de douanedienst van Ravenna van 12 juni 1998, waarvan verzoekster stelt dat zij die niet heeft kunnen inzien.
94 Wanneer documenten die niet ter fundering van de bestreden beschikking hebben gediend, niet zijn verstrekt, is in elk geval het feit dat dit niet is gebeurd niet relevant, omdat dergelijke documenten hoe dan ook geen invloed kunnen hebben op de bestreden beschikking. Bijgevolg moet het onderhavige middel, voor zover het betrekking heeft op het feit dat dergelijke documenten niet zijn verstrekt, onwerkzaam worden verklaard.
95 Dit gaat daarentegen niet op indien documenten niet zijn verstrekt die de Commissie wél heeft gebruikt om de bestreden beschikking te funderen.
96 In het kader van het onderzoek van deze documenten zij eraan herinnerd dat de Commissie verzoekster bij brief van 25 juli 2002 in kennis heeft gesteld van haar voorlopige analyse volgens welke niet was voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van kwijtschelding van invoerrechten. Vaststaat dus dat verzoekster middels deze brief van de Commissie in staat is gesteld om vóór de vaststelling van de bestreden beschikking een standpunt in te nemen en om haar opvatting te kennen te geven over de elementen die volgens de Commissie een rechtvaardiging vormden voor afwijzing van het verzoek om kwijtschelding.
97 Verzoekster betwist deze vaststelling overigens niet, maar betoogt dat het beginsel van eerbiediging van het recht van verweer is geschonden voor zover haar de toegang is geweigerd tot bepaalde documenten waarop de Commissie haar beschikking heeft gebaseerd, of althans voor zover deze documenten niet volledig waren.
98 Vastgesteld moet echter worden dat verzoeksters vertegenwoordiger, na de brief van de Commissie van 25 juli 2002, op 6 augustus 2002 in de bureaus van de Commissie het dossier heeft ingezien dat verband hield met de bestreden beschikking. Tijdens deze inzage heeft deze vertegenwoordiger een schriftelijke verklaring ondertekend waarin hij uitdrukkelijk verklaart dat hij toegang heeft gehad tot alle documenten die rechtstreeks en indirect verband houden met het litigieuze dossier. Voorts is bij deze verklaring een lijst gevoegd waarop alle documenten vermeld staan waartoe die vertegenwoordiger toegang heeft gehad.
99 Deze lijst vermeldt onder respectievelijk de nummers 8279 en 8673 de missieverslagen van de UCLAF van 9 en 23 december 1998. In antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft de Commissie twee verslagen met deze nummers overgelegd. Ter terechtzitting heeft de Commissie het Gerecht erover ingelicht dat deze verslagen inderdaad de volledige korte verslagen waren van enerzijds 9 december 1998, betreffende de onderzoeksmissie van 12 tot en met 15 oktober 1998 (nr. 8279), en, anderzijds van 23 december 1998, betreffende de onderzoeksmissie van 30 november tot en met 2 december 1998 (nr. 8673), en dat er over de twee missies van de UCLAF geen ander rapport was opgesteld. Het Gerecht is van oordeel dat de overeenstemming tussen de nummers op de eerste bladzijde van het verslag en de nummers op de lijst die aan de verklaring van verzoeksters vertegenwoordiger is gehecht, met de datum van 6 augustus 2002, aantoont dat verzoekster, anders dan zij stelt, wel toegang heeft gehad tot de missieverslagen. Wat verzoeksters verzoek om toegang tot het verslag van de communautaire missie van oktober 1998 betreft, kan worden volstaan met vast te stellen dat een dergelijk verslag niet bestaat. Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft gepreciseerd, is verslag nr. 8279 immers het enige verslag dat over de missie van 12 tot en met 15 oktober 1998 is opgesteld, en wordt anderzijds in de bestreden beschikking nergens naar een dergelijk verslag verwezen.
100 Wat vervolgens de door verzoekster aangevoerde brieven van de UCLAF van 1 en 9 december 1998 betreft, moet enerzijds worden vastgesteld dat de lijst van 6 augustus 2002 waarop de documenten staan waartoe zij toegang heeft gehad, naar brief nr. 8281 van 9 december 1998 van de UCLAF aan de Turkse permanente vertegenwoordiging verwijst. Verzoekster heeft dus wel toegang gehad tot dit document. Wat anderzijds de brief van 1 december 1998 betreft, heeft de Commissie in het kader van een schriftelijke vraag van het Gerecht gepreciseerd dat deze brief niet bestond en dat de verwijzing in haar verweerschrift naar een brief van 1 december 1998 van de UCLAF op een vergissing berustte. Deze precisering vindt bevestiging in de lijst van 6 augustus 2002, die bij 1 december 1998 enkel een brief van het Turkse ministerie van Justitie aan de UCLAF vermeldt.
101 Wat de uitwisseling van mededelingen tussen de Commissie en de UCLAF enerzijds en de Turkse autoriteiten en de nationale douaneautoriteiten van de lidstaten anderzijds betreft, kan worden volstaan met vast te stellen dat niets doet veronderstellen dat de Commissie de bestreden beschikking op andere documenten heeft gebaseerd dan die in het dossier waartoe verzoekster tijdens de inzage op 6 augustus 2002 toegang heeft gehad.
102 Verzoekster heeft tijdens de administratieve procedure geen verzoeken om toegang tot andere onderdelen van het dossier ingediend. Wat het verzoek om toegang betreft dat verzoekster na de vaststelling van de bestreden beschikking en na de inleiding van het onderhavige beroep heeft ingediend, moet worden vastgesteld dat dit niet relevant is voor de beoordeling of er gedurende de administratieve procedure eventueel sprake was van inbreuk op verzoeksters recht van verweer, en dat het niet van invloed kan zijn op de wettigheid daarvan. Hoe dan ook heeft de Commissie verzoekster bij brief van 10 juli 2003 te kennen gegeven dat het haar vrijstond de documenten in kwestie in te zien overeenkomstig het verzoek uit hoofde van artikel 255 EG. Verzoekster is echter op deze uitnodiging niet ingegaan.
103 Het eerste middel moet bijgevolg worden afgewezen.
B – Tweede middel: schending van artikel 239 CDW
104 Dit middel bestaat uit vier onderdelen. Het eerste middel betreft de onjuiste kwalificatie van het A.TR.1‑certificaat inzake goederenverkeer D 437214. Het tweede en het derde onderdeel betreffen de aan respectievelijk de Turkse autoriteiten en aan de Commissie toegerekende ernstige tekortkomingen. Het vierde onderdeel ten slotte betreft het ontbreken van klaarblijkelijke nalatigheid van verzoekster en de beoordeling van de handelsrisico’s.
1. A.TR.1‑certificaat inzake goederenverkeer D 437214
a) Argumenten van partijen
105 Verzoekster stelt dat de Commissie een vergissing heeft gemaakt in het litigieuze gedeelte van de bestreden beschikking door A.TR.1‑certificaat D 437214 onder de als onecht aangemerkte certificaten op te nemen. Volgens haar blijkt uit het dossier dat dit certificaat enkel als ongeldig had moeten worden aangemerkt en dat de desbetreffende invoerrechten derhalve hadden moeten worden terugbetaald. Verschillende onderdelen van het dossier bewijzen dat de Turkse autoriteiten certificaat D 437214 niet als onecht hebben aangemerkt. Verzoekster heeft de Commissie bij brief van 17 december 2002 op deze vergissing gewezen.
106 Verzoekster betoogt in de eerste plaats dat enkel de brief van de Turkse douaneadministratie (Prime Minister, Undersecretariate for Customs) van 8 maart 1999, aan de Italiaanse douaneadministratie, voor de onechtheid van dat certificaat zou kunnen pleiten. Daarin is echter niet gespecificeerd of het onregelmatig dan wel onecht is, maar wordt enkel gesteld dat het „niet door [het Turkse] douanekantoor was afgegeven en geviseerd” (was not issued and endorsed by our customs office).
107 Verzoekster betoogt in de tweede plaats dat deze brief echter wordt tegengesproken door de Turkse autoriteiten, met name in de brief van 22 april 1999 van de Turkse permanente vertegenwoordiging, waarin duidelijk is vermeld dat het certificaat in kwestie „niet juist [was] en niet volgens de regels [was] afgegeven” ([was] not correct and [was] not issued according to the rules), dat wil zeggen dat het ten onrechte was afgegeven.
108 In repliek merkt verzoekster op dat de woorden „not correct” duidelijk betekenen dat het betrokken certificaat onregelmatig was. De toevoeging „not issued according to the rules” laat slechts één uitlegging toe, te weten dat de Turkse douaneautoriteit dat certificaat in strijd met de regels inzake de oorsprong van goederen in Turkije heeft opgesteld en afgegeven. Deze stelling vindt bevestiging in de zin „er wordt van uitgegaan dat deze documenten waren afgegeven voor transitohandel” (it has been understood that these documents had been issued for transit trade), die in diezelfde brief staat. De Turkse douaneautoriteit hebben dus erkend dat zij tevens certificaten inzake goederenverkeer hebben afgegeven voor transitohandel, anders gezegd: voor appelsapconcentraat uit Iran, dat niet in het kader van de regeling actieve veredeling in Turkije was bewerkt.
109 In de derde plaats beklemtoont verzoekster dat de brief van 22 april 1999 van de Turkse permanente vertegenwoordiging naast A.TR.1‑certificaat D 437214 twee andere certificaten inzake goederenverkeer noemt, te weten die met de aanduidingen C 982920 en C 982938. De Turkse permanente vertegenwoordiging was van oordeel dat deze certificaten „niet juist [waren] en niet volgens de regels waren afgegeven” ([were] not correct and were not issued according to the rules) zonder daartussen onderscheid te maken. Verzoekster heeft verzocht om terugbetaling van de invoerrechten waarop deze twee certificaten betrekking hadden. De Italiaanse douaneautoriteiten hebben deze als ongeldig gekwalificeerd en zij waren opgenomen in de reeks certificaten ten aanzien waarvan de bestreden beschikking terugbetaling van de rechten toekent. Verzoekster stelt dus dat zij er geen reden voor ziet dat certificaat D 437214 juridisch en feitelijk gezien anders wordt beoordeeld dan de certificaten C 982920 en C 982938. Anders dan de Commissie stelt brengt de brief van 22 april 1999 geen uitdrukkelijke correctie aan op de brief van 8 maart 1999, aangezien daarin niet uitdrukkelijk naar die laatstgenoemde brief wordt verwezen, maar enkel naar eerdere berichten.
110 In de vierde plaats betoogt verzoekster dat voor de juistheid van haar stelling ook steun wordt gevonden in een brief van 10 augustus 1999 van de Turkse permanente vertegenwoordiging. Op bladzijde 3, sub X, van deze brief wordt nogmaals bevestigd dat de in de brief van 22 april 1999 genoemde certificaten inzake goederenverkeer, certificaat D 437214 daaronder begrepen, waren afgegeven voor transitovervoer voor appelsap niet van oorsprong uit Turkije. Ook deze brief geeft niet aan dat de genoemde certificaten onecht of vervalst waren. De brief van de UCLAF aan de Turkse permanente vertegenwoordiging van 9 december 1998 bevat dezelfde beoordeling, aangezien de brief A.TR.1‑certificaat D 437214 als „onjuist” (not correct) aanmerkt.
111 Ten slotte betwist verzoekster in repliek de stelling van de Commissie dat de brief van de Italiaanse douaneadministratie van 24 maart 2003 de onechtheid van het betrokken certificaat bevestigt. Volgens verzoekster verwijzen de Italiaanse autoriteiten daarin enkel naar de brief van de Turkse douaneadministratie van 8 maart 1999, zonder echter commentaar te leveren op de, eveneens als bijlage toegevoegde, brief van de Turkse permanente vertegenwoordiging van 22 april 1999. Bovendien gaat de brief van 18 mei 1999 van het Italiaanse ministerie van Financiën, in de bijlage bij het dossier, waarschijnlijk over de brief van 22 april 1999 van de Turkse permanente vertegenwoordiging en over certificaat D 437214, met de inhoud dat het om een onregelmatig certificaat ging. De Italiaanse douaneautoriteiten hebben de Turkse douane zelfs een nieuw verzoek om preciseringen over de kwalificatie van certificaat D 437214 gezonden, waarop deze tot op heden niet hebben geantwoord.
112 De Commissie beklemtoont om te beginnen dat volgens de in casu in het kader van de associatieovereenkomst toepasselijke regeling de Turkse autoriteiten bevoegd zijn om vast te stellen of de Turkse certificaten van oorsprong al dan niet echt zijn. In dit verband heeft het Gerecht in het reeds aangehaalde arrest Bonn Fleisch Ex- und Import/Commissie (punt 77) geoordeeld dat de Commissie de verklaringen van de Spaanse autoriteiten over de onechtheid van de uittreksels van invoercertificaten mocht aanvaarden en dat verder onderzoek door haar in dit opzicht niet nodig was. Indien de Commissie mag afgaan op de verklaringen van de autoriteiten van lidstaten over de echtheid van dergelijke documenten, geldt dit volgens haar a fortiori voor de autoriteiten van een derde staat, die niet is gebonden door het EG-Verdrag en niet is onderworpen aan de bevoegdheden van de Commissie op dit gebied.
113 Vervolgens betwist de Commissie verzoeksters uitlegging van de verschillende genoemde brieven en betoogt zij dat nu het certificaat in kwestie door de Turkse autoriteiten als vals is gekwalificeerd, haar geen vergissing kan worden verweten.
114 De Commissie betoogt dat de brief van 8 maart 1999 van de Turkse douaneadministratie immers in die zin moet worden gelezen dat het betrokken certificaat vals werd bevonden omdat het niet door de Turkse douaneautoriteiten was afgegeven. Volgens de Commissie zijn de Turkse autoriteiten in geen enkel document ooit teruggekomen van hun constatering van 8 maart 1999, dat het betrokken certificaat inzake goederenverkeer niet door hun diensten was afgegeven.
115 In de eerste plaats stelt de Commissie dat de Turkse permanente vertegenwoordiging in haar brief van 22 april 1999 niet is teruggekomen van de vorige constatering dat het certificaat vals was, maar enkel heeft vastgesteld dat het niet juist was en dat het niet overeenkomstig de toepasselijke regeling was afgegeven.
116 In de tweede plaats is de vervalsing van dat certificaat bij brief van 6 mei 1999 bevestigd door de UCLAF, alsmede bij brief van 18 mei 1999 door de Italiaanse centrale administratie belast met douanezaken, twee brieven waarnaar de Italiaanse douaneautoriteiten verwijzen in een brief van 24 januari 2003 aan de Commissie. Verzoekster is op 18 maart 2003 van deze constateringen in kennis gesteld.
117 In de derde plaats hebben de Italiaanse douaneautoriteiten in hun brieven van 7 juni 2002 en 10 september 2003 de Commissie tevens bevestigd dat de Turkse douaneadministratie tot de slotsom was gekomen dat het certificaat een vervalsing was.
118 In de vierde plaats voert de Commissie aan dat de Turkse douaneadministratie bij brief van 22 augustus 2003 aan de Italiaanse douaneadministratie, opnieuw haar constatering van 8 maart 1999 heeft bevestigd en erop heeft gewezen dat dit certificaat vervalst was. Voorts werd daarin gepreciseerd dat de op dat gebied bevoegde controleur van de Turkse douaneadministratie deze zaak opnieuw had onderzocht en tot de slotsom was gekomen dat het certificaat een vervalsing was.
119 Ten slotte benadrukt de Commissie het feit dat verzoeksters stelling dat de Turkse douaneadministratie tevens certificaten inzake goederenverkeer voor transitohandel heeft afgegeven, irrelevant is. Volgens de Commissie verwijst verzoekster naar onjuiste certificaten inzake goederenverkeer die in de onderhavige procedure niet aan de orde zijn. Anderzijds zijn de onjuiste certificaten waarnaar verzoekster verwijst door de Turkse autoriteiten niet afgegeven voor transitohandel maar integendeel voor goederen afkomstig uit transitohandel.
b) Beoordeling door het Gerecht
120 Volgens vaste rechtspraak berust de bepaling van de oorsprong van de goederen op een verdeling van bevoegdheden tussen de autoriteiten van het land van uitvoer en die van het land van invoer, in die zin dat de oorsprong door de autoriteiten van het land van uitvoer wordt bepaald, terwijl de controle op de goede werking van deze regeling wordt verzekerd dankzij de wederzijdse samenwerking tussen de betrokken diensten. Deze regeling vindt haar rechtvaardiging in de omstandigheid dat de autoriteiten in het land van uitvoer het best geplaatst zijn om rechtstreeks de feiten te controleren die bepalend zijn voor de oorsprong (arrest Hof van 14 mei 1996, Faroe Seafood e.a., C‑153/94 en C‑204/94, Jurispr. blz. I‑2465, punt 19).
121 De goede werking van dit mechanisme is eerst verzekerd, wanneer de douanediensten van het land van invoer de door de autoriteiten van het land van uitvoer wettig uitgebrachte beoordelingen erkennen (arrest Faroe Seafood e.a., reeds aangehaald, punt 20). De erkenning van dergelijke beslissingen door de douanediensten van de lidstaten is noodzakelijk, opdat de Gemeenschap op haar beurt van de autoriteiten van de landen die met haar vrijhandelsovereenkomsten hebben gesloten, de eerbiediging kan verlangen van besluiten van de douanediensten van de lidstaten ter zake van de oorsprong van uit de Gemeenschap naar die landen uitgevoerde producten (arrest Hof van 12 juli 1984, Les Rapides Savoyards, 218/83, Jurispr. blz. 3105, punt 27).
122 In het onderhavige geval moet ter bepaling of de Commissie op goede gronden tot de slotsom is gekomen dat certificaat D 437214 vervalst was, de briefwisseling tussen haar, de Italiaanse douaneautoriteiten en de bevoegde Turkse autoriteiten worden onderzocht. In dit verband moet worden vastgesteld dat de Commissie zich, wat het onderdeel van de bestreden beschikking betreffende de vervalste certificaten betreft, hoofdzakelijk heeft gebaseerd op de brief van de Turkse autoriteiten van 8 maart 1999 aan de douanedienst van Ravenna.
123 Deze brief bevat als bijlage de lijst van de 32 certificaten die door de Turkse autoriteiten als vervalsingen zijn aangemerkt, waaronder certificaat D 437214. In dit verband is van belang dat de door de Turkse autoriteiten in dit schrijven gebruikte bewoordingen, te weten „de in de bijlage genoemde certificaten zijn niet correct en zijn niet door ons douanekantoor afgegeven of geviseerd” (the certificates that have been listed in annex are not correct and were not issued and endorsed by our customs office), er duidelijk op wijzen dat zij tot de slotsom waren gekomen dat de opgenoemde certificaten vervalst waren.
124 Een vergelijking van de inhoud van de brief van 8 maart 1999 met de inhoud van daaropvolgende mededelingen van de Turkse autoriteiten duidt echter op dubbelzinnigheden met betrekking tot de kwalificatie van certificaat D 437214. Zo verwijst de in het Engels opgestelde brief van 22 april 1999 van de Turkse permanente vertegenwoordiging naar zes certificaten, waaronder het certificaat in kwestie, die worden gekwalificeerd als „onjuist en niet in overeenstemming met de oorsprongregels” (not correct and [...] not issued according to the rules). Volgens dezelfde brief waren deze zes certificaten verstrekt voor transitohandel.
125 Het blijkt dus dat het verschil tussen de constateringen in de brief van 8 maart 1999 en in die van 22 april 1999 voortvloeit uit de uitlegging die aan de uitdrukking „not correct [...] and not issued according to the rules” moet worden gegeven. De formulering „not correct ”, die in de brieven van de UCLAF van 9 december 1998 is overgenomen, geeft weliswaar geen uitsluitsel over de vraag of er eventueel sprake is van een vervalsing, doch dit neemt niet weg dat deze uitdrukking aldus had kunnen worden uitgelegd dat de betrokken certificaten niet vervalst waren.
126 Gelet op de genoemde dubbelzinnigheden, kon uit de gegevens waarover de Commissie vóór de vaststelling van de bestreden beschikking beschikte, niet met zekerheid worden afgeleid of certificaat D 437214 vervalst dan wel enkel onregelmatig was. De argumenten van de Commissie die op de inhoud van de brieven van de Italiaanse autoriteiten van 24 januari 2003 en 7 juni 2002 steunen, doen aan deze slotsom niet af.
127 Om te beginnen verwijst de brief van 24 januari 2003 naar twee brieven, te weten een brief van de UCLAF van 6 mei 1999 en een brief van de centrale douanedirectie van Rome van 18 mei 1999. Deze twee laatstgenoemde brieven berusten echter op de constateringen in de brief van de Turkse autoriteiten van 22 april 1999. Wat vervolgens de brief van 7 juni 2002 betreft, blijkt dat deze beperkt blijft tot een opsomming van de als vervalst aangemerkte certificaten, waarbij met name is uitgegaan van de brief van de Turkse autoriteiten van 8 maart 1999, zonder daaraan nieuwe gegevens toe te voegen. Verzoekster heeft de Commissie er bij brief van 12 november 2001 echter op gewezen dat uit de brief van 22 april 1999 van de Turkse permanente vertegenwoordiging bleek dat certificaat D 437214 als onjuist, en niet als vervalst, moest worden gekwalificeerd.
128 Uit het voorgaande volgt dat de Commissie, gelet op de vastgestelde verschillen, vóór de vaststelling van de bestreden beschikking niet rechtsgeldig tot de slotsom kon komen dat certificaat D 437214 een vervalsing was.
129 De Commissie heeft echter, na een door verzoekster bij brief van 17 december 2002 ingediend verzoek, dat wil zeggen na de vaststelling van de bestreden handeling, de Italiaanse autoriteiten opnieuw vragen gesteld over de kwalificatie van het certificaat in kwestie. Deze hebben het noodzakelijk geacht de Turkse autoriteiten om bijkomende verduidelijkingen te vragen. Bij brief van 22 augustus 2003 hebben de Turkse autoriteiten niet alleen de conclusies in hun brief van 8 maart 1999 bevestigd, maar er bovendien op gewezen dat hun douanecontroleur tot de slotsom was gekomen dat het om een vervalsing ging, en daarmee alle twijfel had weggenomen over de vraag of certificaat D 437214 een vervalsing was.
130 De Commissie kon dus pas vanaf de bevestiging in die laatste brief, op basis van de gegevens van het administratieve dossier met zekerheid stellen dat het certificaat in kwestie vals was. Gelet op de hierboven genoemde gegevens kon de Commissie op het tijdstip van vaststelling van de bestreden beschikking dus niet rechtsgeldig terugbetaling weigeren van de douanerechten over de goederen waarvoor certificaat D 437214 was afgegeven, maar had zij zich er, gelet op die gegevens toe moeten beperken die terugbetaling op te schorten.
131 Niettemin volstaat deze overweging op zich niet om tot nietigverklaring van de bestreden beschikking te leiden.
132 Een verzoeker heeft immers geen enkel rechtmatig belang bij nietigverklaring van een beschikking wegens vormfouten, ingeval de nietigverklaring van de beschikking enkel zou kunnen leiden tot de vaststelling van een nieuwe beschikking die ten gronde zou overeenkomen met de nietig verklaarde [zie arrest Gerecht van 3 december 2003, Audi/BHIM (TDI), T‑16/02, Jurispr. blz. II‑5167, punten 97 en 98, en de aldaar aangehaalde rechtspraak]. In casu blijkt uit punt 129 supra dat certificaat D 437214 als vals moet worden aangemerkt.
133 Derhalve dient te worden vastgesteld dat verzoekster geen enkel rechtmatig belang heeft bij gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden beschikking, aangezien dit alleen kan leiden tot de vaststelling van een nieuwe beschikking met dezelfde inhoud. Bijgevolg faalt dit onderdeel van het tweede middel.
2. Aan de Turkse autoriteiten toe te rekenen tekortkomingen
134 Verzoekster betoogt in wezen dat de Turkse autoriteiten ernstig zijn tekortgeschoten in de krachtens de associatieovereenkomst en de aanvullende voorschriften daarbij op hen rustende verplichtingen. Zij hebben immers niet alleen de waarheid verdoezeld door de 32 litigieuze certificaten als vals te kwalificeren, maar hebben bovendien stelselmatig onrechtmatig gehandeld door certificaten inzake goederenverkeer af te geven voor goederen niet van oorsprong uit Turkije. Volgens verzoekster is de preferentiële regeling waarin de associatieovereenkomst voorziet misbruikt om grote hoeveelheden goederen van oorsprong uit derde landen, tegen preferentiële tarieven naar de Europese Unie te exporteren door deze als Turkse producten voor te stellen door middel van het opstellen van certificaten inzake goederenverkeer. Dit beleid wordt aan het licht gebracht door de zeer snelle toename van de Turkse importen en exporten tussen 1993 en 1996. In casu vormen de litigieuze certificaten authentieke documenten die door het douanekantoor van Mersin (Turkije) zijn geregistreerd en afgegeven.
135 De Commissie wijst verzoeksters argumenten in wezen af en betoogt dat het volledige verzoekschrift op de stelling berust dat de 32 litigieuze certificaten geen vervalsingen waren maar integendeel door de Turkse douaneautoriteiten van Mersin waren afgegeven, die daarover leugens hadden verteld. Volgens de Commissie is verzoekster echter niet in staat ook maar het minste bewijs te leveren tot staving van deze stelling, die bovendien door duidelijke en nauwkeurige verklaringen van de Turkse autoriteiten wordt weerlegd.
a) Specimens van de stempels en handtekeningen
Argumenten van partijen
136 Verzoekster betoogt in de eerste plaats dat de afdrukken van de stempels en handtekeningen die op de litigieuze certificaten zijn aangebracht, bewijzen dat zij hoogstwaarschijnlijk door de Turkse autoriteiten zijn afgegeven en gewaarmerkt.
137 Volgens verzoekster heeft de Turkse centrale douaneadministratie bevestigd dat zij de Commissie de specimens van de stempelafdrukken heeft toegezonden, die vóór 1995 aan alle nationale douaneautoriteiten van de Gemeenschap zijn gezonden. Tot staving van deze stelling voert verzoekster aan dat het Italiaanse ministerie van Financiën haar heeft toegestaan fotokopieën te maken van vijf documenten, waarover ook de Commissie beschikte, die aantonen dat de Turkse autoriteiten de Italiaanse autoriteiten en de Commissie kopieën van de specimens in kwestie hadden gezonden.
138 De Italiaanse autoriteiten, die dus over kopieën van de originele stempels beschikten, hebben deze vergeleken met de stempels en handtekeningen op de litigieuze certificaten en hebben deze desalniettemin aanvaard. Voorts zijn de kopieën van de litigieuze certificaten, die als onecht of vervalst zijn aangemerkt, niet te onderscheiden van andere certificaten, die als regelmatig zijn aangemerkt. Bovendien zijn de op de certificaten gebruikte stempels, of althans op de kopieën, gedeeltelijk slecht afgedrukt en nauwelijks leesbaar. De douane van Mersin heeft verzoekster bevestigd dat de stempels die zij gebruikten nauwelijks leesbaar waren.
139 In de tweede plaats stelt verzoekster dat de verplichting van de Turkse autoriteiten om de specimens van de stempelafdrukken en handtekeningen die door hun douanekantoren worden gebruikt om de certificaten inzake goederenverkeer te viseren, aan de Commissie te doen toekomen, zowel uit de met de Republiek Turkije ingestelde preferentiële regeling als uit artikel 93 van de uitvoeringsverordening CDW voortvloeit. Anders dan de Commissie meent, verwijst artikel 4 van besluit nr. 1/96 naar artikel 93 van de uitvoeringsverordening CDW en past het dit aan voor zover de term „formulier A” daarin moet worden vervangen door de term „A.TR.1”. Het is dus niet nodig om de verplichting om de specimens te doen toekomen uitdrukkelijk in de besluiten van de associatieraad op te nemen. De Commissie stelt met betrekking tot de oorsprongregels ten onrechte dat de verwijzing naar de associatieovereenkomst en naar de relevante voorschriften van de associatieraad in de artikelen 27, sub a, en 20, lid 3, sub d, CDW de verplichting om die specimens toe te zenden uitsluit.
140 Voorts geldt de verplichting om de specimens toe te zenden niet alleen voor de certificaten die zijn afgegeven volgens de vereenvoudigde procedure als bedoeld in artikel 12, lid 5, van besluit nr. 1/96, maar geldt deze in het algemeen en vormt zij de basis voor de controle van de echtheid en de regelmatigheid van die certificaten. Deze verplichting vloeit tevens voort uit artikel 26 van besluit nr. 1/95 voor zover dat voorziet in de progressieve verbetering van de preferentiële regeling voor de handel in landbouwproducten.
141 Wat het argument van de Commissie betreft dat de Republiek Turkije geen lid van de Gemeenschap is en dat het dus tot haar soevereine bevoegdheid behoort om al dan niet een dergelijke verplichting tot toezending op te leggen, voert verzoekster aan dat er een reeks andere soevereine staten is waarmee in het kader van de samenwerking tussen overheidsinstanties is overeengekomen dat stempels en handtekening worden toegezonden. Verzoekster verwijst bijvoorbeeld naar de op 21 juni 2000 met Israël gesloten Euro-mediterrane overeenkomst (PB L 147, blz. 1).
142 Ten slotte beklemtoont verzoekster dat aangezien de verplichting om de stempels en handtekeningen van de nationale douaneautoriteit aan de Commissie te doen toekomen, in het kader van de certificaten die overeenkomstig de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 waren afgegeven, zelfs binnen de Europese Unie geldt, met haar douane-unie en gemeenschappelijke landbouwmarkt, deze verplichting, op basis van de reeds genoemde bepalingen, a fortiori moet gelden in de verhoudingen tussen de Gemeenschap en de Republiek Turkije.
143 De Commissie stelt om te beginnen dat de Turkse autoriteiten niet gehouden waren haar de specimens van de door hun douanekantoren gebruikte stempels en handtekeningen te doen toekomen. Artikel 93 van de uitvoeringsverordening CDW is in het onderhavige geval niet van toepassing omat het enerzijds slechts de formulieren APR en de certificaten van oorsprong „formulier A” betreft, die enkel verband houden met de invoer van goederen van oorsprong uit ontwikkelingslanden, en omdat anderzijds artikel 20 CDW dat artikel, naar analogie, in het kader van de associatieovereenkomsten niet van toepassing verklaart.
144 Vervolgens betoogt de Commissie dat artikel 28, lid 4, van verordening (EEG) nr. 3719/88 van 16 november 1988 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer‑, uitvoer‑ en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (PB L 331, blz. 1), zoals uitgelegd in het reeds aangehaalde arrest Bonn Fleisch Ex- und Import/Commissie, evenmin een dergelijke verplichting tot toezending oplegt, omdat artikel 1 van die verordening de werkingssfeer daarvan beperkt. De douane-unie en/of de associatieovereenkomst worden daarin immers niet genoemd, terwijl de besluiten van de associatieraad en/of de verordeningen van de Gemeenschap waarbij deze worden goedgekeurd, niet verklaren dat verordening nr. 3719/88 in deze context naar analogie van toepassing is.
145 De Commissie meent bovendien dat op basis van de analogie met de mediterrane overeenkomst tussen de Europese Unie en de staat Israël, niet kan worden geconcludeerd dat artikel 93 van de uitvoeringsverordening CDW van toepassing is. De uitdrukkelijke inhoud van de associatieovereenkomst en van de besluiten van de associatieraad verzetten zich daar immers tegen.
146 Voorts gaat verzoekster er volgens de Commissie aan voorbij dat de eventuele controle en constatering dat A.TR.1‑certificaten inzake goederenverkeer onecht zijn, krachtens de bij de associatieovereenkomst voorziene regeling, de taak van de bevoegde Turkse autoriteiten is en niet van de instellingen van de Gemeenschap. Volgens de Commissie hebben de Turkse autoriteiten herhaaldelijk duidelijk verklaard, met name in de hierboven genoemde brief van 8 maart 1999, dat de 32 litigieuze certificaten niet echt waren omdat zij vervalst waren. Bijgevolg zijn verzoeksters gissingen met betrekking tot de echtheid van de litigieuze certificaten niet relevant.
147 Wat ten slotte verzoeksters stellingen betreft dat de afdrukken van de stempels slecht leesbaar of verouderd zijn, betoogt de Commissie dat voor zover verzoekster zich op kopieën baseert, dit niet noodzakelijkerwijs betekent dat de door de Turkse autoriteiten op het origineel gebruikte stempels verouderd of onleesbaar waren. Anderzijds wijst de ouderdom van de stempels en de leesbaarheid van de afdruk daarvan er geenszins op dat de betrokken certificaten toch door de Turkse autoriteiten waren opgesteld.
Beoordeling door het Gerecht
– Opmerkingen vooraf
148 Vooraf dient te worden opgemerkt dat uit vaste rechtspraak volgt dat, teneinde te onderzoeken of er sprake is van tekortkomingen van de autoriteiten van derde landen en/of van de Commissie die een bijzondere situatie in de zin van artikel 239 CDW zouden kunnen vormen, per concreet geval moet worden onderzocht wat de reële aard is van de verplichtingen die krachtens de respectieve toepasselijke regelingen op deze autoriteiten en de Commissie rusten (arrest Hyper/Commissie, reeds aangehaald, punt 117).
149 Verzoeksters argumentatie berust hoofdzakelijk op de stelling dat de Turkse autoriteiten de litigieuze certificaten inderdaad hebben afgegeven en geviseerd. De verschillende door verzoekster aan de Turkse autoriteiten verweten tekortkomingen vormen haars inziens aanwijzingen voor de gegrondheid van haar stelling. Zo betoogt verzoekster dat de bijzondere situatie waarin zij verkeert, voortvloeit uit het geheel van omstandigheden van het onderhavige geval, met name de tekortkomingen die zij aan de Turkse autoriteiten toerekent.
– Ten gronde
150 Wat de aan de Turkse autoriteiten toegerekende tekortkomingen inzake de stempels en handtekeningen betreft, zijn verzoeksters argumenten ontleend aan de stelling dat de stempels en handtekeningen op de litigieuze certificaten origineel zouden zijn, irrelevant. De constatering dat de door de autoriteiten verstrekte documenten originelen dan wel vervalsingen zijn, behoort, zoals hierboven in de punten 120 en 121 in herinnering is gebracht, tot de exclusieve bevoegdheid van deze autoriteiten. In casu zijn de Turkse autoriteiten tot de slotsom gekomen dat de litigieuze certificaten vervalst waren. Zelfs gesteld dat de originele stempels waarover de douaneautoriteiten van Mersin beschikten slecht leesbaar waren, is het feit dat de op de litigieuze certificaten aangebrachte stempels eveneens slecht leesbaar waren, dus niet relevant. Dezelfde conclusie gaat op ten aanzien van verzoeksters argumenten waarin wordt gewezen op de gelijkenis tussen de kopieën van de litigieuze certificaten in haar bezit, en van niet-vervalste certificaten.
151 Ten slotte moet tevens worden afgewezen verzoeksters argument dat op grond van het feit dat de Italiaanse douaneautoriteiten de specimens van de afdrukken waarover zij beschikten, met de litigieuze certificaten hebben vergeleken alvorens deze te aanvaarden, ervan kon worden uitgegaan dat zij echt waren. Uit vaste rechtspraak vloeit immers voort dat de belastingschuldige geen gewettigd vertrouwen in de geldigheid van de certificaten kan baseren op het feit dat de douaneautoriteiten van een lidstaat ze voorshands hebben aanvaard, aangezien de rol van die autoriteiten bij de eerste aanvaarding van een aangifte geen beletsel voor latere controles vormt (zie arrest Faroe Seafood e.a., reeds aangehaald, punt 93, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
152 Bijgevolg kunnen verzoeksters argumenten in dit verband niet aantonen dat er sprake is van rechtvaardigingen die een bijzondere situatie kunnen opleveren, zodat zij moeten worden afgewezen.
b) Registratie van de certificaten door de Turkse autoriteiten
Argumenten van partijen
153 Verzoekster stelt dat de echtheid van de litigieuze certificaten bevestiging vindt in het feit dat zij officieel zijn ingeschreven. Het douanekantoor van Mersin bezit een register dat de registratienummers van de 32 litigieuze certificaten bevat. Tot staving van deze stelling voert verzoekster aan dat haar gemachtigden deze registers hebben ingezien bij de douane van Mersin en een Turkse beambte daar hebben verzocht hun een kopie te verstrekken. Deze beambte was hiertoe aanvankelijk weliswaar bereid, doch heeft dit later, na te zijn bedreigd, geweigerd.
154 Wat de verplichting van de Turkse autoriteiten betreft om de nummers van de A.TR.1-certificaten in de douaneregisters in te schrijven, wijst verzoekster het argument van de Commissie van de hand dat dit in geen enkel besluit van de associatieraad verplicht was gesteld. Volgens verzoekster vormt een dergelijke registratie een interne kwestie van de Turkse rechtsorde. Deze registratie is dermate evident dat daarvoor geen besluit van de associatieraad vereist is.
155 Niettemin vereist een goede wederzijdse bijstand niet alleen dat de A.TR.1-certificaten worden geregistreerd, maar tevens dat zij in Turkije worden gearchiveerd. Hiervoor verwijst verzoekster naar artikel 7, lid 2, van bijlage 7 bij besluit nr. 1/95, waarin is bepaald dat de verzoeken om bijstand worden behandeld overeenkomstig de regeling van de aangezochte overeenkomstsluitende partij. Deze bepaling verplicht ook de Turkse douaneautoriteiten om de certificaten die zij afgeven te registreren en daarbij op zijn minst de gegevens die in vak 12 van de A.TR.1‑certificaten moeten worden ingevuld, over te nemen. Zonder de registratie van de certificaten zou het geheel onmogelijk zijn informatie te verstrekken over de echtheid en de regelmatigheid ervan. Deze registratie vormt dus de beslissende basis voor samenwerking tussen de Turkse en de communautaire administraties met betrekking tot de preferentiële regelingen.
156 Voorts bepaalt artikel 8, lid 1, van besluit nr. 1/96 volgens verzoekster dat het certificaat inzake goederenverkeer A.TR.1 wordt geviseerd door de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer. Bijlage II, punt II, sub 12, bij besluit nr. 1/96 bepaalt dat vak 12 door de bevoegde autoriteit moet worden aangevuld. In casu bevat elk van de 32 litigieuze A.TR.1-certificaten niet alleen een stempel met een handtekening, maar tevens een speciaal registratienummer met een precieze datum die moet worden overgenomen in een register van de bevoegde douaneautoriteit.
157 Ten slotte betoogt verzoekster dat een onderzoek van de 32 litigieuze certificaten aantoont dat zij overeenkomen met de geldende wettige modellen (artikel 10, lid 2, tweede alinea, en bijlage 1 bij besluit nr. 1/96). In casu vermelden zij in de linker benedenmarge een erkende drukkerij en bevatten zij de naam, het adres en een kenmerkend merkteken daarvan, zoals een serienummer aan de hand waarvan zij kunnen worden geïdentificeerd. Wat het argument van de Commissie betreft, dat vervalsers de nummers van originele certificaten zo dicht mogelijk hebben kunnen volgen, stelt verzoekster dat dit pure speculatie is.
158 De Commissie merkt vooraf op dat noch de associatieovereenkomst noch de besluiten van de associatieraad bepaalden dat registers werden bijgehouden waarin de douanecertificaten werden ingeschreven.
159 Bovendien kan men zich, gesteld al dat dergelijke registers bestaan, indenken dat de Turkse douaneautoriteiten aan verzoekster 32 A.TR.1-certificaten hebben afgegeven voor andere partijen dan de litigieuze leveringen. Het is dus mogelijk dat vervalsers kopieën hebben gemaakt van 32 echte certificaten die niet de litigieuze leveringen aan verzoekster betroffen, om deze naderhand daarvoor te gebruiken.
160 Ten slotte voert de Commissie aan dat verzoeksters stelling dat de vervalste certificaten overeenkomen met de wettige modellen, irrelevant is, omdat zij algemeen bekend zijn. Wat de bewering betreft dat de litigieuze certificaten tevens de naam, het adres, de kenmerken en het serienummer van de erkende drukker in Turkije vermeldden, voert de Commissie aan dat slechts enkele van de 32 litigieuze certificaten dergelijke vermeldingen bevatten en dat het moeilijk is om duidelijk vast te stellen of deze vermeldingen inderdaad de kenmerken van de drukkerijen zijn dan wel louter fantasieaanduidingen. In dit verband merkt de Commissie op dat gesteld al dat het de kenmerken van erkende drukkerijen zijn, er tevens vanuit zou kunnen worden gegaan dat er een voldoende groot aantal echte certificaten van de erkende drukkerijen in omloop was, zodat een vervalser een exemplaar of een kopie daarvan heeft kunnen bemachtigen om daarvan een vervalsing te maken.
Beoordeling door het Gerecht
161 Wat de registratie van de certificaten door de Turkse autoriteiten betreft, bepalen noch de associatieovereenkomst noch de uitvoeringsbepalingen daarbij uitdrukkelijk dat dergelijke registers worden bijgehouden. Niettemin bepaalt bijlage II, punt II, sub 12, van besluit nr. 1/96 dat in vak 12 van de A.TR.1-certificaten het nummer van het document wordt vermeld. Voorts bepaalt artikel 13 van dit besluit dat indien splitsing van de certificaten plaatsvindt, in vak 12 van het uittreksel in het bijzonder het registratienummer van het oorspronkelijke certificaat wordt vermeld. Het is dus mogelijk dat de A.TR.1-certificaten worden geregistreerd door de autoriteiten die deze afgeven, hoewel verzoekster geen enkel bewijs voor het bestaan van deze registers aanvoert.
162 Ook al wordt ervan uitgegaan dat de nummers in vak 12 van de litigieuze certificaten in de registers van de Turkse douanekantoren worden overgenomen, betekent dit evenwel nog niet dat het om echte certificaten gaat. Zoals de Commissie terecht opmerkt, hebben de vervalsers er immers alle belang bij om voor de vervalste certificaten een registratienummer te gebruiken dat overeenkomt met een regelmatig certificaat.
163 Verzoekster levert echter geen enkel bewijs op basis waarvan kan worden aangetoond dat de in deze registers opgenomen nummers overeenkomen met de litigieuze certificaten. Zij beperkt zich ertoe te stellen dat haar vertegenwoordigers hebben vastgesteld dat dergelijke registers bestonden en biedt aan gebruik te maken van hun getuigenis.
164 Daaruit volgt dat verzoeksters argumenten niet relevant zijn zodat zij moeten worden afgewezen.
c) Medewerking van de Turkse douaneautoriteiten
Argumenten van partijen
165 Verzoekster stelt dat het onmogelijk was om zonder medewerking van de Turkse douaneautoriteiten een A.TR.1‑certificaat bij de betrokken goederen te verkrijgen. De relevante regeling bevat immers uitgebreide regels ter voorkoming van het risico van misbruik van de A.TR.1‑certificaten, die niet alleen worden geviseerd door de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer, met bijbehorende registratie, maar ten aanzien waarvan tevens een controle van de goederen waarvoor zij zijn verstrekt, wordt verricht, ter verzekering van de daadwerkelijke uitvoer ervan. De A.TR.1-certificaten worden ter beschikking van de exporteur gehouden zodra de uitvoer is verricht, en slechts bij uitzondering kan een certificaat na uitvoer worden geviseerd (zie artikel 8, lid 1, van besluit nr. 1/96 alsmede artikel 4, lid 1, van besluit nr. 5/72). Deze bepalingen garanderen dat de bevoegde douaneautoriteit, wanneer het A.TR.1‑certificaat ter beschikking van de exporteur wordt gesteld, nog de gelegenheid heeft om na te gaan of dit overeenstemt met de oorsprong van de goederen.
166 De Commissie antwoordt dat verzoeksters argumenten betreffende de medewerking van de Turkse autoriteiten bij de afgifte van de litigieuze certificaten, irrelevant zijn. De Commissie beklemtoont dat onbetwist is dat de wettelijke regeling moet uitsluiten dat A.TR.1-certificaten worden ingediend voor producten die niet van Turkse oorsprong zijn. In casu wijst de indiening van A.TR.1-certificaten voor de litigieuze uitvoer er niet op dat de Turkse douaneautoriteiten daaraan heimelijk hebben meegewerkt.
Beoordeling door het Gerecht
167 Wat het argument inzake de medewerking van de Turkse autoriteiten betreft, kan worden volstaan met in herinnering te brengen dat de litigieuze certificaten vervalsingen bleken te zijn. Op grond van de indiening van documenten die vals blijken te zijn, kan op zich echter niet de conclusie worden getrokken dat er sprake is van een of andere heimelijke afspraak tussen de exporteurs en de douaneautoriteiten die deze afgeven.
168 Dit argument is dus ongegrond en moet bijgevolg worden afgewezen.
d) Schending van de voorschriften inzake administratieve bijstand
Argumenten van partijen
169 Verzoekster betoogt om te beginnen dat krachtens de toepassingsbepalingen van de associatieovereenkomst op de Turkse douaneautoriteiten een plicht tot administratieve bijstand rust. Zij voert in dit verband artikel 15 van besluit nr. 1/96 alsmede artikel 26 en bijlage 7 van besluit nr. 1/95 aan. Wat het argument van de Commissie betreft dat de besluiten nrs. 1/95 en 1/96 pas vanaf 31 december 1995 van toepassing waren, stelt verzoekster enerzijds dat de regeling inzake de administratieve bijstand reeds krachtens de voorgaande besluiten gold en anderzijds dat de besluiten nrs. 1/95 en 1/96 in dit opzicht een formeel recht instellen dat tevens voor het verleden geldt.
170 In casu hebben de Turkse autoriteiten echter de verplichting geschonden om snel en doeltreffend medewerking te verlenen bij het onderzoek naar de certificaten inzake goederenverkeer en in het bijzonder hun verplichting om snel juiste inlichtingen te verstrekken over de echtheid van de litigieuze certificaten. Deze schendingen rechtvaardigen de conclusie dat zij zeer waarschijnlijk bij de opstelling ervan betrokken zijn.
171 Vervolgens zet verzoekster de principes uiteen die de Turkse autoriteiten lijken te hebben gevolgd teneinde een A.TR.1‑certificaat als onregelmatig of als vals te kwalificeren. Zo zijn de certificaten voor de vruchtensapconcentraten van oorsprong uit derde landen, die in Turkije in het kader van de veredelingsregeling zijn bewerkt en vervolgens zijn uitgevoerd, onregelmatig verklaard omdat zij ten onrechte zijn geviseerd. Daarentegen zijn de A.TR.1-certificaten die zijn afgegeven voor vruchtensapconcentraten die in Turkije aan de regeling betreffende transitohandel waren onderworpen (Transit-Trade-Regime), als vals aangemerkt. Dit onderscheid blijkt uit de brieven van de Turkse permanente vertegenwoordiging van 10 juli 1998 en 1 oktober 1999, aan respectievelijk de Commissie en het OLAF, alsmede uit de brief van 12 oktober 1999 van de UCLAF aan de Guardia di Finanza (instantie belast met de bestrijding van delicten van financiële aard). Verzoeksters stelling vindt haars inziens bevestiging in het missieverslag van de UCLAF van 21 december 1998 waarin wordt gesteld dat niet uitsluitend de exporteurs verantwoordelijk waren voor de situatie, en dat verder onderzoek bij het kantoor van Mersin nodig was.
172 Ten bewijze dat de Turkse autoriteiten in het kader van de administratieve bijstand niet voldoende hebben meegewerkt, voert verzoekster in de eerste plaats een brief van 9 januari 1998 van de Turkse permanente vertegenwoordiging aan de UCLAF aan, waarin de Turkse autoriteiten lieten weten dat het op dat tijstip niet nodig was dat de vertegenwoordigers van de UCLAF zich naar Turkije begaven. In dit verband betwist verzoekster de stelling van de Commissie dat deze brief geen verband houdt met de uitvoer van appelsapconcentraten.
173 In de tweede plaats betoogt verzoekster dat de in punt 41 supra genoemde brief van 10 juli 1998 van de Turkse permanente vertegenwoordiging niet – overeenkomstig de vermeldingen in vak 14 van elk A.TR.1‑certificaat – preciseert of de 22 in die brief genoemde certificaten onecht of onregelmatig waren, en deze enkel als „false” kwalificeert, een term die beide mogelijkheden omvat. In dit opzicht betoogt verzoekster dat vak 14 weliswaar het opschrift „verzoek om controle” en vak 15 het opschrift „resultaten van de controle” heeft, doch dat de documenten betreffende het concrete antwoord op de verzoeken om controle van de litigieuze certificaten niet zijn overgelegd.
174 In de derde plaats beklemtoont verzoekster dat de Commissie in punt C van een brief van 26 augustus 1999 aan de douanerecherche van Keulen (Duitsland) heeft vermeld dat het OLAF de Turkse autoriteiten zou verzoeken voor elk ongeldige certificaat te preciseren of het een vervalsing dan wel een onregelmatig certificaat was. Verzoekster stelt echter niet te weten of dat verzoek was gedaan.
175 Wat de tegenstrijdige stellingen van de Turkse autoriteiten betreft, betoogt verzoekster dat certificaten met gelijke inhoud in bepaalde gevallen als regelmatig zijn gekwalificeerd en in andere gevallen als onregelmatig, en dat ten slotte certificaten die eerst als vals waren gekwalificeerd nadien als onregelmatig zijn gekwalificeerd. De door de Commissie als bijlage bij haar verweerschrift gevoegde lijst van documenten toont aan dat er in 1998 en 1999 28 brieven zijn uitgewisseld met de Turkse autoriteiten, zonder dat de feiten definitief konden worden vastgesteld, en dat de briefwisseling met de Turkse permanente vertegenwoordiging in 1999 is gestopt, aangezien de Turkse autoriteiten vanaf 2000 alle verdere medewerking met de Commissie hebben geweigerd.
176 Als voorbeeld verwijst verzoekster naar A.TR.1‑certificaat D 437214, ten aanzien waarvan de kwalificatie „vals” in de brief van 8 maart 1999, naderhand in de kwalificatie „onregelmatig” is omgezet.
177 Evenzo is A.TR.1‑certificaat D 412662 tussen 16 juli en 27 september 1999, in drie verschillende mededelingen, door de Turkse autoriteiten achtereenvolgens als incorrect, als gedeeltelijk correct en ten slotte als echt gekwalificeerd (brieven van 16 juli, 19 augustus en 27 september 1999).
178 Voorts is A.TR.1‑certificaat D 141591 eerst als vals gekwalificeerd (brief van 15 mei 1998), en vervolgens als incorrect (brief van 19 augustus 1999), vanwege het feit dat de goederen waarop het betrekking had, niet van Turkse oorsprong waren. Volgens verzoekster moet A.TR.1‑certificaat D 141591 in verband worden gebracht met de A.TR.1-certificaten C 982920 en C 982938, die als incorrect zijn gekwalificeerd en ten aanzien waarvan de Commissie heeft afgezien van navordering van de douanerechten. Op de stelling van de Commissie dat de douanedienst van Ravenna er, bij kennisgeving van 12 juni 1998 op had gewezen dat A.TR.1‑certificaat D 141591 vals was, antwoordt verzoekster dat zij niet in staat is geweest dit stuk tijdens de procedure van toegang tot het dossier in te zien.
179 De tegenstrijdigheid van de verstrekte informatie is bevestigd door het Tribunale civile e penale te Ravenna. Verzoekster merkt in dit verband op dat het parket van Verona (Italië) eveneens de haar betreffende procedure heeft beëindigd, aangezien het met name tot de slotsom was gekomen dat de herhaalde verzoeken van de recherche teneinde bewijzen te verkrijgen, onbeantwoord waren gebleven. Volgens verzoekster had de bevoegde officier van justitie van Verona de Guardia di Finanza verzocht hem te laten weten op basis van welke documenten, gegevens en bewijzen de door de Turkse autoriteiten afgegeven certificaten inhoudelijk vals werden geacht, waarop de Italiaanse autoriteiten geen antwoord hebben kunnen krijgen.
180 Verzoekster meent voorts dat het feit dat de Turkse douaneautoriteiten hebben erkend dat van de 103 gecontroleerde certificaten er 17 – of 16, indien A.TR.1‑certificaat D 437214 wordt uitgesloten – onregelmatig waren, betekent dat zij deze bewust ten onrechte hebben geviseerd, welk feit dus volstaat om de kwaliteit van de controle van deze certificaten en de juistheid van de in het kader van de wederzijdse administratieve bijstand verstrekte inlichtingen in twijfel te trekken.
181 Verzoekster trekt in dit opzicht een parallel met de zaken waarin het arrest Turkse televisietoestellen is gewezen, waarmee het onderhavige geval, anders dan de Commissie stelt, nauw verband houdt, met name op het punt dat de Turkse autoriteiten nooit hebben verklaard door derden te zijn misleid, en dat zij door hun tegenstrijdige verklaringen hebben verhinderd dat de feiten kwamen vast te staan.
182 Wat het argument van de Commissie betreft dat verzoekster verwarring tracht te zaaien door verklaringen van de Turkse autoriteiten aan te voeren over de als onregelmatig gekwalificeerde certificaten, die in casu niet aan de orde zijn, stelt verzoekster dat de tegenstrijdigheid van de inlichtingen van de verschillende Turkse autoriteiten over andere dan de litigieuze certificaten van wezenlijk belang is voor het onderzoek van alle verklaringen van de Turkse autoriteiten, daaronder begrepen de verklaringen betreffende de litigieuze certificaten.
183 Wat ten slotte het argument van de Commissie betreft dat bepaalde berichten van de Turkse autoriteiten slechts tussenconclusies waren, betoogt verzoekster dat de mededeling van dergelijke conclusies of van voorlopige verslagen niet is voorzien in de bepalingen inzake de wederzijdse bijstand.
184 De Commissie wijst de stellingen af die verzoekster aanvoert ten bewijze dat de Turkse autoriteiten hun verplichting tot medewerking verschillende keren hebben geschonden, en betwist dat er sprake is van tegenstrijdige verklaringen van hun zijde.
185 Wat in de eerste plaats de verplichting tot medewerking betreft, merkt de Commissie om te beginnen op dat de besluiten nrs. 1/95 en 1/96, waarop verzoekster een verplichting van de Turkse autoriteiten baseert om ambtshalve medewerking te verlenen, pas in de definitieve fase van de associatieregeling van kracht waren en niet voor de litigieuze certificaten gelden, die in de overgangsfase zijn opgesteld. Hiervoor gelden enkel artikel 2, lid 3, van verordening nr. 4115/86 en artikel 11 van besluit nr. 5/72, zoals gewijzigd bij besluit nr. 1/78, waarop reeds is gewezen in punt 12.
186 Vervolgens betoogt de Commissie dat de analogie met het reeds aangehaalde arrest Turkse televisietoestellen in casu niet relevant is, omdat de onderhavige zaak op geheel andere feiten berust. In dit verband brengt de Commissie in herinnering dat de zaken waarin dat arrest is gewezen, geen betrekking hadden op vervalste certificaten, maar op door de Turkse autoriteiten afgegeven certificaten die ongeldig bleken te zijn omdat zij niet aan de wettelijke voorwaarden voldeden. In dat arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat de Turkse autoriteiten hadden getalmd om hun situatie op te helderen omdat hun medewerking hun eigen tekortkomingen aan het licht zou hebben gebracht. In casu konden de Turkse autoriteiten niet de bedoeling hebben om hun eventuele tekortkomingen te verhullen aangezien zij niet hebben deelgenomen aan het opstellen van de litigieuze certificaten. Bovendien heeft het Gerecht nergens gesteld dat het gebrek aan medewerking van de Turkse autoriteiten er, volgens verzoekster, een belangrijke aanwijzing voor vormde dat zij aan onwettige handelingen hadden deelgenomen.
187 Wat bovendien verzoeksters argument betreft dat de Turkse autoriteiten wisten dat zij 16 of 17 A.TR.1-certificaten ten onrechte afgaven, betoogt de Commissie dat dit niet ter zake doet, aangezien de onderhavige procedure niet over die certificaten gaat en de desbetreffende invoerrechten reeds aan verzoekster zijn terugbetaald overeenkomstig artikel 239 CDW. Dat de Turkse autoriteiten hebben erkend dat zij 16 of 17 certificaten welbewust ten onrechte hebben afgegeven, wijst er integendeel op dat zij aan de opheldering van de feiten hebben meegewerkt zonder zich zorgen te maken over hun aanzien, en vormt een aanwijzing voor de geloofwaardigheid van hun verklaringen over de onechtheid van de litigieuze certificaten.
188 Wat voorts verzoeksters argument betreft dat de Turkse autoriteiten hebben verzuimd de vakken 14 en 15 van de litigieuze certificaten in te vullen, betoogt de Commissie dat deze vakken uitsluitend waren bedoeld voor de gevallen waarin controles van de inhoud van de certificaten waren verricht, dat wil zeggen van de werkelijke oorsprong van de goederen waarvoor zij waren verstrekt. Aangezien de litigieuze certificaten vervalsingen waren, hadden de Turkse autoriteiten geen enkele reden om deze naderhand te waarmerken door de vakken 14 en 15 in te vullen.
189 Ten slotte verklaart de Commissie dat zij niet instemt met verzoeksters stelling dat de verklaringen van de Turkse autoriteiten in de brief van 9 januari 1998 aan de UCLAF, volgens welke het niet nodig was dat de UCLAF in Turkije een verificatie verrichtte, een aanwijzing voor hun medeplichtigheid vormen. Volgens de Commissie verwijst deze mededeling niet naar een controle achteraf van de litigieuze certificaten, die op dat tijdstip nog niet was verricht. Bovendien merkt de Commissie op dat nadat de preliminaire ad-hoconderzoeken waren verricht, een controlemissie van de UCLAF zich in december 1998 naar Turkije heeft begeven, en dat op grond van de onderzoeken overigens snel – reeds op 8 maart 1999 – kon worden verklaard dat de litigieuze certificaten niet echt maar vervalst waren.
190 In de tweede plaats betoogt de Commissie dat verzoeksters stellingen dat de Turkse autoriteiten tegenstrijdige verklaringen hadden gedaan, eveneens irrelevant zijn.
191 Om te beginnen wijst de Commissie erop dat de door verzoekster genoemde briefwisseling betrekking heeft op certificaten die als ongeldig, maar niettemin echt, werden beschouwd, welke in casu niet aan de orde zijn. Vervolgens gaat het om tussenconclusies die in de eerste fase van het onderzoek zijn meegedeeld en die dus slechts voorlopig van aard kunnen zijn. De Turkse autoriteiten zijn nooit teruggekomen van de vaststelling in de brief van 8 maart 1999, dat de litigieuze certificaten vals waren omdat zij niet door hen waren afgegeven.
192 Wat ten slotte meer in het bijzonder verzoeksters stellingen over certificaat D 141591 betreft, stelt de Commissie dat deze niet ter zake doen aangezien dit niet voorkomt op de lijst van vervalste certificaten, zoals vermeld in de brief van de Turkse autoriteiten van 8 maart 1999, en in de onderhavige procedure dus niet aan de orde is. Niettemin brengt de Commissie in herinnering dat zij bij brief van 3 juni 2002 de Italiaanse autoriteiten uitdrukkelijk heeft gevraagd of het certificaat in kwestie was vervalst of enkel inhoudelijk onjuist was. Bij brief van 6 juni 2002, meegedeeld aan de Commissie bij brief van 7 juni 2002, heeft de douanedienst van Ravenna haar superieuren in Bologna en Rome erover ingelicht dat dit certificaat inzake goederenverkeer door de Turkse autoriteiten in een nota van 15 mei 1998 als vals was gekwalificeerd. De vervalsing was tevens door de UCLAF bevestigd, na een onderzoeksmissie in Ankara in oktober 1998. Voorts heeft de douanedienst van Ravenna erop gewezen dat verzoekster geen beroep had ingesteld tegen de latere heffing van de belastingen na de constatering van de vervalsing en evenmin een verzoek om terugbetaling had ingediend, waarmee zij klaarblijkelijk had erkend dat dit certificaat vals was.
Beoordeling door het Gerecht
193 Er zij aan herinnerd dat volgens de relevante regeling die in casu van toepassing is, de overeenkomstsluitende partijen bij de associatieovereenkomst elkaar bijstand verlenen teneinde de correcte toepassing van de douanewetgeving te verzekeren. De wederzijdse bijstand is met name bedoeld om de controle van de echtheid en de regelmatigheid van de certificaten inzake goederenverkeer te verzekeren (met betrekking tot de overgangsfase van de douane-unie, zie artikel 2, lid 3, van verordening nr. 4115/86 en artikel 11 van besluit nr. 5/72, zoals gewijzigd bij besluit nr. 1/78; wat de definitieve fase van de douane-unie betreft, zie artikel 2 van bijlage 7 bij en artikel 29 van besluit nr. 1/95 alsmede artikel 15 van besluit nr. 1/96.
194 Wat in de eerste plaats verzoeksters argument betreft dat het ontbreken van snelle en doelmatige medewerking van de Turkse autoriteiten bij het onderzoek erop wees dat zij betrokken waren geweest bij de opstelling en de afgifte van de vervalste certificaten, moet om te beginnen worden vastgesteld dat de controle achteraf van de certificaten voor de door verzoekster verrichte importen was gestart met de brief van 15 mei 1998 van de Turkse autoriteiten aan de douanedienst van Ravenna, waarin werd vermeld dat certificaat D 141591 vals was. Na deze ontdekking heeft de UCLAF in Turkije een eerste onderzoeksmissie uitgevoerd van 12 tot en met 15 oktober 1998, dat wil zeggen nauwelijks vijf maanden na de kennisgeving door de Turkse autoriteiten. Een tweede missie vond plaats van 30 november tot en met 2 december 1998. In dit verband dient te worden opgemerkt dat de brief van de Turkse autoriteiten van 9 januari 1998, waarin was aangegeven dat een missie van de UCLAF niet nodig was, volgens verzoekster blijk gaf van hun gebrek aan medewerking. Vaststaat enerzijds dat de onderzoeken betreffende de litigieuze certificaten pas na 15 mei 1998 zijn gestart, en anderzijds dat de missies van de UCLAF binnen redelijke termijnen na de ontdekking van de eerste vervalsing zijn verricht.
195 Bovendien betroffen de door de Turkse autoriteiten verrichte onderzoeken een zeer groot aantal certificaten – enkele honderden, waaronder 103 door verzoekster ingediende certificaten –, maar is de lijst van de certificaten die door hen als vervalst werden beschouwd, niettemin bij brief van 8 maart 1999, dat wil zeggen minder dan drie maanden na de eerste missie van de UCLAF in Turkije, aan de douanedienst van Ravenna gezonden.
196 Ten slotte dient te worden vastgesteld dat de briefwisseling over de litigieuze certificaten tussen de communautaire en de Turkse autoriteiten, zeer omvangrijk is. In dit verband wordt verzoeksters stelling dat er sprake is van een weigering van de Turkse autoriteiten, met name van de Turkse permanente vertegenwoordiging, om vanaf 2000 met de Commissie samen te werken, door geen enkel bewijs gestaafd. Evenzo kan verzoekster aan de inhoud van de beslissing van het parket van Verona tot beëindiging van de tegen verzoekster ingestelde procedure, geen enkele geldige conclusie verbinden voor het onderhavige geval. In deze beslissing beperkt de bevoegde officier van justitie zich er immers toe de bij de bewijsvergaring ondervonden moeilijkheden te vermelden. Dit argument is derhalve ongegrond en moet worden afgewezen.
197 In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat verzoekster stelt dat de Turkse autoriteiten, door tegenstrijdige informatie te verstrekken over de controle van de regelmatigheid en de echtheid van de certificaten inzake goederenverkeer, hebben verhinderd dat de feiten kwamen vast te staan. Verzoekster noemt in dit verband drie specifieke certificaten, te weten de A.TR.1‑certificaten D 437214, D 141591 en D 412662, die in opeenvolgende berichten van de Turkse autoriteiten verschillend zijn gekwalificeerd.
198 Zoals de Commissie opmerkt, maakt weliswaar alleen A.TR.1‑certificaat D 437214 deel uit van de litigieuze certificaten, en zijn de twee andere in de onderhavige procedure niet aan de orde. Tevens dient echter te worden vastgesteld dat verzoekster zich op eventuele tegenstrijdigheden betreffende de drie certificaten in kwestie baseert, ten bewijze dat de door de Turkse autoriteiten verrichte verificaties van alle ingediende certificaten inzake goederenverkeer niet strikt zijn geweest. Aangezien een gebrekkige procedure bij de controle van de echtheid van de certificaten een ernstige tekortkoming van de Turkse autoriteiten in de krachtens de associatieovereenkomst op hen rustende verplichtingen kan vormen, moet de relevantie van verzoeksters stellingen eveneens worden onderzocht ten aanzien van de certificaten die buiten het bestek van het onderhavige geding vallen.
199 Wat certificaat D 141591 betreft, dient te worden vastgesteld dat de Turkse autoriteiten blijkens de mededelingen die deel uitmaken van het dossier, dit aanvankelijk als vals hebben gekwalificeerd, en naderhand als incorrect. De constatering van deze dubbelzinnige kwalificatie vormde de reden voor een verzoek om opheldering van de Commissie van 3 juni 2002. Blijkens het antwoord op dit verzoek, dat bij brief van 7 juni 2002 door de Italiaanse autoriteiten is verstrekt, is de constatering van de vervalsing van het certificaat in kwestie nadien door de Turkse autoriteiten bevestigd bij brief van 8 maart 1999, waarin de definitieve resultaten van de onderzoeken in Turkije zijn meegedeeld. Voorts blijkt uit dit bericht van 7 juni 2002 dat de constatering van de vervalsing tevens op de resultaten van de in oktober 1998 door de UCLAF in Turkije verrichte onderzoeksmissies is gebaseerd. Bijgevolg luidt de conclusie dat elke eventuele tegenstrijdigheid in verband met de kwalificatie van dit certificaat reeds in oktober 1998 uit de weg was geruimd, en dat er vanaf 8 maart 1999 geen twijfel meer over bestond dat het onecht was. Ten slotte maakt dit certificaat geen deel uit van de litigieuze certificaten in het onderhavige geval. Verzoekster heeft immers geen beroep ingesteld tegen de heffing van de rechten na de constatering van de vervalsing, en heeft evenmin om terugbetaling van de geïnde rechten verzocht, waarmee zij impliciet heeft erkend dat het certificaat in kwestie onecht was.
200 Wat certificaat D 412662 betreft, dient te worden vastgesteld dat de Turkse autoriteiten dit bij brief van 16 juli 1999 als incorrect hebben gekwalificeerd op grond dat de goederen waarop het betrekking had, niet van oorsprong uit Turkije waren. Daarna hebben de Turkse autoriteiten het OLAF bij brief van 10 augustus 1999 meegedeeld dat zij een fout hadden gemaakt en dat het betrokken certificaat als gedeeltelijk incorrect moest worden gekwalificeerd aangezien slechts een gedeelte van de goederen waarvoor het certificaat was verstrekt, niet van Turkse oorsprong was. Deze laatste constatering is bevestigd bij brief van 19 augustus 1999 aan de douanedienst van Ravenna. Blijkens de drie genoemde brieven hebben de Turkse autoriteiten zich in het kader van de administratieve samenwerking met de gemeenschapsautoriteiten niet tegengesproken, maar hebben zij enkel de aanvankelijke brief van 16 juli 1999 aangevuld en gedeeltelijk gewijzigd.
201 De tegenstelling waarop verzoekster wijst, vloeit immers voort uit de inhoud van een latere brief van 27 september 1999 aan haar moedervennootschap, Steinhauser, waarin de Turkse autoriteiten vermelden dat certificaat D 411262 correct is. In dit verband dient om te beginnen te worden vastgesteld dat deze brief niet is verzonden in het kader van de samenwerking tussen douaneadministraties en dus niet een officiële uitkomst van de procedure van controle van de certificaten inzake goederenverkeer bevat. Voorts is het mogelijk dat de Turkse autoriteiten niet bijzonder ijverig zijn geweest in hun verhoudingen met verzoekster en hebben verzuimd haar erover te informeren dat het certificaat in kwestie slechts gedeeltelijk correct was. De slotsom luidt derhalve dat verzoekster daaruit geen enkele geldige consequentie voor het onderhavige geval kan afleiden. Aan deze slotsom wordt niet afgedaan door het feit dat het Tribunale civile e penale te Ravenna bij vonnis van 20 december 2000 naar de vergissing van de Turkse autoriteiten bij de aanvankelijke kwalificatie van dit certificaat verwijst.
202 Wat certificaat D 437214 betreft, blijkt uit de uiteenzettingen in punt 120 en volgende hierboven dat de Turkse autoriteiten op een gegeven moment lijken te zijn teruggekomen van hun aanvankelijke vaststelling dat dit certificaat vals was. Niettemin komt een dergelijke contradictie niet duidelijk naar voren vanwege het gebrek aan nauwkeurigheid in de bewoordingen die in de schriftelijke mededelingen van de Turkse autoriteiten zijn gebruikt. Voorts heeft de Commissie een verzoek om opheldering gezonden over de dubbelzinnige inlichtingen van de Turkse autoriteiten. Op grond van een verificatie nadien kon echter buiten elke twijfel worden bevestigd dat de aanvankelijke kwalificatie van dat certificaat correct was en dat het inderdaad om een vervalsing ging.
203 Uit het voorgaande volgt dat op basis van de tegenstrijdigheden die verzoekster aanvoert, niet de conclusie kan worden getrokken dat de door de Turkse autoriteiten uitgevoerde procedure ter controle van de echtheid van de certificaten kennelijk onregelmatig was. De in het kader van de samenwerking tussen douaneadministraties vastgestelde dubbelzinnigheden betreffen immers slechts twee certificaten, te weten de A.TR.1-certificaten D 437214 en D 141591. Bovendien zijn over de dubbelzinnige verklaringen over de kwalificatie van die certificaten verzoeken om opheldering gedaan en is de definitieve kwalificatie met zekerheid komen vast te staan. De sporadische dubbelzinnige verklaringen van de Turkse autoriteiten betreffen ten opzichte van het totale aantal gecontroleerde certificaten echter slechts een zeer beperkt aantal certificaten. Bijgevolg kan er niet van uit worden gegaan dat deze verklaringen, die nadien zijn verduidelijkt, op zich belangrijke tekortkomingen aan de uit de associatieovereenkomst en de toepassingsbepalingen daarbij voortvloeiende verplichtingen tot administratieve bijstand vormen. Aan de Turkse autoriteiten kan op dit punt dus geen tekortkoming worden toegerekend.
204 Wat in de derde plaats verzoeksters argument betreft dat de Turkse autoriteiten hebben verzuimd de vakken 14 en 15 van de certificaten inzake goederenverkeer in te vullen, kan worden volstaan met op te merken dat deze vakken de controle van de werkelijke oorsprong van de goederen en de conformiteit daarvan met de inhoud van het certificaat betreffen. Nu de Turkse autoriteiten tot de slotsom waren gekomen dat de certificaten vervalst waren, behoefden zij de vakken 14 en 15 niet in te vullen omdat de vraag naar de conformiteit van goederen met onechte documenten per definitie niet kan rijzen.
205 Ten slotte baseert verzoekster zich op een stelling waarmee zij de methode tracht te reconstrueren die de Turkse autoriteiten hebben gehanteerd om bepaalde certificaten als incorrect te kwalificeren en andere – weliswaar identieke – certificaten, als vervalst. In dit verband moet worden vastgesteld dat verzoeksters stelling door geen enkel bewijs wordt gestaafd, zodat deze wegens gebrek aan bewijs moet worden afgewezen.
206 Gelet op een en ander moeten al verzoeksters argumenten betreffende de schendingen door de Turkse autoriteiten van de voorschriften op het gebied van de administratieve bijstand, ongegrond worden verklaard.
e) Bijkomende aanwijzingen
Verzoeksters argumenten
207 Verzoekster stelt dat nog andere elementen aantonen dat er sprake is van tekortkomingen van de Turkse autoriteiten die ten aanzien van haar een bijzonder situatie opleveren.
208 In de eerste plaats stelt verzoekster dat de individuele tekortkoming van de douaneautoriteiten van Mersin het gevolg was van de algemene en structurele tekortkoming van de Turkse autoriteiten. Tot staving van deze stellingen voert zij om te beginnen het feit aan dat haar vertegenwoordiger, de heer Nothelfer, tijdens een onderhoud te Ankara met een verantwoordelijke beambte van de Turkse centrale douaneadministratie, is meegedeeld dat een strafrechtelijk onderzoek was gelast om alle certificaten inzake goederenverkeer te verifiëren. Wat het argument van de Commissie betreft dat een dergelijk strafrechtelijk onderzoek de geloofwaardigheid van de Turkse douaneadministratie alleen maar versterkte, merkt verzoekster op dat de Commissie had moeten weten dat dit slechts een van de excuses van die administratie was om de indruk te geven dat er iets was ondernomen. In werkelijkheid was er ten aanzien van de afgegeven certificaten helemaal geen strafrechtelijk onderzoek ingesteld.
209 Vervolgens blijkt uit de inhoud van een ander onderhoud van verzoeksters vertegenwoordigers met de heer Dogran van het bureau Economische Zaken van de Turkse minister-president, dat de wezenlijke preoccupatie van de Republiek Turkije de economische ontwikkeling van haar ondernemingen was, waarbij voorbij werd gegaan aan de inhoud en het belang van de voorschriften inzake de preferentiële regeling en de oorsprong van goederen. Deze houding kwam overeen met de constateringen in de zaken waarin het arrest Turkse televisietoestellen is gewezen, en pas later heeft de UCLAF de Turkse autoriteiten ingelicht over het belang van de verplichting om de preferentiële regels te eerbiedigen. In dit verband beklemtoont verzoekster in repliek dat, anders dan de Commissie stelt, de diensten van het bureau van de Turkse minister-president op de hoogte hadden moeten zijn van de voorwaarden voor het opstellen van certificaten inzake goederenverkeer.
210 In de tweede plaats beklemtoont verzoekster dat zij via een advocatenkantoor in Ankara een klacht heeft ingediend tegen de heer Akman, de beheerder van de Turkse vennootschap met die naam. Het parket van Mersin heeft de vervolging in 2001 echter geschorst zonder dat verzoeksters gemachtigden, ondanks herhaalde verzoeken, tot op heden in kennis zijn gesteld van de redenen voor deze schorsing van de vervolging. Verzoekster veronderstelt dat was vastgesteld dat de 32 litigieuze A.TR.1-certificaten waren geviseerd middels authentieke stempels van de Turkse douaneadministratie en dat het bevoegde parket vanuit Ankara de opdracht had gekregen de procedure te beëindigen.
211 In repliek wijst verzoekster de redenering van de Commissie af dat voor de beëindiging van de strafrechtelijke vervolging jegens Akman een verklaring zou kunnen worden gevonden in het feit dat hij niet had deelgenomen aan de vervalsingen. Verzoekster meent om te beginnen dat niet zeker is dat deze vervolgingen inderdaad waren ingesteld. Vervolgens merkt verzoekster op dat gesteld al dat er sprake was van vervalsingen, Akman daarvan het meeste profijt had. En ten slotte betoogt verzoekster dat de vertegenwoordigers van de Commissie blijkens het missieverslag van de UCLAF van 23 december 1998 een onderhoud hebben gehad met de heer Bolat, van het parket van Mersin, die hun een kopie heeft gegeven van alle certificaten waarin de naam Akman was vermeld. Volgens verzoekster heeft de Commissie geen antwoord gekregen op het tijdens dat onderhoud geformuleerde verzoek om op de hoogte te worden gehouden over de uitkomst van de onderzoeken.
212 In de derde plaats stelt verzoekster dat de Commissie de „grenzen van het haalbare” lijkt te hebben bereikt in de onderzoeken die zij in Turkije met betrekking tot de opstelling van de litigieuze certificaten heeft uitgevoerd: de UCLAF heeft de douaneregisters in het douanekantoor van Mersin niet kunnen inzien, en heeft evenmin kunnen spreken met de bevoegde ambtenaren. De reden waarom de UCLAF niet een meer diepgaand onderzoek heeft kunnen doen, is haars inziens dat de UCLAF zou hebben ontdekt dat een groot aantal producten van oorsprong uit derde landen, om redenen van economische ontwikkeling en met medewerking van de hoogste Turkse politieke autoriteiten, met gebruikmaking van het A.TR.1‑certificaat vanuit Mersin naar de Europese Gemeenschap waren uitgevoerd.
213 De Commissie wijst in de eerste plaats de door verzoekster aangevoerde stellingen over haar gesprekken met de Turkse autoriteiten van de hand. De Commissie meent in dit opzicht dat het feit dat de centrale douaneadministratie in Ankara heeft aanvaard dat alle A.TR.1-certificaten strafrechtelijk werden onderzocht, de geloofwaardigheid versterkte van de gevolgtrekkingen in de bovengenoemde brief van 8 maart 1999, volgens welke deze certificaten niet door de Turkse douaneautoriteiten waren afgegeven. Voorts meent de Commissie dat verzoeksters stelling dat Dogran noch de inhoud noch de betekenis van de oorsprongregels en van de preferentiële regeling kende, eveneens irrelevant is, omdat Dogran, die deel uitmaakte van de met economische zaken belaste afdeling van het bureau van de Turkse minister-president, niet werd geacht deze regels te kennen.
214 In de tweede plaats beklemtoont de Commissie dat de schorsing van de strafprocedure tegen Akman te wijten kan zijn aan het feit dat hij zelf te goeder trouw was en dus niet aan de vervalsingen had meegewerkt. Voorts kent enkel een zeer klein aantal wetboeken van strafvordering de verplichting om de schorsing van een onderzoeksprocedure jegens de klager te rechtvaardigen.
215 Wat in de derde plaats verzoeksters stelling betreft dat de Commissie en de UCLAF in hun onderzoek op „de grenzen van het haalbare” zijn gestuit, vanwege het gebrek aan medewerking van de Turkse autoriteiten, brengt de Commissie in herinnering dat zij volledige medewerking hebben verleend en dat de UCLAF haar onderzoeken in Turkije op juiste wijze heeft kunnen uitvoeren, waarbij zij geen enkele valse verklaring heeft vastgesteld, zoals blijkt uit de missieverslagen van 9 en 23 december 1998.
Beoordeling door het Gerecht
216 Om te beginnen zijn verzoeksters stellingen over de inhoud van de besprekingen van haar vertegenwoordigers met Dogran, van het bureau Economische Zaken van de Turkse minister-president, niet relevant. De vraag of een ambtenaar zoals Dogran al dan niet op de hoogte was van de voorschriften inzake de preferentiële regeling en de opstelling van de certificaten inzake goederenverkeer, kan niet van invloed zijn op de feiten van het onderhavige geval. Evenzo kan met betrekking tot verzoeksters beweringen waarin gewag wordt gemaakt van een verklaring van een ambtenaar van de Turkse centrale douaneadministratie, dat een strafrechtelijk onderzoek was gelast om de certificaten inzake goederenverkeer te verifiëren, worden volstaan met op te merken dat deze beweringen niet alleen irrelevant zijn, maar dat daarvoor tevens geen enkel bewijs is aangevoerd.
217 Vervolgens kan ook verzoeksters argumentatie betreffende de schorsing van de door het parket van Mersin gelaste strafrechtelijke vervolging jegens Akman, de beheerder van de Turkse vennootschap met dezelfde naam, niet worden aanvaard. Zelfs indien het waar zou blijken te zijn dat verzoekster niet in kennis is gesteld van de aan deze schorsing ten grondslag liggende redenen, dan nog kan op grond van dat feit hoe dan ook niet worden verondersteld dat haar klacht kon slagen omdat het parket van Mersin had ingezien dat de litigieuze certificaten geen vervalsingen waren. In dit verband dient erop te worden gewezen, enerzijds dat dit een kwestie van Turks strafrecht is, en anderzijds dat verzoekster niet eens heeft geprobeerd aan te tonen dat zij er in haar hoedanigheid van klager en krachtens de toepasselijke Turkse bepalingen, recht op had om in kennis te worden gesteld van de redenen waarop het bevel om de vervolging te beëindigen was gebaseerd. Zo voert verzoekster ook geen enkel element aan waarmee zou kunnen worden aangetoond dat de Turkse autoriteiten geen gevolg hebben gegeven aan een verzoek van de Commissie om in kennis te worden gesteld van de resultaten van de strafrechtelijke onderzoeken.
218 Ten slotte is verzoeksters redenering dat de Turkse autoriteiten de UCLAF bij haar onderzoeken in Turkije verschillende obstakels in de weg hadden gelegd, door geen enkel bewijs gestaafd. Verzoekster baseert zich immers op geen enkel element dat kan doen veronderstellen dat de UCLAF geen diepgaand onderzoek heeft kunnen verrichten, met name bij de douaneadministratie van Mersin. Het gebrek aan medewerking wordt overigens tegengesproken door de inhoud van de missieverslagen van 9 en 23 december 1998 waarin melding wordt gemaakt van de medewerking van de Turkse autoriteiten.
219 Gelet op het voorgaande moet de slotsom luiden dat geen van de door verzoekster aangevoerde elementen een ernstige tekortkoming van de Turkse autoriteiten in de krachtens de associatieovereenkomst en de toepassingsbepalingen daarbij op hen rustende verplichtingen kan opleveren.
220 Daaruit volgt dat dit onderdeel van het tweede middel ongegrond moet worden verklaard.
3. Aan de Europese Commissie toe te rekenen tekortkomingen
221 Verzoekster stelt in wezen dat de Commissie ernstig te kort is geschoten in haar verplichtingen om verzoekster en andere betrokken importeurs te beschermen. De aan de Commissie toe te rekenen tekortkomingen vloeien voort uit 1) het ontbreken van toezicht en controle op de toepassing van de preferentiële regeling door de Turkse autoriteiten, 2) het niet toezenden van de specimens van de door de Turkse autoriteiten gebruikte stempels en handtekeningen aan de nationale douaneautoriteiten, 3) schending van de verplichting om de importeurs tijdig te waarschuwen, en 4) een onjuiste beoordeling van de feiten tijdens de onderzoeken in Turkije.
a) Ontbreken van regelmatig toezicht op de preferentiële regeling
Argumenten van partijen
222 Verzoekster betoogt in de eerste plaats dat de Turkse autoriteiten de regels betreffende de oorsprong van goederen niet begrepen. Tot staving van deze stelling voert zij de vaststellingen aan die haar vertegenwoordigers hebben gedaan tijdens hun gesprekken met de Turkse autoriteiten in Ankara en in Mersin. Volgens verzoekster werd bij allerlei soorten goedkeuringen van het bureau Economische Zaken van de Turkse minister-president steeds een A.TR.1‑certificaat afgegeven. Voorts hadden de bevoegde Turkse autoriteiten overigens ook in andere gevallen A.TR.1-certificaten geviseerd zonder rekening te houden met de oorsprong van de goederen, waarbij zij kennelijk niet het idee hadden onrechtmatig te handelen. Verzoekster trekt in dit opzicht een parallel met de zaken waarin het reeds aangehaalde arrest Turkse televisietoestellen is gewezen, waarin het Gerecht heeft vastgesteld dat de bevoegde Turkse autoriteiten, gedurende een tijdvak dat praktisch gelijk is aan dat waarin de feiten van onderhavige zaak plaatsvonden, de toepasselijke douaneregeling niet hadden toegepast met het doel om van de douane-unie in wording te profiteren teneinde hun eigen economie te begunstigen.
223 Volgens verzoekster worden de voorschriften inzake de opstelling en de afgifte van A.TR.1‑certificaten inzake goederenverkeer thans overwegend juist en strikter toegepast. Deze verandering heeft zich echter pas voorgedaan na de onderzoeken door de UCLAF in Turkije, en zonder twijfel door de besprekingen tussen de Commissie en de Turkse autoriteiten naar aanleiding van de zaken die tot het arrest Turkse televisietoestellen hebben geleid, en van de onderhavige zaak.
224 In de tweede plaats betoogt verzoekster dat de Commissie niet heeft toegezien op de naleving van de uit de associatieovereenkomst voortvloeiende voorschriften, welke naleving zij krachtens artikel 211 EG en het beginsel van behoorlijk bestuur moest verzekeren. Op de Commissie rust een bijzondere verplichting bij het toezicht op de tussen de Gemeenschap en derde landen gesloten overeenkomsten inzake preferentie en oorsprong.
225 Verzoekster beklemtoont dat artikel 26 van besluit nr. 1/95 uitdrukkelijk bepaalt dat de doeltreffende werking van de douane-unie moet worden verzekerd en de preferentiële regeling moet worden verbeterd, waarbij de associatieraad zelf op zich heeft genomen om geregeld de in deze regeling aangebrachte verbeteringen te bestuderen. Bovendien is de Commissie in het kader van de oprichting van de douane-unie permanent in contact met de bevoegde autoriteiten in Turkije, middels de associatieraad en het douanecomité, waarin zij is vertegenwoordigd. Het moest hun hoofdtaak zijn om te garanderen dat de voorschriften inzake de oorsprong van goederen werden begrepen en regelmatig werden ingevoerd, alsmede om in Turkije constant toezicht uit te oefenen.
226 Verzoekster stelt nu dat de Commissie niet aan haar zorgvuldigheidsplicht heeft voldaan door zich niet tijdig tot het comité voor samenwerking op douanegebied te wenden teneinde de situatie op te helderen en maatregelen te treffen ter verzekering dat de Turkse douaneadministratie de besluiten van de associatieraad eerbiedigt. In dit verband begrijpt verzoekster niet het argument van de Commissie, dat de associatieraad of het gemengd comité slechts met eenparigheid van stemmen konden beslissen. Aangezien de associatieraad besluiten vaststelt die de Turkse en Europese douaneadministraties moeten eerbiedigen, vloeit de ernstige tekortkoming van de Commissie enerzijds voort uit het feit dat zij binnen het douanecomité dan wel in Turkije geen informatie heeft ingewonnen over de naleving van de besluiten van de associatieraad, en anderzijds uit het feit dat zij geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid die haar werd geboden door de zaken waarin het reeds aangehaalde arrest Turkse televisietoestellen is gewezen, om vanaf 1993 of 1994 de naleving van de oorsprongregels op het gebied van landbouwproducten scherper te controleren.
227 In de derde plaats voegt verzoekster daaraan toe dat de zorgvuldigheidsplicht van de Commissie was verzwaard ten aanzien van de Republiek Turkije, met name vanwege de eerdere tekortkomingen van de Turkse autoriteiten, die in het arrest Turkse televisietoestellen waren vastgesteld. Voorts merkt verzoekster op dat de uitvoer van Turkse goederen naar de Gemeenschap sterk is gestegen gedurende de periode waarin de litigieuze importen plaatsvonden. De Commissie had deze grote stijging van de exporten niet kunnen aanvaarden zonder te verlangen dat enerzijds de specimens van de stempels en de handtekeningen werden toegezonden en anderzijds in het kader van de controleprocedure een toereikende verificatie van de certificaten van oorsprong werd verricht.
228 Bovendien had het feit dat tijdens deze controleprocedure tegenstrijdige en misleidende informatie was toegezonden, tot aanvullende controles door de Commissie moeten leiden. Ten slotte werd deze controleverplichting nog versterkt door het feit dat de Turkse autoriteiten niet de achterkant van de A.TR.1-certificaten hebben gebruikt om een duidelijk antwoord te geven over de geldigheid daarvan.
229 De Commissie betwist in de eerste plaats elke analogie met de zaken waarin het arrest Turkse televisietoestellen is gewezen. Om te beginnen vertoont het onderhavige geval ten opzichte van die zaken immers een groot verschil, te weten dat het in casu gaat om een vervalsing van certificaten van oorsprong door een derde, waarbij de Turkse autoriteiten niet betrokken waren. De gebrekkige informatieverstrekking of de niet-nakoming van de voorschriften door de Turkse autoriteiten zijn derhalve irrelevant, aangezien zij niet betrokken waren bij de vervalsing van de 32 litigieuze certificaten. Teneinde te bewijzen dat verzoeksters stelling onjuist is, acht de Commissie het niettemin noodzakelijk de verschillen tussen de onderhavige zaak en de feiten die aan het arrest Turkse televisietoestellen ten grondslag liggen op te noemen.
230 Aldus is volgens de Commissie in het arrest Turkse televisietoestellen (punt 261) vermeld dat de Turkse autoriteiten er meer dan 20 jaar mee hadden gewacht om de bepalingen van de associatieovereenkomst en van het Aanvullend Protocol betreffende de compenserende heffing in hun nationale recht om te zetten. Voorts had de Commissie deze omzetting niet juist gecontroleerd. In casu waren de certificaten van oorsprong echter zonder medewerking van de Turkse autoriteiten vervalst. Vervolgens heeft het Gerecht in dat arrest (punt 262) vastgesteld dat de relevante besluiten van de associatieraad niet in het Publicatieblad waren bekendgemaakt, terwijl in casu alle toepasselijke handelingen regelmatig waren bekendgemaakt. Ten slotte (punt 263) heeft de Commissie pas vier jaar na indiening van een eerste klacht over het bestaan van problemen bij de toepassing van de betrokken voorschriften, gereageerd, terwijl de Commissie in casu onverwijld de Turkse autoriteiten heeft benaderd.
231 De Commissie betoogt in de tweede plaats dat de omvangrijke briefwisseling met de bevoegde Turkse autoriteiten en het feit dat de UCLAF relatief kort na de eerste verdenkingen van vervalsing een onderzoeksmissie heeft uitgevoerd, op zich bewijzen dat de Commissie haar verplichtingen tot onderzoek en controle van de preferentiële regeling niet heeft geschonden.
232 In de derde plaats beklemtoont de Commissie dat verzoekster voorbij gaat aan het feit dat overeenkomstig de associatieovereenkomst en de relevante besluiten van de associatieraad of het gemengd douanecomité, de Republiek Turkije, en niet de Commissie, bevoegd was om de oorsprongregels in Turkije te doen naleven. De Commissie stelt dat hoewel zij de Republiek Turkije geenszins naar eigen goeddunken heeft laten handelen, zij zich ertoe heeft beperkt de Turkse regering te verzoeken een standpunt in te nemen, en in voorkomend geval controles ter plekke te verrichten. Evenzo zijn de associatieraad en het gemengd douanecomité – ook al waren zij ter zake bevoegd geweest, hetgeen niet het geval is – gemengde organen die slechts met eenparigheid van stemmen konden beslissen (artikel 23, lid 3, van de associatieovereenkomst), en heeft de Commissie dus binnen deze organen niets kunnen opleggen tegen de wil van de Turkse vertegenwoordigers in. Niettemin zijn alle besluiten van de associatieraad toegepast en zijn steekproefsgewijs controles verricht bij de douaneadministraties van de lidstaten. Voorts stelt de Commissie dat zij regelmatig de Turkse autoriteiten alle problemen heeft voorgelegd die zich in het kader van de preferentieregeling voordeden, en zijn al deze omstandigheden door deze autoriteiten opgehelderd.
233 Wat ten slotte verzoeksters argument betreft dat de tegenstrijdige verklaringen van de Turkse autoriteiten over de litigieuze certificaten een rechtvaardiging vormden voor een verscherpte controle, volgens de Commissie is dit, bij het ontbreken van tegenstrijdige verklaringen, irrelevant.
Beoordeling door het Gerecht
234 Wat de gestelde tekortkomingen inzake het toezicht en de controle op de toepassing van de associatieovereenkomst betreft, dient te worden vastgesteld dat de Commissie krachtens artikel 211 EG en het beginsel van behoorlijk bestuur verplicht is de juiste toepassing van de associatieovereenkomst te verzekeren (zie arrest Turkse televisietoestellen, reeds aangehaald, punt 257, en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze verplichting vloeit eveneens voort uit de associatieovereenkomst zelf en uit de diverse besluiten van de associatieraad (arrest Turkse televisietoestellen, reeds aangehaald punt 258).
235 In casu is verzoekster er niet in geslaagd om aan te tonen dat de Commissie niet het nodige had gedaan om de juiste toepassing van de associatieovereenkomst te verzekeren.
236 Wat immers om te beginnen verzoeksters argument betreft, dat de Turkse autoriteiten de regels inzake de oorsprong van de producten die voor de preferentiële regeling in aanmerking kunnen komen, niet begrepen, kan worden volstaan met vast te stellen dat dit irrelevant is aangezien de litigieuze certificaten niet door deze autoriteiten zijn afgegeven. Blijkens de punten 150 en volgende hierboven is verzoekster immers niet in staat geweest de betrokkenheid van de Turkse autoriteiten bij de opstelling van die certificaten aan te tonen.
237 Wat vervolgens verzoeksters argument betreft dat de Commissie een verscherpte controle op de toepassing door de Republiek Turkije van de regels inzake de opstelling van de certificaten van oorsprong had moeten vereisen, vanwege enerzijds de aanzienlijke stijging van de invoer uit Turkije en anderzijds de vaststellingen in de zaken waarin het arrest Turkse televisietoestellen is gewezen, kan worden volstaan met op te merken dat dit argument eveneens irrelevant is.
238 Verzoekster baseert zich immers op algemene stellingen waarin van systematische schendingen van de associatieovereenkomst door de Turkse autoriteiten wordt gesproken, zonder deze echter met bewijzen te staven. Voorts kan verzoekster niet rechtsgeldig op basis van vaststellingen in het arrest Turkse televisietoestellen tot de algemene slotsom komen dat de oorsprongregels in de gehele procedure voor de opstelling van certificaten inzake goederenverkeer door de Turkse autoriteiten, systematisch werden geschonden. Ten slotte, gesteld al dat de Commissie gehouden was een verscherpte controle uit te oefenen op de toepassing van de associatieovereenkomst, dan nog heeft de UCLAF blijkens punt 194 supra, er bij de eerste aanwijzingen dat er sprake was van vervalsing van de certificaten inzake goederenverkeer, in Turkije onderzoeken verricht, en heeft de Commissie dus inderdaad toegezien op de juiste toepassing van de associatieovereenkomst.
239 Met betrekking tot verzoeksters argumenten inzake de verplichting van de Commissie om zich tot de associatieraad of het bij artikel 52 van besluit nr. 1/95 ingestelde gemengd comité van de douane-unie te wenden, dient te worden vastgesteld dat deze niet relevant zijn. Overeenkomstig artikel 22 van de associatieovereenkomst heeft de associatieraad primair tot taak de maatregelen te treffen die nodig zijn om de goede werking van die overeenkomst en de naleving daarvan door de overeenkomstsluitende partijen te verzekeren (arrest Turkse televisietoestellen, reeds aangehaald, punt 274). Zo heeft ook het gemengd comité van de douane-unie volgens artikel 52, lid 1, van besluit nr. 1/95 tot taak toe te zien op de goede werking van de douane-unie, met name door het doen van aanbevelingen aan de associatieraad. Voorts bepaalt artikel 52, lid 2, van besluit nr. 1/95 dat de overeenkomstsluitende partijen binnen het gemengd comité overleggen over alle voor de tenuitvoerlegging van dat besluit relevante punten die een van de partijen voor problemen stellen.
240 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat verzoekster niet in staat is geweest aan te tonen dat de Commissie in het kader van de met de Republiek Turkije overeengekomen administratieve bijstand op moeilijkheden is gestuit die er een rechtvaardiging voor vormden dat binnen deze organen wordt besproken of specifieke maatregelen moesten worden vastgesteld om daaraan het hoofd te bieden. Wat met name de dubbelzinnige verklaringen van de Turkse autoriteiten betreffende de drie certificaten inzake goederenverkeer betreft, kan worden volstaat met op te merken dat uit punt 203 supra blijkt dat zij niet alleen niet van dien aard waren dat de regelmatigheid van de controleprocedure in twijfel werd getrokken, maar dat de Turkse autoriteiten tevens hebben meegewerkt met de Commissie toen zij daarover jegens hen verzoeken om opheldering had geformuleerd.
241 Wat de analogie betreft die verzoekster tracht te trekken met de feiten die tot het arrest Turkse televisietoestellen hebben geleid, dient te worden opgemerkt dat laatstbedoelde feiten niet vergelijkbaar zijn met de in de onderhavige zaak onderzochte feiten. In de zaken waarin het arrest Turkse televisietoestellen is gewezen, heeft het Gerecht immers vastgesteld dat de Turkse autoriteiten ernstig waren tekortgeschoten, met name door na te laten de voorschriften van de associatieovereenkomst uit te voeren, waardoor de totale uitvoer van televisietoestellen uit Turkije werd geraakt. Die tekortkomingen hadden ertoe bijgedragen dat zich bij de exporten onregelmatigheden voordeden, waardoor de exporteurs in een bijzondere situatie in de zin van artikel 239 CDW werden geplaatst (arrest Turkse televisietoestellen, reeds aangehaald, punten 255 en 256).
242 In het onderhavige geval is met betrekking tot de litigieuze certificaten niet bewezen dat er sprake was van dergelijke tekortkomingen die de totale uitvoer van vruchtensap raken. De in de bestreden beschikking uiteengezette tekortkomingen van de Turkse autoriteiten die een bijzondere situatie opleveren, betreffen uitsluitend de door verzoekster ingediende certificaten inzake goederenverkeer die de Turkse douaneadministratie ten onrechte had opgesteld. Ten aanzien van die certificaten heeft de Commissie gemeend dat de Turkse bevoegde autoriteiten wisten of hadden moeten weten dat de goederen waarvoor zij de certificaten van oorsprong afgaven, niet voldeden aan de voorwaarden om voor de preferentiële behandeling in aanmerking te komen. Zoals hierboven is vastgesteld heeft daarentegen geen enkele tekortkoming van de Turkse autoriteiten bijgedragen tot de opstelling van de 32 litigieuze certificaten.
243 Gelet op het voorgaande moeten verzoeksters argumenten ongegrond worden verklaard.
b) Niet-toezenden van de specimens van de stempels en handtekeningen
Argumenten van partijen
244 Verzoekster stelt dat de Commissie, door de lidstaten, en in het bijzonder de Italiaanse regering, niet de specimens van de stempelafdrukken en handtekeningen toe te zenden die door de Turkse exportdouanekantoren, en met name door de kantoren van Mersin, werden gebruikt, ernstig tekort is geschoten in deze verplichtingen jegens importeurs zoals verzoekster. Haars inziens verplichtte artikel 93 van de uitvoeringsverordening CDW, dat krachtens artikel 20 CDW tevens van toepassing is in het kader van de associatieovereenkomst, de Commissie om er op toe te zien dat de Turkse douaneadministratie haar deze specimens toezond.
245 In dit verband voert verzoekster aan dat de Turkse autoriteiten hebben erkend dat zij verplicht zijn die specimens aan de Commissie te zenden en hebben zij gesteld althans de in Mersin gebruikte stempels daadwerkelijk te hebben toegezonden. Deze tekortkoming is des te ernstiger nu de door het douanekantoor van Mersin gebruikte stempels erg afgesleten waren en de afdruk ervan dus erg vaag was. Verzoekster brengt in herinnering dat de stempels en de handtekeningen de belangrijkste middelen zijn om – ook binnen de Gemeenschap – vast te stellen of de Turkse douaneadministratie al dan niet heeft bijgedragen tot de opstelling van de litigieuze certificaten, en het tegelijkertijd gemakkelijker maken om de door de importeurs ingediende certificaten beter te controleren.
246 In casu zouden de Italiaanse bevoegde douaneautoriteiten beter in staat zijn geweest vergelijkingen te maken, indien de Commissie hun alle stempels en modellen van de handtekeningen van het douanekantoor van Mersin had toegezonden en indien zij er op had toegezien dat de stempels binnen precieze termijnen werden vernieuwd. Immers, ofwel zou het verwijt van een vervalsing dan niet zijn gemaakt, ofwel, in het geval van vervalsing, had deze vervalsing bij de eerste litigieuze importen kunnen worden ontdekt en opgehelderd.
247 De Commissie beperkt zich ertoe te stellen dat de Turkse Republiek niet gehouden was haar de originele handtekeningen en stempels van de douaneautoriteiten van Mersin toe te zenden, omdat, zoals zij reeds uiteen heeft gezet (zie punt 143 supra), artikel 93 van de uitvoeringsverordening CDW in casu niet van toepassing is.
Beoordeling door het Gerecht
248 Vastgesteld zij dat verzoekster de Commissie verwijt dat zij de krachtens de toepasselijke regeling op haar rustende verplichtingen heeft geschonden, doordat zij de Italiaanse douaneautoriteiten niet de specimens van de door de Turkse douaneadministratie gebruikte stempels en handtekeningen heeft toegezonden. Aldus heeft de Commissie de circulatie van vervalste certificaten vergemakkelijkt. De vraag rijst dus of de Commissie gehouden was de specimens in kwestie te verkrijgen en deze nadien te doen toekomen aan de douaneautoriteiten van de lidstaten.
249 In dit verband moet worden vastgesteld dat artikel 93 van de uitvoeringsverordening CDW, anders dan verzoekster stelt, in casu niet van toepassing is. Bijgevolg verplicht dit artikel de Turkse autoriteiten niet om de specimens van de door hun douanekantoren gebruikte stempels en handtekeningen toe te zenden en verplicht het evenmin de Commissie om deze door te zenden aan de lidstaten. Deze vaststelling vloeit voort uit de plaats die artikel 93 inneemt in het systeem van de uitvoeringsverordening CDW, te weten, in onderafdeling 3, met het opschrift „Administratieve samenwerking”, van afdeling 1, „Algemeen Preferentiesysteem”, van het hoofdstuk dat is gewijd aan de preferentiële oorsprong van goederen. Dit maakt deel uit van titel IV van de uitvoeringsverordening CDW, inzake de oorsprong van goederen. Blijkens artikel 67 juncto artikel 93 van de uitvoeringsverordening CDW, regelt laatstgenoemde bepaling de methoden voor administratieve samenwerking die van toepassing zijn op het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en ontwikkelingslanden waaraan zij preferentiële tarieven toekent. Derhalve moet worden vastgesteld dat artikel 93 van de uitvoeringsverordening CDW niet geldt voor goederen van oorsprong uit Turkije.
250 Voorts kan uit artikel 20, lid 3, sub d, juncto artikel 27, sub a, CDW worden afgeleid dat in het kader van de tussen de Gemeenschappen en derde landen gesloten overeenkomsten tot instelling van preferentiële tariefregelingen, de voorschriften betreffende de oorsprong van goederen in die overeenkomsten zelf worden geregeld. In casu moet worden vastgesteld dat de associatieovereenkomst een dergelijke regeling instelt. Noch de overeenkomst in kwestie noch de besluiten van de associatieraad ter uitvoering van de bepalingen daarvan hebben voorzien in een verplichting van de overeenkomstsluitende partijen om elkaar de specimens van de stempels en de handtekeningen toe te zenden.
251 Wat de definitieve fase van de douane-unie betreft, dat wil zeggen de fase na 31 december 1995, bepaalt het reeds genoemde besluit nr. 1/95 in artikel 29 dat de wederzijdse bijstand tussen de douaneautoriteiten van de overeenkomstsluitende partijen wordt beheerst door de bepalingen van bijlage 7 daarbij, waarin, wat de Gemeenschap betreft, de onderwerpen zijn geregeld die de Gemeenschap betreffen. De bepalingen van deze bijlage 7, die de methoden voor administratieve bijstand uitputtend regelen, verwijzen echter nergens naar een eventuele verplichting om de specimens van de stempels en van de handtekeningen toe te zenden. Bovendien legt besluit nr. 1/96 van het Comité douanesamenwerking EG-Turkije, dat de toepassingsbepalingen van besluit nr. 1/95 vaststelt, evenmin een dergelijke verplichting op.
252 Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door verzoeksters argument dat artikel 4 van besluit nr. 1/96 naar artikel 93 CDW verwijst. Dit artikel 4 blijft immers beperkt tot de bepaling dat de communautaire en de Turkse douaneregeling van toepassing zijn op de handel in goederen tussen de beide partijen, op hun respectieve grondgebieden, onder de bij besluit nr. 1/96 vastgestelde voorwaarden. Hoofdstuk 2 van dit besluit, met het opschrift „Bepalingen inzake administratieve samenwerking met betrekking tot het goederenverkeer” stelt de basisvoorwaarden en vormvoorschriften vast waaraan de certificaten inzake goederenverkeer in het kader van het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en de Turkse Republiek moeten voldoen, zonder echter een verplichting op te leggen om de stempels en de handtekeningen toe te zenden. Bovendien bepaalt artikel 15 van besluit nr. 1/96 dat de controle van de echtheid en de juistheid van de certificaten wordt uitgevoerd in het kader van de wederzijds bijstand waarin is voorzien in artikel 29 en in bijlage 7 bij besluit nr. 1/95.
253 Ten slotte moet worden vastgesteld dat de enige situatie waarin een dergelijke verplichting om de specimens in kwestie toe te zenden uitdrukkelijk is voorzien, de vereenvoudigde procedure voor de afgifte van certificaten is (zie artikel 12, lid 5, sub b, van besluit nr. 1/96 en artikel 9 bis, lid 5, sub b, van besluit nr. 5/72, zoals gewijzigd bij besluit nr. 2/94). Volgens de toepasselijke bepalingen moeten de volgens de vereenvoudigde procedure afgegeven certificaten specifiek vermelden dat dit het geval is (zie artikel 9 bis, lid 6, van besluit nr. 5/72, zoals gewijzigd bij besluit nr. 2/94). De litigieuze certificaten bevatten echter geen enkele vermelding van deze vereenvoudigde procedure.
254 Wat de gedurende de overgangsfase van de douane-unie ingevoerde goederen betreft, dat wil zeggen tot en met 31 december 1995, voorziet noch besluit nr. 5/72 noch besluit nr. 4/72 uitdrukkelijk de verplichting om de specimens van de stempels en van de handtekeningen toe te zenden.
255 Vastgesteld moet dus worden dat gedurende het gehele tijdvak waarin de litigieuze importen plaatsvonden, voor de Republiek Turkije en de Commissie geen verplichting gold om de specimens van de door hun douaneautoriteiten gebruikte stempels en handtekeningen toe te zenden. Bijgevolg was de Commissie niet verplicht om de specimens in kwestie door te sturen aan de douaneautoriteiten van de lidstaten.
256 Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door verzoeksters argument inzake de toepasbaarheid van verordening nr. 3719/88. In dit verband kan worden volstaan met op te merken dat artikel 1 van verordening nr. 3719/88, betreffende de werkingssfeer, bepaalt dat de verordening van toepassing is op certificaten bedoeld in de regelingen die in dat artikel uitdrukkelijk zijn genoemd. Noch de associatieovereenkomst noch de toepassingsbepalingen daarbij zijn daarin echter genoemd. En geen van de relevante bepalingen ter uitvoering van de associatieovereenkomst verwijst naar deze verordening.
257 Bij het ontbreken van een verplichting van de Commissie om de specimens van de stempels en de handtekeningen aan de lidstaten toe te zenden, luidt de slotsom dat de onderhavige grief ongegrond is.
258 Hoe dan ook is de onderhavige grief tevens irrelevant omdat de Turkse Republiek, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft opgemerkt, de afdrukken van de voor de A.TR.1-certificaten gebruikte stempels uit eigen beweging heeft toegezonden.
259 Bijgevolg moet de onderhavige grief worden afgewezen.
c) Schending van de verplichting om de importeurs tijdig te waarschuwen
Argumenten van partijen
260 Verzoekster verwijt de Commissie dat zij tekort is geschoten in haar verplichting om de importeurs tijdig te waarschuwen, welke verplichting voortvloeit uit de rechtspraak De Haan (arrest Hof van 7 september 1999, De Haan, C‑61/98, Jurispr. blz. I‑5003, punt 36). Deze rechtspraak verplicht de Commissie om de importeurs tijdig te waarschuwen wanneer zij in kennis wordt gesteld van onregelmatigheden betreffende invoer van goederen uit een derde land. Uit dien hoofde erkent verzoekster dat het Gerecht in het arrest Hyper/Commissie, reeds aangehaald (punt 126), heeft geoordeeld dat er bij het ontbreken van gemeenschapsrechtelijke voorschriften in die zin geen verplichting bestaat om de importeurs in te lichten over de twijfels omtrent de geldigheid van de douanetransacties die deze in het kader van een preferentiële regeling hebben verricht. Niettemin ontstaat een dergelijke verplichting volgens verzoekster wel wanneer de Commissie concrete informatie verkrijgt over niet-naleving van de oorsprongregels in een exportland, zelfs indien zij niet onmiddellijk reageert.
261 In casu heeft het Europees Parlement reeds in 1994 of 1995 de aandacht van de Commissie gevestigd op het bestaan van onregelmatigheden met betrekking tot de in Turkije afgegeven certificaten van oorsprong voor verschillende producten, waaronder vruchtensapconcentraten. De Commissie heeft echter jarenlang niets ondernomen in dit verband en is in het geval van de Turkse televisietoestellen pas na 20 jaar opgetreden (arrest Turkse televisietoestellen, reeds aangehaald, punten 261 en 262), en wel pas na oprichting van de UCLAF en na de eerste onderzoeken ter plaatse door dit orgaan.
262 Voorts voert verzoekster aan dat de Commissie blijkens de inhoud van een brief van de UCLAF van 9 december 1998 aan het directoraat coördinatie van de Europese Gemeenschap te Ankara, zonder twijfel vanaf 1993 heeft geweten dat appelsapconcentraten middels onregelmatige certificaten van oorsprong naar de Unie werden uitgevoerd. Hoe dan ook had de Commissie vanaf het missieverslag van 1993, dat was ingediend in het kader van de zaken waarin het arrest Turkse televisietoestellen is gewezen, moeten weten dat vergelijkbare schendingen van de voorschriften op het gebied van de oorsprong waren begaan bij de uitvoer uit Turkije van andere producten, zoals vruchtensappen.
263 Ten slotte betoogt verzoekster dat de Commissie parallel aan deze waarschuwing gehouden was de nationale autoriteiten de middelen te geven om de echtheid van de door de Turkse autoriteiten afgegeven certificaten te controleren, zoals recentelijk ook is gedaan in het geval van de invoer van suiker uit Servië en Montenegro (Bericht aan de importeurs, PB 2003, C 177, blz. 2).
264 De Commissie merkt vooraf op dat zij geenszins gehouden was de importeurs tijdig te waarschuwen. In dit verband brengt zij om te beginnen de op dit gebied door het Gerecht in het reeds aangehaalde arrest Hyper/Commissie (punten 126‑128) geformuleerde beginselen in herinnering, volgens welke het gemeenschapsrecht geen bepalingen kent die de Commissie uitdrukkelijk verplichten de importeurs te waarschuwen dat zij de geldigheid betwijfelt van de douanetransacties die deze in het kader van een preferentiële regeling hebben verricht. Zoals het Gerecht in het arrest Hyper/Commissie tevens heeft vastgesteld, kan de Commissie op grond van haar algemene zorgvuldigheidsplicht slechts worden verplicht de importeurs in de Gemeenschap in het algemeen te waarschuwen wanneer zij ernstige twijfel koestert omtrent de regelmatigheid van een groot aantal exporten die in het kader van een preferentiële regeling hebben plaatsgevonden.
265 In casu voert de Commissie aan dat, anders dan verzoekster stelt, de Commissie niet vanaf 1993 ernstige twijfel van deze aard koesterde, en dat zij pas vanaf 1998, na het inleiden van een onderzoeksprocedure, over concretere inlichtingen beschikte over de onjuiste en vervalste certificaten. Wat de gestelde waarschuwing van het Europees Parlement betreft, merkt de Commissie op dat verzoekster niet in staat is in dit verband ook maar één in het Publicatieblad bekend gemaakte ad-hocresolutie van het Europees Parlement te noemen. Bovendien stelt de Commissie enerzijds dat parlementaire vragen niet tot doel hebben informatie te verstrekken aan de Commissie, maar integendeel om die van haar te vragen, en anderzijds dat verzoekster zelfs niet beweert dat het Europees Parlement zich heeft uitgesproken over een eventuele vervalsing van de certificaten van oorsprong betreffende importen van vruchtensap uit Turkije.
266 Vervolgens betwist de Commissie elke analogie tussen de feiten van de onderhavige zaak en die welke ten grondslag liggen aan het arrest De Haan. Volgens de Commissie wisten de Nederlandse bevoegde douaneautoriteiten in die zaak immers nog vóór de douanehandelingen waardoor de heffing ontstond, hadden plaatsgevonden, of hadden zij althans het ernstige vermoeden, dat er sprake was van fraude. In casu zijn de eerste vermoedens over de onechtheid of de onregelmatigheid van de certificaten van oorsprong daarentegen pas na de litigieuze importen ontstaan. Verzoeksters importen waren 20 november 1997 beëindigd terwijl de eerste aanwijzingen over de onregelmatigheden pas in de loop van 1998 ter kennis van de Commissie en van de Italiaanse douaneautoriteiten zijn gekomen.
267 Voorts stelt de Commissie dat gesteld al dat zij in casu gehouden was de importeurs tijdig te waarschuwen, het achterwege blijven van deze waarschuwing niet tot de door verzoekster aangevoerde schade heeft geleid, te weten het ontstaan van invoerrechten, gelet op het feit dat haar importen op het tijdstip waarop de Commissie ermee had kunnen beginnen om haar te waarschuwen, reeds waren beëindigd. De Commissie merkt op dat verzoeksters argument neerkomt op de stelling dat de Commissie de Republiek Turkije in het algemeen had moeten verdenken van schending van de associatieovereenkomst, hetgeen niet haar taak kan zijn.
268 Ten slotte wijst de Commissie de analogie met de situatie betreffende de invoer van suiker uit Servië en Montenegro af. De waarschuwing van de Commissie aan de importeurs in die zaak was immers uitdrukkelijk vanwege lacunes in de administratieve samenwerking met de autoriteiten van Servië en Montenegro verzonden. Dit is juist niet het geval ten aanzien van de Turkse autoriteiten, die de Commissie volledige medewerking hebben verleend.
Beoordeling door het Gerecht
269 Verzoekster verwijt de Commissie dat zij tekort is geschoten in haar plicht om de importeurs tijdig te waarschuwen toen zij werd geïnformeerd over het bestaan van onregelmatigheden met betrekking tot de exporten van producten van oorsprong uit Turkije.
270 In dit verband zij in herinnering gebracht dat het gemeenschapsrecht volgens vaste rechtspraak geen bepalingen kent die de Commissie uitdrukkelijk verplichten de importeurs te waarschuwen dat zij de geldigheid betwijfelt van de douanetransacties die deze in het kader van een preferentiële regeling hebben verricht (arresten De Haan, reeds aangehaald, punt 36, en Hyper/Commissie, reeds aangehaald, punt 126).
271 Weliswaar is in het arrest Turkse televisietoestellen (punt 268) erkend dat een dergelijke op de Commissie rustende verplichting in bepaalde specifieke gevallen kon worden afgeleid uit haar algemene zorgvuldigheidsplicht jegens de marktdeelnemers. In de zaken die aanleiding tot bovengenoemd arrest hebben gegeven, wist de Commissie namelijk, of had zij een ernstig vermoeden, dat de Turkse autoriteiten ernstig waren tekortgeschoten bij de toepassing van de associatieovereenkomst (met name door de regeling inzake de compenserende heffing niet uit te voeren) en dat deze tekortkomingen de geldigheid van alle exporten van televisietoestellen naar de Gemeenschap aantastten.
272 Er dient echter aan te worden herinnerd dat in het arrest Hyper/Commissie tevens was gepreciseerd dat de Commissie op grond van haar zorgvuldigheidsplicht slechts kan worden verplicht de importeurs in de Gemeenschap in het algemeen te waarschuwen wanneer zij ernstige twijfel koestert omtrent de regelmatigheid van een groot aantal exporten die in het kader van een preferentiële regeling hebben plaatsgevonden (arrest Hyper/Commissie, reeds aangehaald, punt 128).
273 In casu is verzoekster niet in staat geweest sluitend te bewijzen dat er sprake was van ernstige tekortkomingen van de Turkse autoriteiten die de geldigheid van alle exporten van vruchtensapconcentraten aantastten, en die hebben bijgedragen tot de circulatie van vervalste certificaten. Blijkens punt 242 hierboven kan er dus geen analogie worden getrokken met de feiten die tot het arrest Turkse televisietoestellen hebben geleid.
274 Voorts kon de Commissie op het tijdstip van de litigieuze importen geen ernstige twijfel koesteren ten aanzien van de importen van vruchtensapconcentraten uit Turkije. Blijkens de briefwisseling tussen de Commissie, de Italiaanse autoriteiten en de Turkse autoriteiten, kon de Commissie pas vanaf eind 1998, nadat de Italiaanse douaneautoriteiten het eerste vervalste certificaat hadden ontdekt en een onderzoeksprocedure was ingeleid, inzien dat er sprake was van vervalste certificaten. Dus, zoals de Commissie terecht opmerkt, gesteld al dat de Commissie gehouden was de importeurs te waarschuwen zodra de eerste twijfel over de regelmatigheid van de litigieuze certificaten rees, was zij niet in staat geweest de door verzoekster geleden schade te voorkomen, aangezien de laatste litigieuze importen van 20 november 1997 dateren.
275 Wat verzoeksters redenering betreft dat de Commissie zonder twijfel vanaf 1993 of 1994 heeft geweten dat vruchtensapconcentraten middels onregelmatige certificaten van oorsprong uit Turkije werden uitgevoerd, moet worden vastgesteld dat verzoekster geen enkel bewijs heeft aangevoerd, zodat deze redenering moet worden afgewezen.
276 Dit geldt ook voor het argument betreffende de vermeende waarschuwing van het Europees Parlement, waarbij de Commissie werd opgedragen onregelmatigheden te onderzoeken met betrekking tot de door de Republiek Turkije afgegeven certificaten inzake goederenverkeer, welke betrekking hadden op een groot aantal producten. Bij het ontbreken van bewijs moet dit argument worden afgewezen.
277 Eveneens moet worden afgewezen verzoeksters stelling dat de Commissie vanaf het missieverslag van de UCLAF in de zaken waarin het arrest Turkse televisietoestellen is gewezen, had moeten weten dat bij de uitvoer van andere producten, zoals die welke in casu aan de orde zijn, vergelijkbare schendingen van de oorsprongregels waren begaan. Enerzijds voert verzoekster immers geen bewijs aan tot staving van deze stelling en anderzijds betroffen de feiten die de UCLAF heeft onderzocht niet door derden vervalste certificaten, maar door de Turkse autoriteiten onregelmatig afgegeven certificaten.
278 Met betrekking tot verzoeksters stelling dat de Commissie blijkens de inhoud van een brief van de UCLAF van 9 december 1998 aan het directoraat coördinatie van de Europese Gemeenschap te Ankara, vanaf 1993 wist dat appelsapconcentraten middels onregelmatige certificaten werden uitgevoerd, moet bovendien worden vastgesteld dat deze brief, die de Commissie na een schriftelijk verzoek van het Gerecht heeft overgelegd, deze informatie niet bevat. In deze brief verzoekt de Commissie immers om verificatie van alle exporten van vruchtensapconcentraten in het tijdvak van 1993 tot en met 1998, zonder zich echter uit te spreken over de vraag op welk tijdstip zij het bestaan van de onregelmatigheden heeft vernomen.
279 Ten slotte is de analogie met de waarschuwing aan de importeurs die de Commissie in het kader van de invoer van suiker uit Servië en Montenegro heeft gedaan, niet relevant. De grondslag voor deze waarschuwing lag immers enerzijds in het bestaan van gegronde twijfels met betrekking tot fraudes van enorme omvang en anderzijds in lacunes in de administratieve samenwerking met de bevoegde autoriteiten. In de onderhavige zaak is verzoekster niet in staat geweest soortgelijke feiten te bewijzen.
280 Gelet op het voorgaande is de Commissie, door verzoekster er vóór de litigieuze importen niet voor te waarschuwen dat zij twijfels zou kunnen koesteren over de regelmatigheid van de litigieuze certificaten, niet tekortgeschoten in haar verplichtingen.
281 Daaruit volgt dat de onderhavige grief ongegrond is en bijgevolg moet worden afgewezen.
d) Onjuiste beoordeling van de feiten bij de onderzoeken in Turkije
Argumenten van partijen
282 Verzoekster stelt dat uit het verweerschrift blijkt dat de Commissie ofwel de feiten tijdens de missie van december 1998 niet correct heeft onderzocht, ofwel geen correct onderzoek heeft kunnen doen wegens gebrek aan medewerking van de Turkse autoriteiten, ofwel weigert de resultaten van een dergelijk onderzoek bekend te maken. Volgens verzoekster verschaffen de bepalingen betreffende de wederzijdse bijstand, met name de artikelen 3, 6, 7 en 8 van bijlage 7 bij besluit nr. 1/95, de Commissie een toereikende wettelijke basis om een onderzoek te verrichten waarin zij de feiten op correcte wijze kan vaststellen. De Commissie had aldus kunnen vaststellen of de litigieuze certificaten door de Turkse autoriteiten waren afgegeven, of zij bij het douanekantoor van Mersin waren geregistreerd en van de stempels van dat kantoor waren voorzien, alsmede of er een strafrechtelijk onderzoek werd uitgevoerd tegen eventuele vervalsers. Door dit niet te doen heeft de Commissie zich schuldig gemaakt aan een ernstig verzuim.
283 De Commissie betoogt dat zij, anders dan verzoekster stelt, alle relevante feiten correct heeft onderzocht en beoordeeld. Verzoekster gaat er algemeen gezien aan voorbij dat de Republiek Turkije geen lid van de Unie is en dat de Commissie daarom in Turkije geen andere bevoegdheid heeft dan die welke haar door dat land uitdrukkelijk zijn verleend.
Beoordeling door het Gerecht
284 Met betrekking tot de vermeende tekortkomingen van de Commissie ten gevolge van het feit dat de UCLAF in Turkije geen correct onderzoek zou hebben verricht, kan worden volstaan met vast te stellen dat verzoekster niet in staat is haar argumentatie met bewijzen te staven. Bovendien verplichtte geen enkel in casu toepasselijk voorschrift de UCLAF de door verzoekster voorgestane onderzoeksmethoden te volgen. Ten slotte, ook al zou de UCLAF tijdens de missies in Turkije geen uitputtend onderzoek hebben verricht, is verzoekster niet in staat geweest de noodzaak daarvan te bewijzen door elementen aan te voeren die twijfel kunnen doen rijzen over de geldigheid van de door de Turkse autoriteiten verrichte controle van de regelmatigheid van de litigieuze certificaten.
285 Bijgevolg zijn verzoeksters grieven betreffende de aan de Commissie toe te rekenen vermeende tekortkomingen ongegrond, zodat zij moeten worden afgewezen.
4. Ontbreken van klaarblijkelijke nalatigheid van verzoekster en risicobeoordeling
a) Argumenten van partijen
286 Wat in de eerste plaats het ontbreken van nalatigheid van haar zijde betreft, begint verzoekster met de stelling dat de Commissie in de bestreden beschikking (punten 53‑56) met betrekking tot de als onregelmatig gekwalificeerde A.TR.1-certificaten terecht tot de slotsom is gekomen dat zij te goeder trouw was en blijk had gegeven van de vereiste zorgvuldigheid. Dezelfde vaststellingen gaan op voor de litigieuze certificaten aangezien er geen duidelijk verschil bestaat tussen deze certificaten en de als onregelmatig gekwalificeerde certificaten. Bovendien heeft de Commissie in de bestreden beschikking verzoekster terecht geenszins verweten dat zij met betrekking tot de litigieuze certificaten niet voorzichtig en zorgvuldig zou hebben gehandeld.
287 Vervolgens ontkent verzoekster blijk te hebben gegeven van klaarblijkelijke nalatigheid door zich er niet van te hebben vergewist dat de litigieuze certificaten die in het kader van haar handelsbetrekkingen werden gebruikt, echt en geldig waren. In dit verband beklemtoont verzoekster dat zij er geen enkele aanwijzing voor had die kon doen vrezen dat er sprake was van vervalsingen van certificaten of op grond waarvan zij kon veronderstellen dat de Turkse autoriteiten A.TR.1‑certificaten afgaven voor goederen niet van oorsprong uit Turkije. Pas na gesprekken door haar vertegenwoordigers in Turkije, na de briefwisseling van de Commissie en de Italiaanse autoriteiten met de Turkse autoriteiten, en na de gedeeltelijke toegang tot het dossier, was verzoekster tot het inzicht gekomen dat deze autoriteiten de voorschriften inzake certificaten van oorsprong ernstig en gedurende lange tijd hadden geschonden.
288 Voorts stelt verzoekster dat de met de Turkse vennootschap Akman verrichte importhandelingen, normale handelsbetrekkingen waren. Wanneer importen volgens de geldende handelsgebruiken plaatsvinden, staat het volgens de rechtspraak aan de Commissie om het bewijs te leveren van een klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de importeurs (reeds aangehaalde arresten Eyckeler & Malt/Commissie, punt 159, en Turkse televisietoestellen, punt 297).
289 Ten slotte betwist verzoekster in repliek het argument van de Commissie dat mocht het Gerecht tot de slotsom komen dat er ten aanzien van verzoekster sprake is van een bijzondere situatie, de vraag van het ontbreken van klaarblijkelijke nalatigheid van haar door de Commissie opnieuw zou moeten worden beoordeeld. Aangezien de Commissie in het verweerschrift geen standpunt heeft ingenomen over de subjectieve toepassingsvoorwaarden van artikel 239 CDW, mag zij dit argument volgens verzoekster niet alleen in het kader van de onderhavige procedure niet meer aanvoeren, maar ook niet meer indien het onderhavige beroep gegrond wordt verklaard. Voorts meent verzoekster dat mocht de Commissie in dupliek tot de slotsom komen dat er sprake is van klaarblijkelijke nalatigheid, ofwel een dergelijke voorstelling van zaken wegens verval van recht moet worden afgewezen, ofwel verzoekster de mogelijkheid moet worden gegeven om aanvullende opmerkingen in te dienen. Elke andere oplossing zou de Commissie immers een oneerlijk voordeel geven.
290 Wat in de tweede plaats de risicobeoordeling betreft, beklemtoont verzoekster dat uit de uiteengezette omstandigheden blijkt dat zowel de Commissie als de Turkse autoriteiten ernstig zijn tekortgeschoten in de op hen rustende verplichtingen en er aldus toe hebben bijgedragen dat vermeend valse, maar in werkelijkheid onregelmatige, certificaten werden geviseerd en afgegeven. Deze tekortkomingen hebben een situatie doen ontstaan die niet meer valt onder het normale risico dat iedere importeur moet dragen, maar die integendeel ten aanzien van verzoekster het bestaan van een bijzondere situatie in de zin van artikel 239 CDW rechtvaardigt.
291 Voorts moet de Commissie bij de uitvoering van haar taken in het kader van artikel 239 CDW niet alleen rekening houden met het belang dat de Gemeenschap bij de naleving van de douaneregels heeft, maar ook met het belang dat de importeur te goeder trouw erbij heeft, geen nadeel te lijden dat verder gaat dan het normale handelsrisico (reeds aangehaalde arresten Eyckeler & Malt/Commissie, punt 133, en Hyper/Commissie, punt 95).
292 De Commissie betoogt om te beginnen dat in het onderdeel van de bestreden beschikking dat de litigieuze certificaten betreft, die als vervalst zijn gekwalificeerd, geenszins wordt verwezen naar de kwestie van verzoeksters zorgvuldigheid of nalatigheid. Volgens de Commissie was deze kwestie niet langer van belang zodra was vastgesteld dat er geen sprake was van een bijzondere situatie in de zin van artikel 239 CDW juncto artikel 905 van de uitvoeringsverordening CDW. De Commissie beklemtoont echter dat mocht het Gerecht in casu tot de slotsom komen dat er wel sprake is van een bijzondere situatie, zij de andere feitelijke voorwaarden voor toepassing van artikel 239 CDW moet beoordelen, omdat de passages van de bestreden beschikking (punten 52 e.v.) betreffende verzoeksters zorgvuldigheid en goede trouw ten aanzien van de als onregelmatig gekwalificeerde certificaten, daarop niet noodzakelijkerwijs kunnen worden toegepast.
293 Vervolgens voert de Commissie aan dat verzoeksters argumenten inzake de ernstige schendingen door de Turkse autoriteiten, eigenlijk blijk geven van een schending van de op verzoekster rustende zorgvuldigheidsplicht of van een klaarblijkelijke nalatigheid harerzijds, waardoor elke terugbetaling uit hoofde van artikel 239 CDW is uitgesloten. Indien verzoekster vermoedde dat de Turkse autoriteiten ernstige schendingen van de voorschriften inzake de certificaten van oorsprong begingen, had zij zich immers moeten vergewissen van de echtheid van de certificaten die zij in haar handelsbetrekkingen gebruikte. Verzoekster had echter pas vanaf april 1999, dat wil zeggen bijna twee jaar na de beëindiging van de litigieuze importen, nagevraagd hoe de Republiek Turkije de preferentiële regeling toepaste.
294 Wat ten slotte het onderzoek van de risico’s betreft, merkt de Commissie op dat uit haar uiteenzetting blijkt dat verzoekster vervalste certificaten van oorsprong heeft ingediend, en dat de Turkse autoriteiten niet hebben meegewerkt aan de vervaardiging daarvan. Overeenkomstig artikel 904, sub c, van de uitvoeringsverordening CDW, vormt deze situatie geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 239 CDW, maar de verwezenlijking van een normaal bedrijfsrisico waartegen verzoekster zich had moeten verzekeren. De Commissie meent dan ook dat daaruit geen onredelijke discriminatie van verzoekster ten opzichte van de andere importeurs voortvloeit.
b) Beoordeling door het Gerecht
295 Vastgesteld zij dat de Commissie het verzoek om kwijtschelding van invoerrechten heeft afgewezen op grond dat „de aangevoerde omstandigheden [haars inziens] niet van dien aard [waren] dat zij een bijzondere situatie in de zin van artikel 239 van verordening nr. 2913/92 opleverden voor het gedeelte van het verzoek betreffende de valse certificaten” (punt 39 van de bestreden beschikking). Zoals de Commissie in haar stukken op goede gronden opmerkt, heeft zij zich, om tot de slotsom te komen dat er geen sprake was van een bijzondere situatie, in het gedeelte van de bestreden beschikking betreffende de vervalste certificaten (punten 18 tot en met 41) niet uitgesproken over de kwestie van verzoeksters zorgvuldigheid of de nalatigheid.
296 Daaruit volgt dat het onderdeel van het tweede middel waarin wordt gesproken van het ontbreken van klaarblijkelijke nalatigheid van de kant van verzoekster, onwerkzaam is en dus uit dien hoofde moet worden afgewezen (zie in die zin arrest Bonn Fleisch Ex- und Import/Commissie, reeds aangehaald, punt 69).
297 Gelet op het voorgaande moet het tweede middel in zijn geheel worden afgewezen.
C – Derde middel: schending van artikel 220, lid 2, sub b, CDW
1. Argumenten van partijen
298 Verzoekster brengt om te beginnen in herinnering dat de Commissie in de bestreden beschikking (punten 18 e.v.) hoofdzakelijk de toepasselijkheid van artikel 220, lid 1, sub b, CDW heeft onderzocht, waarbij zij tot de slotsom is gekomen dat er geen sprake was van een tekortkoming van de Turkse autoriteiten zodat zij toepassing van artikel 220, lid 2, sub b, CDW heeft afgewezen. Volgens verzoekster zijn de vaststellingen van de Commissie onjuist omdat de Turkse douaneadministratie zonder twijfel wist dat de 32 litigieuze certificaten die zij had geviseerd en geregistreerd, onregelmatig waren.
299 Verzoekster betoogt bovendien dat de gesprekken van haar vertegenwoordigers en de onderzoeken van de UCLAF in Turkije aantonen dat zelfs indien zou blijken dat de Turkse autoriteiten de litigieuze certificaten niet bewust hebben geviseerd, zij op zijn minst van het bestaan ervan wisten of hadden moeten weten. Verzoekster meent dat er niet de minste twijfel over haar goede trouw bestaat, zodat de nagevorderde invoerrechten haar moeten worden terugbetaald.
300 De Commissie stelt vooraf dat blijkens de bestreden beschikking, ten aanzien van de als vervalst gekwalificeerde certificaten, in casu niet aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 220, lid 2, sub b, CDW was voldaan, aangezien niet is aangetoond dat de Turkse autoriteiten een vergissing hebben gemaakt nu de litigieuze certificaten niet door hen zijn geviseerd of afgegeven, maar integendeel door derden zijn vervalst (punten 18‑28 van de bestreden beschikking).
301 De Commissie betoogt voorts dat het feit dat de Italiaanse douaneautoriteiten de vervalste certificaten van oorsprong aanvankelijk hebben aanvaard, volgens vaste rechtspraak op zich geen vergissing in de zin van artikel 220, lid 2, sub b, CDW vormt.
302 Ten slotte wijst de Commissie erop dat zij, aangezien verzoekster enkel stellingen aanvoert die reeds zijn weerlegd in het kader van het middel betreffende de toepassing van artikel 239 CDW, kan verwijzen naar deze eerder gegeven overwegingen. Volgens de Commissie is in casu dus niet voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 220, lid 2, sub b, CDW, zodat de litigieuze invoerrechten achteraf konden worden geboekt. Bijgevolg is het beroep ook in dit opzicht ongegrond.
2. Beoordeling door het Gerecht
303 Volgens artikel 220, lid 2, sub b, CDW moet aan drie cumulatieve voorwaarden zijn voldaan opdat de bevoegde autoriteiten kunnen afzien van boeking achteraf van invoerrechten: om te beginnen moet het niet heffen van de rechten te wijten zijn aan een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf; voorts moet die vergissing van dien aard zijn dat zij door een belastingschuldige te goeder trouw redelijkerwijze niet kon worden ontdekt, en ten slotte moet deze belastingschuldige aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte hebben voldaan (zie naar analogie arresten Hof van 12 juli 1989, Binder, 161/88, Jurispr. blz. 2415, punten 15 en 16; 27 juni 1991, Mecanarte, C‑348/89, Jurispr. blz. I‑3277, punt 12; 4 mei 1993, Weis, C‑292/91, Jurispr. blz. I‑2219, punt 14, en arrest Faroe Seafood e.a., reeds aangehaald, punt 83; beschikkingen Hof van 9 december 1999, CPL Imperial 2 en Unifrigo/Commissie, C‑299/98 P, Jurispr. blz. I‑8683, punt 22, en 11 oktober 2001, William Hinton & Sons, C‑30/00, Jurispr. blz. I‑7511, punten 68, 69, 71 en 72; arrest Gerecht van 5 juni 1996, Günzler Aluminium/Commissie, T‑75/95, Jurispr. blz. II‑497, punt 42).
304 Tevens moet worden vastgesteld dat artikel 220, lid 2, sub b, CDW volgens vaste rechtspraak de bescherming beoogt van het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige in de juistheid van alle factoren die een rol spelen bij het besluit om al dan niet tot navordering van douanerechten over te gaan. Niettemin is het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige slechts vatbaar voor bescherming uit hoofde van deze bepaling, indien het de bevoegde autoriteiten zelf zijn geweest die de grondslag hebben gecreëerd voor het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige. Dus geven enkel de vergissingen die aan een actieve gedraging van de bevoegde autoriteiten zijn toe te schrijven en die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken, recht op niet-navordering van douanerechten (arrest Mecanarte, reeds aangehaald, punten 19 en 23).
305 In casu is de Commissie in het litigieuze onderdeel van de bestreden beschikking tot de slotsom gekomen dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 220, lid 2, sub b, CDW omdat geen actieve vergissing van de bevoegde autoriteiten kon worden ontdekt (punten 25‑27 van de bestreden beschikking).
306 Blijkens het voorgaande heeft verzoekster niet kunnen aantonen dat een actieve gedraging van de zijde van de bevoegde autoriteiten had bijgedragen tot de opstelling of de aanvaarding van de litigieuze certificaten die vals blijken te zijn.
307 Bijgevolg moet het onderhavige middel ongegrond worden verklaard.
308 Gelet op een en ander moet het beroep in zijn geheel worden afgewezen.
Verlangde maatregelen tot organisatie van de procesgang en maatregelen van instructie
309 Verzoekster vraagt het Gerecht uit hoofde van de artikelen 64, lid 4, en 65 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verschillende maatregelen van instructie te gelasten.
A – Overlegging van stukken uit het administratieve dossier
1. Argumenten van partijen
310 Verzoekster vraagt het Gerecht de Commissie uit te nodigen alle documenten over te leggen waarvan zij meent in het kader van de toegang tot het administratieve dossier geen inzage te hebben gehad (zie punten 72 e.v. supra).
311 Teneinde het gebrek aan medewerking van de Turkse autoriteiten, hun tekortkomingen in de toepassing van de associatieovereenkomst en de ontoereikendheid van de onderzoeken van de Commissie te bewijzen, verzoekt zij met name om overlegging van de missieverslagen van de UCLAF. In het bijzonder wenst verzoekster het verslag van de UCLAF van 23 december 1998, dan wel van een andere datum, over de aard, de inhoud en de resultaten van de onderzoeken in Turkije, met name bij het douanekantoor van Mersin, te verkrijgen.
312 De Commissie stelt in wezen dat verzoekster inzage heeft gehad in alle relevante documenten en dat deze verzoeken dus geen gevolg kunnen hebben.
2. Beoordeling door het Gerecht
313 Om te beginnen volgt uit punt 99 supra dat verzoekster vóór de vaststelling van de bestreden beschikking toegang heeft gehad tot de missieverslagen van de UCLAF van 9 en 23 december 1998. Bovendien zijn deze verslagen door de Commissie overgelegd in het kader van een schriftelijke vraag van het Gerecht. In die omstandigheden is het onderhavige verzoek zonder voorwerp en moet het dus worden afgewezen.
B – Overige maatregelen van instructie
1. Argumenten van partijen
314 Ten bewijze dat de verplichting bestaat om de specimens van de door de Turkse douaneadministratie gebruikte stempels en handtekeningen toe te zenden, en met name de afdrukken en de handtekeningen van het douanekantoor van Mersin, alsmede dat deze specimens door de Turkse autoriteiten officieel aan de Commissie zijn toegezonden en nadien aan de autoriteiten van de lidstaten zijn doorgezonden, vraagt verzoekster het Gerecht in de eerste plaats de Commissie en de Italiaanse douaneadministratie te gelasten deze aan het dossier toe te voegen, evenals de documenten waaruit blijkt dat de kopieën van de stempels en de geautoriseerde handtekeningen aan de bevoegde diensten van de lidstaten zijn gezonden.
315 Teneinde te bewijzen dat de 32 litigieuze A.TR.1-certificaten geen vervalsingen zijn, vraagt verzoekster het Gerecht in de tweede plaats een deskundige, zoals de douanerecherche te Keulen, op te dragen om de echtheid van de originele certificaten te controleren middels een vergelijking met de originele afdrukken van de relevante stempels en handtekeningen.
316 Hiertoe verzoekt zij het Gerecht tevens ofwel de Commissie te gelasten daarom te verzoeken, ofwel de douaneautoriteiten van Ravenna rechtstreeks uit te nodigen om de 103 originele A.TR.1-certificaten die in de bij het verzoekschrift gevoegde brief van de Italiaanse administratie zijn genoemd, aan de aangewezen deskundige te overhandigen. Ook verzoeksters procesgemachtigde moet volgens verzoekster de mogelijkheid hebben deze certificaten in te zien.
317 Het Gerecht moet tevens de Turkse regering, eventueel middels de Commissie, in het kader van het overeengekomen stelsel van administratieve bijstand verzoeken, om de originele kopieën van de litigieuze certificaten die in haar bezit zijn, toe te zenden, om deze met de originele certificaten te kunnen vergelijken.
318 Teneinde te bewijzen dat de litigieuze certificaten authentieke documenten zijn en dat zij bij het douanekantoor van Mersin zijn geregistreerd, vraagt verzoekster het Gerecht in de derde plaats de Turkse centrale douaneadministratie uit te nodigen een functionaris aan te wijzen die ter terechtzitting de modellen van de stempels en de handtekeningen die door het douanekantoor van Mersin gedurende het litigieuze tijdvak zijn gebruikt, alsmede de registers moet vertonen en informatie moet verstrekken over de onechtheid dan wel onregelmatigheid van de litigieuze certificaten.
319 Verzoekster voert in dit verband de tussen de partijen bij de associatieovereenkomst overeengekomen wederzijdse bijstand aan. Zij beklemtoont met name dat de communautaire en de Turkse autoriteiten elkaar ingevolge artikel 29 van besluit nr. 1/95, juncto bijlage 7 daarbij, en artikel 15 van besluit nr. 1/96, wederzijdse bijstand verlenen bij de controle van de echtheid en de juistheid van de A.TR.1-certificaten. Artikel 12 van bijlage 7 bij besluit nr. 1/95 bepaalt voorts dat de ambtenaren van de aangezochte autoriteit als getuige of deskundige optreden voor de rechter van een andere overeenkomstsluitende partij en voor de procedure noodzakelijke bescheiden of voor echt gewaarmerkte afschriften van bescheiden overleggen.
320 De Commissie meent dat verzoeksters verzoeken betreffende de overlegging van de litigieuze certificaten en de controle daarvan door een deskundige moeten worden afgewezen, omdat uitsluitend de Turkse autoriteiten bevoegd zijn om de echtheid van de certificaten te constateren.
321 Zo moet ook het verzoek om getuigenis van een Turkse douanebeambte te horen niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de Turkse douaneadministratie volgens de Commissie haar verklaringen betreffende de litigieuze certificaten reeds verschillende keren heeft bevestigd.
322 Wat het verzoek om toezending van de stukken uit de registers van het douanekantoor van Mersin betreft, betoogt de Commissie dat dit eveneens niet-ontvankelijk is, omdat het geen gevolgen heeft aangezien de Commissie erop heeft gewezen dat het mogelijk was dat er 32 echte certificaten hebben bestaan en dat zij voor de vervalsers als model hebben gediend voor de opstelling van de litigieuze certificaten.
2. Beoordeling door het Gerecht
323 Wat de verlangde maatregelen van instructie betreft, volgt uit vaste rechtspraak dat het aan het Gerecht staat om te beoordelen, of maatregelen van instructie nuttig zijn voor de beslechting van het geschil (arrest Gerecht van 16 mei 2001, Toditec/Commissie, T‑68/99, Jurispr. blz. II‑1443, punt 40).
324 In casu moet worden vastgesteld dat de Turkse autoriteiten, zoals de Commissie opmerkt, duidelijk hebben gesteld dat de litigieuze certificaten vervalst waren. In het licht van de gegevens van het dossier en gelet op de door verzoekster aangevoerde grieven, blijkt dus dat dergelijke maatregelen om te bewijzen dat het om echte documenten gaat, relevant noch noodzakelijk zijn om in het onderhavige geding uitspraak te doen. Zij behoeven derhalve niet te worden gelast. Verzoeksters verzoeken betreffende de overlegging van de litigieuze certificaten en de controle daarvan door een deskundige moeten bijgevolg worden afgewezen.
C – Bewijsaanbiedingen
1. Argumenten van partijen
325 Verzoekster biedt als bewijs voor de verschillende aangevoerde feiten het horen van een getuige aan, Th. Nothelfer, werkzaam bij de vennootschap Steinhauser, die in het betrokken tijdvak verantwoordelijk was voor met name de inkoop van vruchtensapconcentraten in Turkije, en die tijdens zijn verblijf in Turkije gedurende de eerste helft van april 1999 verschillende gesprekken heeft gevoerd met de Turkse autoriteiten. Zij biedt tevens getuigenissen aan van professor G. Merke, die Nothelfer tijdens zijn reis in Turkije heeft vergezeld.
326 Om te bewijzen dat de litigieuze certificaten authentieke documenten zijn, biedt verzoekster om te beginnen de getuigenis van Nothelfer aan. Volgens deze getuigenis hebben de bevoegde douanebeambten van Mersin erkend dat de gebruikte stempels nauwelijks leesbaar waren en dat de Turkse centrale douaneautoriteit hun, ondanks hun verzoeken, al meer dan een jaar geen nieuwe had verstrekt.
327 Om te bewijzen dat de litigieuze certificaten door het douanekantoor van Mersin waren geregistreerd, biedt verzoekster vervolgens de getuigenis van Nothelfer aan, waarin hij verklaart dat hij deze registers heeft gezien. Nothelfer kan tevens verklaren dat hij tijdens een onderhoud met de bevoegde douanebeambte te Mersin heeft verzocht dat hem een kopie van de pagina’s van het register ter beschikking werd gesteld waarop de nummers van de 32 beweerdelijk valse A.TR.1-certificaten vermeld staan, doch dat de douanebeambte, na hierin te hebben toegestemd, hem geen enkele kopie heeft verstrekt.
328 Ten bewijze van de echtheid van de litigieuze certificaten biedt verzoekster voorts de getuigenissen van Nothelfer en Merke aan, volgens welke Nothelfer tijdens een bijeenkomst met de Turkse centrale douaneadministratie te Ankara in april 1999 erop heeft gewezen dat, volgens de informatie die hij had verkregen, alle A.TR.1-certificaten (onregelmatig dan wel onecht) door de douaneadministratie waren geviseerd en geregistreerd. De vertegenwoordiger van de centrale douaneautoriteit van Ankara heeft hem geantwoord dat een strafrechtelijk onderzoek was gelast om de documenten te verifiëren.
329 Teneinde bovendien te bewijzen dat de Turkse autoriteiten de inhoud en het belang van de voorschriften inzake de preferentiële regeling en inzake de oorsprong van goederen niet begrepen, biedt verzoekster de getuigenis van Nothelfer en Merke aan over hun onderhoud met Dogran van het bureau Economische zaken van de Turkse minister-president. Deze getuigenis dient ook om te bewijzen dat de UCLAF de Turkse autoriteiten pas laat hebben ingelicht over het belang van de preferentiële regels en van de verplichting om deze te eerbiedigen.
330 Ten bewijze van de schending door de Commissie van haar plicht om de importeurs te waarschuwen, biedt verzoekster ten slotte als bewijs aan een „inlichting van de Europese Commissie en een inlichting van het Europees Parlement”, die verband houden met onregelmatigheden betreffende certificaten van oorsprong in Turkije voor verschillende producten.
331 De Commissie meent dat de bewijsaanbiedingen in verband met de registers die door het douanekantoor van Mersin worden gevoerd, niet ter zake doende zijn. Ten eerste schrijven de relevante teksten van de associatieovereenkomst niet voor dat dergelijke registers worden gevoerd. Ten tweede voert de Commissie aan dat de Turkse douaneautoriteiten de 32 A.TR.1-certificaten voor andere partijen dan de in casu litigieuze leveringen hebben kunnen afgeven.
332 Wat de gesprekken van verzoeksters vertegenwoordigers met de Turkse autoriteiten betreft, meent de Commissie dat zij de geloofwaardigheid van de conclusies die zij hadden doorgegeven, versterken, en dus irrelevant zijn. Voorts staat de Commissie op het standpunt dat de verklaring van Nothelfer dat bepaalde leden van de staf van de minister-president de regeling op het gebied van oorsprong en preferentiële tarieven niet kenden, niet relevant is, aangezien het er in wezen om gaat dat de douanediensten die regels kennen.
2. Beoordeling door het Gerecht
333 Betreffende de door verzoekster geformuleerde bewijsaanbiedingen, kan worden volstaan met vast te stellen dat deze, gelet op het voorgaande (zie met name de punten 150 e.v., 161 e.v., 216 en 276 hierboven), alle niet ter zake doend zijn. Daaraan behoeft derhalve geen gevolg te worden gegeven.
Kosten
334 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Verzoekster wordt verwezen in de kosten.
Vilaras
Martins Ribeiro
Jürimäe
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 6 februari 2007.
De griffier
De president van de Vijfde kamer
E. Coulon
M. Vilaras
Inhoud
Toepasselijke bepalingen
A – Regeling inzake het preferentiële stelsel
1. Tijdens de overgangsfase geldende regeling
2. Tijdens de definitieve fase geldende regeling
B – Douanevoorschriften
1. Regeling inzake de kwijtschelding van douanerechten
2. Regeling betreffende de oorsprongregels
C – Regeling inzake de vertrouwelijkheid van bepaalde documenten
Feiten
A – Litigieuze importen
B – Strafrechtelijke en administratieve procedure voor de Italiaanse en de communautaire autoriteiten
C – Certificaat D 437214
Procesverloop en conclusies van partijen
In rechte
A – Eerste middel: schending van het recht van verweer
1. Argumenten van partijen
2. Beoordeling door het Gerecht
B – Tweede middel: schending van artikel 239 CDW
1. A.TR.1‑certificaat inzake goederenverkeer D 437214
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Gerecht
2. Aan de Turkse autoriteiten toe te rekenen tekortkomingen
a) Specimens van de stempels en handtekeningen
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
– Opmerkingen vooraf
– Ten gronde
b) Registratie van de certificaten door de Turkse autoriteiten
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
c) Medewerking van de Turkse douaneautoriteiten
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
d) Schending van de voorschriften inzake administratieve bijstand
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
e) Bijkomende aanwijzingen
Verzoeksters argumenten
Beoordeling door het Gerecht
3. Aan de Europese Commissie toe te rekenen tekortkomingen
a) Ontbreken van regelmatig toezicht op de preferentiële regeling
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
b) Niet-toezenden van de specimens van de stempels en handtekeningen
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
c) Schending van de verplichting om de importeurs tijdig te waarschuwen
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
d) Onjuiste beoordeling van de feiten bij de onderzoeken in Turkije
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
4. Ontbreken van klaarblijkelijke nalatigheid van verzoekster en risicobeoordeling
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Gerecht
C – Derde middel: schending van artikel 220, lid 2, sub b, CDW
1. Argumenten van partijen
2. Beoordeling door het Gerecht
Verlangde maatregelen tot organisatie van de procesgang en maatregelen van instructie
A – Overlegging van stukken uit het administratieve dossier
1. Argumenten van partijen
2. Beoordeling door het Gerecht
B – Overige maatregelen van instructie
1. Argumenten van partijen
2. Beoordeling door het Gerecht
C – Bewijsaanbiedingen
1. Argumenten van partijen
2. Beoordeling door het Gerecht
Kosten
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy